top of page

Doorzoek deze website

14237 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Koopt The Trade Desk sneller in dan het aandelen uitdeelt?

    In het kort The Trade Desk boekte in het tweede kwartaal $715 miljoen omzet. Dat was 3% meer dan een jaar eerder. De aangepaste EBITDA bedroeg $241 miljoen, goed voor een marge van 34%, terwijl de GAAP-nettowinst $64 miljoen was. De kloof tussen aangepast en per aandeel is belangrijk. Aandelenbeloning wordt buiten aangepaste EBITDA gehouden, maar verandert wel het belang van bestaande aandeelhouders. De $78 miljoen aan inkoop in het kwartaal creëert pas waarde wanneer zij de uitgifte compenseert en niet te duur wordt uitgevoerd. De koers van $11,95 maakt herstel mogelijk, maar niet vanzelfsprekend. In het middenscenario herstellen omzetgroei en vrije kas per aandeel, waarna koersen van $14, $17 en $20 voor 2027 tot en met 2029 mogelijk zijn. Het bearscenario laat zien dat een lage multiple weinig bescherming biedt wanneer de aandelenbasis blijft groeien. The Trade Desk verkoopt software waarmee adverteerders geautomatiseerd digitale advertentieruimte kopen. Het platform helpt bepalen welke gebruiker, op welk moment en tegen welke prijs een advertentie ziet. De onderneming bezit de media niet en verdient hoofdzakelijk een percentage van de bestedingen die via haar platform lopen. Dat maakt het model kapitaallicht, maar niet immuun voor concurrentie. Bij de cijfers van 6 augustus meldde The Trade Desk $715 miljoen kwartaalomzet, 3% groei, $64 miljoen GAAP-nettowinst en $0,14 verwaterde winst per aandeel. De aangepaste EBITDA bedroeg $241 miljoen. Klantbehoud bleef boven 95%. Voor het derde kwartaal verwachtte het bedrijf minstens $650 miljoen omzet en ongeveer $160 miljoen aangepaste EBITDA. Direct naar een onderdeel van dit artikel Waarom aandelenbeloning hier zwaar telt Groei per aandeel is de echte maatstaf Lage koers is niet hetzelfde als lage waardering Wat moet $11,95 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden Waarom aandelenbeloning hier zwaar telt Softwarebedrijven gebruiken aandelen om medewerkers aan te trekken en te behouden. Dat bespaart kas op korte termijn, maar verdeelt de toekomstige winst over meer aandelen. De last staat in de GAAP-resultaten, terwijl veel beleggers naar aangepaste EBITDA kijken waarin zij wordt verwijderd. Daardoor kan de operationele prestatie beter ogen dan de groei per aandeel. Inkoop kan de verwatering tegengaan. The Trade Desk kocht in het tweede kwartaal voor $78 miljoen aandelen in en had nog $269 miljoen aan autorisatie. Het bedrag zegt op zichzelf weinig. Van belang is hoeveel aandelen zijn uitgegeven, tegen welke gemiddelde prijs is ingekocht en of het verwaterde aantal aandelen daadwerkelijk daalt. De eerste module vergelijkt jaarlijkse inkoop met een economische last voor aandelenbeloning. De standaardinstelling toont een tekort. Dit is geen exact jaarcijfer, maar een controlemechanisme. Wanneer inkoop lager blijft dan de waarde van nieuwe aandelen, kan de totale winst stijgen terwijl de winst per aandeel achterblijft. Groei per aandeel is de echte maatstaf Omzetgroei van 3% is voor een softwareplatform met sterke marges niet rampzalig, maar wel te laag voor een blijvend hoge groeimultiple. De onderneming moet aantonen dat Kokai, connected television, retaildata en identiteit de bestedingen opnieuw sneller laten groeien. Tegelijk moet de aandelenbasis beheersbaar blijven. De tweede module combineert omzetgroei met verandering van het aandelenaantal. Bij 8% omzetgroei en 3% verwatering blijft slechts ongeveer 4,9% groei per aandeel over, nog vóór margebewegingen. Daalt het aandelenaantal door netto inkoop, dan werkt dezelfde omzetgroei juist sterker door. Het sterkste argument voor The Trade Desk is onafhankelijkheid. Grote adverteerders willen niet volledig afhankelijk zijn van Google, Amazon of Meta, die zowel advertentieruimte als kooptechnologie en meetdata beheren. Een onafhankelijk platform kan campagnes over meerdere uitgevers vergelijken. De groei van streamingtelevisie en retailmedia vergroot het aantal kanalen waar zo’n neutrale laag nuttig is. Het tegenargument is dat de open markt versnipperd blijft. Grote platforms houden veel data binnen hun eigen omgeving. Privacyregels beperken tracking en meting. Ook kunnen adverteerders bij economische onzekerheid campagnes snel terugschalen. De technologie moet daardoor voortdurend verbeteren, terwijl concurrenten en klanten tegelijk druk op de fee zetten. Lage koers is niet hetzelfde als lage waardering Na een sterke koersdaling lijkt $11,95 goedkoop vergeleken met eerdere niveaus. De absolute koers zegt echter niets zonder aandelenbasis en kasstroom. Bij ongeveer 470 miljoen verwaterde aandelen is de marktwaarde circa $5,6 miljard. Daar staat een winstgevende onderneming met hoge retentie tegenover, maar ook een groeitempo dat in het tweede kwartaal duidelijk vertraagde. De aangepaste EBITDA-marge van 34% laat zien hoeveel operationele hefboom mogelijk is. Voor aandeelhouders telt vrije kas na normale investeringen en de economische last van beloning. Als personeelsbeloning structureel nodig is om het platform concurrerend te houden, hoort zij in de waardering thuis. Wat moet $11,95 waarmaken? De koers is de laatste Nasdaq-handel op 2 oktober 2026. De omgekeerde waardering gebruikt de huidige marktwaarde, een vrije-kasmultiple in 2029 en een gewenst rendement. Bij 9% gewenst jaarrendement en een eindmultiple van 20 is ongeveer $380 miljoen vrije kas in 2029 nodig. Dat lijkt haalbaar, maar alleen wanneer de kas per aandeel groeit. Bij een multiple van 12 loopt de vereiste kas richting $630 miljoen. De uitkomst illustreert waarom een lage koers niet automatisch een ruime veiligheidsmarge geeft. Drie mogelijke koerspaden De volgende module maakt de aannames per jaar en scenario zichtbaar. Het bearscenario veronderstelt dat omzetgroei laag blijft, aandelenbeloning blijft verwateren en de vrije-kasmultiple naar 12 daalt. Het middenscenario rekent met herstel van omzetgroei, een stabiele sterke marge en een multiple van 20. Het gunstige scenario vraagt versnelling bij streamingtelevisie en retaildata, plus netto inkoop die de aandelenbasis verlaagt. The Trade Desk hoeft geen spectaculaire ommekeer in één kwartaal te laten zien. Het moet wel twee lijnen tegelijk verbeteren: operationele groei en groei per verwaterd aandeel. Klantbehoud boven 95% is een goede basis, maar bestaande klanten moeten meer besteden en inkoop moet meer doen dan nieuwe aandelen absorberen. Pas dan wordt de kasstroom van het platform volledig zichtbaar voor de eigenaar van één aandeel. Lees ook: Meer analyses van advertentieplatforms en software Feiten uit The Trade Desk kwartaalbericht van 6 augustus 2026 over het tweede kwartaal; koers $11,95 op 2 oktober 2026 aan Nasdaq. Scenario’s en berekeningen zijn eigen aannames.

