top of page

Doorzoek deze website

14723 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Waarom maakt de Saoedische pijpleiding olie niet vanzelf goedkoper?

    In het kort De Saoedische Oost-Westpijpleiding kan de oliemarkt verlichting geven, maar alleen het extra aanbod dat afnemers bereikt telt voor het tekort. De eerder behaalde capaciteit van 7 miljoen vaten per dag is geen meting van de huidige export. Binnenlands gebruik, verschuivingen tussen routes en beschikbare tankers bepalen hoeveel ruimte werkelijk ontstaat. Voor Europese afnemers komt daar de dollar bij, terwijl olieproducenten een lagere prijs moeten afwegen tegen meer verkochte vaten. Een werkende leiding lost één probleem in de olieketen op: vervoer over land. Daarna moet de olie nog worden opgeslagen, op een schip geladen en bij een raffinaderij aankomen. Wie alleen kijkt of een installatie weer draait, kan het economische herstel daardoor te groot inschatten. Bij de kwartaalcijfers van 10 mei meldde Aramco dat de Oost-Westpijpleiding in het eerste kwartaal van 2026 de maximale capaciteit van 7 miljoen vaten per dag had bereikt. De onderneming wees daarbij op de mogelijkheid om via de westkust te exporteren als de vaart door Hormuz wordt belemmerd. Dat is een concrete prestatie uit dat kwartaal. Hoeveel er op 28 september door de leiding stroomt en wordt uitgevoerd, valt niet uit die mededeling af te leiden. Bron: kwartaalbericht Aramco. De route naar de Rode Zee is economisch waardevol omdat Saoedische olie daarmee een andere uitgang krijgt. Maar een alternatief voor een kwetsbare route is iets anders dan nieuwe productie. Het verschil bepaalt of vooral de leveringszekerheid verbetert of ook de wereldmarkt meer olie krijgt. Direct naar een onderdeel van dit artikel Trek binnenlands gebruik en verschoven export van de doorvoer af Een Europese koper betaalt voor de olie én voor de dollar De winnaar hangt af van contracten en van de rest van de keten Tien procent prijsverlies vraagt ruim elf procent extra volume Drie herstelpaden voor de laatste drie maanden van 2026 Betrouwbare levering telt ook wanneer de olieprijs niet daalt Trek binnenlands gebruik en verschoven export van de doorvoer af Begin bij de doorvoer, de hoeveelheid die werkelijk door de leiding gaat. Een installatie met een capaciteit van 7 miljoen vaten per dag levert bij 80 procent benutting 5,6 miljoen vaten. Dat is een rekenvoorbeeld, geen schatting van de huidige benutting. De technische bovengrens zegt immers niets over beschikbaarheid van pompen, onderhoud of de hoeveelheid olie die aan het begin klaarstaat. Veronderstel vervolgens dat 2 miljoen vaten per dag naar binnenlandse afnemers gaan. Dan blijven maximaal 3,6 miljoen vaten over voor uitvoer via deze route, mits de haven en schepen die hoeveelheid aankunnen en de voorraad niet verandert. Als daarvan 2,5 miljoen vaten eerder via een andere haven werden uitgevoerd, bedraagt de extra export slechts 1,1 miljoen vaten per dag. De beslissende berekening is dus 7 × 0,80 − 2 − 2,5 = 1,1. Alle hoeveelheden zijn miljoenen vaten per dag; alleen de capaciteit van 7 komt uit Aramco’s kwartaalbericht. Deze aftrek voorkomt dubbel tellen. Het bruto exportvolume via de westkust bedraagt in het voorbeeld 3,6 miljoen vaten, terwijl de netto toevoeging aan de totale export 1,1 miljoen bedraagt. Over dertig dagen is dat 33 miljoen extra vaten. Dat is een volumeberekening, geen omzet, winst of voorspelde productietoename. Ook die 33 miljoen is nog niet automatisch nieuwe olie uit de grond. Een deel kan uit opslag komen. Voor een afnemer helpt zo’n voorraadlevering vandaag wel, maar zij kan niet onbeperkt doorgaan. Daarom horen productiecijfers, voorraadbewegingen en uitvoer bij elkaar. Zonder dat overzicht kan een grote tankerbeweging zowel herstel als het opgebruiken van een buffer betekenen. Een Europese koper betaalt voor de olie én voor de dollar Meer beschikbaar aanbod kan de onderhandelingspositie van afnemers verbeteren. Een lagere prijs is echter geen mechanische uitkomst van een bepaald aantal extra vaten. Ook de vraag, voorraden en verwachtingen veranderen. Bovendien kan de markt een verwacht herstel al hebben ingeprijsd voordat de eerste extra lading aankomt. Het nieuws en de feitelijke levering hoeven daarom niet op dezelfde dag een prijsreactie te geven. Neem een Europese inkoper die maandelijks 100.000 vaten koopt. Bij een aangenomen prijs van 100 dollar per vat en 1,10 dollar per euro is de ruwe-olierekening 100.000 × 100 / 1,10 = 9,09 miljoen euro per maand. Daalt de dollarprijs naar 90 dollar en blijft de wisselkoers gelijk, dan wordt dat 8,18 miljoen euro. Het bruto inkoopvoordeel bedraagt circa 909.091 euro per maand, of 10,91 miljoen euro op jaarbasis als dezelfde omstandigheden twaalf maanden aanhouden. Dit zijn nominale bedragen vóór vracht, verzekering, verwerking, belastingen en afdekkingscontracten. Het is dus geen netto bedrijfswinst. Daalt tegelijk de euro van 1,10 naar 1 dollar, dan kost de nieuwe aankoop 9 miljoen euro. Van het maandelijkse voordeel blijft dan ongeveer 90.909 euro over. Een daling van 10 procent in de dollarprijs biedt deze koper dan slechts 1 procent verlichting in euro’s. De Amerikaanse energieautoriteit EIA onderscheidt bij benzine de ruwe olie, raffinage, distributie en belastingen. Haar uitleg laat zien waarom een beweging in ruwe olie niet gelijkstaat aan dezelfde beweging in een eindproduct. De Amerikaanse belastingbedragen en prijsverhoudingen zijn daarbij geen Nederlandse maatstaf. Voor de Nederlandse automobilist moet een voordeel eerst door de productmarkt en distributieketen heen voordat het op de kassabon staat. Bron: EIA. De winnaar hangt af van contracten en van de rest van de keten Een raffinaderij met voldoende verwerkingscapaciteit kan profiteren van betrouwbaardere aanvoer. Als juist die verwerking beperkt is, levert meer ruwe olie niet vanzelf meer benzine, diesel of kerosine op. Het verschil tussen de inkoopprijs van ruwe olie en de verkoopwaarde van de producten kan dan ruim blijven. Dat verschil is nog geen nettowinst: energie, personeel, onderhoud en andere kosten moeten eraf. Bij een vervoerder hangt het voordeel af van de afspraken met klanten. Een brandstoftoeslag kan een lagere inkoopprijs doorgeven, waardoor de klant wint en de marge weinig verandert. Bij vaste verkoopprijzen kan de vervoerder tijdelijk meer overhouden. Een onderneming die brandstofprijzen eerder heeft vastgezet, merkt een nieuwe marktprijs mogelijk pas later. Minder onzekerheid over levering kan intussen al waarde hebben. Huishoudens verschillen eveneens. Een gezin dat veel met een brandstofauto rijdt, heeft meer direct belang bij lagere productprijzen dan iemand die vooral fietst. Toch kan ook die laatste profiteren als bezorging of productie goedkoper wordt. Voor een huishouden met weinig financiële ruimte kan een kleine besparing relatief belangrijk zijn; een landelijk gemiddelde zegt weinig over die verdeling. Voor een olieproducent ligt de afweging anders. Een beter bereikbare afnemer vergroot de verkoopmogelijkheden, maar een lagere marktprijs drukt ook op de vaten die toch al werden verkocht. Dat raakt de omzet veel breder dan alleen de extra lading. Wie een energieaandeel beoordeelt, moet daarom prijs en volume samen bekijken. Een logistieke verbetering is niet automatisch een even grote verbetering van de winst. Lees ook: waarom Hormuz cruciaal blijft voor olie en aandelen Tien procent prijsverlies vraagt ruim elf procent extra volume Draai de vraag om. Hoeveel extra olie moet een producent verkopen om dezelfde bruto-omzet te houden bij een lagere prijs? In een vereenvoudigd voorbeeld verkoopt hij 4 miljoen vaten per dag voor 100 dollar per vat. Dat levert 400 miljoen dollar dagomzet op. Bij 90 dollar moet de verkoop stijgen naar 400 / 90 = 4,444 miljoen vaten per dag. Er is dus ongeveer 444.444 vaten extra per dag nodig, een stijging van 11,1 procent. Over een maand van dertig dagen is dat 13,33 miljoen extra vaten. De algemene formule is oud volume × oude prijs / nieuwe prijs. Een prijsdaling van 10 procent vraagt meer dan 10 procent volumegroei, omdat de extra vaten tegen de lagere prijs worden verkocht. Ook hier is omzet niet hetzelfde als resultaat. Meer produceren en vervoeren kost geld. Gelijke bruto-omzet kan daardoor samengaan met lagere winst. Andersom kan betrouwbaardere levering dure stilstand voorkomen. De module vergelijkt de benodigde verkoop met een aangenomen verkoopgrens van 5 miljoen vaten per dag. Die grens beschrijft een fictieve producent, niet Aramco’s productiecapaciteit. Drie herstelpaden voor de laatste drie maanden van 2026 Voor deze logistieke vraag is een horizon van oktober tot en met december 2026 nuttiger dan drie kalenderjaren. De snelheid van opstarten, laden en leveren bepaalt het effect in de komende maanden. Een doorrekening tot 2029 zou vooral aannames over oorlog, investeringen en vraag stapelen. De peildatum van de onderstaande scenario’s is 28 september. Het zijn eigen voorbeelden zonder kanspercentages. In alle drie houden we binnenlands gebruik op 2 miljoen vaten per dag en de uitvoer die anders via een andere route zou plaatsvinden op 1,5 miljoen. Voorraden veranderen niet en havens kunnen het aangeboden exportvolume verwerken. De netto extra uitvoer per maand is dan (dagdoorvoer − 2 − 1,5) × kalenderdagen. Oktober en december tellen 31 dagen, november 30. Zo wordt verschoven export niet als extra aanbod geteld. Het basisscenario veronderstelt dagdoorvoer van 4, 5 en 6 miljoen vaten. Dat geeft achtereenvolgens 15,5 miljoen, 45 miljoen en 77,5 miljoen extra vaten, samen 138 miljoen. Bij sneller herstel loopt de doorvoer van 5 via 6 naar 7 miljoen. De toevoeging wordt dan 46,5 miljoen, 75 miljoen en 108,5 miljoen vaten, samen 230 miljoen. Bij trager herstel bedraagt de doorvoer 3, 3 en 4 miljoen vaten per dag. Dan is de maandelijkse verandering tegenover de veronderstelde alternatieve uitvoer min 15,5 miljoen, min 15 miljoen en plus 15,5 miljoen vaten. Per saldo ontbreekt 15 miljoen vaten. Dat negatieve getal betekent dat deze route in het model nog niet alle vervallen uitvoer elders vervangt. Het betekent niet dat er olie achteruit door de leiding stroomt. Omslag: Amin H. Nasser, topman van Aramco. Archieffoto van 5 april 2025. Foto: Iwaswiki / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0. Onbewerkt. Betrouwbare levering telt ook wanneer de olieprijs niet daalt Het sterkste tegenargument tegen de nadruk op extra aanbod is dat leveringszekerheid op zichzelf geld waard is. Een koper met een alternatief hoeft mogelijk minder noodvoorraad aan te houden of minder dure vervangende ladingen te zoeken. Een route die alleen bestaande export overneemt, kan dus toch een wezenlijke verbetering zijn. Dat voordeel vraagt geen dalende wereldolieprijs. Daar staat tegenover dat een andere route nieuwe afhankelijkheden houdt: pompen, opslag, havens en schepen moeten samen beschikbaar zijn. Het risico verdwijnt niet doordat het van plek verandert. Voorlopig is daarom een bescheiden positief oordeel over de logistieke mogelijkheden gerechtvaardigd, zonder daar een korting aan de Nederlandse pomp of een koerswinst aan te verbinden. Het bewijs dat dit oordeel sterker maakt, is aanhoudend hogere totale Saoedische export zonder een even grote daling elders of snelle uitputting van voorraden. Voor afnemers moet dat vervolgens zichtbaar worden in beter beschikbare ladingen en lagere inkoopkosten in hun eigen valuta. Blijft de totale uitvoer gelijk en worden alleen routes omgewisseld, dan is vooral de zekerheid verbeterd. Dat is waardevol, maar het is een andere opbrengst dan extra olie voor de wereldmarkt.

