Hogere studieschuldrente maakt aflossen in 2027 een lastige keuze
In het kort
De studieschuldrente stijgt in 2027 naar 2,70 procent onder SF35 en 3,28 procent onder SF15. Voor oud-studenten die opnieuw vijf jaar vastzetten, kan de werkelijke sprong vanaf nul procent komen. Bij een restschuld van €30.000 en nog 32 aflosjaren geeft 2,70 procent een rekenbedrag van ongeveer €116 per maand, al kan de inkomensgrens de betaling verlagen. Dat maakt extra aflossen aantrekkelijker, maar een lege spaarrekening is daarvoor een hoge prijs.
Wie de nieuwe tarieven naast die van 2026 legt, ziet een stijging van 0,37 of 0,99 procentpunt. Dat klinkt overzichtelijk. Alleen vertelt die vergelijking niet wat een individuele oud-student straks merkt: diens oude rente kan al jaren vaststaan. De rente op de eigen schuld is daarom het vertrekpunt, niet het percentage dat vorig jaar voor nieuwe renteperiodes gold.
Op 7 oktober 2026 vermeldt DUO voor 2027 de hogere percentages. Achter dat nieuws zit een lastige afweging voor jonge huishoudens. Meer geld naar een oude lening betekent minder ruimte voor een buffer, een woning of de start van een onderneming. Toch verdient de stap van een hoger rentepercentage naar meteen maximaal aflossen een aparte rekensom.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
De grootste schok kan van nul procent komen
Voor terugbetalers staat de rente volgens DUO telkens vijf jaar vast. Wie in 2022 aan zo’n periode begon, had nul procent tot en met 2026. Begint in januari 2027 een nieuwe periode, dan geldt het nieuwe tarief tot en met 2031. Een andere einddatum betekent dat de eigen rente voorlopig kan blijven staan.
Daarmee ontstaan twee heel verschillende verhalen. Een doorstuderende SF35-student ziet het jaartarief van 2,33 naar 2,70 procent gaan. Een terugbetaler met aflopende nulrente gaat van niets naar 2,70 procent. Die laatste stijging is 2,70 procentpunt. Een procentuele stijging vanaf nul uitrekenen heeft geen zin, want delen door nul geeft geen bruikbare vergelijking.
De grens tussen vijftien en vijfendertig jaar valt bovendien niet simpelweg samen met vóór of na 2015. DUO onderscheidt meerdere terugbetalingsregels, met verschillen tussen opleidingen, startmomenten en overstapmogelijkheden. Mijn DUO vermeldt welke regeling daadwerkelijk geldt. SF35 combineert een langere maximale looptijd met een andere inkomensbescherming; een lager rentetarief alleen maakt die regeling dus niet over de hele looptijd goedkoper.
Waarom de staat de hogere rente doorgeeft
De koppeling aan de kapitaalmarkt is geen nieuw besluit dat speciaal voor deze verhoging is genomen. In zijn voorlichting van 28 september legt DUO uit dat de overheid zelf leent en dat geld vervolgens uitleent aan studenten. De rente volgt een wettelijke systematiek. Voor SF35 telt een jaargemiddelde van staatsleningen mee, terwijl de kortere regeling met een andere meetperiode werkt.
Dat verklaart waarom de twee percentages niet even hard bewegen. Een gemiddelde over twaalf maanden dempt recente uitschieters; een kortere meetperiode reageert sterker op wat er net op de obligatiemarkt is gebeurd. Het is dus mogelijk dat dezelfde studentengeneratie via verschillende regelingen een andere renterekening krijgt, zonder dat hun individuele kredietwaardigheid wordt beoordeeld.
Het sterkste argument voor deze koppeling is dat gratis krediet ook een rekening heeft. Als de overheid rente betaalt en die niet doorberekent, komt het verschil elders in de begroting terecht. Daar staat tegenover dat een opleiding geen gewone consumptieve aankoop is. De opbrengst komt later, is onzeker en kan ook de samenleving ten goede komen. Juist daarom moet de overheid helder zijn over het risico dat zij bij studenten neerlegt.
De politieke vraag is daarmee breder dan of 2,70 procent hoog of laag klinkt. Hoeveel van het financieringsrisico hoort bij degene die studeert, en hoeveel bij de belastingbetaler? Een algemene renteverlaging helpt ook oud-studenten met ruime inkomens. Gerichte inkomensbescherming kan preciezer zijn, zolang mensen kunnen begrijpen wat zij uiteindelijk moeten betalen en wat er met de resterende schuld gebeurt.
Dertigduizend euro schuld betekent niet voor iedereen dezelfde maandlast
Neem een rekenvoorbeeld met €30.000 restschuld op 1 januari 2027, een nieuwe SF35-rente van 2,70 procent en nog 32 aflosjaren. Dat past bij een aflosfase waarvan al drie jaren zijn verstreken. De resterende looptijd is dan 384 maanden. Een renteherziening geeft geen nieuwe aflosperiode van 35 jaar.
We gebruiken de maandrenteformule van DUO: i = (1 + 0,027)^(1/12) − 1, ongeveer 0,00222263. De annuïteit, een gelijk maandbedrag voor rente en aflossing, wordt €30.000 × i / [1 − (1 + i)^−384] = €116,23. Dat is ongeveer €1.395 per jaar uit het huishoudbudget. De eerste maand bestaat uit €66,68 rente en €49,55 schuldafbouw.
Bij nul procent zou dezelfde restschuld over dezelfde 384 maanden €78,13 per maand vragen. De zuivere rentevergelijking scheelt dus €38,11 per maand, of ongeveer €457 per jaar, berekend vóór afronding. Het zijn nominale bedragen. Bruto en netto onderscheiden we hier niet via een belastingkorting: fiscale effecten blijven buiten dit voorbeeld. Het bedrag is een kasuitgave, geen bruto salarisinhouding.
Dit is nog niet automatisch de incasso. DUO vergelijkt het wettelijke bedrag met de draagkracht. Onder SF35 is die gekoppeld aan vier procent van het inkomen boven de toepasselijke vrijstelling. Is de draagkracht bijvoorbeeld €75 per maand, dan kan de betaling lager liggen dan €116,23. Een hogere rente kan dan vooral betekenen dat de schuld langzamer daalt.
Het onderscheid is voor starters wezenlijk. Wie voldoende verdient, kan de rentestap meteen in het maandbudget voelen. Wie onder de inkomensgrens blijft, merkt mogelijk weinig aan de incasso maar ziet wel minder schuld verdwijnen. Partnerinkomen, resterende looptijd en toepasselijke regels maken daarbij verschil. Een landelijk aantal mensen in een regeling is daarom niet hetzelfde als het aantal mensen dat in januari een hogere incasso krijgt.
De omgekeerde rekensom laat de prijs van extra aflossen zien
De vraag hoeveel rente een schuld kost, is bekend. Draai hem eens om: hoeveel spaargeld moet verdwijnen om jaarlijks €100 aan renteopbouw te voorkomen? Bij 2,70 procent is de eenvoudige eenjaarsvergelijking €100 / 0,027 = ongeveer €3.704. Bij 3,28 procent is ongeveer €3.049 nodig. We vergelijken hier zonder andere aflossingen of nieuwe leningen; de schuld moet minstens zo groot zijn als het extra aflosbedrag.
Extra terugbetalen mag volgens DUO en verlaagt de schuld waarover rente wordt berekend. Maar die €3.704 blijft daarna niet beschikbaar voor een verhuizing, een onverwachte rekening of een periode zonder inkomen. Het rendement van aflossen moet dus worden afgewogen tegen het nut van bereikbaar geld. Een buffer kan voorkomen dat iemand later een veel duurdere lening nodig heeft.
Voor iemand die de volledige studieschuld zelf zal terugbetalen, is vermeden rente een vrij voorspelbaar voordeel zolang het percentage vaststaat. Bij €5.000 extra aflossen en 2,70 procent gaat het in de vereenvoudigde eenjaarsvergelijking om €135. Een spaarrekening moet na eventuele belastingen en kosten ongeveer hetzelfde opleveren om financieel gelijk te eindigen, maar houdt het geld wel beschikbaar. Een variabele spaarrente kan intussen veranderen.
Beleggen is een andere vergelijking. Een verwacht aandelenrendement van bijvoorbeeld zes procent is geen contractuele vergoeding. Een slecht beursjaar kan jaren rentebesparing wegvagen. Omgekeerd kan iemand met een lange horizon, voldoende buffer en stabiel inkomen bewust beleggingsrisico nemen. Alleen maakt de hogere studieschuldrente die keuze minder vrijblijvend dan tijdens de nulrente.