  • Elk AI-rack van Nvidia moet ook netwerkomzet meenemen

    In het kort NVIDIA zette in het tweede kwartaal van boekjaar 2027 $96,2 miljard om. Data Center leverde $89,0 miljard en groeide 117% op jaarbasis. De brutomarge bedroeg 75,0% en de verwaterde GAAP-winst per aandeel kwam uit op $2,46. Een AI-systeem bestaat uit meer dan chips. Switches, interconnects, netwerkkaarten en software bepalen hoeveel accelerators als één cluster kunnen werken. NVIDIA wil daarom niet alleen GPU’s verkopen, maar steeds meer waarde per compleet rack en per datacenter binnenhalen. De koers van $233,95 vraagt nog steeds een enorme winstbasis. Bij 8% gewenst jaarrendement en een eind-P/E van 29 is in 2029 ongeveer $247 miljard nettowinst nodig. De mogelijke middenkoersen van $255, $291 en $330 voor 2027 tot en met 2029 veronderstellen dat networking zijn aandeel in het systeem behoudt. NVIDIA heeft de afgelopen jaren de standaard voor AI-accelerators gezet. De volgende slag gaat om de verbinding tussen die accelerators. Een model trainen of op grote schaal gebruiken vraagt duizenden chips die snel data uitwisselen. Wanneer het netwerk niet meegroeit, staan dure processors te wachten. Dat maakt switching en interconnects geen bijproduct, maar een onderdeel van de productiviteit van het hele cluster. Bij de cijfers van 26 augustus meldde NVIDIA $96,22 miljard omzet over het kwartaal tot en met 26 juli. Data Center kwam uit op $89,0 miljard. De GAAP-brutomarge bedroeg 75,0%, terwijl de winst per aandeel $2,46 was. Voor het volgende kwartaal gaf het bedrijf een omzetverwachting van $108 miljard, met een bandbreedte van 2%, en een brutomarge rond 74%. Direct naar een onderdeel van dit artikel Van losse accelerator naar volledig systeem Networking kan de marge beschermen Kapitaaldiscipline blijft relevant Wat moet $233,95 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden Van losse accelerator naar volledig systeem Een klant koopt niet alleen rekenkracht. Hij koopt de tijd om een model te trainen, de snelheid om antwoorden te leveren en de betrouwbaarheid van de infrastructuur. NVIDIA combineert accelerators met NVLink, InfiniBand, Spectrum-X, netwerkkaarten, besturingssoftware en complete rackontwerpen. Hoe meer onderdelen samen worden ontworpen, hoe eenvoudiger de implementatie voor de klant en hoe hoger de mogelijke omzet voor NVIDIA. Vera Rubin was volgens de kwartaalupdate in volledige productie, met racks bij onder meer CoreWeave, Google Cloud, Microsoft Azure, Oracle en Nebius. Dat is belangrijk omdat de economische eenheid steeds meer een rack wordt in plaats van één chip. Het bedrijf kan daardoor prestatiegaranties en optimalisatie over het gehele systeem bieden. De rackmodule is geen voorspelling van aantallen. Zij laat zien hoe sterk de netwerkomzet reageert op twee aannames: het aantal geleverde racks en de netwerkcontent per rack. Bij 60.000 racks en $350.000 aan netwerkcontent ontstaat ruim $21 miljard omzet. Een lagere content per rack raakt de omzet direct, zelfs wanneer het aantal accelerators hoog blijft. Networking kan de marge beschermen De brutomarge van 75% is uitzonderlijk voor hardware. Zij weerspiegelt schaarste, software, ontwerpwaarde en een gunstige productmix. Networking kan die marge beschermen als klanten een geïntegreerd systeem verkiezen boven losse componenten. De aanvullende omzet is echter niet gratis. NVIDIA moet investeren in silicium, optica, software, ondersteuning en voorraad. De tweede module rekent de operationele bijdrage van extra netwerkomzet uit. Bij $21 miljard omzet, 72% brutomarge en $5 miljard extra operationele kosten resteert ongeveer $10 miljard bijdrage vóór belasting. De gevoeligheid is groot: prijsdruk of duurdere optica verlaagt de marge, terwijl herbruikbare software haar kan verhogen. Het belangrijkste tegenargument is dat hyperscalers hun afhankelijkheid willen verminderen. Google, Amazon, Microsoft en anderen ontwikkelen eigen accelerators en kunnen networking los inkopen bij Broadcom, Marvell, Arista of gespecialiseerde leveranciers. Open standaarden kunnen de macht van één systeemaanbieder beperken. Ook kan de vraag verschuiven van grote trainingsclusters naar efficiëntere inferentie, waar kosten per antwoord zwaarder wegen. Het antwoord van NVIDIA is snelheid. Een klant die maanden eerder capaciteit in gebruik neemt, kan de hogere aanschafprijs terugverdienen. De brede softwarebasis en het grote ontwikkelaarsecosysteem verlagen migratie- en implementatierisico. Dat voordeel blijft alleen bestaan wanneer de prestatie per dollar zichtbaar hoger blijft dan bij alternatieven. Kapitaaldiscipline blijft relevant NVIDIA keerde in de eerste helft van het boekjaar $26 miljard uit via aandeleninkoop en dividend. Er resteerde $99 miljard aan inkoopautorisatie. Bij een marktwaarde van ongeveer $5,7 biljoen is zelfs dat enorme bedrag maar een bescheiden percentage. Inkoop compenseert verwatering en kan waarde toevoegen, maar operationele groei bepaalt het grootste deel van de uitkomst. Voorraad en klantconcentratie verdienen eveneens aandacht. Complete racks vragen afstemming tussen veel leveranciers. Een tekort aan geheugen, optica, energievoorziening of koeling kan omzet verschuiven. Aan de vraagzijde kunnen enkele grote cloudbedrijven hun investeringsritme tegelijk veranderen. Een orderboek is daarom geen rechte lijn naar omzet. Wat moet $233,95 waarmaken? De koers is de laatste Nasdaq-handel op 2 oktober 2026. Met ongeveer 24,28 miljard verwaterde aandelen komt de marktwaarde op circa $5,68 biljoen. De omgekeerde waardering hieronder berekent hoeveel nettowinst in 2029 nodig is bij een gekozen eind-P/E en rendement. Bij 8% gewenst jaarrendement en een eind-P/E van 29 is ongeveer $247 miljard nettowinst nodig. Dat is geen onmogelijk getal na de huidige kwartaalwinst, maar het vereist dat omzet, marge en aandelenbasis gunstig blijven. Een daling van de P/E naar 22 verhoogt de benodigde winst sterk. Een blijvend hoge multiple verlaagt de operationele drempel, maar vergroot het waarderingsrisico. Drie mogelijke koerspaden De volgende module maakt de aannames per jaar en scenario zichtbaar. Het bearscenario rekent met vertraging bij rackleveringen, meer interne chips bij klanten en een P/E van 22. Het middenscenario veronderstelt verdere AI-groei, een stabiel aandeel voor networking en een eind-P/E van 29. Het gunstige scenario vraagt dat complete racks, netwerken en software de omzet per cluster verhogen en dat de P/E rond 34 blijft. De kernvraag voor NVIDIA is niet of AI-capex volgend kwartaal nog hoog is. De waardering kijkt verder. Het bedrijf moet per nieuwe generatie meer economische waarde in het systeem vasthouden. Networking is daarbij de brug tussen een uitstekende chip en een productief datacenter. Als klanten die geïntegreerde aanpak blijven betalen, kan de winstbasis doorgroeien. Als zij de onderdelen loskoppelen, wordt de concurrentie veel harder. Lees ook: Meer analyses van chipbedrijven en AI-infrastructuur Feiten uit NVIDIA kwartaalbericht van 26 augustus 2026 over het tweede kwartaal van boekjaar 2027; koers $233,95 op 2 oktober 2026 aan Nasdaq. Scenario’s en berekeningen zijn eigen aannames.