  • De VanEck chip-ETF moet zijn grootste winnaars afromen

    In het kort De VanEck Semiconductor UCITS ETF is de Ierse, accumulerende UCITS-ETF met ISIN IE00BMC38736. We kijken naar de eurobeurslijn SMH op Euronext Paris, die op 24 september op €98,29 stond. Het fonds volgt een 10% capped halfgeleiderindex. Dat maximum beperkt concentratie, maar zorgt er ook voor dat een hard stijgende winnaar bij een herweging deels moet worden verkocht. De ETF bevat chipontwerpers, fabrikanten en leveranciers van productiemachines. Economisch hangen veel posities aan dezelfde investeringsgolf in AI-datacenters, maar hun winstcycli verschillen. Een ontwerper kan snel hoge marges verdienen, terwijl een fabrikant jaren investeert in capaciteit. De indexgrens voorkomt dat één aandeel het hele fonds overneemt. Zij garandeert niet dat de onderliggende winstbronnen onafhankelijk zijn. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een winnaar maakt zijn eigen gewicht groter Herwegen kost weinig per keer, maar niet nul Afromen verandert de vorm van het rendement Wat vraagt €98,29 van de onderliggende winst? Negen mogelijke koersen Een winnaar maakt zijn eigen gewicht groter Stel dat een positie begint op 8% en 50% stijgt, terwijl de rest van het fonds 5% wint. Zonder herweging groeit het gewicht naar ongeveer 11,1%. De positie heeft precies gedaan wat een belegger hoopt, maar overschrijdt de 10%-grens. Bij de volgende indexaanpassing moet een deel worden verkocht en over andere namen worden verdeeld. Dat mechanisme heeft twee voordelen. Het voorkomt dat de portefeuille na één uitzonderlijke koersrit feitelijk een verkapt enkel aandeel wordt. Ook dwingt het fonds om relatief duur geworden winnaars af te romen. De keerzijde is dat een structurele winnaar jarenlang sterker kan blijven groeien dan de rest. Afromen verlaagt dan het toekomstige rendement ten opzichte van onbeperkt laten doorlopen. Herwegen kost weinig per keer, maar niet nul Een indexwijziging vraagt handel. Bij een fondsvermogen van €8 miljard en twee procentpunt afroming gaat het om €160 miljoen verkoop. Acht basispunten handelskosten betekenen in dit voorbeeld ongeveer €0,13 miljoen directe kosten. Dat is klein ten opzichte van het fonds, maar spreads en marktimpact kunnen oplopen wanneer meerdere producten dezelfde indexwijziging tegelijk uitvoeren. De kostenratio van de ETF is zichtbaar. Herwegingskosten landen subtieler in het verschil tussen index en fonds. De beheerder kan orders spreiden en efficiënt uitvoeren, maar kan de economische omzet van de portefeuille niet volledig vermijden. Voor een langetermijnbelegger is de grotere vraag of de 10%-grens het risicovoordeel waard is. Bij extreme concentratie waarschijnlijk wel. Bij een uitzonderlijke compounder kan het rendement kosten. Een sterk tegenargument is dat de grens alleen bij herweging telt en dat een positie tussentijds boven 10% mag uitkomen. Daardoor profiteert het fonds wel degelijk van een koersstijging. Dat klopt. De ETF verkoopt niet dagelijks iedere euro boven de grens. Het afroomrisico verschijnt op het vaste herwegingsmoment. Juist daarom kan de afwijking tussen het gewicht op een willekeurige dag en het doelgewicht groot zijn. Afromen verandert de vorm van het rendement De derde rekentool laat zien wat er gebeurt wanneer na het eerste jaar 30% van een sterk gestegen positie wordt afgebouwd. Het verkochte deel blijft daarna in het eenvoudige model vlak, terwijl het resterende belang doorstijgt. In werkelijkheid wordt de opbrengst herbelegd in andere chipbedrijven. Die kunnen eveneens groeien, waardoor het verschil kleiner wordt. Het model is geen voorspelling, maar toont welke aanname achter de spreiding zit: de volgende euro rendement hoeft niet opnieuw uit dezelfde winnaar te komen. Dat is bij halfgeleiders geen gekke gedachte. De waardeketen verschuift. Eerst kan de vraag naar accelerators exploderen, daarna naar geheugen, netwerken, geavanceerde verpakking en lithografie. Een herverdeling kan toekomstige winnaars eerder gewicht geven. Tegelijk kan dezelfde AI-capexcyclus alle schakels raken wanneer klanten investeringen uitstellen. Spreiding over bedrijfsnamen is dus niet hetzelfde als spreiding over vraagbronnen. Wat vraagt €98,29 van de onderliggende winst? Bij een modelmatige portefeuillewaardering van 32 keer winst vertegenwoordigt de koers ongeveer €3,07 winst per ETF-eenheid. Wie 10% koersrendement per jaar verlangt en in 2029 nog 25 keer winst betaalt, heeft circa 19,4% jaarlijkse winstgroei nodig. Dat kan bij een sterke AI-cyclus, maar laat weinig ruimte voor een klassieke chipdip. De ETF heeft geen eigen operationele winst; deze berekening kijkt door naar de gewogen winst van de posities. Valuta telt mee. De handelsprijs staat in euro, terwijl veel ondernemingen in dollars rapporteren. Een zwakkere dollar kan het euroresultaat drukken, ook als de aandelen in dollars stijgen. Omdat de shareclass niet valuta-afgedekt is, is dat geen tijdelijk boekhoudkundig detail maar onderdeel van het beleggersrendement. Negen mogelijke koersen Het ongunstige pad gebruikt vrijwel vlakke winst en een dalende waardering. Het middenpad veronderstelt stevige maar afnemende winstgroei. In het gunstige pad blijft de AI-investeringscyclus breed genoeg om zowel ontwerpers als apparatuurmakers te laten doorgroeien. De formule is look-through winst per ETF-eenheid maal de gekozen multiple. Omdat de shareclass accumuleert, zijn ontvangen dividenden al in het fondsvermogen verwerkt. Kosten en valuta zitten alleen impliciet in de gekozen winst- en waarderingspaden. De 10%-grens maakt SMH niet automatisch defensief. Zij voorkomt alleen dat één juridische positie onbeperkt gaat domineren. Het relevante vervolg is de winstspreiding: hoeveel holdings verhogen hun winst per aandeel, en hoeveel leven van dezelfde drie hyperscalers? Als de groei breder wordt, werkt herwegen als risicobeheer. Blijft de groei bij één winnaar, dan kan dezelfde discipline rendement afromen. Lees ook: Kan Nvidia naar 400 dollar nu de chipreus de groei heeft maar de beurs de prijs bepaalt? Foto: Martijn Rozemuller, CEO Europe bij VanEck. Archieffoto van VanEck; weergave kan zijn bijgesneden.

