Doorzoek deze website
14122 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Twee zorgaandelen als schild tegen Trumpflation
In het kort Hardnekkige inflatie en hoge energieprijzen brengen gezondheidszorg aandelen weer in beeld als historisch veerkrachtige sector. Medtronic moet bewijzen dat de omzetgroei na jaren van vertraging doorzet, terwijl Wall Street het herstel nog nauwelijks beloont. Eli Lilly groeit hard met GLP 1 afslankmiddelen, maar de afhankelijkheid van één productgroep maakt de hoge waardering kwetsbaar. Gezondheidszorg aandelen staan weer op de radar nu inflatie blijft knagen en energieprijzen hoog blijven. De wereldeconomie draait nog altijd voor een groot deel op olie en aardgas, terwijl het conflict in het Midden Oosten de energiemarkt gespannen houdt. Voor beleggers verschuift de aandacht daardoor naar sectoren waar de vraag minder snel wegvalt als prijzen stijgen. Gezondheidszorg past in dat beeld. Medische zorg is geen luxeuitgave die consumenten makkelijk schrappen wanneer boodschappen of energie duurder worden. Binnen die sector vallen Medtronic en Eli Lilly op, maar wel om totaal verschillende redenen: Medtronic draait om waarde en dividend, Eli Lilly om groei. Direct naar een onderdeel van dit artikel Medtronic krijgt weinig krediet Omzetgroei moet bij Medtronic beklijven Eli Lilly betaalt voor groei GLP 1 blijft Lilly’s zwakke plek Inflatie houdt zorgsector op radar Medtronic krijgt weinig krediet Medtronic, een van de grootste makers van medische apparatuur ter wereld, biedt een dividendrendement van 3,3%. Het bedrijf heeft het dividend 49 jaar op rij verhoogd en staat daarmee één jaar verwijderd van Dividend King status, de grens van vijftig opeenvolgende verhogingen. Voor een zorgbedrijf van deze omvang is dat een stevig inkomensverhaal. Toch is het aandeel geen simpele defensieve vluchthaven. Medtronic werd de afgelopen jaren zwaarder en trager, waardoor de groei afnam. Het management heeft onderdelen afgestoten en de aandacht verlegd naar activiteiten met meer groei en betere marges. Wall Street geeft het bedrijf daar nog weinig krediet voor. De waardering op omzet en winst ligt onder het vijfjaarsgemiddelde, terwijl de operationele cijfers juist verbeteren. Dat contrast is de kern van het verhaal: Medtronic oogt minder populair dan de recente groei rechtvaardigt, maar het bedrijf moet nog laten zien dat de draai blijvend is. Medtronic rekent op Hugo-robot voor nieuwe omzetgroei Omzetgroei moet bij Medtronic beklijven Medtronic boekte in fiscal 2026 een omzetgroei van 8,4%, de sterkste groei in tien jaar. In het eerste kwartaal van fiscal 2027 liep de omzetgroei zelfs op tot bijna 14%. Nieuwe producten, waaronder de Hugo surgical robot, helpen de omzet vooruit. Dat zijn cijfers die niet passen bij een bedrijf dat volledig is vastgelopen. Ze passen eerder bij een onderneming die na een periode van opruimen weer tractie krijgt. Voor beleggers zit de vraag niet in één sterk kwartaal, maar in de houdbaarheid van die versnelling. Daar wringt ook de waarderingsdiscussie. Een hoog dividendrendement kan aantrekkelijk ogen, maar soms is het vooral een teken dat de markt weinig groei verwacht. Medtronic moet daarom vooral bewijzen dat de combinatie van dividend, nieuwe producten en hogere omzetgroei meer is dan een tijdelijk herstel. Eli Lilly breidt productie van afslankmiddelen fors uit Eli Lilly betaalt voor groei Eli Lilly, de farmaceut achter snelgroeiende GLP 1 afslankmiddelen, staat aan de andere kant van het spectrum. Het aandeel is op absolute basis duur, ook al liggen de waarderingen op omzet en winst onder hun vijfjaarsgemiddelden. Het dividendrendement van 0,6% blijft bovendien duidelijk onder het rendement van 1% op de S&P 500 index. Bij Eli Lilly draait het verhaal dus nauwelijks om inkomen. De belangstelling komt vooral uit de markt voor GLP 1 afslankmiddelen, waar de vraag enorm is geweest. Die middelen zijn inmiddels goed voor ongeveer twee derde van de omzet. Dat is indrukwekkend, maar ook kwetsbaar. Geneesmiddelen hebben tijdsgebonden patentbescherming, en een bedrijf dat zo zwaar leunt op één productgroep krijgt weinig ruimte voor fouten. Een hoge waardering kan veel groei verdragen, maar meestal slecht nieuws minder goed. GLP 1 blijft Lilly’s zwakke plek De GLP 1 markt is waarschijnlijk nog niet uitgespeeld. De markt voor gewichtsverlies kan verder groeien naarmate pillen de dominante toedieningsvorm worden. Dat houdt Eli Lilly in het vizier van groeibeleggers die verder kijken dan de huidige omzetpiek. Lilly gebruikt de kasstroom uit afslankmiddelen om de geneesmiddelenpijplijn te verbreden. Overnames hebben de farmaceut in nieuwe behandelgebieden gebracht. Daarmee probeert het bedrijf minder afhankelijk te worden van één succesnummer. Dat is verstandig, maar het neemt de spanning niet weg. De markt beloont Eli Lilly voor groei en verwacht tegelijk dat het bedrijf die groei verlengt na de huidige GLP 1 golf. Elke update over vraag, productie, concurrentie of nieuwe medicijnen kan daardoor zwaar wegen. Inflatie houdt zorgsector op radar Inflatie blijft het decor waartegen beide aandelen opnieuw aandacht krijgen. Hoge energieprijzen raken veel sectoren directer dan gezondheidszorg, omdat medische zorg minder makkelijk wordt uitgesteld dan andere uitgaven. Dat verklaart waarom gezondheidszorg aandelen historisch beter door periodes van stijgende prijzen komen. Medtronic en Eli Lilly vertegenwoordigen twee verschillende routes binnen hetzelfde thema. Medtronic is het herstelverhaal met dividend en een lagere waardering dan in de afgelopen jaren gebruikelijk was. Eli Lilly is het groeiverhaal, maar met een stevige afhankelijkheid van afslankmiddelen en een waardering die weinig ruimte laat voor tegenvallers. De volgende cijfers moeten het verschil maken. Bij Medtronic draait het om de vraag of de groei van fiscal 2026 en het eerste kwartaal van fiscal 2027 doorzet. Bij Eli Lilly kijken beleggers naar de groei van GLP 1 middelen en naar bewijs dat de bredere pijplijn meer gewicht krijgt binnen het verhaal van gezondheidszorg aandelen.
- Microsoft en Amazon stapelen AI-miljarden met één groot risico
In het kort Microsoft, Amazon en Oracle hebben samen voor honderden miljarden dollars aan gecontracteerde AI cloudvraag vastgelegd. De bedrijven bouwen agressief capaciteit bij, terwijl Amazon in 2026 ongeveer 220 miljard dollar wil investeren en Oracle sterk leunt op OpenAI. De vraag is niet of AI cloud groeit, maar of die groei snel genoeg omzet, marge en kasstromen oplevert. AI cloud aandelen: contracten of hype? Microsoft, Amazon en Oracle hebben de AI hype inmiddels deels omgezet in harde contracten. Bij AI cloud aandelen draait het daardoor niet meer alleen om mooie presentaties over groei. De vraag voor beleggers is scherper geworden: hoeveel van die gecontracteerde vraag verandert straks in winstgevende omzet? Dat is een wezenlijk verschil met veel kleinere AI namen. Microsoft, bekend van besturingssystemen en Office software, Amazon, groot geworden met online retail en cloud, en Oracle, sterk in bedrijfsdatabases, hoeven hun geloofwaardigheid niet meer te bewijzen. Maar ook grote bedrijven kunnen te veel bouwen als de vraag later minder hard groeit dan verwacht. Microsoft gaf beleggers dit jaar voor het eerst apart inzicht in Azure, de cloudtak van het bedrijf. Azure draait inmiddels op ongeveer 100 miljard dollar omzet per jaar, 43% meer dan een jaar eerder. Dat cijfer laat zien hoe groot cloud computing binnen Microsoft is geworden. Nog opvallender is de gecontracteerde orderportefeuille. Microsoft heeft 678 miljard dollar aan vastgelegde vraag voor Azure en AI capaciteit. Klanten hebben zich dus al verbonden aan toekomstige afname, al moet Microsoft die omzet nog wel leveren en boeken. Ook Microsoft 365 Copilot, de AI assistent in de Office softwaresuite, begint materieel te worden. De dienst heeft meer dan 30 miljoen betalende abonnees. Dat maakt Microsoft minder afhankelijk van alleen datacenters, omdat AI ook wordt verkocht via software die bedrijven al gebruiken. Satya Nadella leidt Microsofts inzet op Azure en AI Direct naar een onderdeel van dit artikel Amazon Web Services jaagt op schaal Oracle groeit met geconcentreerd risico AI uitgaven botsen op grenzen Waar beleggers nu op wachten Amazon Web Services jaagt op schaal Amazon Web Services heeft met Anthropic, een AI lab, een van de grootste cloudafspraken in de technologiesector gesloten. Anthropic stemde in april in met meer dan 100 miljard dollar aan uitgaven bij AWS over de komende tien jaar. De afspraak omvat maximaal 5 gigawatt aan computercapaciteit rond Amazons zelf ontworpen Trainium chips. Voor Amazon is die chipstrategie belangrijk. Het bedrijf wil minder afhankelijk zijn van Nvidia door eigen chips voor AI workloads te gebruiken. De Trainium lijn is naar verluidt bijna uitverkocht, wat aangeeft dat de vraag naar alternatieven voor Nvidia groot is. Topman Andy Jassy heeft de lat hoog gelegd. Hij heeft gezegd dat AWS op termijn een bedrijf met een jaaromzet van 1 biljoen dollar kan worden. Dat klinkt ambitieus, maar past bij Amazons oude recept: eerst schaal bouwen, daarna jarenlang capaciteit verkopen. Amazon bouwt AI-capaciteit voor Anthropic met eigen chips Oracle groeit met geconcentreerd risico Oracle is snel opgeschoven naar AI cloudinfrastructuur. De remaining performance obligations, gecontracteerde omzet die nog niet is geboekt, kwamen afgelopen kwartaal uit op een record van 664 miljard dollar. Ongeveer 300 miljard dollar daarvan komt van één klant: OpenAI. Dat is tegelijk indrukwekkend en kwetsbaar. Eén klant kan Oracle jaren groei geven, maar klantconcentratie is zelden gratis. Als OpenAI zijn verplichtingen niet kan nakomen, raakt dat een groot deel van Oracle’s toekomstige omzet. Oracle bouwt intussen alsof AI infrastructuur een kernactiviteit is geworden. Het bedrijf heeft al 850 megawatt aan datacentercapaciteit en ongeveer 300.000 AI chips ingezet. Daar staat tegenover dat Oracle meerjarige datacenterleases heeft getekend voor contracten die in sommige gevallen korter lopen. Oracle-campus onderstreept snelle groei in AI-cloudinfrastructuur AI uitgaven botsen op grenzen De grootste spanning zit bij de investeringen. Amazon heeft zijn investeringsbudget voor 2026 verhoogd naar ongeveer 220 miljard dollar. Een groot deel daarvan gaat naar capaciteit die nodig is om AI vraag op te vangen. Als die vraag blijft doorlopen, kan AWS verder groeien. Als de vraag afkoelt voordat de nieuwe capaciteit genoeg oplevert, komen marges sneller in beeld. Dat is het deel van het AI verhaal dat minder makkelijk in koersdoelen past. Goldman Sachs hoofdeconoom Jan Hatzius vatte het risico kort samen: “AI spending can't grow in a straight line forever”. Die zin is nuchterder dan veel AI verhalen van de afgelopen jaren. Contracten helpen, maar ze nemen het uitvoeringsrisico niet weg. Waar beleggers nu op wachten Opvallend is dat Microsoft, Amazon en Oracle zich gedragen alsof AI cloud nog aan het begin staat. Intern lijkt het nog altijd “day one”. Dat verklaart de haast om datacenters, chips en stroomcapaciteit veilig te stellen. Voor beleggers ligt de kern niet bij de vraag welk bedrijf het hardst roept over AI. Het gaat om uitvoering: Azure moet zijn orderportefeuille omzetten in omzet, AWS moet zijn investeringen laten renderen en Oracle moet bewijzen dat zijn OpenAI blootstelling geen zwakke plek wordt. De volgende kwartaalupdates moeten laten zien of AI cloud aandelen hun contracten echt kunnen vertalen naar marge en voorspelbare kasstromen.