  • Jitse Groen waarschuwt terecht voor belasting op ongerealiseerde winst

    In het kort Jitse Groen heeft een sterk punt in zijn verzet tegen belasting op ongerealiseerde koerswinst. Wie voor later belegt, hoort een investering niet tussentijds te hoeven verkopen omdat een hogere waardering een belastingrekening oplevert. Een vermogensaanwasbelasting belast de jaarlijkse waardestijging, ook als de eigenaar nog niets heeft verkocht. Afrekenen wanneer winst bij verkoop vrijkomt, sluit beter aan bij de vrijheid om vermogen op te bouwen en geld langdurig te investeren. “We willen groeien, maar belasten de economie kapot”, schrijft Groen op 2 oktober 2026. De zin vat een reeks berichten samen waarin hij belastingen, woningbouw, technologie en energie naast elkaar zet. Zijn centrale bezwaar is de afstand tussen wat politici zeggen te willen en wat hun regels aantrekkelijk maken. Daarmee benoemt Groen een probleem dat in politieke discussies te gemakkelijk onder begrotingscijfers verdwijnt. Achter privévermogen zitten beslissingen om te sparen, risico te nemen en consumptie uit te stellen. Wie dat geld voor langere tijd vastlegt, heeft belang bij voorspelbare regels en zeggenschap over het moment van verkoop. Een overheid die investeringen wil stimuleren, moet die afweging serieus nemen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Van Thuisbezorgd naar uitgesproken investeerder Een hogere waardering betaalt de belastingrekening niet De spaarder kan meer rente krijgen en toch koopkracht verliezen Niet iedere spaarder draagt dezelfde rekening Hoge lasten raken ook de ondernemer aan de grens Belast ontvangen winst en geef vermogensopbouw de ruimte Van Thuisbezorgd naar uitgesproken investeerder Groen richtte Thuisbezorgd in 2000 op en bouwde mee aan het internationale Just Eat Takeaway.com. Volgens de bekendmaking van zijn investering in Butlaroo trad hij op 1 januari 2026 terug als bestuursvoorzitter. Op 24 augustus maakte dat horecatechnologiebedrijf bekend dat hij een minderheidsbelang neemt. Hij is dus geen buitenstaander die alleen commentaar geeft: hij steekt opnieuw geld in een onderneming. Die achtergrond helpt verklaren waarom belastingen en regels zo vaak terugkomen in zijn berichten. Voor een investeerder horen ze bij dezelfde beslissing: wat kan dit bedrijf verdienen, hoeveel risico loop ik en welk deel van een eventuele opbrengst houd ik over? Groen brengt daarmee de ervaring van iemand die zelf een onderneming heeft opgebouwd in het debat. Zijn openbare standpunten laten zien welke zorgen hij belangrijk vindt; ze geven geen toegang tot zijn persoonlijke motieven achter iedere post. De samenhang in zijn berichten is helder: geef bedrijven en particulieren ruimte om zelf te bouwen aan hun toekomst. Privévermogen is daarbij in de eerste plaats van de eigenaar. Dat uitgangspunt sluit belastingheffing niet uit, maar verplicht de overheid wel uit te leggen waarom een bepaalde ingreep nodig is en waarom zij niet onnodig zwaar uitpakt. Groens bijdrage is waardevol omdat hij die bewijslast teruglegt waar zij hoort. Een hogere waardering betaalt de belastingrekening niet Op 5 september spreekt Groen over “papieren (lees: niet bestaande) winsten”. De formulering is scherp, maar het praktische bezwaar erachter is sterk: koerswinst die niet is verzilverd, staat niet op de bankrekening. Een aandeel dat van €100 naar €120 stijgt heeft wel degelijk €20 extra verkoopwaarde. Of die waarde behouden blijft en wanneer de eigenaar haar wil realiseren, is een andere vraag. Juist dat verschil maakt jaarlijkse afrekening over de waardestijging problematisch. Bij een beursfonds kan een belegger meestal een stukje verkopen om een aanslag te betalen. Dat de verkoop mogelijk is, maakt de verplichting nog niet wenselijk. De fiscus beïnvloedt daarmee hoeveel geld belegd kan blijven en kan de eigenaar dwingen zijn langetermijnplan aan te passen. Bij moeilijk verhandelbare bezittingen, voor zover die onder een aanwasheffing zouden vallen, komt daar een waarderings- en liquiditeitsprobleem bij. Uitzonderingen kunnen dat beperken, maar maken het stelsel ook ingewikkelder. Neem een zuiver rekenvoorbeeld van een beursportefeuille die in één jaar van €100.000 naar €120.000 stijgt, zonder dividend of verkoop. Bij een aangenomen tarief van 36 procent over de €20.000 waardestijging ontstaat €7.200 belasting over dat jaar. We laten vrijstellingen, kosten, andere bezittingen en verliesverrekening hier buiten beschouwing om alleen het moment van afrekenen te vergelijken. De belegger heeft €0 verkoopopbrengst ontvangen en moet de €7.200 dus uit een buffer of gedeeltelijke verkoop halen. Bij heffing over gerealiseerde koerswinst is over deze nog niet verkochte stijging op dat moment €0 verschuldigd. Een latere koersdaling kan die eerdere stijging weer tenietdoen. Een ruime en tijdige verliesverrekening kan de uiteindelijke belastingdruk corrigeren, maar de eerdere behoefte aan geld verdwijnt daarmee niet met terugwerkende kracht. Ook het rendement dat de onttrokken middelen anders hadden kunnen opleveren, hangt af van wanneer compensatie beschikbaar komt. Het bezwaar tegen aanwasbelasting is daarom niet dat iedere waardestijging fictief is. Het is dat de overheid geld vraagt voordat de eigenaar de opbrengst zelf heeft ontvangen. De discussie is inmiddels veranderd. In de kabinetsbrief van 29 september staat het voorstel om vanaf 2028 voor financiële instrumenten zoals aandelen en obligaties naar belasting bij realisatie van koerswinst te gaan. Het kabinet beschrijft een verdere uitbreiding vanaf 2030. Tijdens de persconferentie van 2 oktober meldde premier Jetten dat de wijziging met spoed naar de Raad van State was gestuurd. Hij kondigde ook aan kleine spaarders en beleggers te ontzien bij de dekking. Dit zijn voorstellen en toezeggingen, geen definitief vaststaande persoonlijke belastingrekening. De beweging naar belasting bij verkoop is daarom een verbetering en sluit aan bij de kern van Groens bezwaar. Dat bewijst niet dat zijn berichten de koerswijziging hebben veroorzaakt; het laat wel zien dat het probleem serieus genoeg is om het ontwerp te veranderen. De sterkste tegenwerping is dat belasting bij verkoop uitstel aantrekkelijk maakt, waardoor beleggers soms te lang aan een bezit vasthouden. Dat verdient aandacht. Het weegt naar ons oordeel minder zwaar dan een systeem dat jaarlijks geld verlangt over winst die nog niet is ontvangen. De spaarder kan meer rente krijgen en toch koopkracht verliezen Groen vraagt op 3 oktober: “waarom zou je dan nog gaan sparen?” Zijn aanleiding is de combinatie van rente, een vrijgesteld inkomen en inflatie. Bij een vast vrijgesteld rentebedrag daalt inderdaad het vermogen waarmee die grens wordt bereikt als de rente stijgt. Een vrijstelling van €1.000 is bij 2 procent rente bereikt met €50.000, bij 3 procent met ongeveer €33.333. Dat zegt