top of page

De Big Tech-heffing van Brussel kan ook Europese bedrijven raken

53 minuten geleden
4 minuten om te lezen

In het kort

Brussel onderzoekt hoe grote Amerikaanse technologiebedrijven meer kunnen bijdragen, maar de voorgestelde CORE-heffing is veel breder. Ook Europese ondernemingen met meer dan 100 miljoen euro nettojaaromzet kunnen eronder vallen. Het is nog geen ingevoerde belasting. Voor beleggers zit het probleem vooral in de opzet: omzet wordt belast met een vast bedrag, terwijl omzet weinig vertelt over financiële draagkracht.


Volgens een Reuters-bericht van 7 oktober op basis van de Financial Times overweegt Brussel wijzigingen om Big Tech beter te bereiken. De basis is ouder: de Commissie stelde CORE al in juli 2025 voor als inkomstenbron voor de Europese begroting. Het voorstel was dus vanaf het begin geen exclusieve rekening voor Silicon Valley.


Dat maakt de politieke boodschap ongemakkelijk. Europa wil ondernemingen laten groeien en minder afhankelijk worden. Dan verdient een extra rekening voor diezelfde ondernemingen meer uitleg dan de belofte dat grote buitenlandse bedrijven ook betalen.



De grens van 100 miljoen euro maakt grote verschillen klein

In de officiële uitwerking betalen ondernemingen boven 100 miljoen en onder 250 miljoen euro nettojaaromzet jaarlijks 100.000 euro. Vanaf 250 miljoen wordt dat 250.000 euro, vanaf 500 miljoen 500.000 euro en vanaf 750 miljoen 750.000 euro. Het gaat om belastbare ondernemingen en bepaalde Europese vaste inrichtingen van bedrijven uit derde landen, niet uitsluitend om digitale diensten.


Die schijven creëren sprongen. Een onderneming net boven de grens van 250 miljoen euro betaalt ineens 150.000 euro meer per jaar dan net eronder. Meer omzet kan daardoor tijdelijk minder geld opleveren. Dit raakt vooral activiteiten met dunne marges; een winstgevend softwarebedrijf kan dezelfde bijdrage eenvoudiger dragen.



Ook ASML en Ahold moeten naar hun Europese onderdelen kijken

ASML rapporteerde over 2025 32,7 miljard euro groepsomzet; Ahold Delhaize 92,4 miljard. Beide concerns hebben Europese activiteiten en zijn dus relevante namen voor beleggers die mogelijke blootstelling onderzoeken. Maar groepsomzet is geen belastingaanslag. De uitwerking rekent op het niveau van afzonderlijke entiteiten. Het aantal onderdelen, hun eigen omzet en hun fiscale vestigingsplaats bepalen de mogelijke rekening.


Een officieel bevestigde bijdrage voor deze beursbedrijven volgt daar nog niet uit. Eén grensoverschrijdend concern kan meerdere relevante entiteiten hebben. Andersom hoeft een holding met een grote geconsolideerde omzet zelf niet dezelfde omzet te rapporteren als haar werkmaatschappijen. Alleen naar de AEX-lijst kijken levert dus schijnzekerheid op.


Dezelfde bijdrage kan een heel andere hap uit de winst nemen

Neem een rekenbedrijf met 200 miljoen euro jaaromzet en twee procent operationele marge: vier miljoen euro bedrijfswinst. De voorgestelde 100.000 euro bijdrage kost 2,5 procent van die winst, vóór eventuele fiscale aftrek. Bij twintig procent marge is dat slechts 0,25 procent. Dit zijn bruto jaarbedragen; netto gevolgen hangen af van de uiteindelijke regels en belastingpositie.



Aandeelhouders dragen de rekening eerst via minder kas. Bedrijven kunnen proberen prijzen te verhogen, leveranciers scherper te betalen of investeringen uit te stellen. Dat lukt niet overal: concurrentie en contracten begrenzen doorberekening. Een heffing wordt daarom niet automatisch volledig bij consumenten neergelegd, maar blijft evenmin vanzelf volledig bij aandeelhouders.


Omgekeerd: hoeveel extra omzet moet het voorbeeldbedrijf verdienen om 100.000 euro goed te maken? Bij een veronderstelde extra winstmarge van twee procent is dat vijf miljoen euro per jaar. Bij tien procent is één miljoen genoeg. Extra omzet die nauwelijks winst oplevert, is geen eenvoudige uitweg.



Brussel heeft een verdedigbare reden maar nog geen bewezen rendement

De Europese begrotingsplannen vragen geld voor onder meer concurrentiekracht, onderzoek en veiligheid. Een brede bijdrage verdeelt de rekening en kan hogere nationale afdrachten beperken. Ook ondernemingen profiteren van de interne markt. Dat is een sterker argument dan suggereren dat alleen Amerikaanse techreuzen betalen.


De Commissie raamt gemiddeld circa 6,8 miljard euro per jaar in prijzen van 2025. Het gaat om een model, met gegevensbeperkingen, geen gegarandeerde opbrengst. Bovendien moet de besteding aantoonbaar meer opleveren dan het geld dat bedrijven zelf minder kunnen investeren. Een nieuw budget creëert nog geen hogere productiviteit.


Voor nieuwe eigen middelen zijn unanimiteit en nationale goedkeuring nodig. In een eigen basisscenario betaalt ons rekenbedrijf niets in 2027 en 100.000 euro in zowel 2028 als 2029. Bij een veronderstelde halvering wordt dat 0, 50.000 en 50.000 euro; bij uitstel voorbij 2029 driemaal nul. Dit zijn politieke rekenvarianten op 8 oktober 2026, geen voorspelde wetgeving.



Een blijvende jaarlijkse bruto last van 100.000 euro vertegenwoordigt bij een vereenvoudigde rendementseis van acht procent 1,25 miljoen euro waarde: last gedeeld door rendementseis, zonder groei of belastingeffect. Voor een groot concern is dat beperkt per entiteit, maar het principiële bezwaar blijft. Europa moet groei niet met abrupte omzetdrempels ontmoedigen. Een geleidelijker bijdrage, minder stapeling van lasten en aantoonbaar rendabele besteding zouden het voorstel beter verdedigbaar maken. Zolang die onderbouwing ontbreekt, weegt de belofte van sterker Europees ondernemerschap zwaarder dan de verleiding van een nieuwe inkomstenbron.


Omslag: Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, in Washington. Archieffoto van 18 augustus 2025. Foto: Europese Commissie / Dati Bendo, © Europese Unie 2026, CC BY 4.0.

 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page