top of page

Box 3 vs België: waar groeit uw vermogen sneller?

In het kort

  • België belast dividenden tegen 30%, hanteert een meerwaardebelasting van 10% met een vrijstelling van 10.000 euro en rekent een beurstaks en effectentaks van 0,15%.

  • Nederland kent geen beurstaks of effectentaks, maar belast vermogen in box 3 tegen 36 procent en wil vanaf 2028 ook ongerealiseerde koerswinsten jaarlijks belasten.

  • De verschillen in vrijstellingen, tarieven en timing van belastingheffing hebben grote gevolgen voor liquiditeit, compounding en lange termijn vermogensopbouw.


De fiscale behandeling van vermogen staat zowel in België als in Nederland onder druk. Overheden zoeken naar extra inkomsten, terwijl beleggers proberen hun netto rendement te beschermen. De vraag welke van de twee landen vandaag het meest beleggersvriendelijk is, is relevanter dan ooit. België heeft een meerwaardebelasting van 10 procent ingevoerd en kent al jaren een stevige dividendbelasting en transactietaks. Nederland staat op het punt box 3 fundamenteel te hervormen, waarbij werkelijk rendement en zelfs ongerealiseerde koerswinsten jaarlijks kunnen worden belast.


Het verschil zit niet alleen in percentages, maar vooral in de structuur van het systeem. België werkt met afzonderlijke heffingen op dividenden, meerwaarden, transacties en grote effectenrekeningen. Nederland kiest voor één geïntegreerde vermogensheffing via box 3. Die verschillende aanpak leidt tot uiteenlopende gevolgen voor liquiditeit, compounding en lange termijn vermogensopbouw.


Belgische fiscaliteit, hoge dividendbelasting maar gematigde meerwaarde

België belast dividenden via een roerende voorheffing van 30 procent. Deze wordt aan de bron ingehouden, waardoor een bruto dividend van 10.000 euro resulteert in 7.000 euro netto. Voor kleinere beleggers bestaat een beperkte vrijstelling op een eerste schijf dividenden, maar voor wie structureel hogere inkomsten ontvangt, blijft de druk aanzienlijk. In vergelijking met Nederland, waar dividenden in box 3 niet afzonderlijk tegen een vast hoog tarief worden belast, is dit een duidelijk nadeel voor Belgische dividendbeleggers.


30% belasting op dividenden, met 833 euro vrijstelling per jaar:

30% belasting op dividenden, met 833 euro vrijstelling per jaar
Bron: KBC

De invoering van een meerwaardebelasting van 10 procent heeft het Belgische fiscale voordeel voor koerswinsten grotendeels genormaliseerd. Waar gerealiseerde meerwaarden onder 'normaal vermogensbeheer' voorheen onbelast bleven, wordt winst bij verkoop nu belast, al geldt er een robuuste jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro (geïndexeerd). Voor de kleinere belegger die zijn winsten spreidt, blijft de effectieve druk hierdoor vaak nihil, wat een fundamenteel verschil is met het Nederlandse Box 3-stelsel, waar men jaarlijks over de totale waarde van het bezit betaalt, ongeacht of er een verkoop plaatsvindt.


Daarnaast blijft de Belgische taks op beursverrichtingen (TOB) een unieke kostenpost die in Nederland volledig ontbreekt voor particulieren. Met tarieven van 0,35 procent voor aandelen en tot 1,32 procent voor bepaalde kapitaliserende fondsen telkens verschuldigd bij zowel aankoop als verkoop fungeert deze taks als een directe rem op het netto rendement. Deze belasting op de 'beweging' van kapitaal maakt actief handelen of frequent herbalanceren in België aanzienlijk duurder dan in Nederland, waar de fiscus uitsluitend de 'toestand' van het vermogen belast.


Overzicht van de Belgische taks op beursverrichtingen (TOB):

Overzicht van de Belgische taks op beursverrichtingen (TOB):
Bron: Wikifin

Vervolg van de Belgische taks op beursverrichtingen (TOB):

Vervolg van de Belgische taks op beursverrichtingen (TOB):
Bron: Wikifin

Voor grotere vermogens is er bovendien de effectentaks van 0,15 procent op effectenrekeningen met een gemiddelde waarde boven 1 miljoen euro. Zodra de drempel wordt overschreden, geldt het tarief op de volledige waarde van de rekening. Dit is een expliciete jaarlijkse vermogensheffing die losstaat van behaalde rendementen. Nederland kent geen aparte effectentaks, maar belast het volledige vermogen via box 3.


Nederland, box 3 als geïntegreerde vermogensbelasting

In Nederland wordt vermogen belast in box 3 boven een heffingsvrij bedrag van 59.357 euro per persoon, of 118.714 euro voor fiscale partners. Dit heffingsvrije vermogen is relatief ruim in vergelijking met België, waar geen algemene vrijstelling voor vermogen bestaat maar enkel specifieke vrijstellingen zoals de 10.000 euro voor meerwaarden.