echter nog niet dat meer rente nadelig is. Neem een vereenvoudigd rekenvoorbeeld met één spaarder, €50.000 saldo, 3 procent rente en 3 procent inflatie gedurende één jaar. We veronderstellen €1.000 vrijgesteld rente-inkomen en 36 procent belasting over het meerdere. De vrijstelling sluit aan bij het voorstel van 29 september; na de toezegging van 2 oktober is de uiteindelijke uitwerking onzeker. Dit voorbeeld is een vergelijking van prikkels, geen aanslagberekening voor een bepaald belastingjaar. Andere bezittingen, schulden, partners en kosten blijven buiten beschouwing. De bruto rente is €50.000 × 3 procent = €1.500 per jaar. De modelbelasting is (€1.500 − €1.000) × 36 procent = €180. Netto resteert €1.320 per jaar, gemiddeld €110 per maand; de berekening veronderstelt jaarlijkse afrekening. Het eindsaldo van €51.320 heeft bij 3 procent inflatie een koopkracht van €51.320 / 1,03 = €49.825 in euro’s van het begin van het jaar. Het reële verlies is dus ongeveer €175 per jaar, of gemiddeld €14,56 per maand. Meer rente blijft in dit voorbeeld gunstig. Bij 2 procent ontvangt de spaarder €1.000, betaalt hij in het model geen belasting en houdt hij reëel €49.515 over. Bij 3 procent rente is hij ongeveer €311 beter af, ondanks de aanslag. Maar dat betere resultaat is nog altijd een koopkrachtverlies van ongeveer €175. Daar zit de kern van Groens waarschuwing: een belasting kan een nominale vooruitgang belasten terwijl de eigenaar in koopkracht achteruitgaat. Een deel van de rente herstelt alleen wat prijsstijgingen aan koopkracht wegnemen. Wie uitsluitend naar het hogere banksaldo kijkt, overschat de vooruitgang. Spaargeld biedt daarnaast beschikbaarheid en zekerheid: een buffer voor een reparatie of onverwacht inkomensverlies heeft waarde, ook zonder positief reëel rendement. Dat is juist een reden om vermogensopbouw te respecteren. Mensen die voor hun eigen financiële weerbaarheid zorgen, moeten niet vanzelfsprekend als extra financieringsbron voor de overheid worden behandeld. Niet iedere spaarder draagt dezelfde rekening Bij €25.000 saldo en dezelfde rente van 3 procent blijft het rente-inkomen in dit model onder €1.000. Zonder belasting houdt die spaarder bij eveneens 3 procent inflatie precies dezelfde koopkracht. Bij €100.000 bedraagt de rente €3.000 en de belasting €720. Het reële verlies is dan ongeveer €699 per jaar. Een vast vrijgesteld inkomen beschermt kleine tegoeden relatief sterk, maar is geen algemene bescherming tegen inflatie. Bij een lagere rente dan inflatie verliest ook de vrijgestelde spaarder koopkracht. Ook tussen sparen en ondernemen zijn verschillen groot. Een spaarrekening heeft een afleesbaar saldo en rente. Bij een jonge onderneming zijn waarde en toekomstige kasstromen veel onzekerder. Bovendien valt een aanzienlijk aandelenbelang van een ondernemer doorgaans onder een ander belastingregime dan een gewone particuliere effectenportefeuille. “De ondernemer” en “de box 3-belegger” zijn daarom geen uitwisselbare groepen. De invloed van belastingen moet per bezit en per financieringsvorm worden bekeken. De omgekeerde vraag is nuttiger dan alleen de aanslag berekenen: hoeveel bruto rente is nodig om de koopkracht te behouden? Boven de vrijstelling geldt in ons voorbeeld: netto rente = bruto rente × 0,64 + €360. Voor €1.500 koopkrachtcompensatie is dan (€1.500 − €360) / 0,64 = €1.781,25 bruto rente nodig. Op €50.000 is dat 3,5625 procent. Zonder deze modelbelasting was 3 procent voldoende. Het verschil is de extra opbrengst die nodig is om dezelfde koopkracht te bereiken. Hoge lasten raken ook de ondernemer aan de grens Op 3 oktober schrijft Groen over winkelen over de grens: “Dit doet de overheid de ondernemers in onze grensstreek aan.” De cijfers van De Nederlandsche Bank van 28 september tonen een echte verschuiving. Het aantal betalingen met Nederlandse betaalpassen en creditcards bij Belgische en Duitse tankstations lag in de eerste helft van 2026 ongeveer 20 procent hoger dan een jaar eerder. Het bestede bedrag groeide circa 32 procent tot ongeveer €1,5 miljard. Voor ondernemers aan de grens onderstreept dit Groens punt dat beleid rekening moet houden met uitwijkgedrag. Omzet die elders terechtkomt, betaalt hun personeel en huur niet. Wel laten deze transacties niet zien welk deel door accijnzen wordt veroorzaakt. DNB wijst erop dat ook laden, andere aankopen en reisgedrag meespelen. Die beperking verandert de beleidsvraag niet: wat blijft er van een hogere heffing over als een deel van de bestedingen de grens over gaat? Het sterkste tegenargument is dat ondernemers en vermogensbezitters ook profiteren van wegen, rechtspraak en onderwijs. Dat is terecht, maar rechtvaardigt niet iedere belastingvorm of steeds hogere uitgaven. De overheid moet eerst duidelijk maken wat publieke voorzieningen kosten, waar zij doelmatiger kan werken en welke heffing de minste schade veroorzaakt. Eigendom verdient bescherming, juist omdat burgers daarmee zelf keuzes kunnen maken en minder afhankelijk worden van politieke besluiten. Belast ontvangen winst en geef vermogensopbouw de ruimte Voor de spaarder werken we drie samenhangende eenjaarsscenario’s uit. Het saldo blijft €50.000, de inflatie 3 procent, de vrijstelling €1.000 en het modeltarief 36 procent. Alleen de rente varieert. Bij 2 procent is het reële resultaat circa min €485, bij het basisscenario van 3 procent min €175 en bij 4 procent plus €136. Steeds geldt: reëel resultaat = (beginsaldo + rente − belasting) / 1,03 − beginsaldo. Het zijn gevoeligheidsberekeningen met peildatum 3 oktober 2026, geen voorspellingen van toekomstige spaarrentes. Een horizon van één jaar is hier zinvoller dan schijnbaar precieze bedragen voor drie kalenderjaren. De wetgeving is in beweging en toekomstige rente en inflatie staan niet vast. Wie drie jaar wil doorrekenen, moet bovendien rente-op-rente, gewijzigde vrijstellingen en nieuwe prijsstijgingen meenemen. De beslissende boodschap is al zichtbaar: een hogere rente kan de aanslag vergroten en de koopkracht tegelijk verbeteren. Lees ook: Heinen stuurt de nieuwe box 3 met spoed naar de Raad van State. Groen verdient steun waar hij waarschuwt dat de overheid sparen en investeren te gemakkelijk ondergeschikt maakt aan haar eigen financieringsbehoefte. Een belasting op gerealiseerde winst past beter bij eigendomsrecht en langetermijnbeleggen dan een jaarlijkse aanslag op ongerealiseerde koersstijgingen. Dat ontslaat beleggers niet van belasting, maar laat hun meer zeggenschap over hun vermogen en het moment waarop opbrengsten vrijkomen. De definitieve wet moet aantonen dat de aangekondigde omslag werkelijk uitvoerbaar is en kleine spaarders beschermt. Een aanwasvariant die het liquiditeitsprobleem en tijdige verliescompensatie overtuigend oplost, zou een belangrijk bezwaar verminderen. Zolang dat bewijs ontbreekt, is afrekenen na realisatie de betere keuze.

