top of page

Doorzoek deze website

14324 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • AI Max moet de zoekmotor van Alphabet overeind houden

    In het kort Google meldt dat de volledige AI Max-functies gemiddeld 7% meer conversies of conversiewaarde opleveren bij vergelijkbare kosten per acquisitie of advertentierendement. In september begon de automatische overgang van automatisch aangemaakte advertentieonderdelen en brede zoekwoordinstellingen; de volledige uitfasering van Dynamic Search Ads is uitgesteld tot februari 2027. Voor Alphabet is dit een belangrijke test. AI in Search moet niet alleen meer gebruik opleveren, maar ook meetbare waarde voor adverteerders en uiteindelijk meer winst per aandeel. De grootste angst rond generatieve zoekfuncties is economisch eenvoudig. Als gebruikers hun antwoord direct krijgen, klikken zij mogelijk minder vaak op advertenties of websites. Google kan dat compenseren met meer zoekopdrachten, betere advertentierelevantie en hogere conversie. AI Max is interessant omdat het die derde route concreet probeert te meten. Het product gebruikt bredere signalen om zoekopdrachten, creatieve onderdelen en bestemmingspagina’s op elkaar af te stemmen. Google zegt dat de volledige functies gemiddeld 7% meer conversies of conversiewaarde leveren dan alleen uitgebreid zoeken naar passende termen. Dat is een productclaim, geen garantie voor iedere adverteerder. Het geeft wel aan welke financiële brug Alphabet wil bouwen tussen AI-gebruik en advertentie-inkomsten. Direct naar een onderdeel van dit artikel Conversiewaarde is nog geen omzet voor Alphabet Transparantie is een financiële productfunctie Search moet tegelijk groeien en zijn rendement verdedigen Wat moet GOOGL waarmaken bij $338,24? Drie koerspaden voor 2027 tot en met 2029 Conversiewaarde is nog geen omzet voor Alphabet Wanneer een winkel dankzij Google Ads meer verkoopt, blijft een groot deel van die extra waarde bij de winkel. Google kan een deel terugverdienen via hogere klikprijzen, meer advertentievraag of grotere budgetten. De verdeling hangt af van concurrentie tussen adverteerders en de meetbare opbrengst van campagnes. Een uplift van 7% betekent dus niet dat Search-omzet automatisch 7% stijgt. Eerst moet een relevant deel van campagnes AI Max gebruiken. Daarna moet de extra conversiewaarde duurzaam blijken. Pas dan kan Google een deel van het voordeel in prijs of volume omzetten zonder het rendement voor klanten te ondermijnen. De eerste module maakt dat onderscheid zichtbaar. Zij vermenigvuldigt een veronderstelde Search-advertentieomzet met adoptie en uplift. De uitkomst is geholpen advertentiewaarde, geen gerapporteerde Alphabet-omzet. Dat verschil voorkomt dat productverbetering te snel als kasstroom wordt geboekt. Transparantie is een financiële productfunctie Google kondigde op 23 september extra AI Max-rapportage aan. Adverteerders moeten in één overzicht kunnen zien welke zoektermen een advertentie activeerden, welke creatieve onderdelen zichtbaar waren en op welke pagina de gebruiker landde. Dat klinkt operationeel, maar raakt de economie van het platform. Meer automatisering maakt campagnes eenvoudiger, terwijl minder inzicht het vertrouwen kan schaden. Grote adverteerders willen weten waarom een algoritme budget uitgeeft. Betere rapportage kan adoptie versnellen en churn verlagen. Tegelijk geeft meer inzicht klanten argumenten om prijzen te betwisten of budget naar andere kanalen te verschuiven. Transparantie is daarmee zowel een verkoopinstrument als een machtsbegrenzing. Lees ook: Meta's advertentiemachine financiert de AI-fabriek Search moet tegelijk groeien en zijn rendement verdedigen Bij de cijfers over het tweede kwartaal meldde Alphabet dat AI-functies het gebruik van Search verder uitbreiden. AI Mode had meer dan een miljard maandelijkse gebruikers en de onderneming zei dat AI-functies wekelijks miljarden klikken naar websites sturen. De advertentievraag blijft dus gekoppeld aan een groot distributienetwerk. Het optimistische argument is dat betere antwoorden tot meer en complexere zoekopdrachten leiden. AI Max kan vervolgens de advertentie op die nieuwe intentie afstemmen. Als conversie stijgt, kunnen adverteerders meer besteden zonder dat hun rendement verslechtert. Alphabet bezit daarnaast Cloud, YouTube en andere distributiepunten, zodat dezelfde AI-investering op meerdere omzetbronnen kan werken. De tegenwerping is dat AI-antwoorden duurder zijn om te produceren dan traditionele zoekresultaten. Regelgevers beperken overeenkomsten rond standaardzoekmachines en concurrenten kunnen gebruikers rechtstreeks bereiken. Bovendien kan een betere advertentie-automatisering het onderscheid tussen bureaus en platform verkleinen, wat politieke en commerciële weerstand oproept. Wat moet GOOGL waarmaken bij $338,24? We rekenen met Alphabet Class A, ticker GOOGL. De groepswinst wordt gedeeld door het totale verwaterde aandelenaantal over de verschillende klassen. Bij 8% gewenst jaarrendement en een eindwaardering van 22 keer winst is in 2029 een winst per aandeel van ruim twintig dollar nodig. Netto aandeleninkoop verlaagt de operationele winstlat per huidig aandeel, maar wordt niet nogmaals als losse bonus toegevoegd. De reverse waardering vermijdt ook een kasdubbeltelling. Alphabet heeft financiële ruimte, maar investeert uitzonderlijk veel in servers en datacenters. Kas die nodig is voor AI-capex kan niet tegelijk als overtollige nettokas bij de aandelenwaarde worden opgeteld. Aandelenbeloning zit economisch in kosten en het netto aandelenaantal. Drie koerspaden voor 2027 tot en met 2029 De drie paden koppelen advertentierendement aan marge, waardering en de winst per verwaterd aandeel. Het bearscenario van $280, $265 en $255 veronderstelt dat AI-antwoorden advertentieprijzen drukken en regelgeving distributiemacht beperkt. Het middenscenario komt uit op $365, $410 en $460. Daarin houdt AI Max het rendement voor adverteerders op peil en groeit Cloud winstgevend. Het gunstige pad van $430, $520 en $625 vraagt meer zoekgebruik, hogere conversie, sterke Cloud-marges en blijvende aandeleninkoop. De koerspaden zijn scenario’s, geen koersdoelen. Zij maken duidelijk dat 7% extra conversiewaarde pas waardevol wordt voor aandeelhouders wanneer adoptie, prijs en marge volgen. AI Max levert Alphabet een meetbaar bewijsstuk. De volgende stap is aantonen hoeveel van die klantwaarde uiteindelijk als winst per aandeel bij GOOGL terechtkomt. Foto: Sundar Pichai, archief.

  • Een hoog dividend maakt koersverlies bij VanEcks ETF niet goed

    In het kort TDIV is een uitkerende ETF met honderd ontwikkelde-marktaandelen, een kwartaaluitkering en 0,38% jaarlijkse fondskosten. VanEck meldde voor 30 september een intrinsieke waarde van €54,05 en €9,8 miljard fondsvermogen; de beurslijn in Amsterdam sloot op 1 oktober rond €54,43. Het aantrekkelijke inkomen is echt, maar ontstaat uit bedrijfswinsten en kan dus dalen. Voor het totaalrendement tellen ook winstgroei, waardering en koersverlies mee. Een dividend voelt tastbaar. Er komt geld op de rekening zonder dat er stukken hoeven te worden verkocht. Precies daarom spreekt TDIV beleggers aan die inkomen zoeken. Alleen maakt een uitkering een belegging niet automatisch defensief. Als de koers met 12% daalt en het fonds 5% uitkeert, staat het totale resultaat nog steeds ongeveer 7% in de min, vóór belastingen en transactiekosten. De relevante vraag is dus niet hoe hoog het dividend vandaag oogt. Het gaat erom welke winsten de uitkering financieren, hoeveel daarvan houdbaar is en welke waardering voor die winst wordt betaald. TDIV selecteert op dividendrendement, financiële weerbaarheid en verwachte groei. Dat is een zinnige discipline, maar geen garantie tegen een economische terugslag. Direct naar een onderdeel van dit artikel De uitkering komt uit winst en niet uit de ETF zelf Lage kosten helpen, maar redden geen slechte selectie De grootste tegenwerping is terecht Wat moet de portefeuille waarmaken bij €54,43? Drie scenario’s laten de echte bandbreedte zien De uitkering komt uit winst en niet uit de ETF zelf Een ETF maakt geen winst zoals een onderneming dat doet. TDIV ontvangt dividenden van de onderliggende bedrijven, houdt fondskosten in en keert volgens zijn distributiebeleid per kwartaal uit. Dat onderscheid is belangrijk. Een stabiele fondsuitkering vraagt uiteindelijk om stabiele vrije kasstromen bij banken, verzekeraars, energiebedrijven, telecomconcerns en andere posities in de portefeuille. Wanneer een onderneming meer uitkeert dan zij duurzaam verdient, kan de koers dalen of het dividend worden verlaagd. De ETF spreidt dat risico over honderd bedrijven, maar heft het niet op. Spreiding verandert een individuele dividendverlaging in een portefeuilleeffect. Bij een brede recessie kunnen meerdere bedrijven tegelijk hun uitkering beschermen door minder uit te betalen. De uitkomst van de eerste module laat zien waarom een hoog dividendpercentage alleen niet volstaat. Een totaalrendement van bijvoorbeeld 7% kan bestaan uit 5,5% uitkering, 2% winstgroei en een kleine daling van de waardering. Als de onderliggende winst krimpt en beleggers minder voor iedere euro winst willen betalen, kan hetzelfde dividend een veel zwakker resultaat opleveren. Lage kosten helpen, maar redden geen slechte selectie De total expense ratio van 0,38% is overzichtelijk. Op €10.000 fondsvermogen is dat rekenkundig €38 per jaar, voordat samengestelde effecten worden meegenomen. De echte financiële hefboom zit elders. Een dividendverlaging van 10% op een portefeuille met een bruto uitkeringsrendement van 5,5% kost ongeveer 0,55 procentpunt inkomen. Dat is groter dan de jaarlijkse TER. Daarom verdient de kwaliteit van de onderliggende winst meer aandacht dan een discussie over enkele basispunten kosten. Hoge dividendrendementen ontstaan soms doordat de koers is gedaald. Dat kan een kans zijn als de markt te pessimistisch is. Het kan ook een waarschuwing zijn dat de winst of balans onder druk staat. De indexmethodiek probeert zulke dividendvallen te beperken, maar geen enkel kwantitatief scherm ziet een plotselinge kredietcrisis, grondstoffenval of beleidswijziging vooraf. Lees ook: Koop je na de koersval van Goldman Sachs kwaliteit of betaal je voor een uitzonderlijk beursjaar? De grootste tegenwerping is terecht Het sterke argument vóór TDIV is eenvoudig: een brede verzameling winstgevende, uitkerende ondernemingen kan op lange termijn een rustiger kasstroomprofiel bieden dan een portefeuille die vrijwel volledig leunt op verre groei. De kwartaaluitkering dwingt bovendien discipline af bij beleggers die inkomen nodig hebben. Verkoopmomenten worden minder belangrijk wanneer een deel van het rendement automatisch binnenkomt. Daar staat tegenover dat dividendstrategieën vaak achterblijven wanneer snelgroeiende technologiebedrijven de markt dragen. Ook kan een hoge blootstelling aan financiële en cyclische bedrijven betekenen dat ogenschijnlijke diversificatie minder bescherming biedt dan het aantal posities suggereert. Verschillende namen kunnen op hetzelfde macro-economische risico reageren, bijvoorbeeld rente, kredietverliezen of energieprijzen. De juiste vergelijking is daarom niet TDIV tegenover spaargeld, maar TDIV tegenover alternatieve aandelenportefeuilles met een vergelijkbaar risico. Een belegger die de uitkering besteedt, bouwt minder snel vermogen op dan iemand die hetzelfde dividend herbelegt. Het onderscheid tussen koersrendement en totaalrendement hoort expliciet in iedere beoordeling. Wat moet de portefeuille waarmaken bij €54,43? Een reverse waardering begint bij de huidige prijs en rekent terug. Stel dat 8% totaalrendement per jaar gewenst is, waarvan circa 5,2% uit herbelegde uitkeringen komt. Als de eindwaardering over drie jaar 5% lager ligt, moet de onderliggende winst toch groeien om de resterende rendementsvraag en die waarderingsdruk op te vangen. Dit model vermijdt een veelgemaakte dubbeltelling. De uitkering wordt apart meegenomen en vervolgens niet nog eens volledig in de eindkoers verwerkt. De TER wordt economisch door het fondsvermogen gedragen. Belastingen verschillen per belegger en zijn daarom niet in de uniforme koerspaden verwerkt. Drie scenario’s laten de echte bandbreedte zien De bandbreedte wordt breed zodra uitkering en waardering niet meer dezelfde kant op bewegen. In het bearscenario dalen meerdere dividenden, krimpt de waardering en loopt de beurskoers terug van €54,43 naar €41 in 2029. De ontvangen uitkeringen beperken het verlies, maar wissen het niet noodzakelijk uit. In het middenscenario groeien winsten en uitkeringen beperkt en loopt de koers naar €66. Het gunstige scenario veronderstelt dat winstgroei, dividenddiscipline en waardering tegelijk meewerken, met €81 als mogelijke koers in 2029. Die bedragen zijn geen koersdoelen. Ze laten zien welke combinatie van winst en waardering bij iedere uitkomst hoort. Voor TDIV ligt de kracht in spreiding en uitgekeerd inkomen. De zwakte is dat inkomen soms veiliger oogt dan de winsten die het moeten betalen. Wie dat onderscheid scherp houdt, begrijpt waarom een hoge uitkering aantrekkelijk kan zijn zonder een gratis rendement te worden. Foto: Martijn Rozemuller, archief.