- Juryklap van ruim 100 miljoen dollar voor Joby
In het kort Een federale jury kent Aerosonic ongeveer $116,9 miljoen toe in een zaak tegen Joby Aviation. De schadevergoeding klinkt fors, maar valt naast een kaspositie van ongeveer $2,3 miljard beter in perspectief. De vraag voor beleggers is nu of de juridische nederlaag beperkt blijft tot een dure rekening, of ook aan Joby’s leveranciersrelaties gaat knagen. Voor het Joby Aviation aandeel is de uitspraak pijnlijk, maar voorlopig niet verlammend. Een federale jury in Florida heeft Aerosonic, een dochter van TransDigm Group, ruim $100 miljoen toegekend in een geschil over intellectueel eigendom. De kern voor beleggers zit niet alleen in de hoogte van de rekening, maar vooral in de vraag hoeveel schade de zaak aanricht buiten de kaspositie. Aerosonic leverde air data probes aan Joby Aviation voor testtoestellen in de eVTOL markt. Die probes meten luchtdruk en helpen vluchtcomputers bij het berekenen van luchtsnelheid, hoogte en andere vluchtgegevens. In september 2021 tekenden de bedrijven een geheimhoudingsovereenkomst. Het conflict ontstond nadat Joby zijn eigen air data system had ontwikkeld. Aerosonic stapte in maart 2025 naar de rechter en stelde dat Joby ontwerpen en testdata van Aerosonic had gebruikt om eigen probes te bouwen. Joby diende een tegenzaak in en stelde juist dat Aerosonic de geheimhoudingsovereenkomst had geschonden en defecte probes had geleverd. De jury in de U.S. District Court for the Middle District of Florida ging daar hard overheen. Alle 8 verweren en tegenclaims van Joby werden verworpen. Voor een bedrijf dat nog volop bouwt aan technologie, certificering en leveranciersrelaties is dat geen prettig dossier. Joby’s eVTOL-programma krijgt juridische tegenwind Direct naar een onderdeel van dit artikel Aerosonic wint breed bij jury Kaspositie Joby relativeert schade Reputatierisico blijft lastiger te meten Joby vecht uitspraak aan Joby Aviation aandeel wacht op vervolg Aerosonic wint breed bij jury De jury keek naar 50 items met “Alleged Proprietary Information” en 50 “Alleged Trade Secrets”. Bij de eerste categorie draaide het om de geheimhoudingsovereenkomst. Bij de tweede categorie ging het om de vraag of Joby bedrijfsgeheimen had misbruikt. Volgens de jury had Aerosonic zijn claims bewezen. Zwaarder weegt dat de jury het misbruik van bedrijfsgeheimen door Joby “willful and malicious” noemde. Die kwalificatie opende de deur naar extra “exemplary damages”, bovenop de gewone schadevergoeding. De rekening bestaat uit drie posten. Aerosonic krijgt $68,6 miljoen voor de schending van de geheimhoudingsovereenkomst, $29,9 miljoen voor verliezen van Aerosonic en winsten van Joby uit het misbruik van bedrijfsgeheimen, en $18,3 miljoen aan exemplary damages. Samen komt de schadevergoeding uit op ongeveer $116,9 miljoen. Joby’s productietoestel onderstreept belang van beschermde technologie Kaspositie Joby relativeert schade Een rekening van $116,9 miljoen is fors, zeker voor een jong bedrijf in een kapitaalintensieve markt. Joby Aviation heeft nog geen comfortabele commerciële fase bereikt en verbruikt al veel geld. Over het afgelopen jaar was de vrije kasstroom negatief met $743,3 miljoen. Tegenover die cash burn staat een stevige buffer. Joby heeft ongeveer $2,3 miljard aan cash en kortlopende beleggingen op de balans. Als de uitspraak standhoudt, kan het bedrijf de schadevergoeding uit die kas betalen zonder dat de financiële ruimte meteen verdampt. De rekensom maakt de zaak minder dramatisch dan de koppen doen vermoeden. Bij het huidige tempo zou Joby zijn kaspositie in ongeveer 37 maanden opgebruiken. Met de schadevergoeding meegerekend daalt die runway naar ongeveer 35 maanden. Reputatierisico blijft lastiger te meten De financiële schade is redelijk scherp af te bakenen. De reputatieschade is dat niet. In de eVTOL sector, waar toestellen nog hun weg naar commerciële inzet moeten vinden, tellen vertrouwen, veiligheid en afspraken met leveranciers zwaar. Daar wringt deze uitspraak. Aerosonic was niet zomaar een buitenstaander, maar een leverancier van onderdelen voor Joby’s testtoestellen. Een jury die spreekt van “willful and malicious” misbruik van bedrijfsgeheimen, raakt daarom ook aan de manier waarop Joby met technische partners omgaat. Dat betekent niet dat de operatie direct geraakt wordt. In de beschikbare feiten staat geen verbod op technologiegebruik en geen aanwijzing dat Joby zijn testprogramma of bredere eVTOL plannen moet stilleggen. De straf is voorlopig financieel, en juist daardoor beter te overzien. Joby vecht uitspraak aan De zaak is nog niet definitief afgerond. Een woordvoerder van Joby zei dat het bedrijf “vigorously pursue all available post-trial and appellate remedies” zal nastreven. De juridische strijd krijgt dus nog een vervolg, ook na deze duidelijke overwinning voor Aerosonic. Voor het Joby Aviation aandeel haalt de uitspraak één onzekerheid deels uit de lucht: de omvang van de schade is nu concreet. Tegelijk blijft de procedure boven de markt hangen zolang Joby de uitspraak aanvecht. Dat is juridische ruis, maar wel ruis met een bedrag eraan. De beurs kan doorgaans beter omgaan met een bekende rekening dan met een onbekende claim. In dit geval lijkt de kaspositie groot genoeg om de financiële klap op te vangen. De scherpere vraag is of de zaak beperkt blijft tot een dure juridische nederlaag, of dat leveranciers voorzichtiger naar Joby gaan kijken. Joby Aviation aandeel wacht op vervolg Het vervolg draait om de afronding van de uitspraak en de stappen die Joby daartegen zet. Aerosonic heeft bij de jury een stevige overwinning geboekt, maar Joby krijgt nog ruimte om de schadevergoeding aan te vechten. Tot die tijd blijft de verhouding tussen juridische kosten, cash burn en kaspositie het belangrijkste kader. Voor het Joby Aviation aandeel ligt de lat nu niet alleen bij de rechtbank. Joby moet ook laten zien dat de cash burn beheersbaar blijft terwijl het bedrijf verder werkt aan zijn eVTOL plannen. De schadevergoeding van ongeveer $116,9 miljoen oogt betaalbaar; of de zaak ook operationeel een voetnoot blijft, moet het vervolg uitwijzen.