  • Bij AST SpaceMobile mag satellietverlies geen gewoonte worden

    In het kort AST SpaceMobile had eind juni dertien ruimtevaartuigen in een baan om de aarde. De onderneming werkte aan BlueBird 17 tot en met 46 en meldde dat veertien tot zestien satellieten vrijwel gereed waren. De contractuele omzetachterstand bedroeg ongeveer $1,3 miljard. Het tweede kwartaal bevatte een verlies van $125,9 miljoen door een onvrijwillige conversie. Dat drukt de gerapporteerde kosten en laat vooral zien hoe duur een probleem kan zijn zolang productie, lancering, verzekering en vervanging nog niet op grote schaal zijn gestandaardiseerd. De koers van $58,45 veronderstelt een commerciële doorbraak. In het middenscenario moet de omzet richting $3 miljard in 2029 kunnen groeien, bij een omzetmultiple rond negen. De mogelijke koersen van $66, $82 en $101 zijn scenario’s, geen koersdoelen. AST SpaceMobile wil gewone smartphones rechtstreeks met satellieten verbinden. Dat is een aantrekkelijk voorstel: telecombedrijven kunnen dekking uitbreiden zonder overal zendmasten te bouwen en AST krijgt toegang tot bestaande klanten en spectrumrelaties. Het verdienmodel is groothandel. Partners zoals mobiele operators verkopen de dienst, terwijl AST een deel van de opbrengst ontvangt. De techniek moet echter eerst als netwerk functioneren, niet alleen als demonstratie. Bij de kwartaalupdate van 10 augustus meldde de onderneming $31,5 miljoen omzet en ongeveer $1,3 miljard contractuele omzetachterstand. Er waren dertien ruimtevaartuigen in de ruimte. De productie van BlueBird 17 tot en met 46 liep, terwijl veertien tot zestien toestellen bijna klaar waren. De pro-formaliquiditeit lag na een converteerbare lening in juli boven $3,7 miljard. Direct naar een onderdeel van dit artikel Productierisico is waarderingsrisico Kas geeft tijd, maar geen technisch bewijs De aandelenbasis verdient extra aandacht Wat moet $58,45 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden Productierisico is waarderingsrisico De gerapporteerde operationele kosten bedroegen $329,1 miljoen. Daarin zat $125,9 miljoen verlies door een onvrijwillige conversie. Zonder die post waren de aangepaste operationele kosten $119,1 miljoen. Een bijzondere last mag niet automatisch als structurele kwartaaluitgave worden gezien. Toch is zij economisch relevant. Een satelliet vertegenwoordigt materiaal, arbeid, testcapaciteit, lanceertijd en gemiste toekomstige omzet. De boekhoudkundige last is niet hetzelfde als de kale bouwsom. Activa kunnen op verschillende momenten zijn geactiveerd, verzekeringsopbrengsten kunnen lager zijn dan de vervangingswaarde en vertraging heeft een eigen prijs. Daarom is het gevaarlijk om het verlies simpelweg te delen door één toestel en dat als normale satellietkost te presenteren. De eerste module zet de last af tegen een gemiddelde van de bruto ruimtehardware in aanbouw. Het is een gevoeligheidsanalyse. Zij maakt vooral duidelijk dat uitval in een jonge vloot veel zwaarder weegt dan bij een volwassen constellatie met tientallen operationele reserve-eenheden. Kas geeft tijd, maar geen technisch bewijs De pro-formakas van meer dan $3,7 miljard is een belangrijk vangnet. In juli plaatste AST $1,15 miljard aan converteerbare schuld met een effectieve conversieprijs van $149,20. Volgens het bedrijf lag de effectieve verwatering onder 2%. Dat is gunstiger dan een grote aandelenemissie rond de huidige koers, maar de lening blijft een claim op toekomstige kas of aandelen. De kasbaan hangt af van productie, lanceringen en klantbetalingen. Een simpel model met $450 miljoen kwartaalverbruik en de huidige kwartaalomzet geeft meer dan acht kwartalen. De werkelijkheid zal grilliger zijn. Vooruitbetalingen, overheidsovereenkomsten en extra schuld verlengen de baan; een hoger productietempo en mislukkingen verkorten hem. Het sterke tegenargument is de kwaliteit van de partners en de achterstand. Telecombedrijven hebben klanten, spectrum en facturering al geregeld. Als AST betrouwbaar capaciteit levert, kan de verkoop sneller schalen dan bij een nieuw consumentenmerk. Bovendien kan bereik buiten bestaande masten waardevol zijn voor noodcommunicatie, defensie en afgelegen gebieden. Het zwakke punt is dat een achterstand geen omzet is. Contracten bevatten mijlpalen, beschikbaarheidseisen en soms opties. Omzet komt pas wanneer capaciteit bruikbaar wordt en klanten betalen. De economie per satelliet hangt vervolgens af van benutting. Een technisch werkende satelliet met weinig betaalde datavraag verdient zijn kapitaal niet terug. De aandelenbasis verdient extra aandacht AST heeft meerdere aandelenklassen. Eind juni waren er ongeveer 299,7 miljoen Class A-aandelen, 11,2 miljoen Class B en 78,2 miljoen Class C. Voor een waarderingsmodel telt het economische belang van alle klassen, plus mogelijke conversie van schuld, warrants en personeelsbeloning. Alleen de beursgenoteerde Class A tellen onderschat de waarde die toekomstige kasstromen moet dragen. Wat moet $58,45 waarmaken? De koers is de laatste Nasdaq-handel op 2 oktober 2026. Met een conservatieve economische aandelenbasis rond 389 miljoen vertegenwoordigt $58,45 ruim $22 miljard aan equitywaarde. Omdat de onderneming nog verlieslatend is, past een gewone koers-winstverhouding niet. De omgekeerde waardering gebruikt daarom omzet in 2029, een eindmultiple en nettokas. Bij 10% gewenst jaarrendement, $1 miljard nettokas en een omzetmultiple van negen is ongeveer $3,1 miljard omzet in 2029 nodig. Dat is bijna honderd keer de kwartaalomzet van $31,5 miljoen op jaarbasis. Het kan alleen als de constellatie, commerciële activering en benutting tegelijk sterk opschalen. Drie mogelijke koerspaden De volgende module maakt de aannames per jaar en scenario zichtbaar. Het bearscenario veronderstelt vertraging, meer uitval en extra verwatering. Het middenscenario rekent op een haalbare lanceercadans, groeiende groothandelsomzet en een omzetmultiple van negen. Het gunstige scenario vraagt hoge benutting, weinig technische uitval en een multiple van elf, omdat de markt het netwerk als schaars infrastructuurplatform blijft zien. AST SpaceMobile heeft nu genoeg kapitaal om veel verder te bouwen dan een paar jaar geleden. De belangrijkste vraag is daardoor verschoven. Niet alleen of een telefoon verbinding kan maken, maar of de onderneming tientallen satellieten voorspelbaar kan produceren, lanceren, verzekeren en commercieel vullen. Eén groot verlies is te verklaren. Een patroon van verliezen zou de kas, planning en waardering tegelijk raken. Ook reserveonderdelen, lanceerspreiding en aantoonbare verzekeringsdekking horen daarom bij de economische kwaliteit van het netwerk, naast bereik en datasnelheid. Lees ook: Meer analyses van ruimtevaart en groeibedrijven Feiten uit AST SpaceMobile kwartaalbericht en SEC-bijlage van 10 augustus 2026; koers $58,45 op 2 oktober 2026 aan Nasdaq. Scenario’s en berekeningen zijn eigen aannames.

  • Verdient Apple elke AI-dollar terug per apparaat?