  • Beleggers verlaten Frankrijk en de rente maakt de rekening groter

    In het kort Beleggers vragen Frankrijk een steeds hogere vergoeding, precies wanneer de staat meer geld moet ophalen. Eind juni bedroeg de overheidsschuld €3.595,5 miljard en 119 procent van het bbp, terwijl voor 2027 een recordprogramma van €340 miljard aan middellange en lange leningen klaarstaat. De uitverkoop is daarom meer dan een nerveuze beursdag: een hogere rente sijpelt via nieuwe leningen en herfinanciering jarenlang de begroting in. Frankrijk gaat niet morgen failliet, maar verliest wel ruimte om een foutloos politiek en economisch pad te varen. De directe aanleiding is een begroting die het tekort wel wil terugbrengen, maar nog altijd rond vijf procent van het bbp laat. Tegelijk groeit de schuldquote en moet een grote hoeveelheid oude schuld worden vervangen. Voor een obligatiebelegger betekent dat veel aanbod, weinig begrotingsbuffer en politieke onzekerheid in één pakket. De logische reactie is een hogere risicopremie. Dat raakt ook aandelen en de euro. Banken, verzekeraars en andere Franse bedrijven krijgen een hogere binnenlandse referentierente, terwijl de staat minder geld overhoudt voor investeringen en lastenverlichting. Buitenlandse beleggers hoeven Frankrijk niet volledig te verlaten om de prijs te bewegen. Als zij bij een nieuwe veiling alleen tegen een hogere rente willen kopen, is de rekening al veranderd. Direct naar een onderdeel van dit artikel De markt prijst een begrotingsprobleem en geen liquiditeitscrisis De recorduitgifte maakt iedere rentestap tastbaar De omgekeerde vraag laat zien hoe groot de aanpassing is De ECB is een vangnet met voorwaarden Drie paden maken duidelijk wanneer de druk afneemt Het oordeel hangt nu af van uitvoering en niet van woorden De markt prijst een begrotingsprobleem en geen liquiditeitscrisis Op 1 oktober liep het renteverschil tussen tienjarige Franse en Duitse staatsleningen op tot 132,86 basispunten, het hoogste niveau sinds de eurocrisis van 2012, terwijl de Franse tienjaarsrente het hoogste punt sinds 2002 bereikte. Dat zijn marktwaarnemingen van Reuters, geen officiële slotkoersen. Een basispunt is 0,01 procentpunt. De spread van ruim 1,32 procentpunt laat dus zien hoeveel extra vergoeding beleggers vroegen boven een Duitse lening met vergelijkbare looptijd. De kern is het verschil tussen liquiditeit en houdbaarheid. Liquiditeit gaat over de vraag of Frankrijk vandaag kopers vindt voor nieuwe obligaties. Dat lukt nog: de Franse schuldmarkt is groot, diep en volgens het financieringsagentschap was de vraag in 2026 gemiddeld ruim groter dan het aangeboden volume. Houdbaarheid gaat over de vraag of schuld en rentelast sneller blijven groeien dan de belastingbasis waarmee ze moeten worden betaald. Daar zit de verslechtering. Insee meldde op 29 september dat de Maastrichtschuld in één kwartaal met €59,6 miljard steeg naar €3.595,5 miljard. De schuldquote liep op van 117,5 naar 119,0 procent. Het agentschap waarschuwt terecht dat een kwartaalverandering in schuld niet hetzelfde is als het begrotingstekort, omdat kasposities en financiële activa meebewegen. Toch is de richting duidelijk: de buffer wordt kleiner voordat het tekort weer dicht bij de Europese norm komt. De sterkste tegenwerping is dat Frankrijk in euro’s leent, een brede belastingbasis heeft en een lange gemiddelde looptijd bezit. Daardoor wordt een hogere marktrente niet meteen op de hele schuld toegepast. Dat is waar en belangrijk. Een land herfinanciert de voorraad stap voor stap. Precies daarom is dit geen plotselinge Griekse crisis, maar een langzaam mechanisme dat elk jaar meer beleidsruimte opeet zolang rente en tekort hoog blijven. De recorduitgifte maakt iedere rentestap tastbaar Agence France Trésor verwacht voor 2027 een financieringsbehoefte van €339,7 miljard, €28 miljard meer dan de actuele raming voor 2026. Daartegenover staat €340 miljard netto-uitgifte. Een belangrijke oorzaak is dat obligaties uit de pandemie- en energiecrisisjaren vervallen. Frankrijk leent dus niet alleen voor een nieuw tekort, maar ook om oude leningen terug te betalen. Een beslissend rekenvoorbeeld laat zien waarom een procentpunt ertoe doet. Op €340 miljard is 4,30 procent bruto rente €14,62 miljard per volledig jaar. Bij 3,55 procent, het gemiddelde op middellange en lange uitgiften tot eind september, is dat €12,07 miljard. Het verschil is €2,55 miljard bruto per jaar, oftewel gemiddeld €212,5 miljoen per maand. Dit is bewust een vereenvoudiging: de uitgifte bestaat uit verschillende looptijden, vervangt deels bestaande schuld en valt verspreid over het jaar. De netto begrotingsimpact ontstaat geleidelijk. Wie profiteert, is helder: nieuwe obligatiekopers ontvangen een hogere coupon of kopen tegen een lagere prijs. Wie betaalt, is diffuser. Eerst is dat de staat; later zijn het belastingbetalers en gebruikers van publieke diensten wanneer hogere rentelasten andere uitgaven verdringen. Banken kunnen tijdelijk profiteren van hogere rendementen, maar lopen waarderingsverlies op bestaande obligaties en krijgen meer economisch risico. De omgekeerde vraag laat zien hoe groot de aanpassing is De gebruikelijke vraag is hoe hoog de rente kan oplopen. De omgekeerde vraag is nuttiger: hoeveel begrotingsverbetering is nodig voordat beleggers niet langer hoeven te gokken op een steeds grotere schuldquote? Met €3.595,5 miljard schuld en een quote van 119 procent komt het impliciete bbp uit rond €3.021 miljard. Een tekort van 5,4 naar 3,0 procent brengen vraagt dan statisch 2,4 procentpunt, ongeveer €72,5 miljard per jaar. Dat bedrag kan niet één op één worden bezuinigd zonder economische reactie. Lagere uitgaven drukken mogelijk de vraag en daarmee de belastinginkomsten; hogere belastingen kunnen investeringen en arbeid ontmoedigen. Groei kan de noemer verbeteren, maar alleen wanneer de maatregelen de productiviteit echt verhogen. Het getal van €72,5 miljard is daarom geen beleidsadvies. Het toont de orde van grootte van het gat tussen de huidige positie en de Europese referentiewaarde. De ECB is een vangnet met voorwaarden De Europese Centrale Bank kan via het Transmission Protection Instrument obligaties kopen wanneer financieringsvoorwaarden op een ongefundeerde manier verslechteren. De officiële voorwaarden noemen juist naleving van het Europese begrotingskader, schuldhoudbaarheid en degelijk macrobeleid. De ECB wil monetair fragmentatierisico bestrijden, niet een structureel tekort financieren. Daarom is een hogere Franse spread niet automatisch een reden voor ingrijpen. Wanneer beleggers een hogere rente vragen omdat de schuldquote stijgt en het tekort hoog blijft, kan de beweging als fundamenteel verklaarbaar worden gezien. Het vangnet tempert paniek, maar neemt de begrotingskeuze niet over. Dit maakt de politieke geloofwaardigheid van besparingen en hervormingen belangrijker dan één dagkoers. Lees ook: Bessent koopt staatsleningen terug terwijl vijf procent rente de beurswaardering blijft knellen Drie paden maken duidelijk wanneer de druk afneemt Voor 2027 tot en met 2029 gebruiken we drie samenhangende scenario’s, met 119,0 procent als startpunt. De formule is per jaar: de vorige schuldquote plus het tekort, gedeeld door één plus de nominale bbp-groei. Het basisscenario neemt tekorten van 5,0, 4,5 en 4,0 procent en nominale groei van 3 procent. Dan stijgt de vereenvoudigde schuldquote naar 120,4 procent in 2027, 121,3 procent in 2028 en 121,7 procent in 2029. In het pad met sneller herstel dalen de tekorten naar 4,2, 3,5 en 3,0 procent, terwijl nominale groei 4 procent bedraagt. Dan zakt de schuldquote geleidelijk richting 115,6 procent. In het stresspad blijven tekorten 6,0, 6,0 en 5,5 procent bij 2 procent nominale groei. De schuldquote klimt dan naar ongeveer 126,8 procent in 2029. Dit zijn geen kansen. De beperking is dat financiële transacties, kasbeheer, inflatie-indexatie en revisies ontbreken. Het oordeel hangt nu af van uitvoering en niet van woorden Voor Nederlandse beleggers loopt de blootstelling via meer dan Franse staatsleningen. Europese banken houden onderling overheidspapier aan, verzekeraars gebruiken Franse obligaties als langlopende dekking en brede euro-indexen bevatten grote Franse ondernemingen. Een oplopende risicopremie kan daardoor ook de waardering van niet-Franse aandelen drukken. Tegelijk ontstaat een relatieve kans: ondernemingen met wereldwijde omzet, weinig herfinanciering en een sterke kaspositie kunnen minder geraakt worden dan bedrijven die vooral van de Franse consument of overheid afhankelijk zijn. De nationaliteit van de beursnotering zegt dus minder dan de plaats waar kasstromen en financiering werkelijk vandaan komen. Ons oordeel is dat de Franse verkoopdruk rationeel is zolang de begroting vooral doelen noemt maar de schuldquote blijft oplopen. Het land beschikt over een grote economie, een liquide obligatiemarkt en tijd dankzij de looptijd van de schuld. Dat voorkomt een acute financieringscrisis. Het verandert niet dat een recorduitgifte tegen hogere rente toekomstige kabinetten vastzet. Voor beleggers is het risico daarom minder een directe wanbetaling dan jaren van hogere risicopremies, zwakkere groei en druk op Franse banken en binnenlandse aandelen. Dit oordeel verandert door concreet nieuw bewijs. Een wettelijk verankerd pakket dat het tekort aantoonbaar sneller verlaagt zonder de nominale groei hard te breken, dalende uitgifterentes bij blijvend sterke veilingen en een stabiliserende schuldquote zouden de risicopremie kunnen terugbrengen. Het omgekeerde geldt wanneer besparingen politiek stranden, de financieringsbehoefte verder stijgt of nominale groei onder twee procent zakt. Niet de volgende toespraak, maar de volgende begrotingsuitvoering en veilingen moeten dat bewijzen. Omslag: Sébastien Lecornu tijdens een bezoek aan het Pentagon op 17 april 2025. Archieffoto van Chad J. McNeeley, Amerikaans ministerie van Defensie, via Wikimedia Commons. Publiek domein als werk van de Amerikaanse federale overheid.

