Beleggen in Box 3 of via een BV? Dit is wat er écht op het spel staat
- Michiel V
- 2 uur geleden
- 12 minuten om te lezen
De discussie over beleggen in Box 3 of via een BV is de afgelopen jaren verschoven van discussie voor zeer vermogenden naar een concrete strategische keuze voor particuliere beleggers. Dat komt niet doordat het tarief ineens spectaculair is veranderd, maar doordat het systeem zelf fundamenteel in beweging is. Wie de komende tien tot twintig jaar vermogen wil laten groeien, moet niet alleen nadenken over rendement, maar ook over de manier waarop dat rendement fiscaal wordt behandeld. Het verschil tussen jaarlijks afrekenen en belasting kunnen uitstellen kan op lange termijn enorme impact hebben op je vermogen.
Daar komt bij dat veel particuliere beleggers inmiddels vermogens hebben opgebouwd van één of meerdere tonnen. In dat bereik begint de jaarlijkse Box 3 heffing echt voelbaar te worden. Tegelijkertijd zijn de plannen richting 2028 om Box 3 te baseren op werkelijk rendement een fiscale nachtmerrie. Voor beleggers kan dat betekenen dat belasting verschuift van een forfaitaire benadering naar een systeem waarbij ook ongerealiseerde koerswinsten jaarlijks worden belast. Dat maakt de keuze voor een BV ineens veel relevanter.
In dit artikel lees je uitgebreid hoe Box 3 in 2026 werkt, wat er richting 2028 verandert, hoe een beleggings BV fiscaal functioneert, wat de voor en nadelen zijn en vanaf welk vermogen het in de praktijk interessant kan worden. Daarnaast werken we meerdere rekenvoorbeelden uit, zodat je na het lezen niet alleen de verschillen begrijpt, maar ook een betere keuze kunt maken voor jezelf.
Hoe Box 3 in 2026 werkelijk werkt
Voor we de diepte in gaan, is het belangrijk om een stap terug te zetten en te kijken hoe Box 3 nu eigenlijk werkt. In 2026 wordt Box 3 nog steeds berekend op basis van forfaitaire rendementen. Dat betekent dat de Belastingdienst niet kijkt naar wat jij daadwerkelijk hebt verdiend, maar naar een verondersteld rendement per categorie.
Het systeem maakt onderscheid tussen spaargeld, overige bezittingen zoals aandelen en ETFs, en schulden. Voor spaargeld geldt in 2026 bijvoorbeeld een forfaitair rendement van 1,28 procent. Voor overige bezittingen geldt 6,00 procent. Over dat rendement betaal je vervolgens 36 procent belasting.
Daarnaast heb je een heffingsvrij vermogen van 59.357 euro per persoon. Fiscale partners hebben samen 118.714 euro vrijgesteld. Dat betekent dat je pas belasting betaalt over het vermogen boven deze grens. Dit heffingsvrije deel maakt bij lagere vermogens een groot verschil in de effectieve belastingdruk.
Om het concreet te maken, stel dat je alleenstaand bent en 300.000 euro volledig belegd hebt in aandelen en ETFs. Dan trek je eerst 59.357 euro af. Over de resterende 240.643 euro wordt 6 procent fictief rendement berekend. Dat is ongeveer 14.438 euro. Over dat bedrag betaal je 36 procent belasting, wat neerkomt op circa 5.198 euro per jaar. Dit bedrag betaal je ongeacht of je werkelijk 6 procent rendement hebt behaald of misschien maar 3 procent. Zelfs als je nauwelijks dividend ontvangt en niets verkoopt, blijft de heffing bestaan.
Effectief betekent dit dat bij een portefeuille die volledig uit beleggingen bestaat, de jaarlijkse belastingdruk ongeveer 2,16 procent bedraagt over het belastbare deel. Dat is 6 procent maal 36 procent. Met het heffingsvrij vermogen kom je zelfs net onder de 2% terecht. Dit percentage lijkt misschien beperkt, maar over meerdere jaren kan het een stevige rem zetten op het rente op rente effect.
