Beleggers betalen bizar veel belasting en politici belonen zichzelf
- Michiel V
- 4 minuten geleden
- 4 minuten om te lezen
In het kort:
Vanaf 2028 wordt in box 3 het werkelijke rendement belast, inclusief ongerealiseerde koerswinsten, terwijl het stelsel politiek al ter discussie staat en dus onzeker blijft.
Beleggers kunnen jaarlijks belasting moeten betalen over papieren winsten, wat leidt tot hogere risico’s, liquiditeitsdruk en minder voorspelbaarheid op lange termijn.
Tegelijkertijd klinkt de roep om forse salarisverhogingen voor politici, wat bij veel particuliere beleggers het gevoel versterkt dat lasten en risico’s ongelijk verdeeld zijn.
Na bijna tien jaar discussie heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Wet werkelijk rendement voor box 3. Vanaf 2028 moet belasting worden geheven over het werkelijke rendement in plaats van een fictief rendement. Op papier klinkt dat logisch en eerlijk. In de praktijk zorgt het vooral voor nieuwe onzekerheid voor particuliere beleggers.
Nog voordat het nieuwe systeem is ingevoerd, heeft een Kamermeerderheid al uitgesproken dat een volgend kabinet moet toewerken naar een ander stelsel. Dat betekent dat beleggers zich moeten voorbereiden op een systeem dat mogelijk alweer wordt aangepast voordat het goed en wel is ingeregeld. Wie vermogen opbouwt voor de lange termijn, krijgt zo te maken met een fiscale spelregel die voortdurend verschuift.
Van fictie naar papieren winst
De kern van het nieuwe stelsel is dat werkelijk rendement wordt belast. Voor spaargeld, aandelen, obligaties en crypto geldt een vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat niet alleen rente en dividend worden belast, maar ook de jaarlijkse waardestijging van beleggingen. Zelfs als die winst alleen op papier bestaat en niet is gerealiseerd, moet er belasting worden betaald.
Voor minder liquide bezittingen zoals vastgoed en belangen in familiebedrijven geldt een vermogenswinstbelasting. Daar wordt pas afgerekend bij verkoop. Die tweedeling klinkt technisch logisch, maar zorgt voor nieuwe problemen. Beleggers in beursgenoteerde aandelen kunnen jaarlijks belasting moeten betalen over koerswinsten, terwijl vastgoedbeleggers pas bij verkoop worden aangeslagen.
Het gevolg is dat particuliere beleggers belasting kunnen betalen over winsten die zij nooit daadwerkelijk hebben verzilverd. Daalt de beurs daarna, dan is de belasting al betaald. De risico’s liggen volledig bij de burger, terwijl de fiscus ieder jaar zijn deel opeist. Dit zorgt voor een enorm verschil in eindvermogen.

Onzekerheid als constante factor
De politieke behandeling van het wetsvoorstel laat zien hoe weinig enthousiasme er eigenlijk is. Een ruime meerderheid stemde voor, maar vrijwel iedere fractie had stevige kritiek. Veel partijen noemen het een tussenoplossing en erkennen dat het systeem juridisch en praktisch kwetsbaar is.
Voor beleggers betekent dit dat box 3 ook na 2028 onderwerp van politieke strijd blijft. Iedere kabinetsformatie kan leiden tot nieuwe plannen en aanpassingen. Wie zijn vermogen wil opbouwen voor pensioen, financiële vrijheid of studiekosten van kinderen, weet simpelweg niet waar hij over vijf jaar fiscaal aan toe is.
Dat is misschien nog wel het meest wrange element. Vermogensopbouw is per definitie iets van de lange termijn. Het belastingbeleid daarover verandert echter met het tempo van een coalitieakkoord.
Belastingdruk zonder realiteitszin
Het nieuwe stelsel is ingevoerd na het Kerstarrest van de Hoge Raad in 2021. Daarin werd het oude systeem onderuitgehaald omdat het in strijd was met het eigendomsrecht en discriminerend uitpakte. De reactie van de politiek is nu een hybride systeem dat opnieuw vragen oproept over uitvoerbaarheid en rechtvaardigheid.