  • Wat de inflatie jou kost hangt af van je energierekening

    In het kort De Nederlandse inflatie is in september volgens de snelle CBS-raming opgelopen tot 3,4 procent. Dat gemiddelde zegt weinig over de rekening van een afzonderlijk huishouden: energie inclusief motorbrandstoffen werd 13,9 procent duurder, terwijl voeding, drank en tabak samen 1,2 procent goedkoper waren dan een jaar eerder. Vooral wie veel aan energie uitgeeft, kan daardoor een heel andere prijsstijging ervaren. Ook voor spaarders telt niet alleen hoeveel euro er bijkomt, maar wat die euro daarna nog koopt. In de raming die het CBS op 2 oktober publiceerde staat een bescheiden versnelling ten opzichte van de 3,3 procent in augustus. Het gaat om een vergelijking met dezelfde maand van vorig jaar, niet om een prijsstijging van 3,4 procent binnen één maand. Tussen augustus en september stegen consumentenprijzen volgens de voorlopige berekening met 0,1 procent. De volledige septembercijfers volgen op 13 oktober. Die verschillen lijken klein tot je ze op een begroting legt. Een huishouden kan een meevaller bij dagelijkse aankopen zien en tegelijk meer kwijt zijn aan autorijden of verwarming. Een spaarder ziet ondertussen rente binnenkomen, maar kan toch koopkracht verliezen. Het inflatiecijfer helpt om die ontwikkelingen te begrijpen, mits het gemiddelde niet wordt verward met een persoonlijke afrekening. Omslag: CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen, archiefbeeld uit 2014. Uitsnede uit een video van EBF Groningen, via Wikimedia Commons, CC BY 3.0. Direct naar een onderdeel van dit artikel Energie en diensten vertellen een ander verhaal dan voeding Een groter energieaandeel maakt dezelfde prijsstijging zwaarder De omgekeerde vraag is hoeveel minder verbruik nodig is Een positieve spaarrente kan toch koopkracht kosten Drie inflatiepaden laten zien wat er na drie jaar overblijft Energie en diensten vertellen een ander verhaal dan voeding De uitsplitsing van het CBS laat zien hoe ongelijk prijzen bewegen. Diensten waren in september 3,9 procent duurder dan een jaar eerder en industriële goederen zonder energie en motorbrandstoffen 1,5 procent. De energiecategorie kwam uit op 13,9 procent, tegenover 11,6 procent in augustus. Consumptie in het buitenland werd 7,7 procent duurder. Dit zijn prijsveranderingen binnen groepen; ze mogen niet bij elkaar worden opgeteld. Voor hun invloed op het totaal telt ook hoeveel huishoudens aan iedere groep besteden. Een flinke prijsstijging van een kleine uitgavenpost kan minder verschil maken dan een bescheiden stijging van een grote post. Wie uit het energietempo direct afleidt hoeveel procentpunt energie aan de totale inflatie toevoegt, mist dus een noodzakelijke stap: het gewicht van die categorie in de index. De snelle raming geeft hier nog geen volledige bijdrageberekening. Bovendien is energie inclusief motorbrandstoffen breder dan benzine alleen. De cijfers rechtvaardigen wel de conclusie dat deze groep sterk duurder werd, maar nog geen precieze verdeling over tanken, gas en elektriciteit. Daarvoor zijn de gedetailleerde cijfers nodig. Hetzelfde geldt aan de andere kant: een daling bij voeding, drank en tabak samen betekent niet dat ieder product in de supermarkt goedkoper is geworden. Een groter energieaandeel maakt dezelfde prijsstijging zwaarder Neem een uitdrukkelijk vereenvoudigd rekenvoorbeeld. Twee huishoudens besteden allebei €3.000 per maand. Bij het eerste gaat €150 naar energie, bij het tweede €450. Veronderstel vervolgens voor beide precies dezelfde stijging van 13,9 procent op die energie-uitgaven, met gelijk verbruik. De extra rekening bedraagt dan €20,85 respectievelijk €62,55 per maand. Op jaarbasis is dat €250,20 tegenover €750,60. Het verschil van €500,40 per jaar ontstaat volledig door het grotere energiebedrag. De berekening voor het tweede huishouden is navolgbaar: €450 × 0,139 = €62,55 per maand; maal twaalf is €750,60 per jaar. Dit zijn extra consumentenuitgaven, geen bruto loon en geen bedrag na verrekening met belastingvoordelen of compensatie. Het energietarief wordt in het voorbeeld direct doorgegeven. Contractduur, seizoensverbruik en gedragsverandering zijn weggelaten. Daarmee beschrijft de som geen doorsnee Nederlands gezin. Zij laat zien waarom een gemiddelde prijsindex zo verschillend kan uitpakken. Iemand die weinig rijdt en weinig energie verbruikt, heeft een andere gevoeligheid dan een automobilist met veel noodzakelijke kilometers. Ook inkomen maakt uit: dezelfde extra €62,55 drukt zwaarder op een krappe begroting. En wie geen geld heeft voor isolatie of een andere auto kan minder makkelijk reageren. De eerste rekening komt bij de afnemer terecht. Dat betekent niet automatisch dat de leverancier evenveel extra winst maakt: ook zijn inkoopkosten kunnen stijgen. Bedrijven die hogere kosten kunnen doorberekenen houden hun marge beter vast dan bedrijven met vaste verkoopprijzen. Voor huishoudens is het spiegelbeeld relevant. Een hoger inkomen kan de rekening opvangen, maar een gemiddeld cao-cijfer vertelt nog niet wat iemand netto overhoudt. De omgekeerde vraag is hoeveel minder verbruik nodig is In plaats van alleen te vragen hoeveel duurder energie wordt, kun je de vraag omdraaien. Hoeveel minder verbruik is nodig om bij een hogere prijs hetzelfde bedrag uit te geven? Bij een prijsstijging van 13,9 procent is het antwoord niet 13,9 procent minder verbruik. Het nieuwe, lagere verbruik wordt immers afgerekend tegen de hogere prijs. Stel de oude prijs en het oude verbruik allebei gelijk aan één. De nieuwe prijs is 1,139. Om dezelfde rekening te houden, mag het nieuwe verbruik dan 1 / 1,139 = 0,878 van het oorspronkelijke verbruik zijn. De benodigde vermindering is dus ongeveer 12,2 procent. In het voorbeeld van €450 per maand voorkomt dat de berekende stijging van €62,55, zolang de hele rekening evenredig met het verbruik meebeweegt. Die laatste aanname beperkt de toepassing. Vaste kosten verdwijnen niet als iemand minder verbruikt. Bovendien is een gemiddelde energieprijsverandering geen persoonlijk tariefvoorstel. De som is daarom een gevoeligheidsberekening, geen besparingsbelofte. Zij maakt vooral duidelijk hoe groot de aanpassing moet zijn voordat de rekening daadwerkelijk gelijk blijft. Een kleine gedragsverandering kan helpen, maar hoeft een forse prijsstijging niet volledig op te vangen. Een positieve spaarrente kan toch koopkracht kosten Voor spaargeld werkt hetzelfde onderscheid tussen euro’s en koopkracht. Neem €25.000 spaargeld en een aangenomen rente van 2 procent per jaar. Na een jaar staat er bruto €25.500 op de rekening. Bij een eveneens veronderstelde inflatie van 3,4 procent vertegenwoordigt dat €25.500 / 1,034 = ongeveer €24.662 in koopkracht van het begin van dat jaar. Het saldo stijgt met €500, maar de reële waarde daalt met ongeveer €338. De precieze reële opbrengst is 1,02 / 1,034 − 1, oftewel ongeveer min 1,35 procent. Simpelweg de percentages aftrekken levert een bruikbare benadering op, maar niet exact dezelfde uitkomst. Belastingen en rekeningkosten zijn in deze berekening niet meegenomen. Het is dus een bruto rentevergelijking; een eventuele belastingdruk kan de uitkomst verder verlagen. De rente van 2 procent is een rekenaanname, geen actuele aanbieding. De sterkste tegenwerping is terecht: een spaarbuffer heeft ook waarde als het rendement achterblijft. Geld dat binnenkort nodig is, moet beschikbaar zijn. Wie voor een paar procent meer verwacht rendement koersrisico neemt, kan juist op het verkeerde moment moeten verkopen. Koopkrachtverlies maakt sparen niet zinloos. Het maakt wel zichtbaar hoeveel het kost om een bepaald bedrag beschikbaar te houden als de rente de prijsstijging niet bijhoudt. Lees ook: Loongroei geeft werknemers minder ruimte dan het lijkt. Drie inflatiepaden laten zien wat er na drie jaar overblijft Voor de komende drie volledige kalenderjaren, 2027 tot en met 2029, rekenen we met drie mogelijke paden. De peildatum is 2 oktober 2026. In ieder pad begint het spaarsaldo op 1 januari 2027 op €25.000, bedraagt de bruto rente jaarlijks 2 procent en zijn er geen stortingen of opnames. Die rente blijft bewust gelijk om het verschil door inflatie zichtbaar te maken. In werkelijkheid kunnen banken hun rente aanpassen. In het basisscenario blijft de jaarlijkse inflatie drie jaar op 3,4 procent. Dat is geen CBS-prognose: een maandelijkse jaar-op-jaarwaarneming wordt hier alleen als vaste rekenaanname gebruikt. De koopkracht aan het einde van ieder kalenderjaar is €25.000 × 1,02 tot de macht n, gedeeld door 1,034 tot de macht n. Afgerond resteert €24.662 in 2027, €24.328 in 2028 en €23.998 in 2029, uitgedrukt in euro’s van begin 2027. In het gunstiger pad loopt de inflatie terug naar 2 procent in alle drie de jaren. Rente en inflatie zijn dan gelijk, zodat de koopkracht telkens €25.000 blijft. In het ongunstiger pad blijft inflatie op 5 procent staan. Met dezelfde formule, maar met 1,05 als inflatiefactor, resteert ongeveer €24.286, €23.592 en €22.918. Geen van deze paden krijgt een verzonnen kanspercentage. Het zijn vergelijkingen van aannames. De nominale eindstand is in alle drie de paden gelijk: €25.000 × 1,02³ = €26.530,20. Juist daardoor zie je wat de prijsontwikkeling doet. De koopkracht verschilt eind 2029 ruim €2.000 tussen het gunstige en het ongunstige pad. Wie naar alleen het banksaldo kijkt, mist dat verschil. Voor een huishouden dat relatief veel aan energie uitgeeft, kan ook de officiële gemiddelde inflatie nog onvoldoende aansluiten op de eigen uitgaven. Het oordeel is daarom dat deze raming vooral vraagt om aandacht voor de samenstelling van de rekening. De stijging van 3,3 naar 3,4 procent is klein, maar achter dat gemiddelde zit een veel grotere energieschok. Tegelijk geeft de daling van de brede voedingsgroep enig tegenwicht. De volledige cijfers van 13 oktober kunnen laten zien hoeveel afzonderlijke categorieën werkelijk bijdragen en of de voorlopige uitkomst wordt bijgesteld. Breder afnemende prijsdruk bij energie én diensten zou het beeld verbeteren; aanhoudende stijgingen in meerdere grote uitgavenposten zouden juist zwaarder wegen dan deze kleine beweging van het totaalcijfer.