Wat verandert er richting 2028?
Het nieuwe Box 3 stelsel dat gepland staat voor 2028 gaat uit van werkelijk rendement. Dat betekent dat niet langer een fictief percentage wordt gehanteerd, maar dat dividend, huurinkomsten en in veel gevallen ook koerswinsten worden belast op basis van de daadwerkelijke opbrengst. Ook ongerealiseerde koerswinsten worden onderdeel van de heffing.
Het tarief blijft 36 procent, maar de grondslag verandert fundamenteel. In plaats van belasting op een fictief rendement verschuift het systeem naar een vorm van vermogensaanwasbelasting. Als jouw aandelen in een jaar 10 procent stijgen en je verkoopt niets, kan die waardestijging toch belast worden. Je betaalt dan belasting over een papieren winst.
Dat klinkt op het eerste gezicht logisch. Werkelijk rendement belasten voelt eerlijker dan een fictief percentage. Maar in de praktijk ontstaan er drie grote spanningsvelden die vooral voor de middenklasse zwaar kunnen wegen.
1. Belasting betalen zonder cashflow
De eerste en meest tastbare problematiek is liquiditeit. Stel dat je 300.000 euro hebt belegd in een wereldwijde ETF en de markt stijgt 10 procent. Je portefeuille groeit naar 330.000 euro. Je hebt niets verkocht en je ontvangt bijvoorbeeld slechts 1 procent dividend, dus 3.000 euro.
Onder een aanwasbelasting wordt de waardestijging van 30.000 euro belast. Tegen 36 procent betekent dat 10.800 euro belasting. Je werkelijke cashontvangst was echter slechts 3.000 euro dividend. De belastingclaim overstijgt in dit voorbeeld je ontvangen inkomsten ruimschoots.
Je hebt dan grofweg drie opties. Je moet aandelen verkopen om belasting te betalen. Je moet spaargeld aanspreken. Of je moet elders liquiditeit organiseren. Dat betekent dat de fiscus feitelijk afdwingt dat je jaarlijks een deel van je portefeuille liquide maakt.
Voor vermogende beleggers met ruime buffers is dat vervelend maar beheersbaar. Voor middenklasse beleggers die zorgvuldig vermogen opbouwen naast hun inkomen, kan dit structureel druk geven. Het ondermijnt het idee van rustig opbouwen en laten renderen.
2. Compounding wordt structureel afgeremd
Het tweede probleem is het effect op vermogensgroei op lange termijn. Vermogensopbouw werkt het krachtigst wanneer rendement kan blijven doorrollen zonder onderbreking. Dat is het rente op rente effect.
Wanneer jaarlijks 36 procent van de waardestijging wordt afgeroomd, wordt het groeitempo structureel verlaagd. Stel dat je gemiddeld 7 procent per jaar behaalt. Als je daar effectief jaarlijks een aanzienlijk deel van moet afdragen, zakt je netto rendement enorm. Maak daarbij nog een correctie voor inflatie en je komt met een marktconform netto uit op slechts 2%.
Voor mensen die vermogen willen opbouwen uit arbeid en daarbovenop jaarlijks sparen en beleggen, betekent dit dat het veel langer duurt om financiële onafhankelijkheid te bereiken. De drempel verschuift naar boven. Je moet meer inleggen om hetzelfde eindresultaat te behalen.
Voor de middenklasse, die vaak geen ondernemingsstructuren of internationale mogelijkheden heeft om fiscaal te optimaliseren, werkt dit relatief zwaarder dan voor zeer vermogenden.
3. Volatiliteit wordt fiscaal risicovol
Een derde complicatie is volatiliteit. Beleggingen bewegen niet in een rechte lijn. Stel dat je portefeuille in jaar 1 met 15 procent stijgt en in jaar 2 met 15 procent daalt. Economisch sta je na twee jaar ongeveer gelijk.