    In het kort Apple zette in het kwartaal tot en met 27 juni $109,4 miljard omzet om. De omzet groeide 16% en de verwaterde winst per aandeel steeg 29% naar $2,02. De brutomarge van 50,1% kreeg ongeveer twee procentpunt hulp van terugontvangen importheffingen. De installed base maakt onderzoek uitzonderlijk schaalbaar. Een nieuwe chip, beveiligingsfunctie of AI-model kan over meer dan twee miljard actieve apparaten worden uitgerold. De juiste maatstaf is daarom niet alleen de totale onderzoekslast, maar wat de investering later aan extra kas per apparaat oplevert. De koers van $333,69 laat weinig ruimte voor middelmaat. Bij 8% gewenst jaarrendement en een eind-P/E van 31 moet de winst per aandeel in 2029 richting $13,6. De mogelijke koersen voor 2027, 2028 en 2029 lopen in het middenscenario van $355 via $382 naar $412. Apple wordt vaak beschreven als een hardwarebedrijf met een snelgroeiende dienstentak. Dat is juist, maar onvolledig. De onderneming verkoopt een geïntegreerd systeem van chips, besturingssoftware, apparaten, winkels, betalingen en abonnementen. Onderzoek vormt de verbinding. Een zelfontworpen chip kan de accuduur verbeteren, een nieuw model kan functies lokaal uitvoeren en een beveiligingslaag kan het vertrouwen in betalingen vergroten. De opbrengst verschijnt vervolgens op meerdere plekken in de resultaten. Bij de kwartaalcijfers van 30 juli meldde Apple $109,4 miljard omzet, 16% meer dan een jaar eerder. De verwaterde winst per aandeel kwam uit op $2,02. Het bedrijf sprak van een record aan operationele kasstroom voor een junikwartaal en een installed base op recordniveau. Dat zijn sterke cijfers, maar de koers was op 2 oktober al opgelopen tot $333,69. De marktwaarde bedroeg ongeveer $4,9 biljoen en de koers-winstverhouding circa 38. Direct naar een onderdeel van dit artikel De hefboom van miljarden apparaten Kasstroom is de beste scheidsrechter AI moet een product worden, geen kostenpost Wat moet $333,69 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden De hefboom van miljarden apparaten Apple hoeft een investering niet op één product terug te verdienen. Een betere Neural Engine kan de iPhone aantrekkelijker maken, de Mac differentiëren en de kosten van cloudverwerking beperken. Een softwarefunctie kan tegelijk klantbehoud, dienstenomzet en de kans op een volgende apparaatverkoop verbeteren. Dat geeft Apple een voordeel tegenover leveranciers die slechts één laag van de keten verkopen. Toch is schaal geen garantie voor rendement. Generatieve AI vraagt om chips, datacenters, modellen, licenties en talent. Niet iedere functie leidt tot een hogere verkoopprijs of een abonnement. Als AI vooral noodzakelijk is om bij te blijven, stijgen de kosten zonder dat de omzet even hard versnelt. Bij een hoge waardering telt dat verschil zwaar. De module verdeelt een aangenomen jaarlijkse onderzoekslast over de actieve apparaten. De uitkomst van ongeveer $14 per apparaat is geen door Apple gerapporteerde maatstaf. Zij laat zien hoe laag de drempel per apparaat is: enkele dollars extra brutowinst, minder uitstroom of een iets kortere vervangingscyclus kunnen een grote totale opbrengst geven. Kasstroom is de beste scheidsrechter Omzet en brutomarge geven maar een deel van het beeld. Investeringen in datacenters en productiemiddelen lopen via de kasstroom. Aandelenbeloning wordt teruggeteld bij de operationele kas, maar is voor aandeelhouders niet gratis. Apple koopt veel eigen aandelen in en verlaagt daarmee het aandelenaantal, maar inkoop is pas waardecreërend wanneer de betaalde prijs lager is dan de contante waarde van de toekomstige kas. De tweede module trekt capex en een economische last voor aandelenbeloning af van de operationele kas. Dat is strenger dan de officiële vrije kasstroom en voorkomt dat aandelenbeloning dubbel gunstig wordt behandeld. De uitkomst is geen boekhoudkundig cijfer, maar een bruikbare controle op kas per aandeel. Het sterke tegenargument is dat Apple al jaren bewijst dat het hoge marges en uitzonderlijke kasconversie kan volhouden. Het ecosysteem maakt overstappen lastig zonder klanten formeel op te sluiten. Diensten hebben vaak een hogere brutomarge dan hardware en de eigen chips verlagen afhankelijkheid van externe leveranciers. Daar staat concentratierisico tegenover. Zoekvergoedingen, App Store-regels en importheffingen kunnen door toezichthouders of overheden worden veranderd. AI moet een product worden, geen kostenpost De beste uitkomst is niet noodzakelijk een apart AI-abonnement. Apple kan waarde creëren door meer opslag te verkopen, apparaten sneller te laten vervangen, ontwikkelaars betere functies te laten bouwen en cloudkosten te beperken met lokale verwerking. Dat is lastiger zichtbaar dan één nieuwe omzetregel, maar economisch minstens zo belangrijk. De zwakke uitkomst is dat consumenten de functies weinig gebruiken, terwijl Apple wel zwaar investeert. Ook kan samenwerking met externe modelbouwers de differentiatie verminderen. Als dezelfde kernfunctie op concurrerende apparaten beschikbaar is, blijft vooral design, distributie en privacy als onderscheid over. Die combinatie is sterk, maar de waardering veronderstelt dat zij sterker wordt, niet alleen stabiel blijft. Wat moet $333,69 waarmaken? De omgekeerde waardering begint bij de laatste Nasdaq-handel op 2 oktober 2026. Bij een koers van $333,69 en ongeveer $8,71 winst per aandeel betaalt de markt ruim 38 keer de lopende winst. De vraag is welke winst per aandeel in 2029 nodig is om vanaf deze prijs nog een redelijk rendement te verdienen. Bij 8% gewenst koersrendement en een eind-P/E van 31 is ongeveer $13,6 winst per aandeel nodig. Vanaf $8,71 vraagt dat grofweg 16% samengestelde groei per jaar. Een deel kan uit omzet en marge komen, een deel uit een dalend aandelenaantal. Wie een eind-P/E van 24 gebruikt, vraagt veel meer winst. Wie 35 accepteert, neemt het risico dat de markt Apple ook over drie jaar als uitzonderlijk veilig en schaars blijft waarderen. Drie mogelijke koerspaden De volgende module maakt de aannames per jaar en scenario zichtbaar. In het bearscenario leveren AI-uitgaven weinig extra omzet op, normaliseert de brutomarge en daalt de P/E naar 24. Het middenscenario veronderstelt circa 7% omzetgroei, stabiele hoge marges en winstgroei per aandeel dankzij operationele groei plus inkoop. Het gunstige scenario vraagt een sterkere upgradecyclus, meer dienstenomzet en een P/E van 35. De terugontvangen importheffingen hielpen de junimarge tijdelijk met ongeveer twee procentpunt. Dat effect verdient geen structurele multiple. De installed base, eigen chips en distributie verdienen die mogelijk wel, maar alleen wanneer onderzoek in aantoonbare kas per apparaat verandert. Op $333,69 koopt een belegger niet enkel de kwaliteit van vandaag. De koers rekent ook op een lange reeks productbeslissingen die economisch beter uitpakken dan de kosten ervan. Lees ook: Meer analyses van technologiebedrijven en waardering Feiten uit Apple kwartaalbericht van 30 juli 2026 over het derde kwartaal van boekjaar 2026; koers $333,69 op 2 oktober 2026 aan Nasdaq. Scenario’s en berekeningen zijn eigen aannames.