  • Wonder Wash moet de nieuwe groeimotor van Unilever worden

    In het kort Unilever noemde Wonder Wash op 17 september 2026 de succesvolste innovatie van zijn Home Care-divisie in meer dan tien jaar. Het wasmiddel voor korte, koude wasprogramma's wordt na de Europese introductie breder uitgerold. Dat kan volume, prijs en merksterkte tegelijk ondersteunen. Bij €52,57 moet de innovatie echter meer doen dan bestaande Persil- of Dirt Is Good-verkopen verschuiven: de extra brutowinst moet marketing, distributie en productaanpassing ruim terugverdienen. Wonder Wash is ontworpen voor wasprogramma's van ongeveer vijftien minuten en lagere temperaturen. Dat sluit aan bij zuiniger energiegebruik en de wens van consumenten om tijd te besparen. Voor Unilever is de financiële aantrekkingskracht groter wanneer de formule een hogere prijs rechtvaardigt, marktaandeel wint en via dezelfde technologie in meerdere landen kan worden verkocht. Eén succesvolle lancering kan dan een blauwdruk worden voor de rest van Home Care. Direct naar een onderdeel van dit artikel Innovatie is pas waardevol wanneer zij extra brutowinst creëert Korte wasprogramma's geven Unilever een concreet klantprobleem De groepswaardering vraagt herhaalbare innovatie Internationale uitrol vergroot schaal en uitvoeringsrisico Drie jaarpaden tonen wat één innovatie wel en niet kan doen Innovatie is pas waardevol wanneer zij extra brutowinst creëert Een nieuw product kan veel publiciteit krijgen en toch weinig waarde toevoegen. Bestaande klanten kunnen overstappen van een ander Unilever-wasmiddel, retailers kunnen introductiekortingen eisen en marketingkosten kunnen de eerste jaren hoog zijn. Omzetgroei alleen bewijst daarom niet dat Wonder Wash winstgevend groeit. De relevante brug loopt van extra verkochte eenheden via prijs en mix naar brutowinst. Daarna gaan reclame, promoties, lokale productaanpassingen en distributiekosten eraf. Pas wat overblijft kan de operationele marge en vrije kasstroom verhogen. Bij €600 miljoen extra jaaromzet, 48% brutomarge en €200 miljoen merk- en introductiekosten resteert ongeveer €88 miljoen operationele bijdrage. Dat is materieel genoeg om de strategie te steunen, maar klein naast Unilevers groepsomzet. Wonder Wash moet dus óf veel groter worden, óf aantonen dat dezelfde innovatieaanpak bij meerdere merken werkt. Korte wasprogramma's geven Unilever een concreet klantprobleem Sterke consumentengoederen beginnen vaak met een eenvoudig probleem. Normale wasmiddelen zijn vooral ontwikkeld voor langere en warmere programma's. Een formule die in vijftien minuten en koud water betrouwbaar reinigt, geeft consumenten een tastbare reden om een specifiek product te kiezen. Dat is sterker dan alleen een nieuwe geur of verpakking. Het voordeel kan ook retailers overtuigen. Een duidelijk nieuwe gebruikssituatie vergroot de categorie in plaats van alleen marktaandeel tussen bijna identieke flessen te verschuiven. Tegelijkertijd kan de claim worden gekopieerd. Procter & Gamble, Henkel en lokale merken hebben eigen onderzoek, schaal en distributie. De voorsprong blijft alleen bestaan wanneer productprestaties, merkvertrouwen en beschikbaarheid tegelijk sterk zijn. De module verbindt volume, prijs en kosteninflatie. Bij 3% volumegroei, 2% prijs en mix en 2,5% kosteninflatie ontstaat een positieve groeimargeproxy van 2,5 procentpunt. Dat is geen officiële Unilever-marge, maar het maakt duidelijk waarom volume zonder prijs of kostendiscipline weinig waard kan zijn. De groepswaardering vraagt herhaalbare innovatie Unilever verwacht voor 2026 onderliggende omzetgroei aan de onderkant van de meerjarige bandbreedte van 4% tot 6%, met minstens 2% volumegroei. Het concern rekent daarnaast op een bescheiden verbetering van de onderliggende operationele marge tegenover 20,0% in 2025. Wonder Wash past goed in dat verhaal, maar één merk kan het concern niet dragen. Bij €52,57, een gewenst totaalrendement van 8% per jaar, ongeveer €1,85 dividend per jaar en een eindwaardering van 19 keer winst is in 2029 circa €3,3 winst per aandeel nodig. Aandeleninkoop kan de winst per aandeel helpen, maar mag niet nogmaals als apart waarderingsvoordeel worden toegevoegd. De rekensom laat zien dat dividend een belangrijk deel van het rendement levert. Daardoor hoeft de koers minder hard te stijgen dan bij een groeiaandeel zonder uitkering. Daar staat tegenover dat Unilever niet onbeperkt dividend, marketing, overnames en aandeleninkoop tegelijk kan financieren. De vrije kasstroom bepaalt uiteindelijk hoeveel ruimte werkelijk bestaat. Lees ook: Drie dividendaandelen voor stabiliteit en kasstroom Internationale uitrol vergroot schaal en uitvoeringsrisico Een product dat in Europa werkt, hoeft niet automatisch in Azië, Latijns-Amerika of Noord-Amerika hetzelfde resultaat te leveren. Wasmachines, waterkwaliteit, gebruiksgewoonten, verpakkingsformaten en prijsniveaus verschillen. Lokale aanpassing kost tijd en kan de schaalvoordelen verkleinen. Unilevers distributienetwerk is hier een kracht. Het concern bereikt supermarkten, onlinekanalen en kleine winkels in tientallen landen. Onderzoek en merkbouw kunnen over een grotere omzetbasis worden verdeeld. Wanneer Wonder Wash dezelfde kerntechnologie gebruikt en alleen lokale verpakking en communicatie nodig heeft, kan de marge met de uitrol verbeteren. Het tegenargument is dat grote concerns innovatie soms te breed uitrollen voordat herhaalaankopen bewezen zijn. De eerste verkoop wordt dan door promotie gekocht en de voorraad schuift van Unilever naar de retailer zonder duurzame consumentenvraag. Beleggers moeten daarom letten op marktaandeel, herhaalaankoop, prijs/mix en brutomarge, niet alleen op het aantal landen. Drie jaarpaden tonen wat één innovatie wel en niet kan doen De scenario's combineren innovatieproductiviteit met marge, waardering en dividendcapaciteit. In het bear-scenario kannibaliseert Wonder Wash bestaande producten en blijven promotiekosten hoog. De mogelijke koers daalt dan van €46 in 2027 naar €41 in 2029. In het middenpad ondersteunt de uitrol volume en marge, wat €66 in 2029 mogelijk maakt. In het gunstige pad wordt de formule wereldwijd schaalbaar en loopt de koers op naar €84. Dividend komt in alle drie paden boven op de getoonde koers. Wonder Wash is financieel interessant omdat het een echt consumentprobleem oplost en Unilever zijn wereldwijde schaal kan gebruiken. De beleggingsthese wordt sterker wanneer de innovatie niet alleen marktaandeel wint, maar ook de brutowinst na marketing verhoogt. Bij €52,57 is dat precies het bewijs dat nodig is om een defensief dividendverhaal weer in structurele groei te veranderen. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER. Foto: Fernando Fernández, CEO van Unilever. Officieel archiefportret van Unilever.