Onder een aanwasbelasting betaal je in jaar 1 belasting over de 15 procent stijging. In jaar 2 krijg je mogelijk een verliesverrekening, maar de timing werkt tegen je. Je hebt belasting betaald in goede jaren, terwijl het verlies pas later wordt gecompenseerd.
Voor beleggers met een lange horizon betekent dit dat het fiscale systeem meebeweegt met marktpieken en dalen. Dat maakt het moeilijker om rustig te blijven zitten tijdens sterke stijgingen, omdat elke stijging direct een belastingclaim oproept.
Waarom dit juist de middenklasse raakt
De middenklasse bouwt vermogen meestal op uit inkomen uit arbeid. Dat inkomen is al belast in Box 1. Vervolgens wordt het resterende spaargeld belegd in Box 3. Als daar jaarlijks een zware heffing op waardestijging bovenop komt, wordt het traject van vermogensopbouw dubbel afgeroomd.
Zeer vermogenden hebben vaker toegang tot alternatieve structuren zoals BV’s, familiefondsen of internationale planning. Ondernemers kunnen winst in de onderneming laten zitten. De middenklasse belegt doorgaans in privé in Box 3 en heeft minder flexibiliteit.
Hoe beleggen via een BV fiscaal werkt
Wanneer je via een BV belegt, verschuift de belastingheffing van Box 3 naar de vennootschapsbelasting. De BV betaalt belasting over haar winst. In 2026 bedraagt de vennootschapsbelasting 19 procent over de eerste 200.000 euro winst en 25,8 procent daarboven. Winst bestaat uit ontvangen dividend, rente en gerealiseerde koerswinsten.

Zolang winst in de BV blijft, betaal je als aandeelhouder geen inkomstenbelasting. Pas wanneer je geld uit de BV haalt in de vorm van dividend, betaal je Box 2 belasting. In 2026 bedraagt het Box 2 tarief 24,5 procent tot 68.843 euro en 31 procent daarboven. Het cruciale verschil is dus dat je via een BV belasting in privé kunt uitstellen zolang je geen dividend uitkeert.
Dat uitstel is vaak het belangrijkste voordeel van een beleggings BV. Vermogen kan binnen de BV blijven groeien zonder dat jaarlijks een tweede heffingslaag wordt geactiveerd. Zeker bij lange beleggingshorizons kan dat effect aanzienlijk zijn. Het nadeel is uiteraard dat je te maken krijgt met extra administratieve verplichtingen, jaarrekeningkosten en fiscale complexiteit.
Voor en nadelen van beleggen via een BV in 2026
Het grootste voordeel van beleggen via een BV in 2026 is het uitstel van de tweede heffingslaag. De BV betaalt vennootschapsbelasting over haar winst, maar zolang je geen dividend uitkeert, betaal je als aandeelhouder geen Box 2 belasting. Dat betekent dat vermogen binnen de BV kan doorgroeien zonder dat jaarlijks een tweede belastingmoment plaatsvindt. Dit uitstel kan over een lange beleggingshorizon een aanzienlijk verschil maken.
Een tweede voordeel is flexibiliteit in timing. Je kunt zelf bepalen wanneer je dividend uitkeert en wanneer niet. In jaren waarin je privé minder geld nodig hebt, kun je ervoor kiezen om niets uit te keren en het volledige bedrag in de BV te laten renderen. Dit geeft meer regie over je belastingmomenten dan in Box 3, waar de heffing jaarlijks plaatsvindt ongeacht je persoonlijke situatie.
Daarnaast kan een BV interessant zijn voor beleggers die hun vermogen willen structureren binnen een bredere ondernemingscontext, bijvoorbeeld wanneer er al een holdingstructuur bestaat. In dat geval kunnen schaalvoordelen ontstaan doordat vaste kosten relatief lager uitvallen.