In 2026 werkt box 3 nog met forfaitaire rendementen. Voor aandelen en andere beleggingen wordt uitgegaan van een fictief rendement van 6,00 procent. Over dat bedrag wordt 36 procent belasting geheven. Dat komt neer op een effectieve druk van ongeveer 2,16 procent per jaar over het belastbare vermogen. Deze heffing is verschuldigd ongeacht het werkelijke rendement en ongeacht of er dividend wordt ontvangen of winst wordt gerealiseerd.

Nederland kent geen aparte dividendbelasting binnen box 3 zoals België die hanteert. Evenmin bestaat er een beurstaks of specifieke effectentaks. De eenvoud van het systeem is voor veel beleggers een voordeel. Er is één jaarlijkse heffing en geen afzonderlijke belastingmomenten bij verkoop van aandelen of bij transacties.


Toch staat het systeem onder druk. Vanaf 2028 wil Nederland overstappen op een heffing op werkelijk rendement. Dat betekent dat rente, dividend en koerswinsten worden belast tegen 36 procent. Cruciaal is dat ook ongerealiseerde koerswinsten in de heffing kunnen worden betrokken via een vermogensaanwasbenadering. Dat maakt het systeem ingrijpend anders dan het Belgische model.


Tweede Kamer stemt in met hervorming box 3:

Tweede Kamer stemt in met hervorming box 3
Bron: Tweede kamer

Werkelijk rendement en liquiditeit, waar zit de pijn?

Het meest controversiële element van de Nederlandse hervorming is de belasting op ongerealiseerde koerswinsten. Stel dat een belegger 300.000 euro belegt en de portefeuille stijgt met 10 procent naar 330.000 euro. De waardestijging van 30.000 euro kan tegen 36 procent worden belast, wat neerkomt op 10.800 euro belasting. Als het dividend slechts 3.000 euro bedraagt, moet het verschil worden betaald uit spaargeld of door verkoop van beleggingen.


In België zou in een vergelijkbaar scenario geen meerwaardebelasting verschuldigd zijn zolang de winst niet wordt gerealiseerd en zolang de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro niet wordt overschreden. Dat verschil in timing is fundamenteel. Het Nederlandse systeem kan leiden tot belasting zonder directe cashflow, terwijl het Belgische systeem belasting koppelt aan een concreet verkoopmoment.

Voor lange termijn beleggers die hun vermogen willen laten groeien zonder tussentijdse verkoop, is dit een cruciaal onderscheid. Jaarlijkse belasting op papieren winsten kan het rente op rente effect sterk afremmen. België belast uiteindelijk ook meerwaarden, maar tegen een lager tarief van 10 procent en pas bij realisatie boven de vrijstelling.


Hoge vermogens, wie is zwaarder?

Bij grotere vermogens wordt de vergelijking complexer. Een Belgische belegger met een effectenrekening van 2 miljoen euro betaalt jaarlijks 0,15 procent effectentaks, dus 3.000 euro, ongeacht het rendement. Daarnaast worden dividenden belast tegen 30 procent en gerealiseerde meerwaarden boven 10.000 euro tegen 10 procent. De beurstaks verhoogt de kosten bij transacties.


In het Nederlandse stelsel van 2026 is de belastingdruk op grotere vermogens structureel en recurrent. Door het forfaitaire rendement van 6% tegen een tarief van 36% betaalt een belegger met 2 miljoen euro jaarlijks ruim 41.000 euro belasting, ongeacht de feitelijke cashflow of realisatie van winst. Met de verschuiving naar een stelsel op basis van werkelijk rendement kan de fiscus in sterke beursjaren zelfs 36% van de totale vermogensaanwas opeisen. Deze 'papieren' belasting op niet-gerealiseerde winsten drukt zwaar op het netto-rendement, aangezien de heffing elk jaar opnieuw de kapitaalbasis aantast.


Nieuw voorstel box 3 remt het rente op rente effect sterk af:

Nieuw voorstel box 3 remt het rente op rente effect sterk af:
Bron: FCU

België hanteert daarentegen een transactiegebonden systeem dat gunstiger is voor de langetermijnbelegger. Bij gebrek aan een jaarlijkse vermogensbelasting op koerswinsten kan kapitaal decennialang ongestoord samengesteld renderen. Hoewel België diverse deeltaksen kent, blijven de totale kosten door de gematigde meerwaardebelasting van 10% en de ruime vrijstellingen vaak beperkt. Waar Nederland de 'omvang' van het succes jaarlijks belast, richt de Belgische fiscus zich primair op de 'vruchten' en de 'beweging' van kapitaal, wat een passieve beleggingsstrategie fiscaal superieur maakt.


Rekenvoorbeeld over 20 jaar bij 9% rendement

Om het verschil concreet te maken nemen we één scenario. Startkapitaal van 500.000 euro, volledig belegd, gemiddeld bruto rendement 9 procent per jaar, waarvan 2 procent dividend en 7 procent koersgroei. Alles wordt herbelegd, er zijn geen tussentijdse onttrekkingen.