  • Met Orb wil Adyen ook aan abonnementen verdienen

    In het kort Adyen nam op 1 juli 2026 Orb over na een aangekondigde aankoopprijs van $335 miljoen. Orb meet gebruik en factureert software- en AI-klanten bijvoorbeeld per API-aanroep, token of verbruikseenheid. De strategische logica is sterk: Adyen kan facturatie, loyaliteit en betaling op één infrastructuurlaag brengen. Bij €855,60 telt echter niet de productpresentatie, maar hoeveel extra omzet per bestaande klant ontstaat en hoe snel de aankoopprijs in owner cash terugkomt. Een betaling is het einde van een verkoopproces. Bij een traditioneel abonnement weet een bedrijf vooraf wat iedere klant maandelijks betaalt. Bij AI-software kan verbruik per seconde veranderen en bestaat de rekening uit tokens, opslag, modellen en serviceniveaus. Orb vertaalt die metingen naar een factuur. Adyen verwerkt daarna de betaling. Door beide stappen te verbinden kan een merchant minder systemen nodig hebben en krijgt Adyen meer zicht op de financiële stroom vóór de transactie. Direct naar een onderdeel van dit artikel Orb brengt Adyen dichter bij de omzetmotor van de klant Cross-selling is de kern van de rekensom De overname moet owner cash en niet alleen EBITDA verhogen De sterkste tegenwerping is dat integratie de eenvoud aantast Drie jaarpaden laten zien hoeveel integratie waard is Orb brengt Adyen dichter bij de omzetmotor van de klant Adyen verdient nu vooral wanneer geld wordt verwerkt. Dat model schaalt goed, maar de opbrengst per euro volume staat onder druk wanneer grote klanten korting bedingen. Billing voegt een andere inkomstenlaag toe. De klant betaalt niet alleen voor de transactie, maar ook voor het meten, berekenen en beheren van zijn eigen prijsmodel. Dat is vooral relevant bij gebruiksgebaseerde software. Een AI-bedrijf kan duizenden prijsregels hebben en iedere maand een ander verbruik zien. Fouten leiden direct tot gemiste omzet of ontevreden klanten. Als Orb dat probleem oplost en Adyen de betaling uitvoert, neemt de overstapdrempel toe. De combinatie kan daardoor meer waard zijn dan twee losse producten. Bij €220 miljoen extra jaaromzet in 2029 en 70% brutomarge ontstaat circa €154 miljoen brutowinst. Afgezet tegen $335 miljoen aankoopprijs lijkt de ruwe terugverdientijd iets meer dan twee jaar. Dat is bewust een eenvoudige proxy. Integratiekosten, belasting, valuta en de bestaande kostenbasis van Orb verlengen de werkelijke terugverdientijd. Cross-selling is de kern van de rekensom Adyen hoeft Orb niet vanaf nul te verkopen. Het bedrijf bedient grote internationale ondernemingen en platforms die al complexe betalingsstromen hebben. Wanneer een deel daarvan ook billing afneemt, kan de omzet per klant stijgen zonder dezelfde acquisitiekosten als bij een volledig nieuwe klant. De kansen liggen niet alleen bij softwarebedrijven. Marktplaatsen, mobiliteitsplatforms en zakelijke diensten gebruiken steeds vaker variabele prijzen, credits en abonnementen naast transacties. Orb kan die logica meten, Talon.One kan promoties en loyaliteit sturen en Adyen kan de betaling verwerken. Dat vormt een bredere commerce-stack. In de module levert 20% adoptie bij 600 geschikte enterprise-klanten en €250.000 extra jaaromzet per klant ongeveer €30 miljoen extra omzet op. Dat is nog niet genoeg om een aankoopprijs van $335 miljoen snel te rechtvaardigen. De bullcase vereist dus óf meer klanten, óf veel hogere opbrengst per klant, óf een duidelijke verbetering van retentie en betaalvolume. De overname moet owner cash en niet alleen EBITDA verhogen Bij de halfjaarcijfers meldde Adyen €1,30 miljard netto-omzet, 21% groei op constante valuta en €641,5 miljoen EBITDA. De aangepaste operationele winst is sterk, maar de kasstroom vraagt nuance. Merchantgelden die tijdelijk op de balans staan, behoren niet volledig aan aandeelhouders toe. Cashbelasting en economische aandelenbeloning horen ook in de rekening. Daarom gebruiken we owner cash, de kasstroom die na noodzakelijke investeringen, belasting en economische personeelskosten werkelijk voor aandeelhouders overblijft. Bij €855,60, 8% gewenst rendement, 31,7 miljoen aandelen en een eindmultiple van 25 is in 2029 ongeveer €1,4 miljard owner cash nodig. Orb hoeft dat bedrag niet alleen te leveren. De bestaande betalingsactiviteiten, Unified Commerce en Platforms blijven veruit belangrijker. De overname moet vooral voorkomen dat de omzetgroei vertraagt wanneer de take rate per transactie daalt. Billing en loyaliteit kunnen de opbrengst per klant verhogen en de relatie verdiepen. Lees ook: Wanneer is het echt een goed moment om Adyen te kopen? De sterkste tegenwerping is dat integratie de eenvoud aantast Adyens kracht was twintig jaar lang één grotendeels zelfgebouwde technologie-stack. Overnames kunnen dat voordeel vergroten, maar ook verwateren. Orb en Talon.One hebben eigen teams, code, klanten en productritmes. Wanneer de producten alleen naast elkaar blijven bestaan, ontstaat weinig cross-selling en meer complexiteit. Daarnaast concurreert Adyen met Stripe, dat billing, ontwikkelaarstools, payments en stablecoins al breed combineert. Grote merchants gebruiken vaak meerdere processors en kunnen de beste billingtool los kiezen van hun betaalverwerker. De strategische logica is daarom geen garantie op prijszettingsmacht. Het bewijs moet in cijfers komen. Belangrijk zijn de organische omzet van Orb, het aantal Adyen-klanten dat Orb toevoegt, de extra omzet per gezamenlijke klant en de invloed op de EBITDA-marge. Een hogere groepsomzet door consolidatie zonder sterke cross-selling zou de investering minder aantrekkelijk maken. Drie jaarpaden laten zien hoeveel integratie waard is De scenario's verbinden integratiesucces met omzetgroei, marge en de owner-cashmultiple. In het bear-scenario groeit Orb als los product, maar blijft cross-selling zwak en vertraagt Digital. De mogelijke koers daalt dan van €700 in 2027 naar €610 in 2029. In het middenpad vergroten billing en payments de omzet per klant en loopt de koers op naar €1.220. In het gunstige pad wordt Adyen een bredere commerce-infrastructuur met hogere retentie en kan €1.710 mogelijk worden. Bij €855,60 is de waardering veel lager dan tijdens de duurste jaren van Adyen, maar nog altijd gevoelig voor groei en kasstroomkwaliteit. Orb maakt het productaanbod overtuigender. Het aandeel wordt pas overtuigender wanneer de combinatie aantoonbaar meer owner cash per klant oplevert dan Adyen zonder de overname had verdiend. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER. Foto: Pieter van der Does, medeoprichter en co-CEO van Adyen. Archieffoto van Il Sole 24 Ore.

  • 1.250 aandelen maken de wereld-ETF van iShares niet goedkoop

    In het kort IWDA sloot op 1 oktober 2026 op €128,81 en de portefeuille noteerde eind september op 4,14 keer boekwaarde en 26,22 keer winst. De ETF bezit 1.250 ondernemingen uit ontwikkelde markten, maar betaalt een stevige premie voor hun winstkwaliteit. Die premie blijft verdedigbaar zolang grote bedrijven hoge rendementen op eigen vermogen vasthouden. Daalt dat rendement of de koers-winstverhouding, dan kan winstgroei samengaan met een teleurstellend beursrendement. Boekwaarde klinkt ouderwets bij een index met software, halfgeleiders en wereldmerken. Juist daarom is de maatstaf nuttig. Zij laat zien hoeveel beleggers betalen voor het eigen vermogen dat bedrijven boekhoudkundig hebben opgebouwd. Bij 4,14 keer boekwaarde moet iedere euro eigen vermogen veel winst maken, anders is de premie moeilijk vol te houden. Volgens iShares bedroeg de koers-winstverhouding eind september 26,22 en het aantal posities 1.250. Direct naar een onderdeel van dit artikel Vier keer boekwaarde betekent dat kwaliteit al in de prijs zit Een goede onderneming kan een matige belegging zijn De huidige prijs vraagt meer dan normale winstgroei Het sterkste tegenargument is de samenstelling van de balans Drie koerspaden tonen de waarde van blijvende winstkwaliteit Vier keer boekwaarde betekent dat kwaliteit al in de prijs zit Een bank of fabrikant met veel tastbare activa wordt vaak dicht bij boekwaarde gewaardeerd. Een softwarebedrijf kan veel hoger staan omdat code, merk, netwerk en klantrelaties nauwelijks op de balans verschijnen. IWDA bevat veel van zulke ondernemingen. De hoge koers-boekwaarde is daarom niet automatisch een waarschuwingssignaal. De rekensom blijft streng. Deel een rendement op eigen vermogen van 15,8% door 4,14 en het theoretische winstrendement komt rond 3,8% uit. Dat sluit aan bij de hoge koers-winstverhouding. De markt accepteert die lage startopbrengst omdat zij verwacht dat ondernemingen winstgevend kunnen herinvesteren en hun winst per aandeel laten groeien. Bij 15,8% rendement op eigen vermogen en een uitkeringsratio van 45% kan ongeveer 8,7% duurzame groei uit ingehouden winst ontstaan. Dat is een theoretische bovengrens. Concurrentie, overnames en inefficiënte investeringen kunnen het werkelijke rendement verlagen. Bedrijven die veel aandelen inkopen boven intrinsieke waarde kunnen boekwaarde verkleinen zonder dezelfde waarde per aandeel te creëren. Een goede onderneming kan een matige belegging zijn De tien grootste posities beslaan volgens de recente factsheet ruim een kwart van het fonds. Nvidia, Apple, Microsoft, Amazon, Alphabet, Broadcom, Meta, Micron en Tesla hebben sterke marktposities, maar hun gezamenlijke waardering bepaalt een groot deel van het rendement. Spreiding over 1.250 namen voorkomt niet dat dezelfde winstfactor door de hele portefeuille loopt. Wanneer winst 6% per jaar groeit maar de koers-winstverhouding daalt van 26,22 naar 23, blijft een groot deel van de operationele groei achter in multiplekrimp. De lopende kosten van 0,20% lijken klein, maar werken ieder jaar door. In euro's komt daar het valuta-effect bovenop, omdat de USD-shareclass niet automatisch tegen de euro is afgedekt. De module laat zien dat winstgroei en koersgroei verschillende dingen zijn. Een daling van de waardering kan drie jaar degelijke bedrijfsresultaten grotendeels neutraliseren. Dat is geen voorspelling dat de multiple moet dalen. Het is de prijsgevoeligheid die hoort bij een startpunt boven 26 keer winst. De huidige prijs vraagt meer dan normale winstgroei Stel dat een belegger 8% totaalrendement per jaar verlangt, het intern herbelegde dividend 1,5% bijdraagt en de koers-winstverhouding in 2029 op 23 eindigt. Dan moet de onderliggende winst ongeveer 11% per jaar groeien. Dat ligt ruim boven nominale economische groei en vergt dat marges, marktaandelen of aandeleninkoop blijven helpen. Blijft de multiple op 26,22, dan daalt de benodigde winstgroei aanzienlijk. Daalt zij naar 20, dan wordt de opgave veel zwaarder. De omgekeerde waardering maakt zo duidelijk dat de huidige prijs niet alleen hoge kwaliteit erkent, maar ook veronderstelt dat die kwaliteit nog jaren in groei wordt omgezet. Lees ook: IWDA ETF tegenover VWRL en VWCE Het sterkste tegenargument is de samenstelling van de balans Boekwaarde onderschat bij veel moderne ondernemingen de economische activa. Onderzoek, software en merkbouw worden vaak direct als kosten geboekt, terwijl een fabriek op de balans komt. Een bedrijf dat jarenlang in code en klantwerving investeert kan daardoor een lage boekwaarde en toch een sterke kasstroom hebben. De hoge koers-boekwaarde van IWDA is dus deels het spiegelbeeld van een economie met meer immateriële activa. Daarom moeten beleggers niet één ratio isoleren. Rendement op geïnvesteerd kapitaal, vrije kasstroom en winstgroei zijn minstens zo belangrijk. De boekwaardepremie wordt gevaarlijk wanneer zij samengaat met dalende marges en zwakke kasstroom. Zij blijft verdedigbaar wanneer ondernemingen kapitaallicht groeien en overtollig geld verstandig teruggeven. Voor Nederlandse beleggers is ook de fondsidentiteit belangrijk. IWDA is de accumulerende USD-shareclass met ISIN IE00B4L5Y983, verhandeld in euro op Euronext Amsterdam. De handelsvaluta zegt niets over valuta-afdekking. Dividend wordt intern herbelegd, maar buitenlandse bronbelasting kan binnen het fonds nog steeds rendement kosten. Drie koerspaden tonen de waarde van blijvende winstkwaliteit De scenario's koppelen winstgroei aan een hogere of lagere waardering van de onderliggende portefeuille. In het bear-scenario normaliseert het rendement op eigen vermogen en daalt de waardering. De mogelijke koers loopt terug van €112 in 2027 naar €96 in 2029. In het middenpad groeit de winst 6% en daalt de multiple geleidelijk, wat €162 in 2029 oplevert. In het gunstige pad houden de grootste bedrijven hoge rendementen vast en kan €202 mogelijk worden. De slotkoers van €128,81 koopt veel spreiding, lage operationele fondskosten en automatische herbelegging. Hij koopt ook een portefeuille waarin winstkwaliteit al ruim wordt beloond. Het doorslaggevende bewijs is daarom niet dat de index uit 1.250 namen bestaat, maar dat die bedrijven hun hoge rendementen op kapitaal blijven omzetten in winst per aandeel. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER. Foto: Samara Cohen van BlackRock. Archieffoto van American Banker.