Daar tegenover staan duidelijke nadelen. Een BV brengt vaste kosten en administratieve verplichtingen met zich mee. Denk aan boekhouding, jaarrekening, aangifte vennootschapsbelasting en eventueel advieskosten. Deze kosten drukken relatief zwaar bij kleinere vermogens.
Daarnaast krijg je bij uitkering te maken met twee heffingslagen. Eerst betaalt de BV vennootschapsbelasting over de winst. Vervolgens betaal je als aandeelhouder Box 2 belasting over het uitgekeerde dividend. Wanneer je structureel grote bedragen naar privé wilt halen, kan de gecombineerde belastingdruk hoger uitvallen dan in Box 3.
Tot slot brengt een BV meer complexiteit met zich mee. Je moet privé en zakelijk strikt gescheiden houden, rekening houden met fiscale regels rond leningen en dividenduitkeringen en alert blijven op veranderende wetgeving. Dat vraagt discipline en soms professionele begeleiding.
De kern is dat een BV vooral aantrekkelijk is wanneer je het vermogen langere tijd kunt laten zitten en weinig hoeft te onttrekken. Zodra je jaarlijks grote bedragen naar privé wilt halen, verschuift het voordeel vaak weer richting Box 3.
Rekenvoorbeeld 1: €150.000 vermogen
Stel dat je alleenstaand bent en 150.000 euro volledig in beleggingen hebt zitten, bijvoorbeeld in wereldwijde ETFs. In 2026 geldt een heffingsvrij vermogen van 59.357 euro. Dat betekent dat 90.643 euro belastbaar is in Box 3.
Over dat bedrag wordt 6 procent forfaitair rendement berekend. Dat is ongeveer 5.438 euro. Daarover betaal je 36 procent belasting, wat neerkomt op circa 1.958 euro per jaar. De effectieve belastingdruk bedraagt daarmee ongeveer 1,3 procent van je totale vermogen.
Dat lijkt op het eerste gezicht overzichtelijk. Zeker als je bijvoorbeeld 7 procent rendement behaalt, voelt 1,3 procent belasting als “acceptabel”. Toch moet je je realiseren dat dit bedrag elk jaar terugkomt, ongeacht je werkelijke rendement. Het is dus een structurele rem op het compounding effect.
Kijken we naar dezelfde situatie via een BV, dan wordt het beeld anders. Stel dat je 7 procent rendement behaalt, waarvan 2 procent dividend en 5 procent koersgroei. Je ontvangt dan 3.000 euro dividend. De BV betaalt daarover 19 procent vennootschapsbelasting, dus 570 euro. Als je geen dividend uitkeert naar privé, blijft het daarbij. Over de koersgroei betaal je in dit vereenvoudigde voorbeeld nog niets zolang je niet verkoopt.
Op kasbasis lijkt de BV dus voordeliger dan Box 3. In Box 3 betaal je 1.958 euro, in de BV slechts 570 euro aan vennootschapsbelasting. Maar hier komt het doorslaggevende punt: de vaste kosten van een BV. Administratie, jaarrekening, aangifte vennootschapsbelasting en mogelijk advieskosten lopen al snel op tot 1.500 à 2.000 euro per jaar.
Tel je die kosten bij de 570 euro vennootschapsbelasting op, dan kom je uit rond of boven het niveau van Box 3. Bij een vermogen van 150.000 euro drukken die vaste kosten relatief zwaar. Het uitstelvoordeel is simpelweg te klein om de extra complexiteit te rechtvaardigen.
Lange termijn is het verschil bij dit vermogen meestal beperkt. Zelfs als je 20 jaar lang niets uitkeert, blijft de jaarlijkse besparing in de BV relatief klein in verhouding tot de vaste kosten. Bij 150.000 euro is een beleggings BV in de praktijk zelden aantrekkelijk, tenzij er andere zakelijke redenen zijn.