- Washington zet 4,2 miljard dollar in op dit kernenergieaandeel
In het kort Het U.S. Department of Energy wil Vistra maximaal $4,2 miljard lenen om drie bestaande kerncentrales langer open te houden en te upgraden. Het project houdt bijna 4 gigawatt bestaande stroom beschikbaar en voegt 433 megawatt nieuwe capaciteit toe, zonder een nieuwe reactor te bouwen. De vraag voor het Vistra aandeel is hoeveel waarde beleggers toekennen aan reactoren die al vergunningen, netaansluiting en stroomkopers hebben. Washington wil Vistra maximaal $4,2 miljard lenen om drie bestaande kerncentrales langer open te houden en te upgraden. Dat maakt het Vistra aandeel opnieuw relevant in het Amerikaanse debat over kernenergie, maar niet omdat er een nieuwe reactor bijkomt. Juist het tegenovergestelde valt op: de snelste route naar meer stroom loopt via centrales die er al staan. Het gaat om Beaver Valley in Pennsylvania en Davis Besse en Perry in Ohio. Het U.S. Department of Energy verwacht dat het project bijna 4 gigawatt bestaande stroom behoudt en 433 megawatt nieuwe capaciteit toevoegt. Die capaciteit kan meer dan 3 miljoen huishoudens in Pennsylvania, Ohio en de PJM regio van stroom voorzien. De investering moet de levensduur van de centrales met nog eens 20 jaar verlengen bovenop de huidige vergunningen. Energy Secretary Chris Wright vatte de boodschap maandag simpel samen: laat bestaande Amerikaanse kerncentrales langer draaien om goedkopere, stabielere stroom rond de klok te leveren. Voor beleggers zit daar de kern van het verhaal. Direct naar een onderdeel van dit artikel DOE kiest voor bestaande reactoren PJM maakt stroomcapaciteit schaars Constellation laat hetzelfde patroon zien Westinghouse toont langere nucleaire route Vistra moet uitvoering bewijzen DOE kiest voor bestaande reactoren De opvallendste zin rond de deal is dat Washington nieuwe stroom toevoegt zonder één nieuwe reactor te bouwen. Dat is geen detail, maar de beleggershoek. Nieuwe kerncentrales blijven onderdeel van de Amerikaanse plannen, maar bestaande centrales zijn sneller, concreter en minder afhankelijk van een volledig nieuw bouwtraject. Bestaande reactoren hebben al personeel, infrastructuur, vergunningen en een aansluiting op het elektriciteitsnet. Als zo’n centrale langer openblijft of meer vermogen levert, komt extra stroom sneller beschikbaar dan bij nieuwbouw. Dat maakt de leningstoezegging voor Vistra meer dan een los bedrijfsmoment. President Donald Trump zette in mei 2025 het doel neer om de Amerikaanse nucleaire capaciteit te verviervoudigen naar 400 gigawatt in 2050. Washington kan dat doen via nieuwe reactoren, herstarts en upgrades van bestaande centrales. De deal met Vistra laat zien waar op korte termijn de voorkeur lijkt te liggen. Energieminister Chris Wright benadrukt langer draaien van kerncentrales PJM maakt stroomcapaciteit schaars De PJM regio is belangrijk omdat daar stroomzekerheid al hoog op de agenda staat. PJM Interconnection beheert een groot deel van het elektriciteitsnet in het oosten van de VS, verspreid over delen van 13 staten en het District of Columbia. Wie daar bestaande capaciteit behoudt of uitbreidt, zit in een markt waar betrouwbare stroom veel waard is. Voor Vistra zijn Beaver Valley, Davis Besse en Perry daarom meer dan technische activa. De centrales leveren stroom zonder onderbreking, precies het type capaciteit waar datacenters en industriële afnemers steeds vaker naar zoeken. De groei van artificial intelligence maakt die vraag nog zichtbaarder. Meta Platforms heeft zich al aan dezelfde centrales verbonden. In januari 2026 tekende het technologiebedrijf stroomafnameovereenkomsten met Vistra met een looptijd van 20 jaar voor 2.609 megawatt. Voor Washington helpt dat: er is niet alleen een centrale en een aansluiting, er is ook een koper. Constellation laat hetzelfde patroon zien Constellation Energy past in hetzelfde patroon als Vistra. Het DOE sloot eerder een lening van $1 miljard om het 835 megawatt grote Crane Clean Energy Center terug te brengen, de voormalige Three Mile Island Unit 1 die in 2019 werd gesloten. Microsoft had al getekend om de stroom te kopen voordat die lening rond was. Daarmee tekent zich een duidelijke lijn af. Washington financiert niet blind elk nucleair plan, maar kiest vooral projecten die sneller stroom kunnen leveren en waar de commerciële vraag al zichtbaar is. Dat maakt eigenaren van bestaande reactoren interessanter dan bedrijven die nog vanaf nul moeten beginnen. Vistra hoort nadrukkelijk in die categorie. Het bedrijf bezit de op één na grootste nucleaire vloot onder concurrerende stroomproducenten die elektriciteit op de open markt verkopen. De waarde van zulke centrales zit niet alleen in megawatts, maar ook in schaarste: betrouwbare stroom is moeilijk snel te vervangen. Westinghouse toont langere nucleaire route Washington zet niet alleen in op bestaande centrales. Het DOE noemde ook een voorwaardelijke lening van $17,5 miljard aan Westinghouse om tot 10 nieuwe AP1000 reactoren uit te rollen. Westinghouse is gezamenlijk eigendom van Brookfield Renewable Partners, Brookfield Renewable en Cameco. Die deal laat zien dat nieuwbouw niet uit beeld is. Alleen duurt die route langer. Nieuwe reactoren moeten worden ontworpen, vergund, gefinancierd, gebouwd en aangesloten voordat zij stroom leveren. Voor beleggers is dat verschil relevant. Nieuwe reactoren kunnen op termijn veel capaciteit toevoegen, maar bestaande centrales raken eerder aan kasstromen, contracten en bedrijfswaarde. Daarom oogt het argument voor Vistra en Constellation op korte termijn sterker dan het bredere verhaal over toekomstige reactorbouw. Vistra moet uitvoering bewijzen De leningstoezegging voor Vistra is geen uitgekeerde cheque van $4,2 miljard. Het gaat om maximaal dat bedrag, gekoppeld aan verlenging en upgrades van drie centrales. De waarde voor Vistra hangt af van uitvoering, kosten, vergunningen en de vraag of de centrales daadwerkelijk langer en efficiënter kunnen draaien. Ook het bredere verhaal over nucleaire energie aandelen rust op aannames. De vraag naar ononderbroken stroom moet hoog blijven, vooral vanuit datacenters en artificial intelligence. Federale steun moet blijven aansluiten op projecten met duidelijke afnemers en netcapaciteit. Voor nu is de boodschap uit Washington helder genoeg: bestaande kerncentrales met vergunningen, netaansluiting en kopers staan vooraan. Het Vistra aandeel blijft daardoor nauw verbonden met de uitvoering van de DOE lening, de stroomcontracten met Meta Platforms en de vraag of kernenergie in de VS snel genoeg kan opschalen om de groeiende elektriciteitsvraag bij te houden.
- Zonder TSMC blijft elke AI-chip van Nvidia een plan
In het kort TSMC heeft ongeveer 73% van de pure play foundrymarkt naar omzet en is nog dominanter bij de meest geavanceerde chips. Nvidia is Apple voorbij als grootste klant van Taiwan Semiconductor Manufacturing, gedreven door de vraag naar AI chips. Het TSMC aandeel hangt daardoor direct aan AI infrastructuur, maar de hoge waardering en Taiwan risico laten weinig ruimte voor gemakzucht. Het TSMC aandeel is minder luidruchtig dan Nvidia, AMD of Micron Technology, maar het zit dichter op het knelpunt in AI chips: productiecapaciteit. Taiwan Semiconductor Manufacturing ontwerpt de chips niet die de aandacht trekken. Het bedrijf bouwt ze op de meest geavanceerde productielijnen, en juist daar is de schaarste het grootst. Elke GPU voor grote AI modellen moet ergens worden gemaakt. In de praktijk komt dat vaak uit een fabriek van TSMC. Het bedrijf produceert op geavanceerde nodes, de fijnste chiptechnologie, die vrijwel niemand anders betrouwbaar en op grote schaal kan leveren. Dat maakt TSMC minder zichtbaar dan een nieuwe chip van Nvidia of een presentatie van AMD. Toch bepaalt de fabriek in veel gevallen hoeveel AI chips uiteindelijk bij datacenters terechtkomen. Een ontwerp kan technisch superieur zijn, maar zonder productieplek blijft het een plan. TSMC heeft ongeveer 73% van de pure play foundrymarkt naar omzet. Dat is de markt voor chipfabrieken die vooral voor andere bedrijven produceren. Bij de meest geavanceerde nodes ligt het percentage naar verluidt dichter bij 90%, en dat is precies het deel van de markt waar AI de druk opvoert. TSMC verschuift productiecapaciteit richting geavanceerde chips Direct naar een onderdeel van dit artikel Nvidia schuift Apple opzij AI infrastructuur stuwt TSMC marges Samsung en Intel missen nog volume Waardering TSMC vraagt om bewijs Taiwan blijft het harde risico Nvidia schuift Apple opzij Nvidia is eerder dit jaar Apple voorbijgegaan als grootste klant van TSMC. Dat is meer dan een wisseling in de klantenlijst. Jarenlang stond Apple symbool voor de dominante vraag naar de nieuwste chipproductie, nu trekt AI harder aan dezelfde capaciteit. Nvidia en AMD ontwerpen GPU’s. Micron Technology levert geheugen dat naast die chips nodig is. Geen van die bedrijven doet het volledige productiewerk dat nodig is om de chips daadwerkelijk te leveren. Daar zit de nuchtere beleggershoek bij TSMC. Het bedrijf hoeft niet één specifieke winnaar in AI chips te kiezen om van de investeringsgolf te profiteren. Als Nvidia meer laat produceren, loopt dat via TSMC; als AMD terrein wint, loopt ook die vraag voor een belangrijk deel langs dezelfde fabrieken. Nvidia verdringt Apple als grootste klant van TSMC AI infrastructuur stuwt TSMC marges High performance computing is de belangrijkste groeimotor van Taiwan Semiconductor Manufacturing geworden. In dat segment vallen AI versnellers en serverchips die nodig zijn om grote modellen te trainen en te gebruiken. De