Waarom klassiek-liberalen box 3 en schenkbelasting als dezelfde fout zien
- J. van den Poll
- 2 uur geleden
- 4 minuten om te lezen
In het kort:
Box 3: Kabinet wil mogelijk belasting heffen op papieren vermogensgroei; besluit volgt op Prinsjesdag.
Liberale kritiek: Klassiek liberalisme verzet zich tegen belasting op niet-gerealiseerd inkomen.
Schenkbelasting: Ambtenaren willen de hogere belastingvrije schenking aan kinderen heroverwegen.
Minister Eelco Heinen wil op Prinsjesdag duidelijk maken of het nieuwe box 3-stelsel wordt aangepast. Dat is geen detail voor fiscalisten, maar een principiële vraag voor iedere belegger: mag de overheid papieren vermogensgroei al belasten voordat die ooit in cash is omgezet? Tegelijk ligt ook de jaarlijkse vrijstelling voor schenkingen van ouders aan kinderen onder vuur. Staatssecretaris Eerenberg kreeg begin maart een evaluatie waarin ambtenaren adviseren de hogere kindvrijstelling te heroverwegen en de schenk- en erfbelasting meer relatieonafhankelijk te maken.
Eelco Heinen wil op Prinsjesdag duidelijk maken of het nieuwe box 3-stelsel wordt aangepast.

Vanuit klassiek-liberaal perspectief horen die twee dossiers bij elkaar. Klassieke liberalen vertrekken immers niet vanuit herverdeling, maar vanuit eigendomsrecht, contractvrijheid en een overheid die terughoudend is tegenover het privéleven van burgers. Belastingen zijn in zo’n visie verdedigbaar voor kerntaken van de staat, maar ze moeten wel voorspelbaar, eenvoudig en zo min mogelijk verstorend zijn. Een belastingstelsel dat een belegger dwingt belasting te betalen over winst die alleen op papier bestaat, schuurt met dat uitgangspunt.
Dat is precies waarom het nieuwe box 3-stelsel zoveel weerstand oproept. In het voorgestelde systeem tellen niet alleen ontvangen rente en dividend mee, maar ook de jaarlijkse waardeontwikkeling van beleggingen en andere bezittingen. Voor beursgenoteerde beleggingen betekent dat in de praktijk dat koersstijgingen jaarlijks in de heffing kunnen vallen, ook als er niets is verkocht.
Dit is het effect voor beleggers en de overheid in box 3 als we ons systeem zouden doorvoeren.

Voor een klassiek-liberaal is dat de verkeerde volgorde. Eerst komt de vraag of inkomen of winst werkelijk beschikbaar is voor de burger, daarna pas de vraag hoeveel de fiscus mag meenemen. Belasting op ongerealiseerde koerswinst draait dat om. De staat behandelt de belegger dan als iemand met een gerealiseerd inkomen, terwijl die in werkelijkheid alleen een fluctuerende marktwaarde ziet. Dat is niet alleen onpraktisch, maar ook principieel twijfelachtig. Belasting hoort aan te sluiten bij draagkracht, niet bij een momentopname op een scherm.
Bovendien raakt zo’n systeem precies het gedrag dat een vrije economie nodig heeft: langetermijndenken, kapitaalvorming en geduld. Wie een familieportefeuille rustig wil aanhouden, of wie wil blijven zitten in een groeibedrijf zonder tussentijds te verkopen, krijgt een sterkere prikkel om liquiditeit vrij te maken voor de fiscus. De overheid wordt daarmee geen neutrale heffer, maar een actor die beleggingsgedrag mee vormgeeft. Verliesverrekening verzacht dat maar gedeeltelijk. Ze neemt de cashflowklem niet weg en evenmin het gevoel dat tijdelijke koersbewegingen te zwaar juridisch worden opgeblazen. De klassiek-liberale voorkeur ligt daarom eerder bij heffing op gerealiseerd rendement, eventueel met een eenvoudiger en lager tarief, dan bij een systeem dat op papier eerlijk oogt maar in de praktijk grilligheid belast.
Diezelfde spanning zie je terug bij belastingvrij schenken. Ouders mogen momenteel jaarlijks een hoger bedrag belastingvrij aan hun kinderen schenken dan aan andere personen. Daarnaast bestaan er nog eenmalig hogere vrijstellingen voor bepaalde doelen, zoals studie.
Ambtenaren van Financiën zetten nu vraagtekens bij juist die hogere jaarlijkse kindvrijstelling. In hun evaluatie stellen zij dat de regeling teruggaat tot het begin van de twintigste eeuw en dat een deel van de oorspronkelijke rechtvaardiging inmiddels minder relevant is geworden. Daarom zou de wetgever volgens hen opnieuw moeten kijken naar de hoogte van de vrijstelling en naar de vraag of het verschil tussen kinderen en andere ontvangers nog wenselijk is.
Een klassiek-liberaal zal ook hier twee reflexen hebben. De eerste is wantrouwen tegen een overheid die familieoverdrachten als probleem begint te zien. Geld dat ouders aan kinderen schenken is doorgaans al eerder belast via arbeid, ondernemerschap of vermogensopbouw. Dat veel schenkingen worden gebruikt als financieel extraatje of om vermogen geleidelijk over te dragen, hoeft vanuit liberaal perspectief helemaal geen verdacht motief te zijn. Het laat vooral zien dat burgers rationeel reageren op prikkels die de overheid zelf heeft gecreëerd.

Maar er is ook een tweede klassiek-liberaal instinct. De wet moet algemeen zijn en niet onnodig privileges stapelen op basis van persoonlijke relaties. Vanuit die gedachte is het best te verdedigen dat een belastingstelsel niet eindeloos onderscheid maakt tussen kind, neef, vriend of buurvrouw. Alleen volgt daar niet automatisch uit dat de staat meer moet belasten. De logischer liberale conclusie is eerder dat de algemene schenkvrijstelling omhoog moet of dat de schenkbelasting eenvoudiger en lichter moet worden, niet dat de ruimte voor vrijwillige overdracht binnen families verder wordt beperkt.
Daar zit ook de politieke les voor het kabinet. Wie box 3 wil hervormen in een klassiek-liberale richting, begint niet met het belasten van papieren winsten. En wie de schenkbelasting wil moderniseren, begint niet met het verkleinen van een relatief bescheiden vrijstelling om een beperkte opbrengst veilig te stellen.
De kern is simpel. Klassieke liberalen zijn niet tegen belasting, maar tegen een staat die zich in het privévermogen van burgers nestelt alsof elk bezit al half publiek bezit is. Precies daarom zullen zij de nieuwe box 3 met grote argwaan bekijken. En precies daarom zullen zij ook moeite hebben met een politiek die belastingvrij schenken vooral ziet als een fiscaal lek in plaats van als een uitdrukking van eigendom, verantwoordelijkheid en familievrijheid.
Zet het kabinet op Prinsjesdag echt een liberale stap, dan kiest het niet voor meer greep op vermogen, maar voor minder fiscale bemoeizucht




































































































