  • Uber heeft 13,3 miljard dollar aan verzekeringsreserves staan

    In het kort Uber groeit nog altijd stevig. In het tweede kwartaal van 2026 steeg het aantal ritten naar 3,87 miljard en kwamen de bruto boekingen uit op $58,0 miljard. De vrije kasstroom bedroeg $2,79 miljard. Daar staat een minder opvallende balanspost tegenover: $13,29 miljard aan kort- en langlopende verzekeringsreserves. De reserve is geen schuld die morgen volledig betaald moet worden. Het is de beste schatting van toekomstige schadebetalingen uit ritten waarvoor Uber of een verzekeringsdochter risico draagt. Kleine afwijkingen in schadefrequentie, letselkosten of juridische afwikkeling kunnen daardoor jaren later nog door de resultaten lopen. Bij $68,11 vraagt de beurs om blijvende groei van vrije kas per aandeel. In het middenscenario groeit de vrije kas richting ongeveer $7,4 miljard in 2029 en blijft de vrije-kasmultiple rond 24. De mogelijke koersen van $76, $85 en $95 voor 2027 tot en met 2029 zijn scenario’s, geen koersdoelen. Uber lijkt op het eerste gezicht een lichte softwaremarktplaats. De app koppelt chauffeurs, koeriers, restaurants en reizigers aan elkaar, terwijl het bedrijf een percentage van de boeking houdt. Dat model schaalt aantrekkelijk: meer ritten hoeven niet één op één meer hoofdkantoorkosten te betekenen. Toch is mobiliteit geen zuivere software. Achter elke rit staan lokale regels, veiligheid, klantenservice en verzekering. Vooral die laatste post verdient meer aandacht nu beleggers Uber vooral waarderen op vrije kasstroom. Bij de kwartaalcijfers van 5 augustus meldde Uber over de drie maanden tot en met 30 juni $58,02 miljard aan bruto boekingen, $14,19 miljard omzet en $1,89 miljard operationele winst. De vrije kasstroom van $2,79 miljard was sterk. Het aantal ritten groeide naar 3,87 miljard. Dat laat de kracht van het netwerk zien: meer vraag trekt chauffeurs aan, kortere wachttijden trekken weer meer reizigers aan en een hogere dichtheid verbetert de benutting. Direct naar een onderdeel van dit artikel De verborgen kapitaalintensiteit van een rit Waarom schaal hier twee kanten op werkt De rest van het verdienmodel blijft sterk Wat moet $68,11 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden De verborgen kapitaalintensiteit van een rit Op de balans stond eind juni $3,76 miljard aan kortlopende en $9,53 miljard aan langlopende verzekeringsreserves. Samen is dat $13,29 miljard. Vergeleken met Uber’s $5,4 miljard aan vrij beschikbare kas en kortlopende beleggingen is dat een groot bedrag. Het betekent niet dat Uber te weinig kas heeft. Reserves worden over lange tijd betaald en tegenover de verplichtingen staan premies, verhaalrechten en soms herverzekering. Het maakt wel duidelijk dat de kwaliteit van de schatting belangrijk is. Schadegevallen ontwikkelen zich langzaam. Een eenvoudige aanrijding kan snel worden gesloten, maar lichamelijk letsel, proceskosten of onduidelijkheid over aansprakelijkheid kunnen jaren vergen. Inflatie in medische kosten en hogere juryvergoedingen verhogen de uiteindelijke rekening. Als de oorspronkelijke reserve te laag blijkt, moet Uber later bijboeken. Dat raakt dan de operationele marge in een kwartaal waarin de bijbehorende rit al lang geleden plaatsvond. De rekenmodule verdeelt de totale reserve over een jaarbasis van ritten. Dat is nadrukkelijk geen kostprijs per rit, omdat de reserve meerdere schadejaren omvat en niet alle ritten hetzelfde risico hebben. De uitkomst helpt wel om de orde van grootte te zien. Een paar dubbeltjes verschil in uiteindelijke schade per rit kan bij miljarden ritten veel groter zijn dan een gewone softwarebesparing. Waarom schaal hier twee kanten op werkt Meer ritten geven Uber onderhandelingsmacht, betere data en een efficiëntere afhandeling. De onderneming kan risicopatronen per stad, tijdstip en type rit herkennen. Ook kan zij dekking inkopen voor een omvangrijke portefeuille. Dat zijn echte schaalvoordelen. Tegelijk vergroot elke extra rit de blootstelling. De winst stijgt alleen sneller dan de boekingen wanneer de schadelast per rit stabiel blijft of daalt. De concurrentie maakt dat lastig. Lyft, DoorDash en lokale platforms concurreren op prijs en beschikbaarheid. Een hogere verzekeringsopslag kan de vraag remmen of het inkomen van chauffeurs aantasten. Uber kan dus niet elke kostenstijging zonder gevolgen doorberekenen. Het sterkste tegenargument is dat de onderneming inmiddels veel data en prijsmacht heeft. Dat klopt, maar de markt moet deze kracht nog ieder jaar terugzien in de vrije kas per aandeel. De tweede module koppelt een extra schadelast aan de kwartaalboekingen. Een afwijking van 0,2% op $58 miljard is al ongeveer $116 miljoen. Dat is beheersbaar tegenover $2,79 miljard vrije kas, maar materieel. Bij meerdere slechte schadejaren kan de optelsom de margeverbetering uit schaal en advertenties gedeeltelijk opeten. De rest van het verdienmodel blijft sterk Mobility is het hart van Uber, maar Delivery en advertenties verbreden de kasstroom. Een klant die Uber gebruikt voor ritten, eten en boodschappen wordt goedkoper bediend dan drie losse klanten. Uber One kan de frequentie verhogen. Advertenties op het platform hebben bovendien een hoge incrementele marge, omdat Uber de transactie en de intentie al ziet. Dat is aantrekkelijker dan een advertentiemodel dat vooral bereik verkoopt. Autonome voertuigen vormen een tweede kans en een risico. Uber hoeft niet per se zelf de beste robotaxi te bouwen. Het kan vraag bundelen voor meerdere aanbieders en een distributievergoeding houden. Daartegenover staat dat een sterke voertuigpartner zelf de klantrelatie kan opeisen. Verzekering verandert eveneens: productaansprakelijkheid, softwarefouten en vlootrisico verschuiven de rekening, maar laten die niet verdwijnen. Wat moet $68,11 waarmaken? De koers van $68,11 is de laatste handel op de New York Stock Exchange op 2 oktober 2026. Met ongeveer 2,05 miljard verwaterde aandelen geeft dat een beurswaarde van circa $140 miljard. De omgekeerde waardering hieronder vraagt niet wat Uber volgens een analist waard is, maar hoeveel vrije kas in 2029 nodig is voor een gewenst rendement en een gekozen eindmultiple. Bij 8% gewenst koersrendement en een multiple van 24 is ongeveer $7,4 miljard vrije kas in 2029 nodig. Dat is fors, maar niet ondenkbaar na een kwartaal met $2,79 miljard. Het gevaar zit in extrapolatie: werkkapitaal, belastingbetalingen, verzekeringsreserves en aandelenbeloning maken kwartaalcijfers grillig. De $550 miljoen aandelenbeloning in het tweede kwartaal is geen directe kasuitstroom, maar verwatert wel als inkoop die uitgifte niet compenseert. Drie mogelijke koerspaden De volgende module maakt de aannames per jaar en scenario zichtbaar. Het bearscenario veronderstelt dat verzekerings- en chauffeurskosten sneller stijgen dan de omzet en dat de vrije-kasmultiple naar 18 daalt. Het middenscenario rekent met ongeveer 12% groei van boekingen, een geleidelijke verbetering van de kasmarge en een multiple van 24. In het gunstige scenario leveren advertenties, lidmaatschap en autonome partners samen meer kas per rit, terwijl de multiple 28 blijft. De kern is daarmee eenvoudig. Uber hoeft niet alleen meer ritten te boeken. Het moet aantonen dat de economische winst per rit stijgt nadat schade, aandelenbeloning en alle lokale kosten zijn verwerkt. De balansreserve is geen reden om het aandeel af te schrijven. Zij is wel de plek waar een ogenschijnlijk lichte marktplaats laat zien hoeveel echt operationeel risico zij draagt. Lees ook: Meer analyses van platformbedrijven en hun kasstromen Feiten uit Uber kwartaalbericht van 5 augustus 2026 over het tweede kwartaal; koers $68,11 op 2 oktober 2026 aan de NYSE. Scenario’s en berekeningen zijn eigen aannames.