  • SoFi bewijst schaal met stablecoins maar nog geen omzet

    In het kort SoFi maakte op 22 september 2026 bekend dat SoFiUSD live wordt gebruikt voor de afwikkeling van zijn debit- en creditcardprogramma via Mastercard. Dat programma verwerkt volgens het bedrijf meer dan $25 miljard op jaarbasis. De technische primeur is interessant, maar volume alleen vertelt weinig over de inkomsten. Bij $15,84 moet SoFi bewijzen dat stablecoin-settlement transactievergoedingen, goedkopere afwikkeling of meer bruikbare deposito's oplevert zonder nieuwe operationele en regelgevende risico's. $25 miljard klinkt groot naast de huidige omzet van SoFi. De denkfout is om kaartvolume gelijk te stellen aan omzet. Settlement betekent dat banken en betaalnetwerken onderlinge verplichtingen afwikkelen. SoFiUSD kan dat proces sneller en continu laten verlopen, maar de vergoeding per dollar kan maar enkele basispunten zijn. Eén basispunt is 0,01%. Zelfs bij grote volumes blijft de economische opbrengst daarom afhankelijk van prijs, kosten en het bedrag dat klanten werkelijk als SoFiUSD aanhouden. Direct naar een onderdeel van dit artikel De technische primeur bewijst schaal en nog geen winst De balans achter SoFiUSD kan meer waard zijn dan de fee De rest van SoFi bepaalt de waardering Het netwerkvoordeel moet buiten de eigen kaart groeien Drie jaarpaden scheiden de bank van het stablecoinverhaal De technische primeur bewijst schaal en nog geen winst De samenwerking met Mastercard geeft SoFiUSD een geloofwaardige toepassing. Het gaat niet om een kleine proef met een onbekende partij, maar om afwikkeling binnen SoFi's eigen kaartprogramma. Een gereguleerde nationale bank die een eigen stablecoin gebruikt, kan bovendien een aantrekkelijker tegenpartij zijn dan een minder transparante uitgever buiten het bankstelsel. Toch heeft SoFi geen tarief, omzetverwachting of besparing per transactie bekendgemaakt. Beleggers weten dus dat de infrastructuur werkt, maar nog niet wat die infrastructuur verdient. Het kan gaan om een directe fee, lagere kosten bij settlement, extra rente-inkomsten op reserves of een combinatie daarvan. Bij $25 miljard jaarvolume en een netto vergoeding van twee basispunten ontstaat ongeveer $5 miljoen omzet. Als operationele kosten 40% daarvan opslokken, resteert rond $3 miljoen bijdrage. Dat is klein voor een onderneming met meer dan $1 miljard kwartaalomzet. Pas bij hogere tarieven, groter extern volume of duidelijke kostenbesparingen wordt settlement op zichzelf materieel. De balans achter SoFiUSD kan meer waard zijn dan de fee Een stablecoin is economisch een digitale verplichting van de uitgever. Tegenover één SoFiUSD moet een reserve staan. Wanneer klanten gemiddeld $1 miljard aanhouden en een groot deel daarvan veilig kan worden belegd, kan de renteopbrengst belangrijker worden dan de transactievergoeding. Dat model lijkt op betaalbedrijven en banken die inkomsten halen uit klanttegoeden. De grens is dat reserves liquide en betrouwbaar moeten blijven. Geld dat ieder moment kan worden opgevraagd, mag niet worden behandeld als permanent kapitaal. Regelgeving kan de toegestane beleggingen beperken en rente daalt mee wanneer centrale banken verruimen. Bovendien moet SoFi duidelijk scheiden wat eigen middelen zijn en wat klanten toebehoort. Bij een gemiddelde SoFiUSD-balans van $1 miljard, 70% bruikbare reserves en 3% netto renteopbrengst ontstaat ongeveer $21 miljoen jaarlijkse rente-inkomsten. Dat is nog steeds bescheiden, maar wél een terugkerende opbrengst die kan groeien als het netwerk ook buiten SoFi's eigen kaarten wordt gebruikt. De rest van SoFi bepaalt de waardering Bij de kwartaalcijfers over het tweede kwartaal meldde SoFi record aangepaste netto-omzet van $1,2 miljard, $157 miljoen nettowinst en 15,8 miljoen leden. De leningproductie bereikte $14,8 miljard. Dat maakt duidelijk dat stablecoins voorlopig een aanvullende productlaag zijn bovenop een veel groter krediet- en depositobedrijf. De winstkwaliteit wordt daarom nog steeds bepaald door kredietverliezen, financieringskosten en de groei van fee-inkomsten. SoFi kan een technisch product succesvol lanceren terwijl een verslechterende consument de nettowinst alsnog raakt. Omgekeerd kan een sterke bankbasis de kosten van innovatie dragen totdat SoFiUSD echt schaal heeft. Bij $15,84, een gewenste opbrengst van 8% per jaar en een eindwaardering van 25 keer winst is in 2029 ongeveer $0,80 winst per aandeel nodig. Bij 2% jaarlijkse verwatering moet de operationele winst per huidig aandeel hoger uitvallen. De huidige winstbasis maakt dat niet onmogelijk, maar laat ook zien dat enkele miljoenen stablecoinbijdrage de beleggingsthese niet zelfstandig dragen. Lees ook: Waarom SoFi daalde na opmerkelijk goede cijfers Het netwerkvoordeel moet buiten de eigen kaart groeien De beste uitkomst ontstaat wanneer SoFiUSD meer wordt dan een interne afwikkelmunt. Externe partners kunnen de munt gebruiken voor betalingen, handel, internationale overboekingen of programmeerbare financiële producten. Dan groeit het volume zonder dat SoFi voor iedere dollar een nieuwe lening hoeft te verstrekken. Dat maakt de inkomsten kapitaallichter dan traditionele kredietgroei. Het sterkste tegenargument is dat banken, kaartnetwerken en andere stablecoin-uitgevers dezelfde markt zien. Een gereguleerde structuur is waardevol, maar niet uniek. Concurrentie kan de vergoeding richting nul duwen en de economische waarde bij Mastercard, handelsplatforms of grote distributeurs leggen. Technische interoperabiliteit maakt overstappen bovendien gemakkelijker. Beleggers kunnen daarom letten op drie meetpunten: het externe volume buiten SoFi's eigen kaarten, de gemiddelde SoFiUSD-balans en de daadwerkelijk gerapporteerde fee- of rente-inkomsten. Zonder die cijfers blijft $25 miljard vooral bewijs dat de techniek schaal aankan. Drie jaarpaden scheiden de bank van het stablecoinverhaal De scenario's combineren kredietkwaliteit, fee-inkomsten en de mogelijke opbrengst van SoFiUSD. In het bear-scenario levert SoFiUSD weinig vergoeding op en stijgen kredietverliezen. De mogelijke koers daalt dan van $11 in 2027 naar $8 in 2029. In het middenpad groeien fee-inkomsten, blijft de kredietkwaliteit beheersbaar en loopt de koers op naar $24. In het gunstige pad wordt SoFiUSD een bredere infrastructuurlaag en kan $36 in 2029 mogelijk worden. De conclusie is nuchter. De Mastercard-integratie verlaagt technologisch risico en geeft SoFi een bruikbare proeftuin op grote schaal. Zij bewijst nog niet dat stablecoin-settlement veel geld verdient. Voor $15,84 moeten beleggers vooral geloven in een winstgevende bank met groeiende, kapitaallichte diensten. SoFiUSD kan dat verhaal versterken zodra de opbrengst per dollar zichtbaar wordt. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER. Foto: Anthony Noto, CEO van SoFi. Officieel archiefportret van SoFi.

  • IREN haalt 2,8 miljard dollar aan AI-contracten binnen

    In het kort IREN meldde op 8 september 2026 $2,8 miljard aan nieuwe meerjarige AI-cloudcontracten en verhoogde het doel voor de jaarlijkse run-rate naar meer dan $4 miljard. Ongeveer 85% daarvan is volgens het bedrijf gecontracteerd en klantvooruitbetalingen dekken circa 45% van de bijbehorende GPU-investeringen. Dat verlaagt het afnamerisico, maar contractwaarde is nog geen omzet en een vooruitbetaling is geen winst. Bij $40,65 draait de waardering vooral om tijdige oplevering, financieringskosten en verwatering. $2,8 miljard klinkt als omzet die al binnen is. Economisch klopt dat niet. IREN moet datacenters afbouwen, GPU's installeren, systemen testen en capaciteit door klanten laten accepteren. Pas daarna wordt de vergoeding gedurende een contracttermijn als omzet geboekt. De meest recente contracten hebben volgens het bedrijf gemiddeld ongeveer vier jaar looptijd. Gelijkmatig verdeeld zou $2,8 miljard dus rond $700 miljoen per jaar opleveren voordat we rekening houden met de precieze startdata en leveringsgraad. Direct naar een onderdeel van dit artikel De contracten lossen één risico op en laten drie andere staan Vooruitbetalingen verlagen de rekening maar wissen haar niet uit De beurs betaalt voor vrije kasstroom die nog moet ontstaan IREN bezit schaarste maar concurreert met diepe zakken Drie jaarpaden maken het verschil tussen groei en waarde zichtbaar De contracten lossen één risico op en laten drie andere staan Het belangrijkste positieve punt is dat IREN niet langer alleen capaciteit bouwt in de hoop later klanten te vinden. Microsoft, Nvidia en verschillende AI-ontwikkelaars geven commerciële bevestiging. Ongeveer 85% van het doel voor eind 2026 staat onder contract. Dat maakt het waarschijnlijker dat nieuwe GPU's inkomsten gaan genereren zodra ze operationeel zijn. De resterende risico's zijn fysiek en financieel. Capaciteit moet op tijd worden opgeleverd, klantacceptatie moet volgen en de kasstroom moet na rente en afschrijvingen positief genoeg worden. Een contract kan sterk zijn en toch een matig rendement opleveren wanneer de aanschafprijs van GPU's, stroom, koeling en financiering te hoog is. Bij $2,8 miljard contractwaarde, vier jaar looptijd en 85% levering komt de eenvoudige jaaromzetproxy rond $595 miljoen. Dat is geen prognose van IREN, maar een manier om de orde van grootte te zien. Een vertraging van één of twee kwartalen verschuift omzet naar later, terwijl rente en een deel van de bouwkosten al wel doorlopen. Vooruitbetalingen verlagen de rekening maar wissen haar niet uit IREN meldde dat klantvooruitbetalingen ongeveer 45% van de GPU-capex voor de nieuwe contracten dekken. Dat is waardevol. De klant financiert een deel van de hardware en bewijst daarmee dat de afname serieus is. Toch blijft 55% over voor IREN, GPU-financiers of andere kapitaalverschaffers. Bij $8 miljard GPU-investeringen betekent 45% vooruitbetaling $3,6 miljard van klanten en $4,4 miljard resterende financiering. Tegen 8% rente is dat een jaarlijkse rentelast van ongeveer $352 miljoen, voordat aflossing begint. De precieze financieringsmix kan gunstiger of slechter uitvallen, maar de gevoeligheid is duidelijk. Vooruitbetaalde bedragen zijn bovendien geen vrije winst. IREN heeft een verplichting om jarenlang rekenkracht te leveren. Wanneer systemen te laat komen, minder betrouwbaar zijn of sneller verouderen, kan de economische marge veel lager worden dan de contractwaarde suggereert. Nvidia's nieuwste systemen kunnen hoge tarieven opleveren, maar verliezen ook snel aantrekkingskracht wanneer een volgende generatie meer prestaties per watt biedt. De beurs betaalt voor vrije kasstroom die nog moet ontstaan Bij $40,65 en een aandelenaantal dat richting 440 miljoen kan bewegen, vertegenwoordigt IREN een grote economische aandelenwaarde. Om over drie jaar 10% rendement per jaar te leveren en dan tegen 20 keer vrije kasstroom te noteren, is rond $1,2 miljard jaarlijkse vrije kasstroom nodig. Dat is een veel strengere maatstaf dan aangepaste EBITDA, omdat rente, onderhoudsinvesteringen en vervanging van hardware uiteindelijk wel betaald moeten worden. De aandelenteller verdient extra aandacht. Groei die met nieuwe aandelen wordt gefinancierd kan de bedrijfsomzet sterk verhogen en toch weinig waarde per bestaand aandeel opleveren. De omgekeerde som rekent daarom expliciet met mogelijke verwatering. Minder aandelen of een hogere kasstroommultiple verlagen de vereiste vrije kasstroom, maar lossen het uitvoeringsrisico niet op. Lees ook: Chamath noemt Nebius en IREN mogelijke winnaars van open AI IREN bezit schaarste maar concurreert met diepe zakken IREN heeft een echte industriële voorsprong in land, stroomaansluitingen, bouwkennis en operationele datacenters. Dat onderscheidt het bedrijf van een softwarestart-up die alleen GPU's huurt. In een markt waar elektriciteit en netaansluitingen schaars zijn, kan die positie jarenlang waardevol blijven. Het tegenargument is dat hyperscalers uiteindelijk zelf capaciteit bouwen en lagere kapitaalkosten hebben. Microsoft, Amazon, Google en Meta kunnen miljarden investeren zonder telkens de aandelenmarkt nodig te hebben. Neoclouds zijn sterk wanneer snelheid en beschikbare capaciteit belangrijker zijn dan prijs. Zodra aanbod ruimer wordt, kan onderhandelingsmacht naar de klant verschuiven. Beleggers moeten daarom niet alleen naar gigawatts of contractwaarde kijken. Belangrijker zijn daadwerkelijk operationele megawatts, omzet per megawatt, klantacceptatie, nettoschuld en vrije kasstroom na vervangingsinvesteringen. Een stijgende run-rate zonder stijgende vrije kasstroom zou aantonen dat de economische waarde vooral bij klanten en financiers terechtkomt. Drie jaarpaden maken het verschil tussen groei en waarde zichtbaar De scenario's laten zien hoe sterk koerswaarde kan afwijken wanneer dezelfde contracten anders worden geleverd en gefinancierd. In het bear-scenario vertraagt de oplevering en zijn extra aandelen nodig. De mogelijke koers daalt dan van $28 in 2027 naar $20 in 2029. In het middenpad worden contracten volgens planning omzet, verbetert de financieringsmix en kan de koers naar $65 in 2029. In het gunstige scenario dekken klanten een groter deel van de hardware, blijft de bezetting hoog en groeit vrije kasstroom snel genoeg voor $98. Het sterkste bewijs voor de positieve uitkomst is niet nog een contractaankondiging. Het is een kwartaal waarin operationele AI-cloudomzet, kasstroom na rente en de waarde per verwaterd aandeel tegelijk verbeteren. Tot die tijd verlaagt $2,8 miljard aan contracten het afnamerisico, maar blijft $40,65 een prijs voor uitvoering die nog moet plaatsvinden. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER. Foto: Daniel Roberts, medeoprichter en co-CEO van IREN. Archieffoto van SALT.