Rekenvoorbeeld 2: €300.000 vermogen, groeigerichte strategie
Nu dezelfde analyse bij 300.000 euro, volledig belegd in aandelen of ETFs en met een groeigerichte strategie. In Box 3 trek je eerst het heffingsvrije vermogen af. Er blijft dan 240.643 euro belastbaar.
Over dat bedrag wordt 6 procent forfaitair rendement berekend, wat neerkomt op ongeveer 14.438 euro. Over dat rendement betaal je 36 procent belasting, dus circa 5.198 euro per jaar. Die 5.198 euro is een jaarlijkse vaste last zolang je vermogen rond dit niveau blijft. Zelfs als je weinig dividend ontvangt en niets verkoopt, blijft deze heffing terugkomen.
In een BV ziet het beeld er anders uit. Stel opnieuw dat je 7 procent rendement behaalt waarvan 2 procent dividend. Dat betekent 6.000 euro dividend per jaar. De BV betaalt daarover 19 procent vennootschapsbelasting, dus 1.140 euro. Zolang je geen dividend uitkeert naar privé, betaal je geen Box 2 belasting.
Op dit niveau begint het verschil duidelijk te worden. Box 3 kost je circa 5.198 euro per jaar. In de BV betaal je 1.140 euro vennootschapsbelasting. Tel je daar bijvoorbeeld 2.000 euro vaste BV kosten bij op, dan kom je uit op ongeveer 3.140 euro totale frictie.
Dat is grofweg 2.000 euro per jaar minder dan in Box 3. Dat verschil lijkt op jaarbasis misschien niet spectaculair, maar op lange termijn kan dit fors oplopen. Stel dat dit verschil 2.000 euro per jaar is en je laat dat verschil zelf ook weer renderen tegen gemiddeld 7 procent. Over 20 jaar kan dat alleen al oplopen tot tienduizenden euro’s extra vermogen.
Daarnaast is er het uitstelvoordeel van Box 2. Zolang je geen dividend uitkeert, wordt de tweede heffingslaag niet geactiveerd. Dat betekent dat het vermogen binnen de BV bruto verder kan doorgroeien. Zeker bij een lange beleggingshorizon en lage privé onttrekkingen kan dit een krachtig effect hebben.

Bij 300.000 euro zie je dus dat een BV serieus interessant kan worden, mits je weinig geld naar privé haalt en bereid bent de extra administratie te dragen.
Rekenvoorbeeld 3: €700.000 vermogen met jaarlijkse onttrekking
Nu een andere situatie. Je hebt 700.000 euro belegd en wilt 30.000 euro per jaar onttrekken om van te leven. In Box 3 trek je het heffingsvrije vermogen af. Er blijft 640.643 euro belastbaar. Over dat bedrag wordt 6 procent forfaitair rendement berekend, wat neerkomt op ongeveer 38.438 euro. Over dat rendement betaal je 36 procent belasting, dus circa 13.838 euro per jaar.
Die 13.838 euro is je jaarlijkse fiscale last. Daarbovenop mag je vrij beschikken over je vermogen. Als je 30.000 euro onttrekt, heeft dat geen extra fiscale consequentie in Box 3.
In een BV is het beeld complexer. Stel dat je 7 procent rendement behaalt waarvan 2 procent dividend. Dat betekent 14.000 euro dividend. Daarover betaalt de BV 19 procent vennootschapsbelasting, dus 2.660 euro.
Maar jij wilt 30.000 euro per jaar naar privé halen. Dat betekent dat de BV meer moet uitkeren dan alleen het netto dividend. De BV zal dus extra winst moeten realiseren, bijvoorbeeld door verkoop van beleggingen. Over die gerealiseerde winst betaalt de BV eerst vennootschapsbelasting.
Vervolgens moet de BV dividend uitkeren aan jou als aandeelhouder. Over dat uitgekeerde bedrag betaal je Box 2 belasting, tegen 24,5 procent of 31 procent afhankelijk van de hoogte. Hierdoor stapelen de heffingen zich op. Eerst vennootschapsbelasting, daarna Box 2.