vraag komt niet uit één product, maar uit een bredere bouwgolf rond AI infrastructuur. Het management verwacht dat de omzet uit AI versnellers tot het einde van het decennium groeit in de mid to high 50 procent bandbreedte. De langere termijn verwachting voor de totale omzetgroei is verhoogd richting ten minste 25%. Voor een bedrijf met de schaal van TSMC zijn dat forse percentages. De cijfers sluiten aan bij dat verhaal. De omzet over heel 2025 kwam uit op ongeveer 122 miljard dollar, bijna 36% meer dan een jaar eerder. De brutomarge steeg naar 60%, tegen 56% een jaar eerder, en in de eerste helft van 2026 groeide de omzet met 37% naar 76,1 miljard dollar. Samsung en Intel missen nog volume Samsung en Intel investeren zwaar om hun foundryactiviteiten op te schalen. Klanten willen niet volledig afhankelijk zijn van één producent, zeker niet bij chips die centraal staan in datacenters en AI toepassingen. Voor TSMC is die concurrentie dus geen voetnoot. Toch hebben Samsung en Intel de kloof bij yield en volume nog niet gedicht op de nodes die Nvidia en AMD nodig hebben. Yield gaat om het aantal bruikbare chips dat uit een productieproces komt. In deze markt telt niet alleen technologische belofte, maar vooral betrouwbare levering per kwartaal. Daar zit de macht van TSMC. Klanten kunnen leading edge productie niet makkelijk over meerdere leveranciers verdelen. Wie de snelste AI chips op grote schaal wil laten maken, komt al snel uit bij de partij met de hoogste volumes en de minste productierisico’s. Waardering TSMC vraagt om bewijs Het TSMC aandeel is niet goedkoop. Op basis van de gerealiseerde winst handelt het rond 34 keer de winst. Dat is stevig voor een chipbedrijf dat veel kapitaal nodig heeft en actief is in een sector die beleggers traditioneel als cyclisch zien. De waardering staat wel tegenover een uitzonderlijke positie in de AI toeleveringsketen. Nvidia en AMD krijgen de aandacht omdat hun producten zichtbaar zijn. TSMC zit daaronder en verdient aan de productiestroom die nodig is om die ontwerpen in echte chips om te zetten. Daar wringt het. Het verhaal van TSMC oogt minder spectaculair dan dat van Nvidia, maar de afhankelijkheid van de sector van één producent is juist opvallend. Of de huidige waardering genoeg bescherming biedt als de AI uitgaven vertragen, moet blijken uit de volgende omzetgroei en marges. Taiwan blijft het harde risico Het grootste risico blijft geopolitiek rond Taiwan. TSMC is nauw verbonden met Taiwan, en dat maakt het aandeel gevoelig voor spanningen in de regio. Voor internationale beleggers is dat geen randzaak, maar een risico dat in de waardering hoort mee te wegen. Ook de kosten van nieuwe fabrieken in de Verenigde Staten verdienen aandacht. TSMC geeft veel uit om de vraag voor te blijven en zijn productievoetafdruk te verbreden. Zulke investeringen kunnen in afzonderlijke jaren zwaar wegen, ook als ze de concurrentiepositie over meerdere jaren versterken. De centrale vraag richting 2030 blijft daardoor scherp. Kan iemand anders snel genoeg dezelfde capaciteit opbouwen op de meest geavanceerde nodes? Zolang dat niet zichtbaar gebeurt, blijft het TSMC aandeel een directe graadmeter voor de fabriekskant van AI infrastructuur, met de volgende cijfers van Taiwan Semiconductor Manufacturing als toets voor groei, marges en vraag naar high performance computing.
- Vijf chipaandelen in één mandje vragen om grote aannames
In het kort Een mandje met Nvidia, AMD, Broadcom, Taiwan Semiconductor Manufacturing en ASML kan volgens de aannames groeien van net onder $5.100 naar $8.900. De rekensom leunt op stevige winstgroei, hoge uitgaven aan AI infrastructuur en waarderingen die niet hard terugvallen. De vraag is hoeveel van die AI groei al in de koersen zit, zeker bij aandelen die al veel verwachtingen meetorsen. AI infrastructuur aandelen krijgen opnieuw een stevige rekensom mee: net onder $5.100 verdeeld over vijf halfgeleiders kan richting 2030 uitkomen op $8.900. Dat zou ongeveer 75% rendement in vier jaar zijn. De vijf namen zijn Nvidia, Advanced Micro Devices, Broadcom, Taiwan Semiconductor Manufacturing en ASML. Die uitkomst klinkt overzichtelijk, maar de aannames zijn allesbehalve klein. De berekening gaat uit van stijgende winsten, forse uitgaven aan chips en rekenkracht, en waarderingen die hoog genoeg blijven om die winsten royaal te belonen. Daar zit meteen de kern voor beleggers: het verhaal is breed, maar niet goedkoop. Bloomberg Intelligence projecteerde in juni dat de uitgaven aan AI in hardware, software en services tegen 2032 kunnen oplopen tot $2,3 biljoen. Binnen dat bedrag gaat het om $658 miljard aan AI training en $1,3 miljard aan inference. De markt is groot genoeg voor meerdere winnaars, maar een grote markt is nog geen garantie voor hoge rendementen. Halfgeleidersector rekent op aanhoudende AI-investeringen Direct naar een onderdeel van dit artikel Nvidia blijft de directe AI inzet AMD en Broadcom krijgen zwaardere opdracht Taiwan Semiconductor draagt de keten ASML krijgt hoge waardering mee AI infrastructuur moet bewijs leveren Nvidia blijft de directe AI inzet Nvidia is de meest directe positie op AI training en graphics processing units, de chips die veel AI modellen aandrijven. In de berekening vertegenwoordigt $940 vier aandelen Nvidia. Het bedrijf is voor veel beleggers uitgegroeid van GPU specialist tot spil in AI infrastructuur. Analisten rekenen voor Nvidia in fiscaal 2032, dat eindigt in januari, op een aangepaste winst per aandeel van $24,79. Bij 15 keer die winst komt de berekende koers uit op $372 per aandeel. De positie zou dan bijna $1.500 waard zijn, goed voor ongeveer 60% rendement. Dat is minder spectaculair dan sommige andere namen in het mandje, maar de lat ligt juist bij Nvidia hoog. Het aandeel heeft al veel AI enthousiasme in de koers verwerkt. Nvidia moet niet alleen blijven groeien, maar ook zijn dominante positie in AI chips vasthouden. AMD en Broadcom krijgen zwaardere opdracht Advanced Micro Devices krijgt in dit mandje de rol van uitdager. AMD profiteert volgens de aannames van inference via GPU’s en agentic AI op CPU’s. Met $633 komt de berekening uit op één aandeel AMD. De winst per aandeel van AMD wordt voor 2030 geraamd op $45,25. Daarbovenop wordt nog 20% groei in 2031 verondersteld, waardoor de winst per aandeel op $54,30 uitkomt. Bij 20 keer die winst komt de berekende koers uit op $1.086, een winst van 72% op deze positie. Broadcom levert in deze rekensom de hoogste bijdrage aan het rendement. Het bedrijf is de inzet op custom AI chips en networking. Met $710 worden twee aandelen Broadcom gekocht, die bij een winst per aandeel van $52,15 in fiscaal 2031 en 15 keer die winst samen $1.564 waard zouden zijn. Dat komt neer op 120% winst voor de Broadcom positie. Opvallend is dat het hoogste rendement niet bij Nvidia ligt, maar bij Broadcom. Dat maakt de rekensom minder afhankelijk van één AI kampioen, al blijft de onderliggende eis stevig: de vraag naar custom AI chips moet hard blijven doorgroeien. Wall Street weegt winstgroei bij AMD en Broadcom Taiwan Semiconductor draagt de keten Taiwan Semiconductor Manufacturing is de productieschakel in het mandje. Het bedrijf wordt neergezet als de belangrijkste foundry ter wereld, met een vrijwel monopolie op geavanceerde chipproductie. Voor beleggers is dit minder een gok op één chipontwerper en meer een positie op de capaciteit achter de AI chiphausse. Met $945 komt de berekening uit op twee aandelen Taiwan Semiconductor Manufacturing. De analistenconsensus loopt hier tot 2028, met een verwachte winst per aandeel van $28,33. Daarna neemt de rekensom het over met 25% groei in het volgende jaar, 22,5% in het jaar daarna en 20% in 2031. Zo komt de winst per aandeel uit op $39,80. Bij 17,5 keer die winst zou het aandeel in 2030 bijna $700 waard zijn. De totale positie stijgt dan naar ongeveer $1.400, een winst van circa 48%. ASML krijgt hoge waardering mee ASML heeft de scherpste strategische rol in het mandje. “Without ASML, the entire AI boom would not be possible.” Het Nederlandse bedrijf heeft een monopolie op extreme ultraviolet lithografie, de technologie die nodig is voor kritieke onderdelen van geavanceerde logic chips, GPU’s en high bandwidth memory. Met $1.865 wordt in de berekening één aandeel ASML gekocht. Analisten rekenen voor 2030 op een winst per aandeel van $101,57. Met nog 10% extra groei komt de winst per aandeel uit op $111,72. Bij 30 keer die winst komt de berekende koers uit op $3.351. Dat zou 80% winst opleveren op de ASML positie. Daar wringt het wel: ASML hoeft niet alleen operationeel te leveren, de markt moet ook bereid blijven een hoge prijs te betalen voor die winst. AI infrastructuur moet bewijs leveren Het hele mandje draait op dezelfde motor: de AI infrastructuurboom moet blijven draaien. De startinvestering ligt net onder $5.100 en groeit in de berekening naar $8.900 in 2030. Dat is 75% rendement, verdeeld over Nvidia, AMD, Broadcom, Taiwan Semiconductor Manufacturing en ASML. De onzekerheid zit niet in één detail, maar in het hele bouwwerk. “Obviously, there are a whole lot of variables at play.” Als de winstgroei tegenvalt of als beleggers minder willen betalen voor toekomstige winsten, verandert het plaatje snel. De waarschuwing is helder genoeg: “If the AI infrastructure boom goes bust, you could see a negative return.” Voor AI infrastructuur aandelen wordt 2030 daarmee geen magische eindstreep, maar een test van winstgroei, chipvraag en waardering. De komende jaren moeten uitwijzen of AI training, inference, custom AI chips en EUV lithografie genoeg opleveren om deze verwachtingen te dragen.