Beleggers worden straks direct geraakt door koersschommelingen. Stijgt de beurs, dan volgt direct een belastingaanslag. Daalt de beurs, dan is het verlies voor eigen rekening en moet compensatie via ingewikkelde regels worden afgewikkeld. Het voelt voor veel particuliere beleggers als een systeem waarin de overheid altijd meedeelt in de winst, maar zelden echt risico draagt.
Daar komt bij dat de belastingdruk in box 3 de afgelopen jaren al flink is opgelopen. Het heffingsvrije vermogen staat onder druk, tarieven stijgen en de administratieve lasten nemen toe. Voor kleine beleggers die voorzichtig vermogen proberen op te bouwen, wordt het steeds lastiger om netto rendement over te houden.
Politici willen zelf meer verdienen
Tegelijkertijd speelt er een ander debat dat het contrast pijnlijk zichtbaar maakt. Het Adviescollege Rechtspositie Politieke Ambtsdragers adviseert om de salarissen van politici fors te verhogen. Ministers zouden er 15 procent bij moeten krijgen in drie jaar tijd. Wethouders en raadsleden in grote gemeenten zelfs tot 18 procent.
Het huidige salaris van een tweede kamerlid ligt op bijna €150.000 per jaar

Het argument is dat het werk zwaarder is geworden en dat de beloning uit de pas loopt met die van topambtenaren. Zo verdient een secretaris generaal momenteel meer dan een minister. Volgens het adviescollege moet dat worden rechtgetrokken. Daarnaast worden verbeteringen voorgesteld in arbeidsvoorwaarden, van terugkeerrechten tot versoepeling van regels rond dienstauto’s.
Deze voorstellen komen op een moment dat er wordt gesproken over bezuinigingen in zorg en sociale zekerheid en een bevriezing van ambtenarensalarissen. Voor burgers en beleggers die worden geconfronteerd met hogere belastingen op hun vermogen, voelt dit als een wrang signaal.
Een scheef beeld van risico en beloning
Particuliere beleggers dragen het volledige marktrisico. Zij investeren met spaargeld dat vaak al is belast via loon of winst uit onderneming. Vervolgens betalen zij belasting over rendement, zelfs als dat nog niet is gerealiseerd. De fiscale regels veranderen regelmatig, waardoor lange termijnplanning moeilijk wordt.
Politici daarentegen pleiten voor een forse inhaalslag in hun beloning, juist in een periode waarin de belastingdruk op vermogen stijgt. Natuurlijk is een politieke functie zwaar en complex. Maar voor veel burgers ontstaat het gevoel dat risico’s en lasten vooral bij de samenleving worden neergelegd, terwijl de eigen positie van bestuurders wordt versterkt.
Het contrast tussen een steeds complexer en zwaarder box 3 stelsel en een voorstel voor dubbele procentuele salarisverhogingen voor politici voedt dat sentiment. Zeker wanneer beleggers ervaren dat zij belasting moeten betalen over papieren winsten, terwijl hun eigen koopkracht onder druk staat.
Vertrouwen als grootste slachtoffer
Het grootste probleem van het box 3 dossier is misschien niet eens de hoogte van de belasting, maar het gebrek aan stabiliteit en voorspelbaarheid. Een belastingstelsel moet helder, uitvoerbaar en betrouwbaar zijn. Op dit moment ervaren veel beleggers het tegenovergestelde.
Wanneer regels voortdurend veranderen en toekomstige aanpassingen al worden aangekondigd voordat het huidige systeem is ingevoerd, ondermijnt dat het vertrouwen. Vermogensopbouw wordt zo een fiscaal mijnenveld in plaats van een stabiele basis voor financiële planning.
Het debat over box 3 en over de beloning van politici laat zien hoe gevoelig het thema rechtvaardigheid is. Voor veel beleggers voelt het alsof zij steeds meer bijdragen, terwijl de spelregels onduidelijk blijven. Zolang die onzekerheid voortduurt, zal het gevoel blijven dat het systeem eerder tegen hen werkt dan voor hen.





















