In deze situatie verdwijnt een groot deel van het uitstelvoordeel. Je activeert namelijk jaarlijks beide heffingslagen. De gecombineerde belastingdruk kan dan hoger uitvallen dan de 36 procent in Box 3, zeker wanneer je boven de eerste Box 2 schijf uitkomt.
Voor mensen die leven van hun portefeuille is Box 3 daarom vaak nog steeds aantrekkelijker. Je betaalt één jaarlijkse heffing, maar geen tweede laag bij onttrekking. De eenvoud werkt hier in je voordeel.

Het lange termijn voordeel van een BV
Het echte voordeel van een BV zit vrijwel altijd in het uitstel van Box 2 en het effect daarvan op lange termijn vermogensgroei. Stel dat je 500.000 euro belegt en jaarlijks 3.000 euro minder belasting betaalt dan in Box 3. Als je dat verschil binnen de BV laat zitten en herbelegt tegen gemiddeld 7 procent, groeit dat verschil zelf ook mee.
Na 20 jaar kan dat oplopen tot een aanzienlijk bedrag, zelfs nadat je later alsnog Box 2 betaalt bij uitkering. Het voordeel zit in de tijdswaarde van geld. Een euro belasting die je pas over twintig jaar betaalt, is economisch veel minder zwaar dan een euro die je vandaag afdraagt.
Daar staat tegenover dat als je structureel jaarlijks moet uitkeren, het uitstelvoordeel grotendeels verdwijnt. Dan wordt de BV vooral een complexere en duurdere route met twee heffingslagen.
De kern is dus niet alleen hoeveel belasting je betaalt, maar wanneer je die belasting betaalt. Bij lage vermogens en hoge onttrekkingen is Box 3 meestal logischer. Bij hogere vermogens, groeigerichte strategieën en lage privé cashbehoefte kan een BV op lange termijn een substantieel voordeel opleveren.
Conclusie
De keuze tussen beleggen in Box 3 of via een BV is geen simpele rekensom op basis van één tarief. Het draait om timing, strategie, omvang van het vermogen en toekomstige wetgeving. Bij vermogens rond 150.000 euro is een BV in de praktijk zelden aantrekkelijk door vaste kosten en complexiteit. Rond 300.000 euro kan het bij een groeigerichte strategie en lage privé onttrekkingen interessant worden. Bij hogere vermogens zoals 700.000 euro verschuift het voordeel sterk afhankelijk van de vraag of je jaarlijks moet leven van je portefeuille of het vermogen langdurig kunt laten staan.
Het fundamentele verschil zit niet alleen in hoeveel belasting je betaalt, maar vooral in wanneer je die betaalt. Uitstel kan op lange termijn een krachtig effect hebben door het rente op rente mechanisme. Tegelijkertijd kan het nieuwe Box 3 stelsel richting 2028 het speelveld opnieuw veranderen, vooral wanneer ongerealiseerde waardestijging jaarlijks wordt belast.
Belangrijk om te benadrukken is dat bovenstaande voorbeelden vereenvoudigd zijn en bedoeld om inzicht te geven in de systematiek. Ze houden geen rekening met alle individuele variabelen zoals verliesverrekening, exacte rendementssamenstelling, fiscale partnerschap, bestaande holdingstructuren of specifieke persoonlijke omstandigheden.
Dit artikel is geen persoonlijk advies, maar een overzicht dat helpt om de verschillen te begrijpen en de juiste vragen te stellen. De fiscale gevolgen kunnen per situatie aanzienlijk verschillen. Bij serieuze vermogens of wanneer je overweegt een BV op te richten, is het verstandig om een gespecialiseerde fiscalist of belastingadviseur in te schakelen die jouw specifieke situatie kan doorrekenen en toekomstbestendig kan structureren.





















