- Nvidia nadert 6 biljoen dollar maar deze valkuil loert
In het kort Nvidia zit met een marktwaarde van ongeveer $5,8 biljoen dicht bij een grens die nog geen beursbedrijf haalde. Eerdere biljoenmijlpalen bij Apple en Nvidia gaven weinig houvast voor het rendement daarna. De echte spanning zit bij Nvidia in winstgroei, AI uitgaven en de prijs die beleggers voor die groei willen betalen. Het Nvidia aandeel staat nog maar ongeveer 4% onder een marktwaarde van $6 biljoen. Nvidia, de chipgigant op het gebied van kunstmatige intelligentie, sloot maandag 5 oktober op $238,90, een nieuw recordslot. Tegen die prijs is het bedrijf ongeveer $5,8 biljoen waard. Geen enkel beursbedrijf heeft ooit $6 biljoen aangetikt. Dat levert vanzelf koppen op, zeker bij een aandeel dat al jaren het gezicht is van de AI handel op Wall Street. Maar een ronde marktwaarde is geen winstmachine, en ook geen betrouwbare graadmeter voor wat er daarna met de koers gebeurt. Daar past de nuchtere waarschuwing bij: “Mijlpalen als deze halen meestal de krantenkoppen. Maar ik denk niet dat ze veel zeggen over wat een aandeel daarna doet.” Voor beleggers is vooral relevant of Nvidia de winst hard genoeg blijft opvoeren. Daar wordt de waardering uiteindelijk op afgerekend. Direct naar een onderdeel van dit artikel Biljoengrenzen geven weinig richting Apple laat de valkuil zien Waardering werd bij Apple bepalend Nvidia groeit harder dan Apple destijds AI datacenters blijven de test Nvidia aandeel wacht op kwartaalbewijs Biljoengrenzen geven weinig richting In de Verenigde Staten gebeurde het vijf keer dat een bedrijf als eerste een nieuwe biljoengrens bereikte. Apple deed dat bij $1 biljoen, $2 biljoen en $3 biljoen. Nvidia deed het bij $4 biljoen en $5 biljoen. De uitkomsten daarna waren allesbehalve eenduidig. In de daaropvolgende 12 maanden, of 11 maanden bij de meest recente Nvidia mijlpaal, liep het rendement uiteen van 31% verlies tot 27% winst. Slechts twee keer bleef het aandeel de S&P 500 voor. Dat zegt veel over zulke symbolische grenzen. De marktwaarde zelf bleek minder belangrijk dan de winstgroei en de prijs die beleggers voor die winst wilden betalen. Op papier lijken de momenten vergelijkbaar, maar in de praktijk bepaalde de bedrijfsontwikkeling het rendement. Wall Street reageert wisselend op inflatiecijfers en Nvidia-verwachtingen Apple laat de valkuil zien Apple is de beste waarschuwing voor wie te veel betekenis geeft aan een ronde grens. Het bedrijf passeerde op 2 augustus 2018 als eerste de grens van $1 biljoen. In de 12 maanden daarna daalde het aandeel ongeveer 2%, terwijl de S&P 500 ongeveer 4% steeg. De reden lag niet in die marktwaarde, maar in de cijfers daarna. Begin januari 2019 verlaagde Apple de omzetverwachting voor het decemberkwartaal naar ongeveer $84 miljard. Zwakkere iPhone upgrades dan verwacht waren genoeg om de glans van de mijlpaal weg te halen. Ook bij $2 biljoen was het verhaal genuanceerder dan de koers alleen liet zien. Apple bereikte die grens op 19 augustus 2020, vlak voor een sterk jaar waarin de winst per aandeel in boekjaar 2021 met 71% steeg. Toch won het aandeel in de 12 maanden daarna 27%, minder dan de 31% winst van de S&P 500. Nvidia's Blackwell-platform moet verdere AI-groei in datacenters dragen Waardering werd bij Apple bepalend Bij Apple draaide het steeds weer om de verhouding tussen koers en winst. Rond de grens van $2 biljoen betaalden beleggers ongeveer 35 keer de winst. Een jaar later was dat nog ongeveer 29 keer de winst, ondanks de forse winstgroei. De grens van $3 biljoen maakte dat risico scherper zichtbaar. Apple bereikte die marktwaarde op 3 januari 2022. De winst per aandeel steeg in boekjaar 2022 nog met 9%, maar het aandeel verloor in het jaar daarna 31%, terwijl de S&P 500 met 20% daalde. Daar wringt het ook bij Nvidia. Een bedrijf kan operationeel goed blijven presteren en toch een zwakker beursjaar hebben als beleggers minder willen betalen voor toekomstige winst. Een mijlpaal beschermt niet tegen een lagere waardering. Nvidia groeit harder dan Apple destijds Nvidia’s eigen biljoenmijlpalen zijn tot nu toe beter verlopen. Het bedrijf bereikte op 9 juli 2025 voor het eerst $4 biljoen. In het daaropvolgende jaar steeg het aandeel ongeveer 25%, tegen 20% winst voor de S&P 500. Ook de stap naar $5 biljoen pakte voorlopig gunstig uit. Sinds Nvidia op 29 oktober 2025 die grens voor het eerst passeerde, staat het aandeel ongeveer 15% hoger. Dat is opnieuw iets beter dan de index over die 11 maanden. De belangrijkste reden ligt bij de resultaten zelf. In het tweede kwartaal van boekjaar 2027, dat eindigde op 26 juli 2026, steeg de omzet met 106% op jaarbasis naar $96,2 miljard. De aangepaste winst per aandeel steeg met 120% naar $2,22, terwijl de omzetgroei in het kwartaal ervoor 85% bedroeg. AI datacenters blijven de test Nvidia rekent voor het derde kwartaal van het boekjaar op ongeveer $108 miljard omzet, plus of min 2%. Dat zou bijna 90% meer zijn dan de $57,0 miljard in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Het tempo blijft uitzonderlijk, maar ligt wel onder de groei van het vorige kwartaal. Daar zit de spanning voor het Nvidia aandeel. Meer dan 90% van de omzet in het vorige kwartaal kwam uit de datacenteractiviteiten. Die omzet hangt direct aan de vraag hoeveel klanten blijven uitgeven aan de uitbouw van AI. Als die AI uitgaven afnemen, kan de winstgroei snel afremmen. Dan wordt de waardering kwetsbaarder, zeker als beleggers tegelijk minder willen betalen voor toekomstige winst. Apple liet na $3 biljoen zien hoe snel zo’n combinatie een beursverhaal kan kantelen. Nvidia aandeel wacht op kwartaalbewijs De grens van $6 biljoen zal veel aandacht krijgen als Nvidia die aantikt. Voor de markt is het vooral een zichtbaar symbool van de AI boom. Voor beleggers telt meer of de datacenteromzet en de winstgroei de verwachtingen blijven dragen. Het volgende kwartaalrapport wordt daarom belangrijker dan de mijlpaal zelf. Nvidia moet laten zien dat de vraag naar AI chips sterk genoeg blijft om de huidige marktwaarde te ondersteunen. Pas dan blijkt of $6 biljoen meer is dan een mooi rond getal op Wall Street.