In België wordt jaarlijks 30 procent belasting betaald op het dividend. De koersgroei van 7 procent wordt niet belast zolang er niet wordt verkocht. De meerwaardebelasting van 10 procent speelt pas bij realisatie, met een jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro die kleinere of gespreide verkopen deels kan opvangen.


In Nederland wordt onder het nieuwe box 3 stelsel 36 procent geheven op het volledige werkelijke rendement van 9 procent, inclusief de niet gerealiseerde koersgroei. Dat betekent dat elk jaar een aanzienlijk deel van de totale vermogensaanwas wordt afgeroomd.


Onderstaande vereenvoudigde vergelijking toont het effect over twintig jaar:

Kenmerk

België

Nederland nieuwe box 3

Startvermogen

€500.000

€500.000

Bruto rendement

9%

9%

Jaarlijkse belasting

30% op dividend

0% op UPL

36% op volledig rendement

Netto groeivoet benaderd

± 8,4%

± 5,8%

Vermogen na 20 jaar

± €2.500.000

± €1.550.000

Door het hogere bruto rendement wordt het effect van jaarlijkse belasting op de volledige aanwas in Nederland zwaarder. Het verschil in netto groeivoet van ruim 2,5 procentpunt per jaar vertaalt zich over twintig jaar in bijna een miljoen euro verschil.


Wel moet worden benadrukt dat in België bij uiteindelijke verkoop nog 10 procent meerwaardebelasting verschuldigd is boven de vrijstelling van 10.000 euro. Die eindheffing is in dit vereenvoudigde voorbeeld niet meegerekend en zal het verschil dus verkleinen. Bovendien is het niet uitgesloten dat het Belgische tarief in de toekomst stijgt.


Toch blijft het kernpunt overeind: belasting die pas bij realisatie wordt geheven, zelfs aan 10 procent, weegt op lange termijn doorgaans lichter dan een jaarlijkse heffing van 36 procent op de volledige vermogensaanwas. Tijd en uitstel maken bij vermogensgroei een wereld van verschil.


Box 3 versus België: waar wint de belegger echt?

Uiteindelijk draait de vergelijking tussen België en Nederland niet alleen om tarieven, maar om timing. België belast dividenden zwaar en rekent een beurstaks en effectentaks aan, maar laat koerswinsten in principe met rust tot het moment van verkoop, met een vrijstelling van 10.000 euro per jaar.


Nederland kiest vandaag nog voor een forfaitair box 3 stelsel, maar wil vanaf 2028 overstappen naar een systeem op basis van werkelijk rendement, waarbij 36 procent wordt geheven en ook ongerealiseerde vermogensaanwas in de heffing kan worden betrokken. Dat betekent dat de jaarlijkse belastingdruk op papieren winsten pas vanaf die hervorming een realiteit wordt, maar het beleidsvoornemen ligt wel duidelijk op tafel.


Voor actieve traders en uitgesproken dividendbeleggers is België niet automatisch voordeliger. Voor langetermijnbeleggers die vooral inzetten op groei en het rente op rente effect maximaal willen benutten, lijkt het Belgische systeem vandaag meer ruimte te bieden. Het verschil zit minder in het nominale tarief en meer in het feit dat uitstel van belasting doorgaans krachtiger werkt dan jaarlijkse afroming.


Wie puur kijkt naar vermogensgroei over twintig jaar, ziet dat fiscale timing het verschil kan maken tussen een goed resultaat en een uitzonderlijk resultaat. In die context oogt België momenteel iets beleggersvriendelijker voor de geduldige groeibelegger, terwijl Nederland eenvoudiger is maar bij sterke rendementen zwaarder kan doorwegen.


Advertorial

Wie zijn netto rendement wil maximaliseren, kan naast fiscale optimalisatie ook kritisch kijken naar transactiekosten en valutakosten. Zeker in een omgeving waarin belastingdruk en timing een steeds grotere rol spelen, telt iedere basispunt aan kosten direct mee in het uiteindelijke vermogensresultaat.


MEXEM is door Brokerskiezen.nl uitgeroepen tot beste allround broker van 2025 en biedt beleggers de mogelijkheid om internationaal te handelen tegen valutakosten van slechts 0,005 procent, tegenover 0,25 procent bij DEGIRO en SAXO Bank. Dat verschil kan voor de gemiddelde belegger oplopen tot honderden tot duizenden euro’s per jaar, afhankelijk van portefeuilleomvang en handelsfrequentie. Daarmee geldt MEXEM voor veel beleggers als de meest complete keuze voor wie lage kosten en internationale spreiding belangrijk vindt.


 
 
 

Net binnen..

Meld je aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief!

Bedankt voor het abonneren!

Copyright © 2026 •

Alle rechten voorbehouden - Amsterdam - 0619930051

Disclaimer
Let op: Beleggen brengt risico's met zich mee. Je kan (een deel van) je inleg verliezen. Niets hier mag worden beschouwd als financieel advies.. Voor advies over je persoonlijke situatie kun je het beste een adviseur inschakelen.

  • Instagram
  • Twitter
  • LinkedIn
  • YouTube
bottom of page