  • Servicegroei moet bij ASM de chipcyclus zachter maken

    In het kort ASM International behaalde in het tweede kwartaal €1,003 miljard omzet. De serviceomzet steeg 29% naar €208,7 miljoen, terwijl equipment €794,3 miljoen opleverde. Service maakt de onderneming stabieler doordat iedere geïnstalleerde machine onderhoud, onderdelen en upgrades vraagt. Toch komt bijna vier vijfde van de kwartaalomzet nog uit nieuwe apparatuur. Bij €896 per aandeel moet ASM daarom meer leveren dan een groeiende onderhoudsbasis. Een machineverkoop is groot en onregelmatig. Service komt terug zolang een klant de installatie gebruikt. Dat verschil is belangrijk in een cyclische chipmarkt. Wanneer klanten een nieuwe fabriek uitstellen, daalt equipmentomzet snel. De installed base, het totaal van geplaatste systemen, blijft ondertussen draaien en heeft ondersteuning nodig. ASM rapporteerde over het kwartaal een brutomarge van 51,9%, een aangepaste operationele marge van 33,0% en €355 miljoen vrije kasstroom. Voor het derde kwartaal gaf het bedrijf ongeveer €1,1 miljard omzet aan, met een bandbreedte van 5% bij constante valuta. Voor heel 2027 verwacht ASM boven de eerdere omzetbandbreedte met een bovengrens van €4,6 miljard uit te komen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Service is een schokdemper en geen volledige motor De installed base groeit mee met iedere machine Klanten bepalen nog steeds het ritme Wat vraagt €896? Het sterkste positieve en negatieve argument Drie jaar, drie paden Conclusie Service is een schokdemper en geen volledige motor In het kwartaal kwam 20,8% van de omzet uit service. Wanneer equipment 10% daalt en service 12% groeit, daalt de totale omzet nog steeds. Service dempt de beweging, maar kan een zware investeringspauze bij chipfabrikanten niet volledig opvangen. De kwaliteit zit in voorspelbaarheid. Onderhoud en upgrades zijn nodig om opbrengst en beschikbaarheid van dure productielijnen hoog te houden. Klanten wisselen niet gemakkelijk van leverancier wanneer een processtap eenmaal is gekwalificeerd. Daardoor kan service een hogere herhaalwaarde hebben dan de eerste installatie. ASM publiceert geen volledige afzonderlijke nettomarge voor service. Iedere marge-aanname blijft dus een model, geen gemeten segmentresultaat. De eerste module laat zien hoeveel omzetstabiliteit de huidige mix kan geven: De installed base groeit mee met iedere machine De beste servicebusiness begint bij sterke equipmentverkoop. Iedere nieuwe ALD- of epitaxiemachine vergroot de toekomstige onderhoudsbasis. Atomic layer deposition, afgekort ALD, legt materiaal atoomlaag voor atoomlaag neer. Die precisie wordt belangrijker naarmate chips complexer worden. ASM profiteert van nieuwe nodes, chipgeneraties met kleinere en complexere structuren, en van HBM. HBM is snel gestapeld geheugen voor AI-chips. Het bedrijf verwacht in de tweede helft van 2026 een betekenisvolle bijdrage van 1,4 nanometer en meldde selecties bij geheugenklanten. Die technologische wins hebben twee financiële fases. Eerst verkoopt ASM de machine. Daarna volgen jaren van onderdelen, service en upgrades. De installed base kan daardoor sneller groeien dan het aantal nieuwe orders in één kwartaal suggereert. De tweede module toont hoe een hogere servicebijdrage de gemengde marge kan stabiliseren. De segmentmarges zijn aannames omdat ASM ze niet afzonderlijk publiceert: Klanten bepalen nog steeds het ritme In de eerste helft kwam 77% van de equipmentomzet uit logic en foundry, 15% uit geheugen en 8% uit power, analog en waferactiviteiten. Foundry betekent productie van chips voor andere ontwerpers. Die mix maakt ASM gevoelig voor investeringsbesluiten van een beperkt aantal grote klanten. Een vertraging bij één geavanceerde fabriek kan equipmentomzet verschuiven. Service blijft lopen, maar groeit niet snel genoeg om honderden miljoenen aan uitgestelde systemen direct te vervangen. Daarom is de omzetverwachting voor 2027 belangrijker dan één sterk servicekwartaal. Lees ook ASM heeft prijsmacht maar klanten bepalen het kwartaal. Service verandert de bodem van de cyclus, maar de top wordt nog steeds door klantcapex bepaald. Wat vraagt €896? De reverse waardering gebruikt 49 miljoen aandelen, 8% gewenst rendement, 30 keer winst in 2029 en een nettomarge van 25%. Onder die aannames vraagt €896 meer dan €7 miljard omzet in 2029. Dat ligt fors boven de grens van €4,6 miljard die ASM voor 2027 wil passeren. De kloof kan kleiner worden bij een hogere nettomarge of hogere eindmultiple. Beide aannames zijn veeleisend. Een grotere servicebasis kan marge en voorspelbaarheid verbeteren, maar snelle equipmentgroei blijft noodzakelijk om de absolute winst voldoende te verhogen. Het sterkste positieve en negatieve argument Het positieve argument is dat ASM apparatuur levert voor processtappen die bij geavanceerde chips talrijker worden. Meer lagen, nieuwe materialen en driedimensionale structuren vergroten de waarde van ALD en epitaxie. Iedere geplaatste machine voegt daarna serviceomzet toe. Het negatieve argument is de waardering. Zelfs wanneer 2027 boven €4,6 miljard omzet uitkomt, moet de groei daarna doorgaan en moet de marge sterk blijven. Een ordervertraging, exportbeperking of lagere klantcapex kan de multiple sneller raken dan service de winst beschermt. Drie jaar, drie paden Het bear-scenario rekent met uitgestelde logicorders en een dalende waardering. Het middenpad gebruikt omzet boven €4,6 miljard in 2027, dubbelcijferige servicegroei en stevige marges. Het gunstige pad vraagt dat 1,4 nanometer, HBM en de installed base elkaar versterken. Conclusie De 29% servicegroei maakt ASM kwalitatief sterker. Zij verlaagt de afhankelijkheid van één nieuwe machineorder en bouwt herhaalomzet op uit eerdere verkopen. Bij €896 is service alleen niet genoeg om de waardering te dragen. Zolang equipmentomzet boven verwachting groeit en iedere nieuwe installatie de servicebasis vergroot, kan ASM de winst snel blijven verhogen. Wanneer klantcapex vertraagt, wordt duidelijk dat service een schokdemper is en geen vervanging voor de apparatuurcyclus. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.