  • Hoog dividend is bij de VanEck dividend-ETF soms een valstrik

    In het kort TDIV volgt een index die honderd aandelen uit ontwikkelde markten selecteert op een hoog dividendrendement en aanvullende kwaliteitsregels. Dat levert een zichtbare kwartaaluitkering op, maar een hoog rendement is niet automatisch een teken van kracht. Het kan ook ontstaan doordat de koers sneller daalt dan het dividend wordt aangepast. Bij de officiële fondsgegevens van 25 september stond de intrinsieke waarde rond €54,62. Voor de waardering telt daarom niet alleen hoeveel het fonds uitkeert, maar vooral hoeveel winst de bedrijven onder die uitkering verdienen. Het fonds is de uitkerende VanEck Morningstar Developed Markets Dividend Leaders UCITS ETF met ISIN NL0011683594, ticker TDIV op Euronext Amsterdam en euro als handelsvaluta. De basisvaluta is eveneens euro en de distributie is per kwartaal. Dat voorkomt verwarring met een herbeleggende variant of een andere beurslijn. De kostenratio en dividendbelasting drukken het totaalrendement, maar de belangrijkste economische vraag ligt een laag dieper: selecteert de methode duurzame kasstromen of vooral aandelen waarvan de koers al is weggezakt? Direct naar een onderdeel van dit artikel Een hoog rendement kan achteruit kijken Winstdekking zegt meer dan de couponachtige uitstraling Herweging repareert de portefeuille niet gratis Wat moet €54,62 waarmaken? Negen mogelijke koersen voor de komende drie jaar Een hoog rendement kan achteruit kijken Dividendrendement deelt een aangekondigde of historische uitkering door de actuele koers. Wanneer een aandeel van €50 naar €35 daalt en het dividend voorlopig €3 blijft, stijgt het zichtbare rendement van 6% naar 8,6%. Er is dan geen extra euro kasstroom ontstaan. De markt heeft alleen meer twijfel in de prijs gezet. Die twijfel kan terecht zijn als winst, kapitaalpositie of balans verslechtert. Daar zit de klassieke dividendval. Een onderneming houdt de uitkering nog één of twee kwartalen vast, terwijl de winstdekking al verslechtert. Een index die periodiek herschikt kan het aandeel pas bij de volgende evaluatie verwijderen. Tot die tijd draagt de positie het fondsresultaat. De precieze indexregels verkleinen dit risico met kwaliteits- en houdbaarheidseisen, maar kunnen het niet helemaal uitsluiten. Boekhoudkundige gegevens en uitkeringsbesluiten lopen altijd achter op de dagelijkse koers. Winstdekking zegt meer dan de couponachtige uitstraling Een dividend-ETF lijkt door zijn regelmatige uitkering soms op een obligatie, maar de betaling is niet contractueel. Een bedrijf kan het dividend verlagen zonder wanbetaling. De bescherming moet komen uit winst, vrije kasstroom en een balans die een slecht jaar kan opvangen. Daarom is de uitkeringsratio belangrijker dan alleen het rendement. Keert een bedrijf 65% van de winst uit, dan is er meer buffer dan bij 95%. De portefeuille bevat volwassen ondernemingen uit sectoren als financiële dienstverlening, energie, telecom en nutsbedrijven. Hun kasstromen reageren verschillend op rente, grondstofprijzen en economische groei. Dat helpt de spreiding, maar veel hoge dividendbetalers delen een andere eigenschap: zij hebben minder groeimogelijkheden en sturen een groot deel van de kas naar aandeelhouders. De ruimte om tegenvallers op te vangen kan daardoor kleiner zijn. Een sterke tegenwerping is dat de methode juist ontworpen is om evidente zwakte te vermijden. Dat is terecht. De index selecteert niet blind de hoogste percentages en het fonds spreidt over honderd namen. Toch blijft de volgorde belangrijk. Eerst daalt de koers, daarna verschijnen zwakkere cijfers, vervolgens kan het bestuur het dividend aanpassen en pas daarna verwerkt de index de nieuwe situatie. De belegger ontvangt in die tussenperiode een hoge uitkering, maar kan meer koersverlies lijden dan het dividend compenseert. Herweging repareert de portefeuille niet gratis Wanneer een aandeel niet langer aan de regels voldoet, verkoopt het fonds en koopt het een vervanger. Dat herstelt de gewenste portefeuillekwaliteit, maar realiseert ook het verlies op de oude positie. De nieuwe positie moet dat verlies later goedmaken. Bij één procent gewicht lijkt de schade klein, maar meerdere gelijktijdige dividendverlagingen kunnen optellen, juist in een recessie of sectorcrisis. De keerzijde is positief: een systematische methode voorkomt dat de beheerder uit emotie aan een probleemnaam blijft vasthouden. TDIV hoeft geen herstelverhaal te verdedigen. De regelset dwingt discipline af. Voor de belegger is het daarom nuttiger om naar de gezamenlijke winstgroei, uitkeringsdekking en sectorweging te kijken dan naar één spectaculaire dividendnaam. Wat moet €54,62 waarmaken? De reverse waardering begint bij de koers en vraagt welke onderliggende winst per ETF-eenheid nodig is voor een gewenst rendement. Bij een modelwaardering van twaalf keer winst vertegenwoordigt €54,62 ongeveer €4,55 winst per eenheid. Wie 6% koersrendement per jaar verlangt en in 2029 nog elf keer winst betaalt, heeft ongeveer 9% jaarlijkse winstgroei nodig. Dat is stevig voor een mandje volwassen dividendbedrijven. De kwartaaluitkeringen komen daar als totaalrendement bovenop, maar worden ook niet gratis verdiend: na uitkering daalt de fondswaarde mechanisch met hetzelfde bedrag. Een lagere eindwaardering kan een groot deel van de winstgroei opslokken. Stijgt de winst wel, maar daalt de multiple omdat obligaties aantrekkelijker worden, dan blijft de koers achter. Omgekeerd kan een dalende rente de relatieve aantrekkelijkheid van dividend ondersteunen. Dat rentekanaal is geen zekerheid; het laat alleen zien waarom inkomen en waardering samen moeten worden bekeken. Negen mogelijke koersen voor de komende drie jaar De scenario’s hieronder zijn geen koersdoelen. In het ongunstige pad daalt de winst per fondsdeel en zakt de waardering geleidelijk van tien naar negen keer winst. In het middenpad groeit de winst bescheiden en blijft de multiple twaalf. In het gunstige pad stijgen winst en waardering beide. De formule is steeds winst per ETF-eenheid maal de gekozen look-through multiple. Uitkeringen zijn niet in de koers opgenomen en moeten voor totaalrendement apart worden opgeteld; herbelegging kan het aantal ETF-eenheden verhogen. Het belangrijkste signaal is niet de eerstvolgende kwartaaluitkering, maar de ontwikkeling van de gezamenlijke uitkeringsratio. Blijft de winstdekking breed overeind, dan doet TDIV wat beleggers verwachten: inkomen leveren uit volwassen kasstromen. Verslechtert die dekking terwijl het zichtbare rendement stijgt, dan is de hogere uitkering op papier mogelijk vooral een vergoeding voor oplopend koersrisico. Lees ook: Kan Nvidia naar 400 dollar nu de chipreus de groei heeft maar de beurs de prijs bepaalt? Foto: Martijn Rozemuller, CEO Europe bij VanEck. Archieffoto van VanEck; weergave kan zijn bijgesneden.

  • Royal Caribbean daalt terwijl cruise-uitgaven juist stijgen

    Royal Caribbean is sinds zijn piek van begin augustus 26 procent kwijtgeraakt, maar ondertussen blijven consumenten stevig geld uitgeven aan cruises. Voor Bank of America klopt die combinatie niet meer. De bank verhoogt Royal Caribbean daarom van Neutral naar Buy en handhaaft het koersdoel van 330 dollar, bijna 36 procent boven de slotkoers van vrijdag. De daling kwam vooral door zorgen over hogere olieprijzen, de impact daarvan op kosten en de vraag of consumenten hun reisbudgetten kunnen volhouden. Bank of America ziet voorlopig weinig bewijs dat die laatste angst werkelijkheid wordt. Integendeel, de recente cijfers over reisuitgaven wijzen juist op een opvallend sterke cruisemarkt. De P/E ratio van Royal Caribbean Waarom Bank of America de daling overdreven vindt De vraag naar reizen blijft volgens Bank of America sterker dan de beurskoers suggereert. Amerikaanse reisuitgaven groeien sinds februari met midden tot hoge enkelcijferige percentages. De uitgaven aan cruises versnelden in juli en augustus zelfs naar groei in de midden tien procent. Ook Royal Caribbean zelf ziet volgens de bank een stabiele vraag. Voor het vierde kwartaal verwacht Bank of America minimaal 4 procent groei van de net yield, de omzet die een cruisemaatschappij per beschikbare passagierscapaciteit genereert. Dat zou volgens de analyse de sterkste prestatie binnen de sector zijn. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Als lid krijg je toegang tot aandelentips, trainingen en live inzicht in de transacties van de portefeuille van De Belegger. Profiteer nu van 50% korting met de kortingscode ''INSIDER'' Voor 2027 kan Royal Caribbean vervolgens terugkeren naar zijn historische doelstelling van 2 tot 3 procent jaarlijkse groei van die net yield. Dat klinkt minder spectaculair dan de huidige groei, maar voor beleggers is vooral de voorspelbaarheid belangrijk. Hogere opbrengsten per beschikbare capaciteit kunnen rechtstreeks bijdragen aan omzet en winstgevendheid wanneer de kosten onder controle blijven. Juist daarom vindt Bank of America de koersdaling van 26 procent sinds de slotpiek van 5 augustus overdreven. Royal Caribbean kende inmiddels zeven dalende beursweken achter elkaar. Het aandeel stond vrijdag op 242,70 dollar, terwijl het koersdoel van 330 dollar bijna 36 procent koerspotentieel impliceert. Wall Street is gemiddeld zelfs iets optimistischer. Van de 29 analisten geven acht een Strong Buy, dertien een Buy en acht een Hold advies. Niemand hanteert een Underperform of Sell. Het gemiddelde koersdoel van 345,64 dollar ligt ongeveer 42 procent boven de koers waarop deze consensus is gebaseerd. Wall Street ziet 42% koerspotentieel Sandals kan een nieuwe groeimotor worden Een andere reden voor de recente koersdruk is de investering in Sandals. Royal Caribbean neemt een belang van 50 procent in de Caribische resortketen. De aankondiging droeg bij aan de recente onzekerheid rond het aandeel, maar Bank of America ziet juist mogelijkheden om meer waarde uit Sandals te halen. Royal Caribbean kan volgens de bank zijn expertise inzetten om de groei bij de resortketen te versnellen. Dat is strategisch logisch, omdat cruises en luxe resorts grotendeels dezelfde reisconsument aanspreken. Als Royal Caribbean zijn distributie, klantenbestand en ervaring met vakantiebeleving effectief kan inzetten, ontstaat er meer dan alleen een financiële deelneming. Lees ook: Ik heb 84% van mijn portefeuille in deze 3 aandelen Bank of America schat dat Sandals uiteindelijk kan bijdragen aan een groei van Royal Caribbeans EBITDA in de lage tot midden tien procent. EBITDA is de operationele winst vóór rente, belastingen en bepaalde afschrijvingen en geeft daarmee een indicatie van de verdienkracht van de activiteiten. Als die verwachting uitkomt, krijgt Royal Caribbean naast zijn bestaande cruiseactiviteiten een extra motor voor winstgroei. Daar zit ook een risico. Een belang van 50 procent betekent dat Royal Caribbean kapitaal inzet buiten zijn traditionele cruiseactiviteiten. De waarde van de investering hangt dus af van de mate waarin het management daadwerkelijk betere groei en rendementen bij Sandals kan realiseren. Een strategisch logisch verhaal is uiteindelijk pas waardevol wanneer het ook in hogere kasstromen resulteert. Het aandeel is wellicht ook interessant voor dividendbeleggers De korting komt niet zonder risico De belangrijkste onzekerheid blijft de economie. Royal Caribbean verkoopt vakanties en consumenten kunnen daarop relatief gemakkelijk besparen wanneer hun koopkracht verslechtert. Bank of America erkent dat macro economische druk de vooruitzichten kan aantasten, al ziet de bank hogere rentes historisch niet direct samenhangen met bewegingen van het aandeel. Olie vormt een concreter probleem. Hogere brandstofprijzen verhogen rechtstreeks de kosten van cruises en kunnen tegelijkertijd consumenten raken via hogere dagelijkse uitgaven. Dat verklaart waarom de markt ondanks de sterke boekingstrends voorzichtiger is geworden over de sector. Voorlopig ziet Bank of America echter geen duidelijke verzwakking in reisuitgaven. De combinatie van sterke cruisebestedingen, minimaal 4 procent verwachte net yield groei in het vierde kwartaal en mogelijkheden rond Sandals geeft de bank voldoende vertrouwen om na de koersdaling positiever te worden. Deutsche Bank verhoogde zijn advies eveneens naar Buy, waarna Royal Caribbean ongeveer 1 procent steeg. De echte vraag voor beleggers is daarom niet of Royal Caribbean 26 procent onder zijn recente top staat, maar waarom. Wanneer de daling vooruitloopt op een forse verslechtering van consumentenvraag en marges, is de lagere koers geen echte korting. Blijven reisuitgaven daarentegen sterk en realiseert Royal Caribbean zijn verwachte yield groei, dan kan juist de kloof tussen de operationele prestaties en de beurskoers interessant worden. Wordt nu lid en krijg 50% korting met de code ''INSIDER''

