top of page

Rabobank Certificaten betalen minder risicopremie dan het lijkt

18 uur geleden
4 minuten om te lezen

In het kort

Rabobank Certificaten sloten op 1 oktober op 108% van de nominale waarde van €25. Eén certificaat kostte daarmee €27,00. Rabobank beoogt een vergoeding van €0,40625 per kwartaal, of €1,625 per jaar als alle vier termijnen worden betaald. Het lopende rendement is op die koers ongeveer 6,0%. De relevante beloning is niet de 6,5% over nominaal, maar het verschil tussen die 6,0% en een veilige marktrente.


De beurslijn noteert op Euronext Amsterdam onder ISIN XS1002121454. Het instrument is eeuwigdurend, heeft geen vaste aflossingsdatum en de vergoeding is discretionair. Rabobank mag een betaling overslaan. Certificaathouders zijn bovendien het meest achtergestelde kapitaal van de bank en dragen verliezen vóór gewone schuldeisers. Daarom past geen gewone koers-winstverhouding.


De juiste reverse pricing lijkt op een eeuwigdurende lening. Deel de beoogde jaarvergoeding door het rendement dat een belegger eist. Bij €1,625 en 6% hoort theoretisch een prijs van €27,08, of ongeveer 108,3% van €25. Dat ligt dicht bij de beurskoers. Als het vereiste rendement naar 7% stijgt, daalt dezelfde kasstroom naar €23,21 of 92,9%.




De notering in procenten kan misleiden

Een koers van 108 wordt soms gelezen als €108 per stuk. De Euronext-notering is een percentage van €25 nominaal. Wie honderd certificaten koopt, betaalt bij 108% ongeveer €2.700 exclusief opgebouwde vergoeding en transactiekosten. De beoogde jaarvergoeding is dan €162,50, mits Rabobank alle termijnen uitkeert.


Omdat het instrument geen einddatum heeft, bestaat er geen automatische terugkeer naar 100. Een gewone obligatie met aflossing kan bij gelijkblijvend kredietrisico naar de nominale waarde trekken. Een Rabobank Certificaat blijft vooral de contante waarde van een discretionaire kasstroom. De koers kan dus langdurig boven of onder 100 blijven.


Rabobank heeft 313,0 miljoen certificaten uitgegeven. De bank houdt daarvan na de tender van 2024 ongeveer 36,7 miljoen voor eigen rekening. Eventuele verkoop van die voorraad kan extra aanbod geven, maar verandert niet automatisch de kapitaalpositie per certificaat. Het belangrijkste blijft de winstcapaciteit en de ruimte van de bank om vergoedingen te blijven beogen.


De premie boven veilige rente is de echte beloning

Bij een lopend rendement van circa 6,0% en een veronderstelde veilige euro-rente van 3,0% ontvangt een belegger ongeveer drie procentpunt extra. Die premie vergoedt achterstelling, discretionaire betalingen, eeuwigdurende looptijd en koersvolatiliteit. Als de veilige rente naar 4% stijgt terwijl het certificaat 6% blijft opleveren, krimpt de premie naar twee procentpunt en wordt 108% minder aantrekkelijk.



De vergelijking met spaarrente is niet zuiver. Spaargeld tot de wettelijke limiet valt onder depositogarantie en kent geen dagelijkse beurskoers. Certificaten vallen daar niet onder en kunnen in een stresssituatie sterk dalen. De vergoeding is hoger omdat het product fundamenteel meer risico draagt.


Het positieve tegenargument is de sterke bank. Rabobank rapporteerde over de eerste helft van 2026 €2,694 miljard nettowinst en een CET1-ratio van 20,2%. CET1 is de hardste kapitaalbuffer. Een ruime ratio geeft de bank meer weerstand tegen kredietverliezen en economische stress.


Die buffer is geen garantie. Juist omdat certificaten onderdeel zijn van CET1, zijn zij bedoeld om verliezen op te vangen. Wanneer de toezichthouder ingrijpt of de winstcapaciteit verslechtert, kunnen vergoeding en koers tegelijk onder druk komen. Een hoge buffer verlaagt de kans op stress, maar verandert de plaats in de kapitaalstructuur niet.


Welke koers past bij het vereiste rendement?

Bij de huidige beoogde vergoeding van €1,625 hoort 130% als beleggers slechts 5% rendement eisen. Bij 6% is dat 108,3%, bij 7% 92,9% en bij 8% 81,3%. Deze eenvoudige perpetuïteit veronderstelt dat de vergoeding eeuwig gelijk blijft. In werkelijkheid kan Rabobank haar beleid wijzigen en kan de marktrente schommelen.



De prijs reageert daarom sterk op kleine veranderingen in vereist rendement. Dat is durationrisico zonder einddatum. Een daling van 6% naar 5,5% tilt de theoretische prijs van €27,08 naar €29,55. Een stijging naar 6,5% duwt haar naar €25,00. De kwartaalvergoeding verzacht de beweging, maar voorkomt geen kapitaalverlies.


Het is ook belangrijk om vergoeding en koersrendement apart te houden. Wie op 108% koopt en later op 100% verkoopt, verliest €2 per certificaat. Ruim een jaar aan beoogde vergoeding is nodig om dat koersverlies te compenseren. Het totaalrendement hangt dus af van beide componenten.


Drie mogelijke koerspaden

In het bearscenario wordt de vergoeding verlaagd en stijgt de vereiste risicopremie. Mogelijke koersen zijn 95% eind 2027, 88% eind 2028 en 82% eind 2029. In het middenscenario blijft 6,5% over nominaal de beoogde vergoeding en beweegt de spread beperkt, met 106%, 108% en 110%. Het gunstige scenario combineert dalende rente met een sterke kapitaalbuffer, goed voor 112%, 117% en 122%.



Rabobank Certificaten kunnen een aantrekkelijke inkomstenbron zijn, maar de 6,5% op het etiket is niet het actuele rendement en geen recht. Bij 108% betaalt een belegger meer dan nominaal en ontvangt hij ongeveer 6,0% zolang Rabobank uitkeert. De vraag is of drie procentpunt extra boven veilige rente voldoende is voor een eeuwigdurend, discretionair en diep achtergesteld instrument.


Voor een vergelijking met andere beleggingen hoort ook belasting en transactiekosten in beeld, al verschillen die per belegger. Belangrijker is dat het certificaat geen vaste horizon heeft. Een belegger die over drie jaar geld nodig heeft, is afhankelijk van de beurskoers op dat moment. De periodieke vergoeding kan intussen zijn ontvangen, maar een hogere marktrente of bredere kredietspread kan de verkoopprijs meer laten dalen dan de ontvangen kas compenseert.


De kwartaalbetaling moet daarom niet als spaarrente worden geboekt in het hoofd. Zij is onderdeel van een totaalrendement met een beweeglijke hoofdsom. Wie de positie volgt, kijkt naast CET1 en nettowinst ook naar probleemleningen, kredietvoorzieningen, toezichthoudende eisen en de aangekondigde vergoeding. Pas wanneer al die factoren samen stabiel blijven, is een vereist rendement rond 6% verdedigbaar.



 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
00:00 / 01:04

Net binnen..

Bedankt voor het abonneren!

bottom of page