- Buffett wees beleggers al in 2021 op dit saaie indexfonds
In het kort Warren Buffett noemt een S&P 500 indexfonds voor de meeste mensen de beste manier om brede aandelenblootstelling te krijgen. De Vanguard S&P 500 ETF volgt 500 grote Amerikaanse bedrijven en rekent slechts 0,03% kosten per jaar. De rekensom naar $820.000 na drie decennia staat of valt met één forse aanname: de S&P 500 moet zijn rendement van de afgelopen 30 jaar herhalen. De Vanguard S&P 500 ETF staat opnieuw in beeld door een oud advies van Warren Buffett dat weinig glamour heeft, maar veel gewicht. Buffett wijst de meeste beleggers al jaren richting een S&P 500 indexfonds, een fonds dat de index van 500 grote Amerikaanse bedrijven volgt. De aantrekkingskracht zit niet in een briljante aandelentip, maar in spreiding, lage kosten en vooral veel tijd. Warren Buffett heeft zelf bepaald niet simpel belegd. Onder zijn leiding behaalde Berkshire Hathaway tussen 1965 en 2025 een jaarlijks rendement van 19,7%, tegenover 10,5% per jaar voor de S&P 500. Juist daarom valt zijn voorkeur voor een breed indexfonds op. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van Berkshire Hathaway in 2021 zei Buffett: "In my view, for most people, the best thing to do is to own the S&P 500 index fund,". Dat is geen spannend verhaal voor wie graag de volgende winnaar zoekt. Het is wel een nuchtere constatering van iemand die weet hoe moeilijk aandelen selecteren is. Buffett koos zelf voor de Vanguard S&P 500 ETF toen hij in de vroege jaren 2000 een weddenschap aanging tegen een hedgefonds. Die keuze past bij zijn vaste lijn. Lage kosten en brede spreiding zijn vaak minder spectaculair dan slim handelen, maar ze laten ook minder ruimte voor dure fouten. Buffett ziet indexfondsen als eenvoudige basis voor brede spreiding Direct naar een onderdeel van dit artikel Individuele aandelen vragen meer werk S&P 500 verslaan blijft lastig Vanguard S&P 500 ETF wint op kosten Amerikaanse markt draagt de rekensom $400 per maand blijft een aanname Individuele aandelen vragen meer werk Buffett zegt niet dat individuele aandelen kiezen onmogelijk is. Hij zegt wel dat het veel meer werk vraagt dan veel particuliere beleggers willen of kunnen doen. Wie één bedrijf koopt, moet begrijpen hoe dat bedrijf geld verdient, waar de concurrentie zit en waarom de winst over jaren nog houdbaar kan zijn. Zijn waarschuwing is kort: "Never invest in a business you cannot understand,". Een bekend merk, een sterke koersgrafiek of een populaire naam op sociale media is dan niet genoeg. Daar wringt het vaak bij particuliere beleggers die sneller bij het verhaal zijn dan bij de cijfers. Een S&P 500 indexfonds maakt die keuze minder persoonlijk. De index bevat waardeaandelen en groeiaandelen uit alle 11 beurssectoren. Een belegger koopt daarmee niet één bedrijf, maar een brede doorsnede van de Amerikaanse aandelenmarkt. S&P 500 verslaan blijft lastig Zelfs professionele vermogensbeheerders krijgen de S&P 500 moeilijk klein. Zij hebben teams, modellen en toegang tot bedrijfsbesturen, maar blijven toch vaak achter bij de index. Dat maakt Buffetts punt ongemakkelijk, maar niet minder relevant. In 2007 zette Buffett dat argument om in een weddenschap. Hij zette een S&P 500 indexfonds af tegen een groep hedgefondsen over de daaropvolgende tien jaar. De index won overtuigend. Voor particuliere beleggers is dat vooral een waarschuwing tegen overmoed. Als dure professionals de index al vaak niet bijhouden, ligt de lat voor doe het zelf beleggers hoog. Een breed fonds is dan minder saai dan het lijkt: het haalt een groot deel van de selectie stress uit het proces. Grote vermogensbeheerders hebben moeite de index te verslaan Vanguard S&P 500 ETF wint op kosten De Vanguard S&P 500 ETF rekent een kostenratio van 0,03% per jaar. Dat komt neer op $3 per jaar voor elke $10.000 die in het fonds zit. Op één jaar oogt dat bijna verwaarloosbaar, maar over tientallen jaren telt elke dollar die niet aan kosten verdwijnt. Actief beheerde fondsen rekenen doorgaans meer. Buffett stelt al jaren dat de meeste professionele beheerders de brede markt niet verslaan. Dan wordt een lage kostenbasis geen detail, maar een structureel voordeel binnen hetzelfde marktmandje. De S&P 500 geldt als de belangrijkste graadmeter voor Amerikaanse aandelen. De index dekt ongeveer 80% van de Amerikaanse aandelen naar marktwaarde en meer dan 50% van de wereldwijde aandelen naar marktwaarde. Dat maakt de Vanguard S&P 500 ETF groot, breed en sterk afhankelijk van de kracht van Amerikaanse beursbedrijven. Amerikaanse markt draagt de rekensom Buffetts voorkeur voor de S&P 500 hangt samen met zijn vertrouwen in de Amerikaanse economie. Van de 20 grootste beursgenoteerde bedrijven is 75% gevestigd in de Verenigde Staten. Buffett schreef in 2016: "For 240 years it's been a terrible mistake to bet against America, and now is no time to start,". De cijfers achter dat vertrouwen zijn stevig. De S&P 500 steeg de afgelopen drie decennia met 1.790%, goed voor 10,2% per jaar. Die periode bevatte drie Amerikaanse recessies, 16 marktcorrecties en vier bearmarkten. Dat is precies de nuance die bij het verhaal hoort. De lange lijn was sterk, maar de route was allesbehalve rustig. Wie naar de Vanguard S&P 500 ETF kijkt, kijkt dus niet naar een risicoloze spaarpot, maar naar aandelen die ook hard kunnen dalen. $400 per maand blijft een aanname De bekende rekensom is helder. Als de S&P 500 in de toekomst hetzelfde rendement haalt als in de afgelopen drie decennia, groeit $400 per maand in de Vanguard S&P 500 ETF uit tot $77.000 na tien jaar. Na twintig jaar zou dat $281.000 zijn en na dertig jaar $820.000, mits dividenden worden herbelegd. Die laatste voorwaarde doet ertoe. De berekening leunt op herbelegde dividenden en op een herhaling van historische rendementen. Dat kan, maar het is geen toezegging van de markt. Daarom blijft Buffetts boodschap aantrekkelijk én beperkt. De Vanguard S&P 500 ETF biedt een eenvoudige route naar brede Amerikaanse aandelenblootstelling, maar de uitkomst hangt af van tijd, kosten en de vraag of de S&P 500 zijn lange reeks kan voortzetten. Voor beleggers wordt vooral zichtbaar of Amerikaanse aandelen de komende jaren opnieuw genoeg winstgroei leveren om die rekensom overeind te houden.
- Insiders bij Nvidia en Palantir dumpten 17,5 miljard dollar
In het kort Insiders bij Nvidia, Palantir Technologies en Alphabet verkochten sinds begin oktober 2021 per saldo ongeveer 17,5 miljard dollar aan eigen aandelen. Verkopen hebben vaak praktische redenen, maar de zwakke insideraankopen maken het signaal minder makkelijk weg te zetten. De vraag is hoeveel AI succes al is ingeprijsd, vooral zolang de praktische opbrengst van AI bij bedrijven nog moet blijken. Insiders bij Nvidia, leverancier van grafische verwerkingseenheden, Palantir Technologies, maker van Gotham software, en Google moeder Alphabet hebben sinds begin oktober 2021 samen ongeveer 17,5 miljard dollar meer aan eigen aandelen verkocht dan gekocht. Dat is geen bewijs dat AI aandelen op het punt staan te breken. Het is wel een ongemakkelijk signaal in een markt die veel toekomstige groei al als bijna vanzelfsprekend behandelt. Nvidia, Palantir Technologies en Alphabet horen bij de bekendste namen in de AI handel op Wall Street. Nvidia profiteert van zijn sterke positie in grafische verwerkingseenheden voor AI datacenters. Het aandeel is daardoor uitgegroeid tot een van de meest aangehouden namen onder particuliere beleggers. Palantir en Alphabet zitten aan een andere kant van hetzelfde verhaal. Palantirs Gotham platform wordt gebruikt om militaire operaties van de U.S. en bondgenoten te overzien. Bij Alphabet ligt de aandacht vooral op Google Cloud, waar de groei is versneld sinds de integratie van generatieve AI en grote taalmodellen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Nvidia blijft kern van AI handel Insiderverkopen zeggen niet alles Palantir waardering blijft de scherpe rand AI belofte vraagt harder bewijs Wall Street wacht op AI bewijs Nvidia blijft kern van AI handel De vergelijking met de internetgolf van drie decennia geleden ligt voor de hand. Toen joeg het web de grote indexen op Wall Street omhoog. Nu trekt de bouw van AI infrastructuur kapitaal aan, met een mogelijke markt die in de biljoenen dollars loopt. Dat maakt de insiderverkopen extra gevoelig. Bestuurders, commissarissen en grote aandeelhouders kennen hun eigen bedrijf beter dan buitenstaanders. In de VS moeten insiders transacties in het aandeel van hun eigen bedrijf uiterlijk binnen twee werkdagen melden via een Form 4, een melding bij toezichthouders. Over de afgelopen vijf jaar ging het merendeel van die meldingen bij Nvidia, Palantir en Alphabet over verkopen. Samen verkochten insiders sinds begin oktober 2021 ongeveer 17,5 miljard dollar meer aan eigen aandelen dan zij kochten. Voor drie bedrijven die symbool staan voor de AI hausse is dat geen detail. Insiderverkopen zeggen niet alles Een verkoop door een insider is niet automatisch een alarmsignaal. Topbestuurders krijgen vaak aandelen of opties als beloning. Zij verkopen geregeld stukken om belasting te betalen of hun vermogen te spreiden. Daarom is het bedrag op zichzelf niet genoeg om harde conclusies te trekken. De betere vraag is wat er aan de andere kant van de balans gebeurt. Daar valt vooral op dat insideraankopen bij deze drie bedrijven over de afgelopen vijf jaar mager waren. De redenering is simpel en hardnekkig op Wall Street: “While there are several reasons to sell shares of a company, not all of which are nefarious, there's only one reason to buy: the expectation of share-price appreciation.” Verkopen kan om veel redenen. Kopen met eigen geld is moeilijker weg te verklaren. Palantirs beursdebuut krijgt nieuwe lading door hoge waardering Palantir waardering blijft de scherpe rand Daar wringt het vooral bij Palantir. Nvidia en Alphabet worden niet als extreem duur neergezet, maar Palantir springt eruit. Het aandeel Palantir wordt verhandeld tegen een price to sales ratio, de verhouding tussen beurswaarde en omzet, van bijna 80. Dat is stevig, ook voor een bedrijf dat sterk leunt op AI software en groei. Historisch is geen enkele price to sales ratio boven 30 op lange termijn houdbaar gebleken. Dat maakt de lat hoog voor Palantir, want sterke groei moet dan niet alleen doorgaan, maar ook lang genoeg overtuigen. “Valuation may be one answer.” Die zin vat het spanningsveld goed samen. Het AI verhaal kan kloppen en de waardering kan toch weinig ruimte laten voor tegenvallers. Zeker bij Palantir is dat verschil belangrijker dan de glans van het groeiverhaal. AI belofte vraagt harder bewijs De bredere waarschuwing gaat verder dan één bedrijf. Nieuwe technologie trekt vaak vroeg veel geld aan, waarna beleggers het tempo van toepassing en winstgevende inzet overschatten. AI wordt breed omarmd, maar brede omarming is nog niet hetzelfde als maximale opbrengst. Het kan jaren duren voordat bedrijven AI oplossingen zo hebben ingericht dat zij omzet en winst optimaal raken. Dat maakt de huidige fase kwetsbaar. De zin “This leaves the door wide open for an AI bubble-bursting event” is stevig aangezet, maar de onderliggende vraag is reëel. Voor Nvidia, Palantir en Alphabet blijft de uitgangspositie sterk. Nvidia zit diep in AI datacenters, Palantir heeft een helder profiel in data analyse en overheidssoftware, en Alphabet heeft met Google Cloud een belangrijke cloudtroef. Alleen is een sterk bedrijf niet automatisch een goedkoop aandeel. Wall Street wacht op AI bewijs De volgende fase draait minder om grote AI beloftes en meer om aantoonbare opbrengst. Beleggers zullen kijken naar AI bestedingen, de groei van Google Cloud en de vraag of Palantir zijn hoge waardering kan blijven dragen. De insiderverkopen maken dat toetsmoment scherper, niet doorslaggevend. Voor AI aandelen als Nvidia, Palantir Technologies en Alphabet blijft de spanning daarmee overzichtelijk. De markt gelooft in de technologie, maar insiders hebben per saldo fors verkocht en nauwelijks overtuigend bijgekocht. Zolang het bewijs uit de bedrijfsresultaten achterloopt op de verwachtingen, blijft Wall Street gevoelig voor elk teken dat de AI handel te ver vooruit is gelopen.