  • Baird ziet bij Micron een nieuwe vraaggolf aankomen

    Micron is dit jaar al 279 procent gestegen, maar volgens Baird is de grootste fout nu om automatisch te denken dat de rek eruit is. De bank verhoogt het koersdoel voor de Amerikaanse geheugenproducent van 1.280 naar 1.520 dollar. Vanaf de slotkoers van vrijdag betekent dat nog ongeveer 40 procent koerspotentieel. Achter dat optimisme zit meer dan alleen de bekende vraag naar geheugen voor AI datacenters. Baird ziet agentic AI als een nieuwe aanjager van geheugenvraag, terwijl het aanbod van DRAM volgend jaar juist minder snel groeit. Als tegelijkertijd de marges op HBM verbeteren, kan Micron profiteren van een combinatie die voor een geheugenproducent bijzonder aantrekkelijk is: meer vraag, beperkter aanbod en een lucratievere productmix. Niemand komt in de buurt van Micron qua rendement in 2026 Waarom agentic AI belangrijk wordt voor Micron Agentic AI kan volgens Baird een volgende vraaggolf veroorzaken. Dit zijn AI systemen die niet alleen antwoorden genereren, maar zelfstandig verschillende stappen en taken uitvoeren. Daarvoor is veel rekenkracht nodig en Baird ziet inmiddels een sterke toename van de vraag naar processors, een ontwikkeling die volgens de bank ook volgend jaar kan doorzetten. Micron profiteert daarvan omdat processors grote hoeveelheden geheugen nodig hebben om gegevens snel beschikbaar te houden. DRAM vormt het werkgeheugen in onder meer computers, smartphones en servers. HBM bestaat uit gestapelde DRAM chips die veel grotere hoeveelheden data op hoge snelheid kunnen verwerken en daardoor belangrijk zijn voor moderne AI systemen. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Als lid krijg je toegang tot aandelentips, trainingen en live inzicht in de transacties van de portefeuille van De Belegger. Profiteer nu van 50% korting met de kortingscode ''INSIDER'' De interessante observatie is dat de AI investeringscyclus hierdoor breder kan worden. De eerste fase draaide vooral om krachtige AI accelerators, maar agentic AI kan ook de vraag naar CPU's en het geheugen rondom die processors verhogen. Micron hoeft daardoor niet uitsluitend afhankelijk te zijn van steeds grotere GPU clusters om van AI investeringen te profiteren. Baird noemt daarnaast een tweede belangrijke ontwikkeling: de groei van het wereldwijde DRAM aanbod moet in 2027 vertragen ten opzichte van dit jaar. Dat kan belangrijk zijn voor de prijsdiscipline. Geheugen was historisch een zeer cyclische markt waarin fabrikanten tijdens goede tijden capaciteit uitbreidden, waarna overaanbod prijzen en winstmarges weer onder druk zette. Wanneer de vraag sterk blijft terwijl het aanbod minder snel groeit, kan Micron zijn uitzonderlijk sterke winstgevendheid mogelijk langer vasthouden. Volgens Baird kan Agentic AI dus een grote rol spelen in de vraag naar Micron HBM kan de winstgevendheid verder verhogen HBM wordt steeds belangrijker voor de beleggingscase. Baird verwacht dat Micron volgend jaar een hoger margeprofiel op deze geheugenchips kan realiseren. Dat betekent dat niet alleen meer geheugen verkocht hoeft te worden, maar dat iedere verkochte dollar potentieel ook winstgevender wordt. Die combinatie verklaart waarom de verwachtingen zo snel zijn opgelopen. Micron bereikte op 25 juni al een intradayrecord van 1.255 dollar en staat ondanks een recente terugval nog altijd 279 procent hoger in 2026. Met een koers rond 1.082 dollar heeft het aandeel dus een enorme rally achter de rug. Toch denkt Baird dat een nieuw record mogelijk is. Het verhoogde koersdoel van 1.520 dollar ligt ongeveer 21 procent boven de eerdere recordkoers en circa 40 procent boven de slotkoers waarop de analyse is gebaseerd. Daarmee verwacht de bank feitelijk dat de huidige geheugencyclus sterk genoeg wordt om Micron naar een waardering te brengen die beleggers nog niet eerder voor het aandeel hebben betaald. Baird staat daarin niet alleen. Van de 49 analisten die Micron volgen, geven er vijftien een Strong Buy en 31 een Buy advies. Slechts drie hanteren Hold en niemand staat volgens de consensus op Underperform of Sell. Het gemiddelde koersdoel bedraagt 1.452,08 dollar, ongeveer 34 procent boven de huidige koers, terwijl het hoogste doel zelfs op 2.000 dollar ligt. Het hoogste koersdoel ligt op 2000 dollar De kwartaalcijfers worden de eerste grote test Woensdag krijgt die optimistische AI these direct een belangrijke test wanneer Micron zijn cijfers over het fiscale vierde kwartaal publiceert. De verwachtingen zijn uitzonderlijk hoog. Volgens de analistenconsensus wordt een winstgroei van maar liefst 939 procent ten opzichte van een jaar eerder verwacht. Dat maakt de situatie voor beleggers interessant, maar ook riskant. Een aandeel dat in één jaar 279 procent stijgt, krijgt weinig ruimte voor teleurstellingen. Zelfs sterke cijfers kunnen onvoldoende zijn wanneer de vooruitzichten voor DRAM, HBM of toekomstige marges niet voldoen aan de verwachtingen die inmiddels in de koers zijn verwerkt. Lees ook: Ik heb 84% van mijn portefeuille in deze 3 aandelen De belangrijkste informatie zit daarom waarschijnlijk niet alleen in de winst die Micron woensdag rapporteert. Beleggers zullen vooral willen weten of de sterke vraag naar AI geheugen doorloopt, hoe snel het aanbod in 2027 groeit en of HBM daadwerkelijk winstgevender wordt. Juist die drie factoren vormen de kern van Bairds verhoogde koersdoel. Micron laat daarmee zien hoe de AI investeringsgolf zich verder door de hardwareketen verspreidt. Als agentic AI inderdaad meer CPU capaciteit vraagt, HBM hogere marges oplevert en de geheugensector tegelijkertijd terughoudend blijft met nieuw aanbod, kan de huidige cyclus sterker worden dan eerdere geheugenoplevingen. Maar na een koersstijging van 279 procent ligt de bewijslast inmiddels bij Micron zelf, te beginnen met de cijfers van woensdag. Wordt nu lid en krijg 50% korting met de code ''INSIDER''

  • Vanguard All-World telt niet elk aandeel volledig mee

    In het kort VWCE geeft brede toegang tot ontwikkelde en opkomende markten, maar volgt niet simpelweg de totale beurswaarde van alle uitstaande aandelen. De index telt alleen het deel mee dat beleggers werkelijk kunnen kopen. Staatsbelangen, oprichtersblokken en buitenlandse eigendomslimieten drukken daardoor het gewicht van sommige ondernemingen en landen. Dat maakt de portefeuille beter verhandelbaar, maar ook minder neutraal dan de naam All-World suggereert. Een aandeel in de Vanguard FTSE All-World UCITS ETF USD Accumulating noteerde op 28 september om 11.27 uur op Euronext Amsterdam op €169,56. Het gaat om ISIN IE00BK5BQT80, een Ierse, fysieke en accumulerende UCITS-shareclass. Dividend blijft dus in het fonds en wordt herbelegd. De lopende kosten bedragen 0,22% per jaar. De belangrijkste vraag is niet of de ETF veel bedrijven bezit. Dat doet hij. De vraag is welk deel van ieder bedrijf als belegbaar wordt beschouwd. Direct naar een onderdeel van dit artikel De wereldindex begint bij beschikbaarheid Opkomende markten kunnen kleiner lijken Breed is niet hetzelfde als gelijk verdeeld Wat moet de portefeuille waarmaken? Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 Slot De wereldindex begint bij beschikbaarheid FTSE Russell beschrijft de FTSE All-World als een free-floatgewogen index met ongeveer 4.200 large- en midcapaandelen uit meer dan 45 landen. De index dekt ongeveer 90% tot 95% van de belegbare wereldwijde marktkapitalisatie. Het woord belegbaar is doorslaggevend. Een onderneming kan op papier €200 miljard waard zijn, terwijl slechts 45% van de aandelen vrij verhandelbaar is. Dan telt in beginsel €90 miljard mee. Daar komt in sommige landen nog een tweede grens bij. Buitenlandse beleggers mogen niet altijd ieder vrij verhandelbaar aandeel bezitten. FTSE Russell past daarom ook buitenlandse eigendomslimieten en minimale headroom toe. Headroom is de ruimte die overblijft voordat buitenlandse beleggers de wettelijke of praktische limiet bereiken. De strengste grens bepaalt welk deel van het bedrijf in de index mag komen. Dit is logisch voor een ETF. Vanguard moet de index tegen redelijke kosten kunnen volgen. Een theoretisch gewicht in aandelen die buitenlandse fondsen nauwelijks kunnen kopen, zou trackingproblemen veroorzaken. Tegelijk ontstaat een belangrijke nuance: VWCE weerspiegelt niet alle economische activiteit, alle beurswaarde of alle ondernemingen ter wereld. Het fonds weerspiegelt de markten die volgens de indexregels toegankelijk en liquide genoeg zijn. Opkomende markten kunnen kleiner lijken Het effect is vooral zichtbaar waar overheden, families of strategische aandeelhouders grote belangen aanhouden. Een staatsbedrijf kan enorm zijn, maar een bescheiden free float hebben. Ook Chinese A-aandelen, ondernemingen met buitenlandse eigendomslimieten en bedrijven met weinig handelsvolume krijgen niet automatisch hun volledige beurswaarde mee. Daardoor kan een land economisch groot zijn, maar in VWCE relatief klein blijven. Dat is geen fout in de ETF. Het is het gevolg van de keuze om een investeerbare markt te volgen. De interactieve rekensom laat zien hoe een land met 12% van de totale beurswaarde bij slechts 35% gemiddelde toegankelijkheid veel minder dan 12% indexgewicht kan krijgen nadat de hele wereld opnieuw op 100% is gezet. De keerzijde is dat meer toegankelijkheid vanzelf tot meer gewicht kan leiden. Wanneer buitenlandse limieten worden verruimd, extra aandelen vrij verhandelbaar worden of een markt van classificatie verandert, kan de index zonder actief oordeel meer van dat land opnemen. Beleggers krijgen dus een regelsysteem dat meebeweegt met markttoegang, niet een vaste geografische verdeling. Breed is niet hetzelfde als gelijk verdeeld Free float lost concentratie niet op. De Verenigde Staten en grote technologiebedrijven blijven zwaar wegen omdat hun vrij verhandelbare beurswaarde groot is. Een onderneming met vrijwel volledige free float, hoge liquiditeit en een enorme beurswaarde kan veel zwaarder meetellen dan een even grote onderneming waarvan de staat of oprichter de helft vasthoudt. De winst van de grootste posities werkt daardoor zichtbaar door in het resultaat van het fonds. De derde module maakt dat verband tastbaar. Bij een gewicht van 4,8% en 15% winstgroei levert de grootste positie 0,72 procentpunt aan de winstgroei van de hele portefeuille. Dat is relevant, maar nog altijd veel minder geconcentreerd dan een individuele aandelenportefeuille. Wie meer achtergrond wil bij indexvraag en free-floatgewichten kan ook onze analyse over de opname van Bloom Energy in de S&P 500 lezen. Daar is hetzelfde mechanisme zichtbaar: een index koopt niet noodzakelijk de volledige beurswaarde, maar de vrij verhandelbare waarde. Wat moet de portefeuille waarmaken? Bij een ETF is de omgekeerde waardering nuttiger dan één koersdoel. Stel dat de onderliggende portefeuille nu tegen 26 keer een genormaliseerde winst per ETF-eenheid wordt gewaardeerd. Wie vanaf €169,56 jaarlijks 8% koersrendement verlangt en in 2029 nog 22 keer winst wil betalen, heeft ongeveer dubbele cijfergroei van die onderliggende winst nodig. Een dalende waardering moet immers door winstgroei worden gecompenseerd. De uitkomst is gevoelig voor de gekozen beginwaardering. Vanguard publiceert fondsdata, maar de actuele portefeuille-P/E is een momentopname en verschilt per dataleverancier en methode. Daarom is dit een eigen model en geen fondsprognose. Kosten van 0,22% drukken het rendement jaarlijks een beetje. Dividend wordt herbelegd en zit uiteindelijk in de winst- en koersontwikkeling, waardoor het niet nog eens apart bij het koersrendement mag worden opgeteld. Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 In het bearscenario groeit de onderliggende winst per ETF-eenheid nauwelijks en daalt de multiple van 23 naar 21. In het middenscenario groeit de winst gestaag, terwijl de waardering geleidelijk normaliseert. Het gunstige scenario combineert sterkere winstgroei met een waardering die langer hoog blijft. De uitkomsten zijn mogelijke koersen in euro, exclusief een aparte cashuitkering omdat deze shareclass accumuleert. Het sterke argument voor VWCE blijft eenvoud: één transactie geeft blootstelling aan duizenden ondernemingen, inclusief opkomende markten, met automatische herweging en herbelegging. Het sterkste tegenargument is subtieler dan alleen Amerikaanse concentratie. De index noemt zichzelf All-World, maar bezit de wereld door de bril van verhandelbaarheid. Niet ieder aandeel van ieder bedrijf telt mee, en niet ieder land krijgt het gewicht dat zijn totale beurswaarde suggereert. Slot VWCE is geen stem over welke economie het belangrijkst wordt. Het is een uitvoerbaar regelsysteem dat vrij verhandelbare beurswaarde omzet in een portefeuille. Free float, buitenlandse eigendomslimieten en liquiditeit beschermen de volgzaamheid van het fonds, maar sturen tegelijk de verdeling. Voor langetermijnbeleggers is dat meestal een redelijke ruil. Wel is het goed om te weten welke wereld men precies koopt: de belegbare wereld, niet de volledige wereld op papier.

  • Het benzineprijsrecord is niet wat de meeste automobilisten betalen

    In het kort De gemiddelde landelijke adviesprijs voor Euro95 bereikte op 28 september €2,730 per liter, maar dat is niet de prijs die de meeste automobilisten afrekenen. Het laatste gewogen CBS-gemiddelde stond op 21 september op €2,449, een verschil van €0,281 per liter. Bij 15.000 kilometer per jaar en een verbruik van 6,5 liter per 100 kilometer kost die gemeten prijs ongeveer €199 per maand. De echte rekening hangt daarom minder af van het recordwoord dan van tanklocatie, kilometers, verbruik en het accijnsbesluit voor 2027. Een prijsrecord klinkt alsof iedere volle tank een nieuw dieptepunt voor de portemonnee is. De kop klopt voor de gemiddelde adviesprijs van de grote merken, maar niet automatisch voor de kassabon bij een onbemand station of een pomp buiten de snelweg. Dat verschil is economisch belangrijk, want één verkeerd prijsanker maakt een berekening over de jaarrekening al snel honderden euro’s te hoog. Op 28 september verhoogde één van de vijf grote merken zijn Euro95-adviesprijs met drie tiende cent. Daardoor steeg de Gemiddelde Landelijke Adviesprijs met één tiende cent tot €2,730 en werd de hoogste stand sinds de meting in november 2000 bereikt. De adviesprijs is een bruikbaar signaal voor de richting van de markt, maar UnitedConsumers waarschuwt zelf dat pomphouders ervan kunnen afwijken. Het laatst beschikbare CBS-dagcijfer is €2,449 voor 21 september. Dat is een gewogen gemiddelde van werkelijk gemeten pompprijzen, inclusief btw en accijns. Omdat dit cijfer een week ouder is dan het adviesrecord, is het geen gelijktijdige vergelijking. Het maakt wel zichtbaar waarom adviesprijs, actuele lokale prijs en gemiddelde kassabon niet door elkaar mogen worden gebruikt. Direct naar een onderdeel van dit artikel Het record is een adviesprijs, geen gemiddelde kassabon Bij €2,73 bestaat bijna de helft uit belasting De jaarnota hangt vooral af van kilometers en tankplek Hoeveel zuiniger rijden houdt de oude rekening in stand Drie paden voor 2027 tot en met 2029 Het oordeel verandert pas als de echte pompprijs volgt Het record is een adviesprijs, geen gemiddelde kassabon Het verschil tussen €2,730 en €2,449 is €0,281 per liter. Op een tankbeurt van 50 liter scheelt dat €14,05. Wie in een jaar 975 liter verbruikt, zou op basis van alleen dit verschil €273,98 meer of minder uitgeven. Dat bedrag is geen gegarandeerde besparing, omdat de twee cijfers een andere peildatum en methode hebben. Het laat wel zien hoe groot de fout kan worden wanneer een adviesprijs als persoonlijk tarief wordt behandeld. Ook de locatie maakt veel uit. In augustus noteerde het CBS naar type tankstation voor Euro95 gemiddeld €2,557 bij een bemand snelwegstation, €2,326 bij een bemand station buiten de snelweg en €2,278 bij een onbemande pomp buiten de snelweg. Tussen de uitersten zat €0,279 per liter. Voor 50 liter was dat €13,95. De cijfers zijn maandgemiddelden, geen belofte dat iedere route zo’n verschil oplevert. Omrijden kost bovendien tijd en brandstof. Wie profiteert van prijsverschillen? Vooral automobilisten die veel kilometers maken, flexibel kunnen tanken en een goedkoper station op hun normale route hebben. Wie weinig rijdt of direct langs de snelweg moet tanken, kan minder optimaliseren. De pomp met de hoogste prijs verdient niet automatisch het meest: huur, personeel, openingstijden, bevoorrading en verkoopvolume verschillen sterk. De consument betaalt de zichtbare literprijs, maar niet iedere cent wordt marge. Bij €2,73 bestaat bijna de helft uit belasting De prijs aan de pomp bevat een vast accijnsbedrag en 21 procent btw. Volgens de Rijksoverheid bedraagt de benzineaccijns in 2026 €0,845 per liter. Bij €2,730 is de btw €2,730 × 21/121 = €0,474. Accijns en btw zijn samen ongeveer €1,319 per liter, of 48,3 procent van de adviesprijs. Na aftrek resteert €1,411 voor benzine zelf, verplichte bijmenging, raffinage, logistiek en marges in de keten. Die restpost is dus nadrukkelijk geen nettowinst van het tankstation. De accijnskorting is tijdelijk. Zonder korting noemt de overheid voor benzine €1,0021 per liter. Als uitsluitend het verschil van €0,1571 terugkomt en daar 21 procent btw overheen gaat, stijgt de consumentenprijs rekenkundig met ongeveer €0,190 per liter. Een adviesprijs van €2,730 zou onder verder gelijke omstandigheden circa €2,920 worden. Het kabinet wil de korting voor benzine en diesel tot eind 2027 verlengen, maar op 28 september moet het Belastingplan 2027 nog door beide Kamers worden goedgekeurd. Een voornemen is nog geen tarief. De sterkste tegenwerping is dat olie, dollar, raffinagemarges en concurrentie veel harder kunnen bewegen dan de belasting. Dat klopt. Een accijnsbesluit bepaalt één deel van de literprijs; het voorkomt geen prijsstijging wanneer het niet-belastingdeel oploopt. Omgekeerd kan een daling in de handelsketen een belastingstijging tijdelijk meer dan compenseren. Het beleid verandert daarom de vloer en de gevoeligheid, niet de volledige uitkomst. De jaarnota hangt vooral af van kilometers en tankplek Een navolgbaar rekenvoorbeeld maakt het record persoonlijk. Neem 15.000 kilometer per jaar, een praktijkverbruik van 6,5 liter per 100 kilometer en de CBS-prijs van €2,449. Het verbruik is 15.000 × 6,5 / 100 = 975 liter. De bruto kassarekening wordt 975 × €2,449 = €2.387,78 per jaar, of €198,98 per maand. Daarin zit ongeveer €823,88 accijns en €414,41 btw. Netto van alleen deze twee heffingen blijft €1.149,49 per jaar over, of €95,79 per maand, voor product en ketenkosten. Dit is een vereenvoudiging: verbruik wisselt per rit, korting en tanklocatie verschillen, en andere autokosten tellen niet mee. Bij dezelfde kilometers en hetzelfde verbruik kostte de gemiddelde Euro95-prijs van €1,921 in 2025 ongeveer €1.872,98 per jaar. Het verschil met de recente gemeten prijs is €514,80 per jaar, of €42,90 per maand. Voor een huishouden met twee vergelijkbare benzineauto’s kan dat grofweg verdubbelen. Een huishouden met een elektrische auto voelt deze literprijs niet direct, maar kan via vervoerstarieven, bezorgkosten en prijzen van bedrijven alsnog een deel terugzien. Lagere inkomens met een lange woon-werkafstand zijn kwetsbaarder, omdat brandstof een groter deel van hun vrije bestedingsruimte opslokt. Zakelijke rijders kunnen kosten soms doorberekenen of vergoed krijgen, al betaalt uiteindelijk een werkgever, opdrachtgever of klant. Een pompprijsverlaging helpt veelrijders in euro’s het meest, maar subsidieert ook extra verbruik. Wie betaalt en wie profiteert hangt dus af van kilometers, voertuig, route en de mogelijkheid om gedrag aan te passen. Lees ook: wie verdient er echt aan tanken over de grens? Hoeveel zuiniger rijden houdt de oude rekening in stand De omgekeerde vraag is scherper dan de vraag hoeveel duurder benzine is: hoeveel moet het verbruik omlaag om met dezelfde brandstofbegroting even ver te komen? Bij €1,921 per liter kon een bepaald budget 1 liter kopen waar datzelfde budget bij €2,449 nog 0,784 liter koopt. De daling is 21,6 procent. Wie 15.000 kilometer reed en hetzelfde verbruik houdt, kan binnen hetzelfde budget nog ongeveer 11.766 kilometer rijden. Dat is 3.234 kilometer minder. Wie alle kilometers wil behouden, moet in dit rekenvoorbeeld het verbruik van 6,5 naar ongeveer 5,10 liter per 100 kilometer brengen. Dat is voor veel bestaande auto’s niet haalbaar met alleen rustiger optrekken en bandenspanning. Thuiswerken, ritten combineren, een zuiniger voertuig of een andere vervoersvorm kan het verschil verkleinen, maar vraagt tijd of investeringen. Het omgekeerde model maakt de grens zichtbaar zonder te doen alsof iedere automobilist dezelfde opties heeft. Drie paden voor 2027 tot en met 2029 Voor de komende drie kalenderjaren gebruiken we de gemeten €2,449 als startpunt. Na aftrek van 21 procent btw en €0,845 accijns resteert ongeveer €1,179 per liter als niet-belastingdeel. De scenarioformule is 1,21 × (niet-belastingdeel + accijns). Olie, euro-dollar, raffinage, logistiek, biobrandstof en marges zitten in één restpost. Dat houdt de berekening navolgbaar, maar beperkt de voorspellende waarde. Geen scenario krijgt een kanspercentage. In het verlichtingsscenario daalt het niet-belastingdeel in 2027 met 10 procent en blijft het daarna gelijk. Met verlengde korting in 2027 en een aangenomen accijnsstijging van 2 procent in 2028 en 2029 komt de prijs uit op ongeveer €2,31, €2,33 en €2,35. In het basisscenario stijgt het niet-belastingdeel jaarlijks 2 procent. De uitkomsten zijn dan circa €2,48, €2,53 en €2,58. Het stressscenario combineert een stijging van het niet-belastingdeel met 15 procent in 2027 en 5 procent in de twee jaren daarna met het wegvallen van de accijnskorting. Daaruit volgen ongeveer €2,85 in 2027, €2,96 in 2028 en €3,07 in 2029. De aanname over het volledige accijnstarief is beleidstechnisch bewust streng: de verlenging is voorgesteld, maar nog niet definitief. Het scenario is geen verwachting van oorlog, olieschaarste of valutapaniek. Voor bedrijven werkt de rekening anders dan voor huishoudens. Een koerier kan brandstof doorberekenen als klanten en concurrenten dat toelaten. Een vervoerder met vaste contractprijzen draagt de stijging eerst zelf. Producenten met grote logistieke volumes zien kosten later in voorraad en tarieven terechtkomen. De uiteindelijke betaler kan daardoor maanden na het pompstation zichtbaar worden. Juist daarom is een prijsrecord ook inflatienieuws, maar de omvang hangt af van doorberekening en substitutie. Het oordeel verandert pas als de echte pompprijs volgt Het benzineprijsrecord is reëel, maar het meet de gemiddelde adviesprijs van vijf grote oliemaatschappijen. Voor de huishoudrekening is de gewogen pompprijs een betere start, aangevuld met de prijs op de eigen route. De nieuwste beschikbare meting ligt €0,281 per liter onder het record. Dat neemt de stijging niet weg: van gemiddeld €1,921 in 2025 naar €2,449 op 21 september 2026 is een stevige verslechtering. Het voorkomt wel dat een kop over €2,730 rechtstreeks wordt vertaald naar ieders jaarbudget. Mijn oordeel verandert wanneer nieuwe CBS-dagprijzen laten zien dat het gewogen pomp-gemiddelde langdurig richting €2,730 beweegt, wanneer het Belastingplan 2027 definitief wordt aangenomen of verworpen, of wanneer het niet-belastingdeel aantoonbaar sterk daalt. Tot die tijd is de nuttigste conclusie nuchter: vergelijk de prijs op de route, reken met eigen kilometers en verbruik, en behandel de adviesprijs als marktsignaal in plaats van als persoonlijke kassabon.

  • De orderpijplijn wordt de volgende test voor Philips

    In het kort Philips meldde over het tweede kwartaal van 2026 4% vergelijkbare omzetgroei en een aangepaste EBITA-marge van 16,4%. Dat is een sterke combinatie. De volgende test zit eerder in de pijplijn: groeit de orderinstroom, worden orders op tijd geleverd en blijft de prijsdiscipline overeind? Een volle orderportefeuille is pas waardevol wanneer zij zonder buitensporige korting in winstgevende omzet en kasstroom verandert. Het aandeel sloot op 25 september op Euronext Amsterdam rond €21,87. De koers kan inmiddels zijn veranderd. Philips is na jaren van Respironics-problemen weer beter te beoordelen op zijn operationele motor, maar de kwaliteit van nieuwe orders verdient meer aandacht dan het kale groeipercentage. Direct naar een onderdeel van dit artikel Ordergroei loopt voor op omzet Groei die te veel korting vraagt, stelt weinig voor Omzet is nog geen vrije kasstroom Wat moet €21,87 waarmaken? Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 Slot Ordergroei loopt voor op omzet Een bestelling van een ziekenhuis wordt niet altijd direct omzet. Installatie, lokale goedkeuring, productie en acceptatie kunnen maanden duren. Bij beeldvormingssystemen en image-guided therapy is de levertijd langer dan bij persoonlijke verzorgingsproducten. Daarom is vergelijkbare orderinstroom vooral bij Diagnosis & Treatment een voorloper, geen directe winstregel. Philips meldde in het tweede kwartaal €4,4 miljard groepsomzet, 4% vergelijkbare groei en €717 miljoen aangepaste EBITA. De marge kwam uit op 16,4%. Die kwartaalmarge profiteerde mede van een Amerikaanse tariefteruggave, waardoor de onderliggende vergelijking voorzichtig moet worden gemaakt. Philips publiceert geen eenvoudig groepsorderboek in euro waarmee iedere omzetperiode kan worden voorspeld. De eerste module gebruikt daarom een modelorderboek. Het verband is wel echt: conversiesnelheid en annuleringen bepalen hoeveel commerciële vraag uiteindelijk in de winst-en-verliesrekening komt. Groei die te veel korting vraagt, stelt weinig voor Ziekenhuizen kopen niet uitsluitend op aanschafprijs. Beschikbaarheid, onderhoud, software, workflow, training en klinische uitkomsten tellen mee. Dat geeft Philips ruimte voor waardegebaseerde prijsstelling. Tegelijk is de concurrentie van Siemens Healthineers, GE HealthCare en gespecialiseerde spelers stevig. De tweede rekentool laat zien hoe weinig korting nodig is om een aanzienlijk deel van de brutowinst op nieuwe omzet weg te nemen. Bij €1 miljard extra omzet, 46% normale brutomarge en vijf procentpunt extra korting daalt de brutowinst met €50 miljoen. Het omzetcijfer groeit dan nog steeds, maar de economische kwaliteit is slechter. Dit is vooral relevant wanneer ordergroei met marktaandeelwinst wordt verklaard. Marktaandeel is waardevol wanneer servicecontracten, software en verbruiksartikelen later terugkerende winst leveren. Het is minder waardevol wanneer de hardware te goedkoop is verkocht en de vervolginkomsten onzeker zijn. Omzet is nog geen vrije kasstroom Grote medische systemen vragen voorraad en klantfinanciering voordat betaling binnenkomt. Snelle groei kan daardoor tijdelijk geld vastzetten in werkkapitaal. Ook productieproblemen of langere installatietijden maken het verschil tussen gerapporteerde omzet en contant geld groter. De werkkapitaalmodule laat zien dat €1 miljard extra omzet bij 15% operationele kasmarge en 12% extra werkkapitaalbeslag slechts €30 miljoen directe kasbijdrage geeft. Later kan werkkapitaal vrijkomen, maar de timing is belangrijk voor schuld, aandeleninkoop en investeringsruimte. Dat maakt orderkwaliteit breder dan prijs. Een goede order heeft een betrouwbare klant, duidelijke installatieplanning, gezonde betalingsvoorwaarden en ruimte voor service. Een slechte order kan omzet opleveren maar tegelijk veel voorraad, korting en uitvoeringsrisico meebrengen. Wat moet €21,87 waarmaken? Philips hoeft niet als een snelgroeiend softwarebedrijf te worden gewaardeerd. Bij een genormaliseerde winstbasis van €1,55 per aandeel, 8% gewenst koersrendement en een eindmultiple van 16 in 2029 is ongeveer €1,72 winst per aandeel nodig. Dat komt neer op een bescheiden jaarlijkse groei. Bij een lagere eindmultiple wordt de operationele lat hoger. De sterke marges in het tweede kwartaal mogen niet zonder correctie naar een heel jaar worden geëxtrapoleerd. Tariefeffecten, productmix en seizoenspatronen spelen mee. Ook Respironics blijft juridisch en operationeel relevant, al draait het hier juist om de nieuwe ordermotor. Een nuttige vergelijking staat in onze analyse over winstkwaliteit en kasstroom bij Amazon en Uber. De sector is anders, maar de les is gelijk: gerapporteerde winst krijgt pas waarde wanneer zij duurzaam in geld verandert. Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 Het bearscenario veronderstelt zwakke orderconversie, druk op prijzen en een dalende multiple. Het middenscenario gaat uit van beheerste groei, stabiele marges en een waardering van 16 keer winst. Het gunstige scenario combineert betere productmix, sterke service-inkomsten en hogere winst per aandeel. De tabel toont mogelijke koersen in euro, exclusief dividend. Een daadwerkelijk dividend verhoogt het totaalrendement, maar wordt niet in de koers opgeteld. Zo voorkomen we dat dezelfde winstuitkering dubbel wordt geteld. Slot Philips hoeft geen spectaculaire omzetgroei te tonen om bij €21,87 waarde te creëren. De onderneming moet vooral bewijzen dat vraag van ziekenhuizen en consumenten tegen gezonde voorwaarden in omzet, marge en kasstroom verandert. Orderinstroom is daarom een beginpunt. De kwaliteit blijkt pas uit conversie, prijsdiscipline en werkkapitaal. Wanneer die drie samen verbeteren, kan een bescheiden groeipad voldoende zijn. Wanneer omzet met korting en extra balansbeslag wordt gekocht, stelt een hoog ordercijfer veel minder voor.

  • Meer goedgekeurde betalingen zijn bij Adyen nog geen winst

    In het kort Adyen verkoopt meer dan betaalverwerking. Het platform probeert legitieme betalingen vaker goed te keuren en fraude tegelijk laag te houden. Voor een grote webwinkel kan één procentpunt hogere autorisatiegraad miljoenen euro's extra omzet betekenen. Dat maakt technologie en data waardevol, maar de belegger moet onderscheid maken tussen waarde voor de klant, omzet voor Adyen en winst voor de aandeelhouder. Het aandeel noteerde op 28 september rond €875,50 op Euronext Amsterdam. Adyen verwerkte in de eerste helft van 2026 €803,8 miljard aan betalingen, 24% meer dan een jaar eerder. De onderneming verwacht voor heel 2026 21% tot 23% groei van de netto-omzet tegen constante valuta, inclusief acquisities die op 1 juli zijn afgerond. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een afgewezen betaling is verloren omzet Waardecreatie is geen prijskaartje Meer goedkeuren kan ook te ver gaan Wat moet €875,50 waarmaken? Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 Slot Een afgewezen betaling is verloren omzet Wanneer een echte klant wil betalen maar de transactie wordt afgewezen, verliest de handelaar mogelijk de verkoop. Een hogere autorisatiegraad kan daardoor direct economische waarde creëren. Adyen gebruikt betaaldata, netwerkverbindingen en machine learning om fraude en legitieme betalingen beter te onderscheiden. De eerste module rekent met aangeboden betaalvolume, brutomarge van de handelaar en een verbetering van de autorisatiegraad. Bij €20 miljard volume, 30% handelsmarge en één procentpunt meer goedgekeurde betalingen ontstaat €60 miljoen extra brutowinst voor de klant. Dat is geen Adyen-omzet. Het is de economische ruimte waaruit Adyen mogelijk een deel kan prijzen. Het onderscheid is cruciaal. Een payment service provider kan veel waarde creëren zonder die volledig zelf te houden. Concurrentie, contractonderhandelingen en de schaal van de klant bepalen welk deel in de take rate terechtkomt. Adyen kan ook bewust een lagere prijs vragen om meer betaalvolume of extra producten te winnen. Waardecreatie is geen prijskaartje Adyen rapporteert netto-omzet na aftrek van kosten die rechtstreeks naar betaalnetwerken en financiële instellingen gaan. De netto take rate, netto-omzet gedeeld door verwerkt volume, kan dalen wanneer grote klanten sneller groeien of de productmix verschuift. Dat hoeft niet slecht te zijn als volumes, kostenvoordelen en aanvullende diensten de absolute winst laten stijgen. De tweede module maakt de brug van merchantwaarde naar Adyen-omzet en vervolgens naar EBITDA. Bij €60 miljoen waarde en 8% capture ontvangt Adyen €4,8 miljoen netto-omzet. Bij 60% incrementele marge wordt dat €2,9 miljoen EBITDA. De voorbeelden laten zien waarom een grote klantbesparing niet één op één aan aandeelhouders toekomt. De kracht van het platform zit in hergebruik. Een verbetering van routing of fraudedetectie kan over veel klanten en transacties worden toegepast. Dat geeft schaalvoordelen. De tegenkracht is prijsdruk: grote internationale klanten begrijpen hun eigen economische waarde en onderhandelen scherp. Meer goedkeuren kan ook te ver gaan Een hogere autorisatiegraad is niet automatisch beter. Wanneer een systeem fraude te soepel doorlaat, kan de extra omzet worden opgeslokt door chargebacks, goederenverlies en reputatieschade. Adyen moet daarom conversie en risico tegelijk verbeteren. Dit is een sterk tegenargument tegen simpele marketingcijfers. Een uplift zonder informatie over fraude, transactiemix en meetperiode zegt weinig. Daarnaast kunnen klanten verschillen in betaalmethoden, landen en kaartnetwerken. Een procentpunt bij een Nederlandse webwinkel is niet hetzelfde als een procentpunt bij een grensoverschrijdend platform. Wie meer wil lezen over het verschil tussen platformvolume en omzet kan onze analyse van Amazon en Uber erbij pakken. Ook daar blijkt dat een groot transactievolume pas waarde krijgt wanneer het platform een duurzaam deel kan behouden. Wat moet €875,50 waarmaken? Adyen heeft een sterke balans, hoge organische groei en een aantrekkelijk margemodel. De waardering vraagt desondanks blijvende uitvoering. Bij een genormaliseerde winstbasis van €24 per aandeel, 10% gewenst koersrendement en een eindmultiple van 30 in 2029 moet de winst per aandeel naar ongeveer €38,85. Dat vereist circa 17% jaarlijkse groei. De rekenbasis is bewust conservatiever dan één uitzonderlijk halfjaar extrapoleren. Personeelsgroei, investeringen en acquisities kunnen de marge tijdelijk drukken. Omgekeerd kan schaal de winst sneller laten stijgen dan de netto-omzet wanneer bestaande infrastructuur meer volume verwerkt. Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 Het bearscenario veronderstelt afzwakkende groei en een multiple die daalt naar 24. Het middenscenario combineert stevige winstgroei met geleidelijke waarderingsnormalisatie. In het gunstige scenario vertaalt betere autorisatie zich breed in klantbehoud, extra producten en hoge incrementele marges. De scenario's zijn mogelijke koersen in euro en geen doelen. Zij bevatten geen apart dividend. Adyen gebruikt kapitaal vooral voor groei en heeft geen dividend nodig om de rendementsvergelijking te laten werken. Slot Adyen kan voor klanten waarde creëren die veel groter is dan de eigen vergoeding. Dat is precies waarom het platform aantrekkelijk kan zijn. De belegger krijgt die waarde echter alleen wanneer drie stappen werken: de technologie verbetert echt de autorisatie, de klant blijft en Adyen kan een deel van de waarde behouden zonder prijs of fraude uit de hand te laten lopen. Bij €875,50 is sterke groei nodig, maar geen perfectie. De beste bewijsstukken zijn niet losse succesverhalen. Het zijn stijgende netto-omzet, stabiele klantretentie en marges die laten zien dat extra volume ook per aandeel rendeert.

  • iShares World-ETF verdient aan uitlenen maar draagt het risico

    In het kort IWDA volgt ontwikkelde aandelenmarkten voor 0,20% lopende kosten per jaar. Een klein deel van die kosten wordt terugverdiend door aandelen tijdelijk uit te lenen. In het fondsjaar tot 30 juni 2026 leverde effectenuitlening 0,02% op, terwijl gemiddeld 8,08% van het fondsvermogen was uitgeleend. Dat helpt de index beter te volgen, maar de extra opbrengst is een vergoeding voor operationeel en tegenpartijrisico. De iShares Core MSCI World UCITS ETF USD (Acc) noteerde op 28 september rond 11.00 uur op Euronext Amsterdam op €128,98. De shareclass met ticker IWDA en ISIN IE00B4L5Y983 is Iers, fysiek geoptimaliseerd en accumulerend. Het fonds volgt large- en midcapaandelen uit ontwikkelde markten. Opkomende markten vallen er niet onder. Direct naar een onderdeel van dit artikel Hoe effectenuitlening werkt Onderpand verkleint het risico, maar wist het niet uit De uitleenopbrengst is niet stabiel Wat moet de portefeuille verdienen? Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 Slot Hoe effectenuitlening werkt Een grote institutionele partij wil soms tijdelijk aandelen lenen, bijvoorbeeld om een shortpositie af te dekken of een markttransactie te voltooien. Het fonds draagt de stukken tijdelijk over en ontvangt daarvoor een vergoeding plus onderpand. Economisch blijft het fonds blootgesteld aan de koersontwikkeling van de uitgeleende aandelen. BlackRock meldt dat deelnemende fondsen 62,5% van het uitleeninkomen behouden. BlackRock krijgt 37,5% en draagt de operationele kosten van het programma. In het fondsjaar tot 30 juni 2026 kwam het netto uitleenrendement voor dit fonds uit op 0,02%. Twee basispunten klinken klein, en dat zijn ze ook. Op een groot fondsvermogen gaat het toch om miljoenen dollars. De opbrengst helpt de tracking difference, het verschil tussen fondsresultaat en indexresultaat, te verkleinen. Zij maakt de TER niet ongedaan. Bij 0,20% kosten compenseert 0,02% uitleenrendement grofweg een tiende van de kosten, voordat andere trackingfactoren meetellen. Onderpand verkleint het risico, maar wist het niet uit De lener moet onderpand leveren dat meer waard is dan de geleende stukken. Voor het fonds rapporteerde BlackRock over het laatste fondsjaar een gemiddelde collateralisation van 108,05%. Tegenover $100 aan uitgeleende aandelen stond dus gemiddeld ongeveer $108,05 aan onderpand. Die buffer is nuttig wanneer de lener failliet gaat. Toch kunnen twee prijzen tegelijk bewegen: de geleende aandelen kunnen stijgen terwijl het onderpand daalt. Liquidatie kost tijd en transactiekosten. Daarom noemt BlackRock expliciet het risico dat onderpand na marktbewegingen onvoldoende kan blijken wanneer een lener niet teruglevert. Het risico is klein in verhouding tot gewoon aandelenrisico, maar niet nul. De belegger ontvangt er de eerder genoemde 0,02% voor terug. De juiste vergelijking is dus niet gratis geld tegenover niets. Het is een kleine verwachte opbrengst tegenover een nog kleiner, maar echt staartrisico. De uitleenopbrengst is niet stabiel De vraag naar bepaalde aandelen verandert. Moeilijk uitleenbare stukken kunnen hoge vergoedingen opleveren, terwijl zeer liquide megacaps weinig opbrengen. Ook het percentage van het fonds dat is uitgeleend beweegt. BlackRock meldde voor het afgelopen fondsjaar gemiddeld 8,08% on loan en maximaal 11,16%. De derde module laat zien hoe TER, uitleeninkomen en overige trackingverschillen samenkomen. Belastinglekkage, transactiekosten, optimalisatie en timing kunnen het uiteindelijke fondsresultaat sterker beïnvloeden dan de uitleenvergoeding. Een fonds kan zelfs beter dan zijn netto-index presteren wanneer verschillende kleine opbrengsten de kosten overtreffen, maar dat is geen vaste belofte. Wie het bredere verschil tussen spaargeld, directe effecten en fondsen wil begrijpen, kan ook onze analyse van het Nederlandse effectenbezit lezen. Daar blijkt waarom fondsen voor huishoudens een veel grotere rol spelen dan losse obligaties. Wat moet de portefeuille verdienen? IWDA bezit ongeveer 1.250 aandelen en de portefeuillewaardering ligt duidelijk boven het langjarige gemiddelde. Met een model-P/E van 26, een koers van €128,98 en een eindmultiple van 22 in 2029 is stevige onderliggende winstgroei nodig om jaarlijks 8% koersrendement te halen. De rekenmodule maakt zichtbaar hoeveel multiplekrimp de bedrijfswinsten moeten opvangen. Voor een accumulerende ETF moet dividend niet dubbel worden geteld. Dividend van onderliggende ondernemingen wordt na belastingen in het fonds herbelegd. Daardoor groeit de nettovermogenswaarde. Het koersscenario hieronder is daarom een benadering van totaalrendement vóór persoonlijke belasting, terwijl het directe koersrendement voor de belegger vrijwel hetzelfde pad volgt doordat geen cash wordt uitgekeerd. Drie scenario's voor 2027, 2028 en 2029 Het bearscenario combineert vlakke winstgroei met een lagere portefeuille-P/E. In het middenscenario groeien de onderliggende winsten ongeveer 6% per jaar en normaliseert de multiple geleidelijk. Het gunstige scenario veronderstelt sterkere winstgroei en een langer hoge waardering. De effectenuitlening zit impliciet in de netto fondsontwikkeling en wordt niet nog eens boven op de koersen gezet. De grootste risico's blijven gewone marktrisico's: winsttegenvallers, waarderingsdaling en een sterke euro tegenover de valuta van de onderliggende bedrijven. Het uitleenrisico is kleiner, maar verdient juist daarom een heldere plaats. Kleine verborgen mechanismen bepalen samen hoe nauwkeurig een kern-ETF zijn index volgt. Slot Effectenuitlening maakt IWDA niet speculatief. Het is een volwassen techniek waarmee grote fondsen een deel van hun kosten terugverdienen. De gerapporteerde opbrengst van 0,02% is bescheiden en past bij het doel: tracking verbeteren zonder het risicoprofiel ingrijpend te veranderen. Voor beleggers is de les eenvoudig. Een goedkope ETF is geen frictieloze doos. Achter de koers werken kosten, optimalisatie, belasting en uitleenconstructies die ieder een paar basispunten toevoegen of wegnemen.

  • De kostenbasis beslist wat ABN AMRO aan provisies overhoudt

    In het kort Provisies kunnen de winst stabieler maken. ABN AMRO wees bij de cijfers van 12 augustus op hoge fee-inkomsten uit klantvermogen en Clearing. Die activiteiten reageren anders op de rente dan de klassieke rentemarge. De kostenbasis beslist hoeveel ervan overblijft. Meer beheerd vermogen en handelsactiviteit zijn pas waardevol wanneer provisies sneller groeien dan personeel, technologie, compliance en integratiekosten. De koers vraagt een combinatie van winst en uitkering. Bij €43,55 moet een belegger koersrendement en dividend samen beoordelen. Een bankmultiple alleen zegt weinig zonder rendement op eigen vermogen en winstkwaliteit. ABN AMRO verdiende in het tweede kwartaal €781 miljoen en rapporteerde 12,1% rendement op het eigen vermogen. De nettowinst steeg 29% op jaarbasis. De bank verhoogde haar verwachting voor commerciële netto-rentebaten naar ongeveer €6,8 miljard, inclusief NIBC. Dat is sterk, maar maakt ook zichtbaar hoe groot de afhankelijkheid van rente blijft. Provisie-inkomsten bieden een tweede winstpoot. Vermogensbeheer verdient aan klantvermogen en diensten; Clearing verdient aan transacties, financiering en risicobeheer voor professionele klanten. Geen van beide is risicoloos, maar de inkomsten bewegen niet één op één mee met de spaarrente. De eerste rekensom vertaalt beheerd vermogen en een netto provisiemarge naar een operationele bijdrage. Direct naar een onderdeel van dit artikel Meer vermogen kan ook zonder netto instroom Clearing profiteert van activiteit, niet van chaos Kosten bepalen de operationele hefboom Wat moet €43,55 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden Meer vermogen kan ook zonder netto instroom Klantvermogen stijgt door nieuwe instroom én door hogere markten. Dat onderscheid is belangrijk. Marktstijgingen verhogen de fee-basis zonder dat de bank een nieuwe klant wint. Bij een beursdaling werkt dezelfde hefboom omgekeerd. De kwaliteit van de groei is daarom hoger wanneer netto instroom, klantbehoud en verkoop van diensten samen verbeteren. De marge hangt eveneens af van de mix. Beleggingsadvies, discretionair beheer, fondsen en transactiediensten hebben verschillende tarieven en kosten. Grote vermogende klanten onderhandelen anders dan kleine particuliere klanten. Eén gemiddeld feepercentage is dus een modelvereenvoudiging, geen tariefkaart van ABN AMRO. Clearing profiteert van activiteit, niet van chaos Clearing kan groeien wanneer klanten meer handelen en onderpand gebruiken. Volatiliteit verhoogt vaak de activiteit. Te veel stress kan echter posities verkleinen, financieringskosten verhogen en operationele risico’s zichtbaar maken. Een hoge transactiedag is daarom niet automatisch pure winst. ABN AMRO moet voor deze activiteit kapitaal, liquiditeit, technologie en risicobeheer beschikbaar houden. Clearing is dus niet volledig kapitaalvrij. Het kan wel een andere opbrengstcyclus hebben dan hypotheken en bedrijfsleningen. Juist die diversificatie is waardevol wanneer de rentemarge normaliseert. Het sterkste optimistische argument is dat de bank via vermogensbeheer en Clearing inkomsten kan laten groeien zonder dezelfde balansuitbreiding als bij kredietverlening. Het sterkste tegenargument is dat fee-activiteiten vaak conjunctuur- en marktgevoelig zijn. Een lagere rente kan de rentemarge raken, terwijl een zwakke beurs tegelijk klantvermogen en transactieactiviteit drukt. Kosten bepalen de operationele hefboom ABN AMRO rekende voor 2026 op ongeveer €5,5 miljard kosten, inclusief NIBC. In het tweede kwartaal daalde het personeelsbestand met 253 voltijdsbanen. Dat helpt, maar integratie, digitalisering en toezicht blijven geld vragen. Een provisiestrategie werkt alleen wanneer iedere euro extra fee-inkomsten meer dan een euro aan extra kosten en kapitaalbeslag oplevert. De module splitst provisies en toerekenbare kosten. Een kleine groeivoorsprong van inkomsten boven kosten vergroot de buffer snel. Omgekeerd kan kosteninflatie de hele verbetering opslokken. De cijfers zijn modelaannames, omdat ABN AMRO de volledige kostenbasis niet op dezelfde manier over ieder feeproduct uitsplitst. Wat moet €43,55 waarmaken? Voor een bank is totaalrendement belangrijk. Dividend verlaagt de koers die in 2029 nodig is om een gekozen rendement te behalen, maar het is geen gratis extra. Uitkeringen verminderen het eigen vermogen dat in de bank achterblijft. De reverse module rekent daarom eerst de benodigde eindkoers na een verondersteld jaarlijks dividend uit en deelt die door een eindmultiple. Bij 9% gewenst jaarlijks totaalrendement, €1,50 dividend per jaar en 10,5 keer winst is ongeveer €5,00 winst per aandeel in 2029 nodig. Dat ligt boven de gebruikte genormaliseerde modelbasis van €3,82. Een hoger dividend verlaagt de benodigde eindkoers, maar kan alleen duurzaam zijn wanneer kapitaal en winst het toelaten. Drie mogelijke koerspaden In het bearscenario dalen winst en multiple. Het middenscenario veronderstelt stabiele kredietkwaliteit, groeiende provisies en beheerste kosten. Het gunstige scenario vraagt een sterk rendement op eigen vermogen en een markt die boven twaalf keer winst wil betalen. Dividend komt apart boven op de tabelkoersen. Deze paden zijn geen koersdoelen. Ze laten zien dat een bankaandeel ook bij redelijke winstgroei kan tegenvallen wanneer de waardering daalt. Andersom kan een stabiele winst met een hoog dividend een degelijk totaalrendement opleveren zonder spectaculaire koersstijging. De rentemarge blijft een kernonderdeel van ABN AMRO. Dat past bij een Nederlandse bank. De onderneming moet daarnaast laten zien dat vermogensbeheer, Clearing en andere fees een groter en winstgevend deel van de inkomsten worden. Bij €43,55 is de vraag niet alleen hoeveel rente de bank verdient, maar hoeveel van de volgende winsteuro zonder extra balansrisico kan ontstaan. Lees ook: Koop je na de koersval van Goldman Sachs kwaliteit?

  • MongoDB kan omzet verliezen zonder één klant kwijt te raken

    In het kort Atlas verdient aan gebruik. Wanneer klanten queries efficiënter maken, kan dezelfde toepassing minder reken- en opslagverbruik vragen. Dat is goed voor de klant, maar drukt mogelijk de omzet per bestaande workload. Nieuwe toepassingen moeten de besparing overtreffen. MongoDB kan blijven groeien wanneer AI-agents, realtime data en nieuwe applicaties meer werk toevoegen dan optimalisatie wegneemt. De waardering vraagt een grote winstsprong. Bij $410,44 en een gemelde GAAP-winst van ongeveer $0,71 per aandeel is de huidige P/E uitzonderlijk hoog. De markt rekent op snelle marge-expansie. MongoDB meldde op 1 september $771,8 miljoen kwartaalomzet, 30% meer dan een jaar eerder. De abonnementenomzet groeide met 31% en de brutomarge steeg van 71% naar 74%. Atlas groeide ongeveer 29%, terwijl de overige abonnementenactiviteiten rond 36% toenamen. De cijfers zijn sterk, maar het verbruiksmodel maakt de toekomstige groei minder lineair dan bij een vast abonnement. Een klant kan een applicatie optimaliseren en daardoor minder databasecapaciteit nodig hebben. MongoDB verliest dan omzet zonder een klant te verliezen. Omgekeerd kan die besparing de klant aanmoedigen meer toepassingen te bouwen. De eerste module laat zien hoeveel nieuwe workloads nodig zijn om een efficiëntiebesparing te compenseren. Direct naar een onderdeel van dit artikel Goedkopere queries kunnen de markt vergroten Atlas is niet de enige groeimotor Kasstroom is al veel sterker dan de GAAP-winst Wat moet $410,44 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden Goedkopere queries kunnen de markt vergroten Efficiëntie is niet automatisch slecht nieuws. Wanneer een toepassing goedkoper draait, wordt een groter aantal projecten economisch haalbaar. Dat geldt vooral voor AI-agents die veel korte interacties met data hebben. De totale markt kan groeien, terwijl iedere afzonderlijke query minder kost. MongoDB moet in dat scenario de voorkeursdatabase blijven voor de nieuwe projecten. PostgreSQL, cloud-native databases van hyperscalers en gespecialiseerde vectoroplossingen concurreren op prijs, prestaties en eenvoud. Open source vergroot de bekendheid van MongoDB, maar maakt klanten ook bewust van alternatieven en zelfbeheer. Atlas is niet de enige groeimotor De kwartaalgroei van de overige abonnementenactiviteiten lag boven die van Atlas. Dat kan een tijdelijke vergelijkingsbasis zijn, maar het herinnert eraan dat Enterprise Advanced en zelfbeheerde omgevingen relevant blijven. Grote ondernemingen willen soms data in eigen infrastructuur houden vanwege regelgeving, latency of bestaande investeringen. De mix heeft gevolgen voor omzetherkenning, brutomarge en voorspelbaarheid. Atlas volgt daadwerkelijk gebruik en kan per kwartaal versnellen of vertragen. Meerjarige Enterprise Advanced-contracten geven andere zichtbaarheid. Een belegger die alle abonnementenomzet behandelt alsof zij dezelfde economische eigenschappen heeft, mist die nuance. Kasstroom is al veel sterker dan de GAAP-winst MongoDB genereerde in het kwartaal $141,9 miljoen operationele kasstroom en $137,6 miljoen vrije kasstroom. De investeringen in fysieke activa waren laag, omdat veel infrastructuur bij cloudpartners draait. Dat is aantrekkelijk, maar aandelenbeloning blijft een economische kostenpost. Zij verschijnt niet volledig als kasuitstroom in dezelfde periode en kan de aandelenbasis vergroten. De module extrapoleert de kwartaalcash niet als bedrijfsprognose. Werkkapitaal, vooruitontvangen abonnementen en facturering kunnen per kwartaal schommelen. Voor de waarde per aandeel telt uiteindelijk hoeveel vrije kasstroom over een volledige cyclus wordt verdiend na de economische kosten van beloning en verwatering. Het sterkste optimistische argument is dat MongoDB een standaardlaag voor moderne applicaties wordt. Meer ontwikkelaars, meer datatypes en meer AI-toepassingen kunnen de hoeveelheid workloads snel vergroten. Het sterkste voorzichtige argument is dat verbruik gevoelig is voor optimalisatie, cloudprijzen en architectuurkeuzes van klanten. Een database die efficiënter wordt, kan technisch winnen terwijl omzet per bestaande toepassing tijdelijk daalt. Wat moet $410,44 waarmaken? Bij 10% gewenst jaarlijks koersrendement en een eindmultiple van 65 keer winst is in 2029 ongeveer $8,40 winst per aandeel nodig. Dat is een veelvoud van de gemelde GAAP-basis. Een hoge eindmultiple maakt de rekensom haalbaarder, maar veronderstelt dat groei ook na 2029 sterk blijft. Daarom is de aangepaste winst alleen onvoldoende. Beleggers moeten volgen hoe aandelenbeloning, verwatering, vrije kasstroom en GAAP-winst naar elkaar toe bewegen. Een verbetering die uitsluitend ontstaat door kosten uit de aangepaste maatstaf te verwijderen, verhoogt de economische waarde per aandeel niet automatisch. Drie mogelijke koerspaden Het bearscenario veronderstelt bescheiden winstgroei en een dalende multiple. In het middenscenario wordt Atlas efficiënter, groeien nieuwe workloads en loopt de GAAP-winst op. Het gunstige scenario vraagt zowel snelle winstgroei als een markt die een zeer hoge waardering blijft betalen. De scenario’s zijn geen koersdoelen. Ze maken zichtbaar hoeveel de uitkomst verandert wanneer één van de twee motoren tegenvalt. Sterke winstgroei kan door multiplekrimp worden weggevaagd; een hoge multiple zonder winstgroei is even kwetsbaar. MongoDB heeft met 70.600 klanten en $2,4 miljard kas een sterke positie om te investeren. De waardering vraagt meer dan klantgroei alleen. Nieuwe toepassingen moeten de omzet verhogen, efficiëntie moet de klantwaarde verbeteren en de winst per aandeel moet veel sneller groeien dan in het verleden. Bij $410,44 is precies die combinatie al gedeeltelijk vooruitbetaald. Een bruikbare voortgangsmaat is daarom omzetgroei per bestaande klant naast de groei van nieuwe workloads. Wanneer gebruik per klant tijdelijk daalt door optimalisatie, maar nieuwe toepassingen sneller worden toegevoegd, blijft het economische verhaal intact. Daalt gebruik zonder voldoende nieuwe productie, dan is de lagere rekening vooral goed nieuws voor de klant. De kwartaalomzet, vrije kasstroom en aandelenbasis moeten uiteindelijk gezamenlijk bevestigen welke van die twee verklaringen klopt. Lees ook: Chamath noemt Nebius en Iren de grote winnaars van open AI

bottom of page