  • Dev Ittycheria keert terug om MongoDB harder te laten groeien

    In het kort MongoDB meldde op 28 september dat CEO CJ Desai per direct vertrekt en Dev Ittycheria terugkeert als interim-CEO. Een dag later lanceerde het bedrijf MongoDB 9.0 en Atlas Infinite; ook Atlas Agent Engine ging in publieke preview. De timing maakt dit meer dan een bestuurswissel. MongoDB moet drie productbeloften tegelijk omzetten in hoger klantverbruik, terwijl een nieuwe vaste CEO nog moet worden gevonden. Bij $351,73 vraagt de waardering dat de uitvoering sterk blijft. Ittycheria leidde MongoDB eerder van ongeveer $35 miljoen omzet naar meer dan $2,3 miljard. Die geschiedenis geeft vertrouwen, maar maakt de organisatie ook afhankelijker van één bekende leider. Desai vertrekt naar Meta kort nadat hij de topfunctie overnam. Voor klanten verandert de database niet van de ene dag op de andere; voor beleggers stijgt wel het risico dat productprioriteiten en verkoopuitvoering verschuiven. MongoDB bedient inmiddels meer dan 70.000 klanten en meer dan driekwart van de Fortune 100. Het verdienmodel van Atlas leunt op verbruik. Een nieuwe functie is daarom pas financieel relevant wanneer klanten meer data opslaan, meer transacties draaien of extra AI-workloads in productie zetten. Direct naar een onderdeel van dit artikel De nieuwe producten lossen echte knelpunten op Agent Engine kan verbruik vergroten en complexiteit toevoegen De bestuurswissel verhoogt de uitvoeringslat Wat vraagt $351,73? Het sterkste positieve en negatieve argument Drie jaar, drie paden Conclusie De nieuwe producten lossen echte knelpunten op MongoDB 9.0 belooft tot twee keer hogere doorvoer, 35% snellere reads, 30% snellere updates en 20% meer transactionele doorvoer tegenover versie 8.0. Atlas Infinite is bedoeld voor onvoorspelbare pieken en zou de tijd om op te schalen met meer dan 96% verkorten. Dat is economisch relevant voor klanten die geen capaciteit voor de hoogste piek willen reserveren. Een winkel, game of AI-agent kan onverwacht veel verkeer krijgen. Wanneer de database automatisch schaalt, daalt het risico op omzetverlies en kan de klant betalen voor werkelijk gebruik. De eerste module maakt zichtbaar hoeveel klantomzet snellere schaalbaarheid theoretisch kan beschermen. Het is een gevoeligheidsmodel, geen claim van MongoDB over gerealiseerde omzet: Agent Engine kan verbruik vergroten en complexiteit toevoegen Atlas Agent Engine helpt ontwikkelaars AI-agents in productie te beheren. MongoDB biedt observability, geheugen en evaluatie dichter bij de database. Het product gebruikt consumptieprijzen en kan binnen bestaande Atlas-verplichtingen vallen. Dat verlaagt de drempel voor klanten die al MongoDB gebruiken. De kans is duidelijk: iedere agent kan meer reads, writes, vectorzoekopdrachten en opgeslagen context veroorzaken. Dezelfde klant besteedt dan meer zonder een compleet nieuw verkoopproces. Het risico is dat hyperscalers en gespecialiseerde vectordatabases vergelijkbare functies aanbieden en de waarde van de database abstraheren. MongoDB hoeft niet iedere AI-laag te bezitten. Het moet zorgen dat data eenvoudig, veilig en betaalbaar beschikbaar blijven. Hogere technische prestaties helpen daarbij, maar efficiëntere software kan het verbruik per taak ook verlagen. Netto-omzetgroei blijft daarom het bewijs. De tweede module vertaalt klantadoptie en extra besteding naar mogelijke omzet: De bestuurswissel verhoogt de uitvoeringslat Een interim-CEO kan snel besluiten nemen, maar een zoektocht naar een permanente leider kost aandacht. Ittycheria moet productlanceringen begeleiden, belangrijke verkopers vasthouden en tegelijk een opvolger selecteren. Dat is veel op één moment. Het positieve argument is dat hij de onderneming en cultuur kent. Er is geen lange inwerkperiode nodig. Het negatieve argument is dat de terugkeer suggereert dat de oorspronkelijke opvolgingsplanning niet standhield. Beleggers moeten daarom letten op vertrek van andere bestuurders, veranderingen in guidance en de snelheid waarmee een vaste CEO wordt benoemd. Lees ook Meta haalt de CEO van MongoDB weg voor zijn platform. De concurrentiestrijd gaat niet alleen om databasefuncties, maar ook om leiders en engineers die AI-platforms kunnen bouwen. Wat vraagt $351,73? De recente winst per aandeel is te klein om een gewone koers-winstwaardering bruikbaar te maken. Daarom past een omzetmodel beter. Bij ongeveer 85 miljoen aandelen in 2029, 9% gewenst rendement en acht keer omzet vraagt de huidige koers grofweg $5 miljard jaaromzet tegen die tijd. Dat kan haalbaar zijn wanneer Atlas dubbelcijferig groeit en de nieuwe producten extra verbruik genereren. De multiple van acht blijft echter hoog voor een bedrijf dat nog structurele GAAP-marges moet bewijzen. Aandelenbeloning verhoogt bovendien de teller wanneer zij niet met inkoop wordt gecompenseerd. Het sterkste positieve en negatieve argument MongoDB zit dicht bij de data waar applicaties en agents op draaien. Klanten willen minder databases beheren en meer functies in één platform combineren. Wanneer 9.0, Infinite en Agent Engine dat werkelijk leveren, kan omzet per klant stijgen zonder evenredig hogere verkoopkosten. Het negatieve argument is dat technische snelheid snel wordt gekopieerd. Cloudproviders bundelen databases met rekenkracht, modellen en beveiliging. Als klanten vooral voor geïntegreerde clouddeals kiezen, kan MongoDB veel productkwaliteit leveren zonder voldoende prijsmacht. Drie jaar, drie paden Het bear-scenario combineert leiderschapsverlies, lagere consumptiegroei en een dalende omzetmultiple. Het middenpad veronderstelt dat Atlas blijft groeien en marges verbeteren. Het gunstige pad vraagt brede adoptie van Infinite en Agent Engine plus een geloofwaardige permanente CEO. Conclusie De terugkeer van Ittycheria verlaagt het directe leiderschapsrisico, maar lost de opvolgingsvraag niet op. MongoDB heeft sterke producten en een grote klantenbasis; de beurskoers betaalt al voor een duidelijke omzet- en margeversnelling. Zolang productadoptie zich vertaalt in meer Atlas-verbruik en de organisatie stabiel blijft, kan $351,73 worden gedragen. Wanneer de CEO-zoektocht lang duurt of betere prestaties vooral lagere klantkosten opleveren, daalt de ruimte voor de huidige waardering snel. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.

  • Bijna duizend banen in Texas moeten AWS sneller laten leveren

    In het kort Amazon en Wiwynn breiden in Texas de productie van serverracks voor AWS uit. De locatie moet tegen eind 2027 bijna 1.000 extra banen hebben en op volle capaciteit ongeveer 4.000 mensen inzetten. Dat is geen nieuwe winsttak op zichzelf. De financiële waarde zit in kortere levertijden, minder supply-chainrisico en datacentercapaciteit die eerder aan betalende klanten kan worden verhuurd. Bij $248,23 blijft de kernvraag of AWS genoeg winst genereert op de enorme AI-investeringen. Een datacenter is pas productief wanneer chips, netwerkapparatuur, stroom, koeling en racks tegelijk gereed zijn. Eén ontbrekende schakel houdt miljarden aan apparatuur tegen. Amazon haalt een deel van die keten dichter bij huis en bouwt meer controle in over de fysieke infrastructuur achter AWS. Volgens Amazons aankondiging groeit de werkgelegenheid bij de faciliteit volgend jaar naar meer dan 2.500 mensen. Wiwynn assembleert serverracks die AWS in datacenters gebruikt. Amazon noemt daarnaast ruim $100 miljard aan investeringen in Texas sinds 2010 en 86.000 directe werknemers in de staat. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een rack verdient pas wanneer de klant rekent Verticale integratie verlaagt risico en verhoogt vaste kosten Amazon heeft vraag nodig, niet alleen machines Wat vraagt de koers? Het sterkste positieve en negatieve argument Drie jaar, drie paden Conclusie Een rack verdient pas wanneer de klant rekent Lokale productie verkort transport en maakt planning eenvoudiger. De mogelijke opbrengst is tijd. Wanneer een cluster vier weken eerder operationeel is en er staat betaalde vraag klaar, begint de omzet vier weken eerder. Bij honderden clusters kan dat snel tientallen of honderden miljoenen dollars aan versneld gebruik opleveren. Die omzet is niet volledig extra. Een deel verschuift alleen naar voren. De echte waarde ontstaat wanneer sneller leveren voorkomt dat een klant naar Microsoft Azure of Google Cloud uitwijkt, of wanneer hetzelfde kapitaal vaker wordt benut. De bezettingsgraad, het deel van de capaciteit dat daadwerkelijk wordt gebruikt, bepaalt daarom meer dan het aantal fabrieksbanen. De eerste module laat zien wat een paar gewonnen weken kunnen betekenen. De aannames zijn een gevoeligheidsmodel en geen bedrijfsprognose: Verticale integratie verlaagt risico en verhoogt vaste kosten Amazon ontwerpt eigen chips, beheert cloudsoftware en stuurt nu ook een groter deel van de rackketen. Dat kan kosten verlagen en producten sneller op elkaar afstemmen. Een rack dat specifiek voor Trainium of Inferentia is ontworpen, kan efficiënter zijn dan generieke hardware. De keerzijde is kapitaalintensiteit. Meer controle betekent ook meer vaste verplichtingen, voorraden en risico op veroudering. Als een nieuwe chipgeneratie sneller komt of AI-vraag vertraagt, kan ongebruikte capaciteit duur worden. Een lokale fabriek lost dat economische risico niet op; zij verkort vooral de route van bestelling naar inzet. AWS verkoopt capaciteit per gebruikseenheid. Daardoor kan een hogere bezettingsgraad sterk doorwerken in de marge. De gebouwen, stroomaansluitingen en teams zijn grotendeels al betaald. Extra gebruik boven de vaste kosten levert relatief veel brutowinst op. De tweede module koppelt capaciteit, bezettingsgraad en marge: Amazon heeft vraag nodig, niet alleen machines De optimistische redenering is dat AI-cloudvraag jarenlang harder groeit dan aanbod. Dan is snellere rackproductie direct waardevol. AWS kan klanten eerder aansluiten, eigen chips breder inzetten en dure infrastructuur sneller laten renderen. Het sterke tegenargument is dat hyperscalers tegelijk bouwen. Hyperscalers zijn de grootste wereldwijde cloudplatforms. Wanneer Amazon, Microsoft en Google allemaal capaciteit toevoegen, kan prijsdruk ontstaan voordat de fysieke activa zijn terugverdiend. Sneller bouwen verhoogt dan juist het risico op overcapaciteit. Lees ook Bijna elke topklant van AWS gebruikt Amazons eigen chip. Eigen chips en lokale racks versterken elkaar, maar alleen betaald klantgebruik bewijst het rendement. Wat vraagt de koers? Bij $248,23 en een winst per aandeel van ongeveer $12,43 noteert Amazon rond 20 keer de recente winst. Dat oogt minder veeleisend dan veel technologiebedrijven, maar de winstbasis bevat meerdere activiteiten en kan per kwartaal sterk bewegen. De retailmarges, advertentieomzet, AWS en investeringsresultaten hebben verschillende kwaliteit. Een reverse model met 8% gewenst rendement en 22 keer winst in 2029 vraagt ongeveer $14 tot $15 winst per aandeel. Vanaf $12,43 is dat geen extreme groei. De moeilijkheid is dat capex en afschrijving eerst kunnen stijgen voordat nieuwe cloudcapaciteit voldoende bezet is. Het sterkste positieve en negatieve argument Het positieve argument is dat Amazon zijn eigen vraag, chips en logistiek kan combineren. AWS kent klantorders, Amazon ontwerpt veel hardware en Wiwynn kan de fysieke racks dichter bij de datacenters bouwen. Dat verlaagt coördinatieverlies en kan iedere dollar capex eerder productief maken. Het negatieve argument is dat een fabriek geen schaarste garandeert. Wanneer klanten minder AI-capaciteit afnemen of concurrerende chips goedkoper worden, blijft Amazon achter met activa die snel technologisch verouderen. De hogere werkgelegenheid zegt dan weinig over rendement per aandeel. Drie jaar, drie paden Het bear-scenario combineert overbouw, prijsdruk en lagere AWS-marges. Het middenpad veronderstelt dat kortere levertijden de bezettingsgraad verhogen en de winst gestaag groeit. Het gunstige pad vraagt sterke AI-vraag, goede opbrengst van eigen chips en een hogere winstmultiple. Conclusie De uitbreiding in Texas is nuttig omdat zij een fysieke flessenhals aanpakt. Zij bewijst nog niet dat de AI-investeringen aantrekkelijk renderen. Dat bewijs komt uit AWS-groei, operationele marge, bezettingsgraad en vrije kasstroom na capex. Zolang klanten de nieuwe capaciteit snel vullen, maakt lokale rackproductie Amazon efficiënter en minder kwetsbaar. Wanneer de bouw sneller gaat dan betaalde vraag, versnelt dezelfde fabriek vooral de komst van afschrijving. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.

bottom of page