  • Vergeet spreiding als vangnet bij Vanguards dure wereld-ETF

    In het kort VWCE sloot op 2 oktober op €171,03 op Euronext Amsterdam. Vanguard rapporteerde per 31 augustus 3.784 aandelen in het fonds, tegenover 4.263 namen in de FTSE All-World-index. Dat is een brede portefeuille, met ontwikkelde en opkomende markten in één product. Toch is het financiële vertrekpunt minder breed dan het aantal regels suggereert: de Verenigde Staten wegen 61,68% en de portefeuille noteert op 21 keer winst. Om die combinatie draait het. Spreiding beschermt tegen een tegenvaller bij één bedrijf. Zij beschermt niet tegen een wereldwijde daling van waarderingsmultiples. Wie nu koopt, betaalt ongeveer €1 voor elke €0,0476 aan onderliggende jaarwinst. Om vanuit dat vertrekpunt een degelijk rendement te halen, moeten de winsten groeien, de waardering redelijk hoog blijven en de euro-dollarverhouding niet te hard tegenwerken. Direct naar een onderdeel van dit artikel De ETF is breed, de winst niet gelijk verdeeld Kosten zijn laag, maar niet de belangrijkste variabele Valuta hoort bij het rendement Wat moet €171,03 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden De kern voor beleggers De ETF is breed, de winst niet gelijk verdeeld VWCE volgt fysiek de FTSE All-World-index en gebruikt een representatieve steekproef. De Amerikaanse weging van 61,68% is veel groter dan die van Japan op 6,00%, Taiwan op 3,31% en het Verenigd Koninkrijk op 3,25%. De grootste posities zijn NVIDIA, Apple, Microsoft en Amazon. Daardoor komt een belangrijk deel van de winstgroei en waardering uit dezelfde Amerikaanse technologieketen. Dat is geen fout in het fonds. De index weegt bedrijven naar beurswaarde en grote winstgevende ondernemingen krijgen daardoor vanzelf een groot gewicht. Het is wel belangrijk om het verschil tussen naamspreiding en economische spreiding te zien. Vierduizend aandelen kunnen nog steeds gevoelig zijn voor dezelfde rente, dollar en waarderingspremie. Op 31 augustus bedroeg de gerapporteerde P/E 21,0 en het rendement op eigen vermogen 18,7%. Vanguard meldde daarnaast een historische winstgroei van 20,1%. Dat laatste cijfer is geen voorspelling. Na een periode van uitzonderlijke groei bij grote technologiebedrijven kan de toekomstige groei lager uitvallen. De huidige koers vraagt daarom niet om een herhaling van 20%, maar wel om voldoende groei om een eventuele daling van de multiple op te vangen. Kosten zijn laag, maar niet de belangrijkste variabele Vanguard verlaagde de lopende kosten van deze shareclass tot 0,14%. Op een positie van €10.000 is dat ongeveer €14 per jaar, los van handelskosten en belastingeffecten binnen het fonds. De jaarlijkse tracking error bedroeg 0,07% over één en drie jaar en 0,08% over vijf jaar. Dat wijst op een nauwkeurige uitvoering van de indexstrategie. Toch bepaalt de fee niet het grootste deel van het rendement. Een daling van 21 naar 17 keer winst kost ruim 19% aan waardering, zelfs wanneer de winst gelijk blijft. Daar staan meer dan honderd jaar aan huidige fondskosten tegenover. Lage kosten zijn dus noodzakelijk voor een indexfonds, maar zij maken een hoge startwaardering niet onschadelijk. De accumulerende shareclass keert geen dividend uit. Alle ontvangen dividenden worden binnen het fonds herbelegd. Dat helpt het rente-op-rente-effect en voorkomt dat de belegger zelf kleine bedragen moet herinvesteren. Het dividend blijft echter afkomstig uit dezelfde ondernemingen. Wanneer bedrijven minder winst maken of meer kapitaal nodig hebben, kan de onderliggende uitkering dalen. Valuta hoort bij het rendement De handelsvaluta op Euronext Amsterdam is euro, terwijl de basisvaluta van het fonds dollar is. Dat betekent niet dat VWCE naar euro is afgedekt. De economische valuta-exposure komt uit de omzet, kosten en activa van de onderliggende bedrijven. Een sterkere euro kan het rendement van dollaractiva in euro drukken; een zwakkere euro kan het juist verhogen. Valuta is op korte termijn onvoorspelbaar en verdient daarom geen plaats als vanzelfsprekende bonus in een waarderingsmodel. In het middenscenario houden we EUR/USD constant. In het bear- en gunstige scenario kan de schuif in de interactieve module worden gebruikt om te zien hoeveel een andere valuta-uitkomst doet. Dat maakt duidelijk dat een eurokoers van het fonds geen eurohedge is. Wat moet €171,03 waarmaken? Een reverse valuation begint niet met de vraag wat VWCE volgens ons waard is. Zij begint met de vraag welke onderliggende winstgroei nodig is om vanaf €171,03 een gewenst rendement te halen. Bij een start-P/E van 21, een eind-P/E van 19 en 8% gewenst jaarrendement is ongeveer 11% winstgroei per jaar nodig, inclusief een kleine compensatie voor fondskosten. Dat is stevig voor een portefeuille die de volledige wereldmarkt volgt. Blijft de P/E in 2029 op 21, dan daalt de vereiste groei. Zakt de multiple naar 17, dan moet de winst veel harder groeien. Dit is precies waarom een brede ETF geen waarderingsvrije belegging is. Het fonds kan de beste bedrijven blijven bezitten en toch een matig rendement leveren wanneer beleggers bij aankoop te veel betalen. Een sterk tegenargument is dat de samenstelling zich automatisch aanpast. Winnaars worden groter, verliezers krimpen en nieuwe ondernemingen komen in de index. De belegger hoeft niet zelf het volgende succesvolle bedrijf te kiezen. Dat is een echte kracht. Het lost alleen het probleem van een hoge waardering op indexniveau niet meteen op, omdat nieuwe winnaars vaak pas na een sterke koersstijging een groot gewicht krijgen. Drie mogelijke koerspaden Het bearscenario veronderstelt dat de winstgroei vrijwel stilvalt en de waardering naar ongeveer 17 keer winst daalt. Mogelijke koersen zijn €156 in 2027, €149 in 2028 en €146 in 2029. Het fonds blijft breed en goedkoop in gebruik, maar de startmultiple werkt dan tegen. In het middenscenario groeit de onderliggende winst circa 7% per jaar en eindigt de P/E rond 19. De mogelijke koersen zijn €181, €194 en €208. In het gunstige scenario groeit de winst ongeveer 10% en blijft de waardering rond 22 keer. Dan volgen €199, €225 en €254. Dit zijn koersen van de accumulerende shareclass; herbelegde dividenden zitten dus in de fondswaarde. De formule is onderliggende winst per fondsdeel maal de gekozen P/E, vertaald naar euro. De peildatum is 2 oktober 2026. De scenario's zijn geen voorspellingen en geen koersdoelen. Zij laten zien hoeveel van het rendement uit winstgroei moet komen en hoeveel uit de bereidheid van toekomstige beleggers om dezelfde winst hoog te waarderen. De kern voor beleggers VWCE blijft een efficiënt instrument voor wie met één transactie een groot deel van de wereldwijde aandelenmarkt wil bezitten. De shareclass is Iers, fysiek, accumulerend en heeft ISIN IE00BK5BQT80. De 0,14% lopende kosten en lage tracking error zijn sterke productkenmerken. De beleggingsbeslissing draait nu vooral om de prijs. Bij 21 keer winst is de foutmarge kleiner dan het aantal holdings doet vermoeden. De komende jaren zijn drie cijfers bepalend: de winstgroei van de Amerikaanse megacaps, de waardering van de rest van de wereld en de euro-dollarverhouding. