Financiële insiders kopen het minst in bijna 23 jaar
In het kort
In de Amerikaanse financiële sector kochten in het derde kwartaal slechts 298 verschillende insiders aandelen van hun eigen bedrijf. Dat is het laagste aantal in bijna 23 jaar aan gegevens van VerityData. Het klinkt alsof de mensen met het beste zicht op de sector hun vertrouwen verliezen. Toch bewijst dit signaal geen naderende beurscrash, en juist de historische vergelijking maakt dat duidelijk.
Wanneer een bestuurder met eigen geld aandelen koopt, trekt dat aandacht. Hij kent de onderneming, spreekt de klanten en ziet waar de problemen zich opstapelen. Het omgekeerde voelt daarom logisch: als bestuurders nauwelijks bijkopen, zal er wel iets mis zijn. Alleen bevat die redenering een grote sprong. Geen aandelen kopen is iets anders dan verkopen, en verkopen is weer iets anders dan weten dat de koers gaat dalen.
Voor beleggers is de interessante vraag dus niet welk geheim bankiers voor zich houden. Het gaat erom hoeveel vertrouwen in toekomstige winst al in de koers zit. Een bestuurder kan positief zijn over zijn bank en het aandeel toch geen koopje vinden. Bovendien omvat de gemeten financiële sector meer dan banken: ook verzekeraars, vermogensbeheerders en andere financiële ondernemingen tellen mee.
Het record zit bij de kopers en niet bij een verkoopgolf
Volgens het kwartaalonderzoek van VerityData waren er 749 verkopende insiders tegenover 298 kopers. De verhouding bedraagt 2,51, tegen gemiddeld 1,20 over de historische meetperiode. Het vorige minimum aan kopers was 302 in het derde kwartaal van 2024. Het nieuwe record ligt daar maar vier personen onder. De telling begint in 2004 en omvat 91 kwartalen.
Dat zijn aantallen unieke personen, geen dollars en geen percentage van alle bestuurders. Een kleine aankoop door één persoon telt in zo’n maatstaf even zwaar als een zeer grote aankoop door een ander. Zonder het bedrag, het resterende aandelenbezit en de omvang van de onderzochte groep is niet vast te stellen hoeveel financieel vertrouwen werkelijk verdween. Het record is echt; de betekenis ervan is minder eenduidig.
Ook bedrijfsinkopen horen in een andere categorie. Een bank die eigen aandelen terugkoopt, gebruikt geld van de onderneming. Een bestuurder die privé bijkoopt, gebruikt zijn eigen middelen. Het ene kan doorgaan terwijl het andere stilvalt. Wie deze twee door elkaar haalt, maakt van een persoonlijke beleggingskeuze ten onrechte een uitspraak over het kapitaalbeleid van een hele sector.
De geschiedenis past niet bij een eenvoudig crashalarm
De opvallendste tegenwerping komt uit hetzelfde onderzoek. In de vijf historische kwartalen waarin de sectorverhouding minstens 2,3 bedroeg, stond de financiële ETF XLF een jaar later hoger. Dat is geen koopregel: vijf waarnemingen zijn weinig en de omstandigheden verschillen. Maar het ondergraaft wel de stellige conclusie dat een hoge verkoopverhouding een betrouwbare voorbode van dalende bankaandelen is.
Wetenschappelijk onderzoek helpt verklaren waarom context nodig is. Lauren Cohen, Christopher Malloy en Lukasz Pomorski onderscheiden in Decoding Inside Information routinematige transacties van transacties die afwijken van het gebruikelijke patroon. In hun historische steekproef zat de voorspellende informatie vooral in die tweede groep. Dat onderzoek gaat over afzonderlijke transacties en ondernemingen. Het maakt van één actuele sectortelling geen getest instrument om de hele beurs te timen.
Een bestuurder kan jarenlang aandelen via beloning opbouwen en daarom weinig behoefte hebben om extra geld in dezelfde werkgever te steken. Zijn salaris, carrière en vermogen bewegen dan al samen. Meer spreiding is rationeel, ook zonder negatieve bedrijfsverwachting. Daarnaast kunnen handelsvensters en vooraf afgesproken transacties de timing bepalen. Dat zijn mogelijke verklaringen, geen vastgestelde redenen voor iedere persoon in deze telling.
De SEC-uitleg over insidertransacties laat zien waar een belegger het verschil kan onderzoeken. Form 4 maakt doorgaans binnen twee werkdagen bekend wat is gekocht of verkocht. Een aankoop heeft een andere transactiecode dan een aandelenbeloning, optie-uitoefening of inhouding voor belasting. De voetnoten en het bezit na de transactie vertellen vaak meer dan alleen het grote verkoopbedrag bovenaan een nieuwsbericht.
Een kwetsbare portefeuille wordt niet veiliger door een spannend signaal
Particuliere beleggers hebben vooral een probleem wanneer hun beleggingen dezelfde economische schok voelen. Een rechtstreeks bankaandeel, een dividendfonds en een brede ETF kunnen deels dezelfde financiële ondernemingen bevatten. Het aantal fondsen op het scherm zegt dan weinig over de werkelijke spreiding. Voor een bank is de kwaliteit van de leningen uiteindelijk belangrijker dan het enthousiasme waarmee de eigen bestuurders die maand aandelen kopen.
Een eenvoudige stresstest maakt die rekening zichtbaar. Stel dat een portefeuille 50.000 euro waard is en voor 30 procent uit financiële aandelen bestaat. Een daling van die sector met 25 procent kost dan 50.000 × 0,30 × 0,25 = 3.750 euro, of 7,5 procent van het totale vermogen. Dit is een eenmalige bruto koersschok, geen jaarprognose. De overige beleggingen blijven in het voorbeeld gelijk; dividend, valuta, kosten en persoonlijke belastingen ontbreken.
Voor iemand die binnenkort geld nodig heeft, kan zo’n verlies zwaar wegen. Voor een belegger met een lange horizon, ruime kasbuffer en beperkte sectorpositie is dezelfde beweging beter op te vangen. Het antwoord hangt dus af van de portefeuille en de financiële verplichtingen. De telling van insiders verandert die verplichtingen niet. Zij kan wel een bruikbare aanleiding zijn om te kijken hoeveel tegenwind de eigen beleggingen verdragen.
De koers bepaalt hoeveel goed nieuws een bank nog nodig heeft
Bankwinsten worden bepaald door meer dan de rente alleen. Een groter verschil tussen leenrente en spaarrente helpt, maar kan worden tenietgedaan door kredietverliezen. Hoge financieringskosten kunnen klanten afremmen. Een sterke zakenbank kan juist profiteren van meer handelsactiviteit. Een sectoroordeel mist zulke verschillen, zeker wanneer een winstgevende grote bank en een kwetsbare kredietverstrekker in dezelfde telling belanden.
Neem een volledig fictief bankaandeel van 100 euro met 7 euro jaarlijkse nettowinst per aandeel. De koers-winstverhouding is dan 14,3. Als die jaarwinst naar 5 euro zakt, loopt de verhouding bij dezelfde koers op naar 20. Het aandeel is niet automatisch goedkoop omdat het weinig duurder oogt dan vorig jaar. De winst waartegen wordt gerekend, kan ondertussen te gunstig zijn. Deze bedragen beschrijven geen specifieke bank.
De omgekeerde vraag is nuttiger. Welke jaarwinst moet dat voorbeeldbedrijf in 2029 verdienen voor 25 procent bruto koerswinst, als beleggers dan veertien keer de winst betalen? De berekening is 100 × 1,25 / 14 = 8,93 euro per aandeel. Dat is 27,6 procent meer dan de fictieve huidige 7 euro. Dividend komt daar eventueel bij; de berekening gaat uitsluitend over de koers en is vóór kosten en belasting.
Een koper moet dus aannemelijk kunnen maken waar die extra winst vandaan komt. Meer kredietverlening, lagere kosten, minder probleemleningen of minder uitstaande aandelen kunnen helpen. Maar aandeleninkoop is alleen gunstig als de onderneming daarmee niet haar financiële buffer uitholt of te veel betaalt. Een bestuurder die zelf niet bijkoopt, hoeft die analyse niet te vervangen. Zijn terughoudendheid kan hooguit reden zijn de eigen aannames nog eens strenger te bekijken.
Drie paden tonen het verschil tussen winstgroei en beursvertrouwen
Voor hetzelfde fictieve aandeel gebruiken we drie eigen rekenpaden voor 2027, 2028 en 2029, met 8 oktober 2026 als peildatum. De formule is jaarlijkse nettowinst per aandeel maal de aangenomen koers-winstverhouding. Het zijn geen voorspellingen voor XLF, JPMorgan of de financiële sector. Dividend, valuta, kosten en belasting blijven buiten beeld en aan de paden hangen geen kansen.
Het basisscenario veronderstelt gematigde groei en beheersbare kredietverliezen. Jaarwinsten van 7,35, 7,72 en 8,10 euro, gewaardeerd op veertien keer, geven koersen van 102,90, 108,08 en 113,40 euro. De onderneming verdient meer, maar haalt de eerder gekozen doelkoers van 125 euro niet. De koper had daarvoor meer winstgroei of een hogere waardering nodig.
In het gunstige pad blijft krediet gezond en neemt de winstgevendheid toe. Jaarwinsten van 8, 9 en 10 euro tegen zestien keer winst leveren 128, 144 en 160 euro op. In het slechte pad nemen voorzieningen voor onbetaalde leningen toe en daalt het vertrouwen. Jaarwinsten van 5, 4 en 5 euro tegen tien keer winst geven 50, 40 en 50 euro. Zelfs winstherstel in 2029 brengt het aandeel dan niet terug op de oorspronkelijke 100 euro.
Ons oordeel: de terughoudendheid van insiders verdient aandacht, maar rechtvaardigt geen algemene vlucht uit bankaandelen. De waardering, kredietkwaliteit en concentratie in de portefeuille zijn veel directer van belang. Het oordeel wordt somberder als minder persoonlijke aankopen samengaan met oplopende wanbetalingen, neerwaartse winstbijstellingen en druk op kapitaalbuffers. Verbeterende kredietkwaliteit, realistische koersen en nieuwe substantiële aankopen door meerdere bestuurders zouden juist meer vertrouwen geven. Het nuttigste signaal is het geheel, niet het spannendste record.
Omslag: Jamie Dimon, topman van JPMorgan Chase. Archieffoto uit 2013, ter illustratie van de financiële sector. Foto: Steve Jurvetson, CC BY 2.0.






































































































































Opmerkingen