- Dure beurs of niet, Amazon en Netflix zijn nu koopwaardig
In het kort De S&P 500 staat rond recordniveaus, waardoor groeiaandelen 2026 scherper langs de waarderingslat worden gelegd. Amazon, AbbVie en Netflix hebben elk een eigen reden waarom de beurs terughoudend blijft. De test ligt bij bewijs: AI investeringen, nieuwe medicijnen en streamingtrouw moeten de scepsis op Wall Street pareren. De S&P 500 staat rond recordniveaus, en juist daardoor wordt het verhaal rond groeiaandelen 2026 minder simpel. Technologiereus Amazon, gezondheidszorgbedrijf AbbVie en streamingaandeel Netflix vallen op omdat hun groei niet volledig wordt beloond door de beurs. Dat is geen garantie op herstel, wel een reden waarom beleggers scherper naar de waardering kijken. In een dure markt telt niet alleen groei, maar vooral hoeveel groei al in de prijs zit. Goedkope groei is schaars geworden op Wall Street. De S&P 500 staat dit jaar ongeveer 14% hoger, terwijl veel populaire groeiaandelen al een flinke premie hebben gekregen. Aandelen met zwakke onderliggende cijfers krijgen in zo’n markt weinig ruimte voor teleurstelling. Amazon, AbbVie en Netflix horen niet in dezelfde sector, maar delen één kenmerk: de beurs lijkt hun groeikansen niet zonder meer te omarmen. Die terughoudendheid is op zichzelf gezond. Een groot bedrijf met een bekend merk is niet automatisch aantrekkelijk gewaardeerd. Bij deze drie namen draait het om een concretere vraag: wegen omzetgroei, winstkracht en investeringen nog op tegen de prijs die de markt vraagt? Daar begint het onderscheid tussen een goed bedrijf en een goed geprijsd groeiverhaal. NYSE-beursvloer waar groeiaandelen scherper worden gewaardeerd Direct naar een onderdeel van dit artikel Amazon blijft achter bij S&P 500 Amazon zet geld op AI AbbVie moet Humira gat vullen Netflix krijgt weinig krediet Groeiaandelen 2026 vragen bewijs Amazon blijft achter bij S&P 500 Amazon is dit jaar 11% gestegen, minder dan de S&P 500. Voor een bedrijf met een beurswaarde van ongeveer 2,8 biljoen dollar is dat geen dramatische achterstand, maar wel opvallend. De markt behandelt Amazon niet als een aandeel waar alle groei al vanzelf in wordt meegenomen. Dat zegt iets over de voorzichtigheid rond grote technologiebedrijven, zelfs bij een bekende marktleider. De waardering speelt daarbij mee. Amazon noteert op 20 keer de winst, een niveau dat voor dit bedrijf lager oogt dan veel beleggers uit eerdere jaren gewend zijn. De kanttekening is dat beleggingswinsten de recente winstcijfers hebben geholpen. De echte vraag is dus niet alleen hoe laag de winstmaatstaf lijkt, maar hoeveel van die winst uit de dagelijkse activiteiten komt. Zoox-robotaxi onderstreept Amazons inzet op nieuwe groeimarkten Amazon zet geld op AI Amazon investeert fors in artificial intelligence, eigen chips en Zoox, het robotaxibedrijf dat nog in een vroege fase zit. Die projecten leveren niet allemaal snel winst op. Ze laten wel zien dat Amazon zijn groei niet alleen zoekt in de bestaande activiteiten. Voor beleggers is vooral relevant of die investeringen op termijn meer worden dan dure toekomstmuziek. Daar wringt het verhaal. Amazon is geen vergeten aandeel en ook geen klassieke waardezaak. De beurs lijkt wel minder te betalen voor de combinatie van schaal, technologie en nieuwe groeipaden dan de reputatie van het bedrijf zou doen vermoeden. Dat maakt de komende cijfers belangrijker dan de grote plannen, want juist bij Amazon wil de markt bewijs dat investeringen uiteindelijk doorwerken in winst. S&P 500-doelen stijgen, maar beleggers vragen harder bewijs AbbVie moet Humira gat vullen AbbVie heeft de zorgen rond Humira beter opgevangen dan lang werd gevreesd. Het patentverloop van dat belangrijke medicijn hing jarenlang boven het aandeel. Rinvoq en Skyrizi hebben geholpen om het omzetverlies bij Humira te compenseren. Overnames moesten de groei verder ondersteunen, maar de kosten daarvan drukten wel op de gerapporteerde winst. Daardoor oogt AbbVie op het eerste gezicht duurder dan het operationele beeld rechtvaardigt. De winst wordt geraakt door posten die samenhangen met deals, terwijl de onderliggende vraag naar nieuwe middelen juist belangrijker is voor het groeiverhaal. AbbVie is daarmee een ander type groeiaandeel dan Amazon. Minder afhankelijk van technologische verwachtingen, meer van medicijnen, pijplijnen en spreiding binnen de gezondheidszorg. Netflix krijgt weinig krediet Netflix staat dit jaar 27% lager, ondanks aanhoudende groei. In het meest recente kwartaal steeg de omzet met 13%. Voor het volledige jaar rekent Netflix nog altijd op minstens 51 miljard dollar omzet, eveneens goed voor ongeveer 13% groei op jaarbasis. De koersreactie en de bedrijfscijfers vertellen daardoor niet hetzelfde verhaal. De zorgen zitten vooral bij de houdbaarheid van streaminggroei. De naam Netflix is opgedoken in overnamegeruchten, en beleggers kijken kritischer naar klantbetrokkenheid. Lange periodes tussen seizoenen van populaire series kunnen abonnees ongeduldig maken. Omdat Netflix klanten niet vastlegt in lange contracten, zouden echte problemen waarschijnlijk snel zichtbaar worden in de kwartaalcijfers. Groeiaandelen 2026 vragen bewijs Amazon, AbbVie en Netflix laten drie verschillende vormen van groeiscepsis zien. Bij Amazon gaat het om de vraag of investeringen in AI, chips en Zoox genoeg waarde opleveren. Bij AbbVie draait het om de opvolging van Humira door Rinvoq en Skyrizi. Bij Netflix kijkt de markt vooral of klanten blijven betalen terwijl de groei geleidelijk vertraagt. Voor groeiaandelen 2026 ligt de lat daarmee hoger dan alleen een mooi verhaal. De S&P 500 staat rond records, dus de markt heeft minder geduld met groei die niet zichtbaar wordt in cijfers. Amazon, AbbVie en Netflix krijgen de komende kwartalen de kans om te laten zien of de terughoudende waardering terecht is of juist te zuinig. Tot die tijd blijft de belangrijkste vraag of hun groei al voldoende is ingeprijsd.