Er is nog een belangrijke uitzondering. Wie door langdurig lage draagkracht waarschijnlijk niet de hele lening zal terugbetalen, bespaart met extra aflossen niet vanzelf hetzelfde bedrag aan toekomstige eigen betalingen. De resterende schuld kan aan het einde van de aflosperiode worden kwijtgescholden. Minder geregistreerde schuld en financieel voordeel voor de terugbetaler zijn dan twee verschillende dingen.
Drie betaalpaden tot eind 2029
Voor de komende drie kalenderjaren nemen we opnieuw €30.000 schuld op 1 januari 2027 en 2,70 procent rente. Die rente blijft in dit voorbeeld tot en met 2031 vast. We hoeven voor deze terugbetaler dus geen rente voor 2028 of 2029 te voorspellen. De onzekerheid zit in het inkomen en de betaalruimte. Voor iemand die blijft studeren werkt die rentevaststelling anders.
In het basisscenario wordt iedere maand €150 betaald. De schuld daalt dan naar ongeveer €28.988 eind 2027, €27.948 eind 2028 en €26.881 eind 2029. Van de €5.400 aan betalingen over drie jaar verdwijnt ongeveer €3.119 van de hoofdsom. De overige circa €2.281 gaat naar rente. Het maandbedrag ligt boven de berekende annuïteit en veronderstelt dus ruimte voor sneller terugbetalen.
In het krappe scenario is de betaling €75 per maand, alleen mogelijk als de vastgestelde draagkracht dat toestaat. De schuld blijft dan eind 2029 steken op ongeveer €29.688. In het ruimere scenario wordt €250 per maand betaald en resteert ongeveer €23.137. Meer betaalruimte vertaalt zich hier rechtstreeks in snellere schuldafbouw, maar vraagt ook meer geld dat niet voor andere doelen kan worden gebruikt.
Alle scenario’s gebruiken dezelfde maandstap: nieuwe schuld = oude schuld × (1 + i) − betaling. De uitkomsten veronderstellen betaling aan het maandeinde, geen nieuwe lening en geen tussentijdse wijziging van het betaalbedrag. Het zijn eigen rekenpaden zonder kansen. Bij een dalend inkomen of een nieuwe grote uitgave kan een hoger aflostempo onhoudbaar worden.
De rentestap vraagt om duidelijkheid en een eigen aflosplan
De hogere rente maakt studieschuld weer een zichtbare kostenpost. Vooral wie van nul komt, moet niet worden gerustgesteld met alleen het kleine verschil tussen twee jaartarieven. De relevante rekening bestaat uit het eigen percentage, de resterende looptijd en de inkomensgrens. Die drie samen bepalen hoeveel ruimte overblijft om vermogen op te bouwen.
Minister Rianne Letschert is verantwoordelijk voor studiefinanciering en DUO. De nuttigste politieke reactie zou zijn om die persoonlijke rekening begrijpelijk te maken, inclusief het verschil tussen renteopbouw en daadwerkelijke betaling. Een lager percentage beloven zonder te vertellen wie het verschil betaalt, verschuift de discussie alleen naar een andere rekening.
Ons oordeel: de hogere rente versterkt het argument voor extra aflossen bij wie voldoende buffer heeft en de lening naar verwachting volledig terugbetaalt. Zij rechtvaardigt niet dat iedere oud-student zijn spaargeld naar DUO overmaakt. Een andere inkomenssituatie, een gewijzigde DUO-beschikking of een netto spaaropbrengst die duurzaam boven de eigen leenrente ligt, kan die afweging veranderen. De beste keuze begint bij de eigen kasruimte, niet bij de grootste krantenkop.
Omslag: Rianne Letschert, archieffoto van 2 maart 2018. Foto: Sebastiaan ter Burg, CC BY 2.0, via Wikimedia Commons. Bestaande uitsnede.






































































































































Opmerkingen