- Vanguard krijgt concurrentie van deze goedkopere S&P 500-ETF
In het kort De Vanguard S&P 500 ETF is de grootste ETF naar belegd vermogen, maar dat maakt het fonds niet meer automatisch de goedkoopste S&P 500 route. iShares Core S&P 500 ETF rekent dezelfde 0,03% kosten per jaar, terwijl State Street SPDR Portfolio S&P 500 ETF op 0,02% zit. Voor optiehandelaren blijft State Street SPDR S&P 500 ETF apart door het hogere handelsvolume, waardoor de vergelijking niet alleen om kosten draait. De Vanguard S&P 500 ETF is nog altijd de grootste ETF naar belegd vermogen, maar niet meer vanzelfsprekend de goedkoopste route naar de S&P 500. Dat is vooral relevant omdat deze fondsen bijna hetzelfde doen. Ze volgen dezelfde index, beleggen in dezelfde grote Amerikaanse aandelen en leveren daardoor rendementen die dicht tegen elkaar aan liggen. Voor particuliere beleggers is dat precies de crux. Bij een beursgenoteerd indexfonds, kortweg ETF, lijkt schaal een voordeel. Maar als de portefeuille vrijwel gelijk is, blijft er weinig over waarop fondsen zich echt onderscheiden. Kosten, handelsvolume en gebruiksgemak gaan dan zwaarder wegen dan de naam op de voorkant. Direct naar een onderdeel van dit artikel Kostenverschil wordt zichtbaar bij S&P 500 State Street heeft twee gezichten Optiehandel draait om volume Vanguard blijft groot, maar niet alleen S&P 500 ETF blijft kostenstrijd Kostenverschil wordt zichtbaar bij S&P 500 Vanguard heeft zijn reputatie gebouwd op lage kosten. De Vanguard S&P 500 ETF rekent 0,03% per jaar, een tarief dat nog steeds scherp is voor brede blootstelling aan de Amerikaanse aandelenmarkt. Alleen is Vanguard op dat punt niet meer uniek. De iShares Core S&P 500 ETF rekent eveneens 0,03% per jaar. Daarmee valt een belangrijk historisch voordeel van Vanguard weg. De State Street SPDR Portfolio S&P 500 ETF gaat nog een stap lager met 0,02% per jaar, een verschil dat klein oogt maar bij vrijwel identieke indexproducten wel meetelt. De recente marktcijfers laten zien hoe smal de verschillen zijn. De S&P 500 stond 0,58% hoger, terwijl de Vanguard S&P 500 ETF, de iShares Core S&P 500 ETF, de State Street SPDR S&P 500 ETF en de State Street SPDR Portfolio S&P 500 ETF allemaal 0,55% wonnen. Dat zegt veel: als het rendement bijna gelijk loopt, komt de blik vanzelf op de kosten te liggen. SPDR S&P 500-fondsen tonen kleine kostenverschillen tussen indexproducten State Street heeft twee gezichten State Street speelt in deze vergelijking een dubbele rol. De State Street SPDR Portfolio S&P 500 ETF is de goedkope uitdager met 0,02% kosten per jaar. De bekendere State Street SPDR S&P 500 ETF zit juist aan de dure kant met 0,0945% per jaar. Dat verschil vraagt om nuance. De goedkope Portfolio variant past in het kostenverhaal rond lang aanhouden en brede indexblootstelling. De duurdere SPDR S&P 500 ETF heeft een andere aantrekkingskracht, vooral voor beleggers die actief in opties handelen. Daar wringt het voor wie alleen naar de kostenratio kijkt. De State Street SPDR S&P 500 ETF is niet duur omdat het een andere index volgt of een andere portefeuille heeft. Het fonds is duurder binnen een groep producten die juist sterk op elkaar lijken. Dan moet het voordeel ergens anders vandaan komen. Cboe illustreert het belang van liquiditeit voor optiehandelaren Optiehandel draait om volume Bij de State Street SPDR S&P 500 ETF draait dat voordeel vooral om handelsvolume. Het fonds wordt veel intensiever verhandeld dan andere S&P 500 ETF’s. Voor optiehandelaren kan dat belangrijker zijn dan een paar basispunten aan jaarlijkse fondskosten. Het verschil tussen bied en laatprijs speelt daarbij een grote rol. Dat is de kloof tussen de prijs waarop kopers willen kopen en verkopers willen verkopen. Hoe smaller die kloof, hoe lager de handelsfrictie bij in- en uitstappen uit posities. Voor gewone langetermijnblootstelling ligt dat anders. Dan tikt de kostenratio elk jaar mee, terwijl handelsvolume minder vaak het verschil maakt. De State Street SPDR S&P 500 ETF heeft daardoor een duidelijker profiel voor actieve handel dan voor een simpele kernpositie in de S&P 500. Vanguard blijft groot, maar niet alleen De Vanguard S&P 500 ETF is door deze vergelijking niet ineens een zwak fonds. Het fonds blijft groot, goedkoop en dicht bij de index. Voor veel beleggers zal het verschil met iShares of State Street op jaarbasis nauwelijks zichtbaar zijn. Toch is de vanzelfsprekendheid eraf. iShares heeft dezelfde kostenratio als Vanguard, terwijl State Street met de Portfolio variant nog lager zit. Bij fondsen die bijna dezelfde markt volgen, is dat geen detail maar een van de weinige harde verschillen. Opvallend is vooral hoe klein de marge is geworden. Het debat gaat niet over spectaculaire rendementsverschillen of een andere visie op Amerikaanse aandelen. Het gaat om honderdsten van een procent, handelsvolume en de vraag welk fonds het beste past bij het gebruik. S&P 500 ETF blijft kostenstrijd De strijd om de S&P 500 ETF is daardoor minder spannend dan de namen doen vermoeden, maar wel relevant. Vanguard leunt op schaal en reputatie, iShares houdt de kosten gelijk, en State Street zet met de Portfolio variant de laagste kosten neer. Voor optiehandelaren houdt de gewone State Street SPDR S&P 500 ETF een aparte plek door het hogere handelsvolume. De volgende schifting zal waarschijnlijk niet komen door een ander mandje aandelen, want de fondsen volgen dezelfde S&P 500. Het verschil zit in kosten, verhandelbaarheid en de vraag hoeveel waarde beleggers hechten aan schaal. Zolang de rendementen zo dicht bij elkaar blijven, moet elke S&P 500 ETF vooral op die punten bewijs blijven leveren.
- Deze 2 kleine AI-aandelen zou ik kopen en nooit verkopen
In het kort Iren mikt op $4 miljard aan terugkerende jaaromzet, terwijl de kwartaalomzet juist 27% lager uitkwam dan een jaar eerder. Netlist is dit jaar meer dan 500% gestegen, maar het aandeel blijft buiten de grote beurzen genoteerd. De rekensom bij Iren hangt aan datacentercapaciteit, terwijl Netlist afhankelijk blijft van royalty’s, licenties en patentzaken. Iren en Netlist laten zien waarom kleinere AI aandelen tegelijk aantrekkelijk en ongemakkelijk kunnen zijn. De belofte is groot: meer vraag naar rekenkracht, geheugenproducten en AI infrastructuur. De keerzijde is net zo duidelijk: beide bedrijven moeten nog bewijzen dat hun groei niet alleen op verwachtingen draait. De belegger achter de selectie formuleert het simpel: “When I invest in artificial intelligence stocks, I look for low-market-cap companies with high revenue growth.” Dat is een uitgesproken groeibril. Het gaat niet om gevestigde namen als Microsoft of Nvidia, maar om bedrijven die naast die grote AI namen proberen mee te groeien. Voor particuliere beleggers zit de spanning vooral in de schaal. Iren bouwt AI datacenters voor hyperscalers, grote afnemers van rekenkracht. Netlist haalt groei uit geheugenproducten, royalty’s en patentdeals. In beide gevallen kan het verhaal snel groter worden, maar de foutmarge is klein. Kleine AI aandelen combineren groeibelofte met hoge foutmarge Direct naar een onderdeel van dit artikel Iren moet megawatts waarmaken Megawattprijs maakt Iren groter Netlist stijgt buiten Nasdaq Samsung geeft Netlist kasstroom Micron blijft de test voor Netlist Iren moet megawatts waarmaken Iren rapporteerde $137,2 miljoen omzet in het vierde kwartaal van fiscaal 2026, dat eindigde op 30 juni. Dat was 27% minder dan een jaar eerder. Op zichzelf is dat geen cijfer dat een groeiverhaal vanzelf ondersteunt. Toch draait de belangstelling voor Iren niet om dat ene kwartaal. Het bedrijf heeft langlopende deals met Microsoft, Nvidia en verschillende AI bedrijven. Volgens de huidige plannen ligt Iren op koers om tegen het einde van het kalenderjaar $4 miljard aan jaarlijkse terugkerende omzet te halen. Daar zit meteen de kern van het risico. De markt kijkt niet alleen naar wat Iren nu verdient, maar naar wat het bedrijf aan capaciteit kan opleveren. Als de bouw van AI datacenters vertraging oploopt, wordt de kloof tussen belofte en omzet snel zichtbaar. Iren moet datacentercapaciteit omzetten in terugkerende omzet Megawattprijs maakt Iren groter De rekensom bij Iren begint bij de prijs per megawatt. Het bedrijf haalt jaarlijkse contractwaarden van meer dan $20 miljoen per megawatt binnen. Kortlopende contracten worden onderhandeld tegen $25 miljoen per megawatt. Iren heeft een pijplijn van 5.800 megawatt. Als alle projecten online komen en het tarief van $25 miljoen per megawatt overeind blijft, kan die portefeuille $145 miljard aan jaarlijkse terugkerende omzet opleveren. Dat is een indrukwekkend getal, maar wel een getal met veel voorwaarden. Opvallend is dat megawattprijzen in minder dan een jaar meer dan zijn verdubbeld. Iren wil in 2027 nog eens 800 megawatt leveren. Grote vooruitbetalingen van klanten moeten een belangrijk deel van de investeringen dekken, maar de uitvoering blijft bepalend. Geheugenchips en patentdeals dragen het groeiverhaal van Netlist Netlist stijgt buiten Nasdaq Netlist is een ander soort AI verhaal. Het aandeel handelt over the counter, dus buiten een grote beurs als Nasdaq. In 2018 liet het management de Nasdaq notering vervallen nadat de koers langere tijd onder $1 stond, in plaats van een reverse stock split door te voeren. Dit jaar ziet het koersbeeld er heel anders uit. Netlist is meer dan 500% gestegen en handelt rond $5,50. Zulke bewegingen trekken vanzelf aandacht, maar ze zeggen nog weinig over de duurzaamheid van het bedrijfsmodel. Bij een OTC aandeel is extra voorzichtigheid logisch. Zulke aandelen vallen niet onder dezelfde standaarden als fondsen op grote beurzen en geven soms minder zicht op financiële en operationele gegevens. Bij Netlist is dat relevant, omdat de groei sterk leunt op juridische uitkomsten. Samsung geeft Netlist kasstroom Netlist verdubbelde de omzet op jaarbasis ruim, gedreven door geheugenproducten en royalty’s. Het bedrijf is dus niet alleen een patentclaim met een beurskoers. De vraag is wel hoeveel van die groei structureel wordt. De belangrijkste tastbare deal is de vijfjarige overeenkomst met Samsung. Die levert Netlist ongeveer $27,5 miljoen per kwartaal op. Daarbovenop kwam een licentievergoeding vooraf van $200 miljoen. Netlist mag via dezelfde afspraak vijf jaar lang jaarlijks $300 miljoen aan geheugenproducten van Samsung kopen. Dat geeft het bedrijf toegang tot producten in een markt waar levering ertoe doet. Met SK Hynix heeft Netlist een vergelijkbare regeling, die dit jaar zou moeten worden vernieuwd. Micron blijft de test voor Netlist Micron is de partij die het Netlist verhaal spannend houdt. Er ligt een uitspraak van $445 miljoen in het voordeel van Netlist. Tegelijk is Micron volgens de bestaande lezing een tegenhouder in de onderhandelingen. De U.S. International Trade Commission onderzoekt Micron en anderen rond patenten van Netlist. Dat kan de druk op de gesprekken opvoeren. Voor de koers werkt zo’n juridische route twee kanten op: een meevaller kan fors doorwerken, een tegenvaller ook. De belegger achter de selectie is uitgesproken positief: “I have been loading up on Iren and Netlist for more than a year, and I'm not stopping anytime soon.” Dat is een duidelijke voorkeur, geen bewijs. Voor AI aandelen als Iren en Netlist begint de echte toets bij de uitvoering: Iren moet megawatts leveren, Netlist moet patentwinst omzetten in blijvende kasstromen.











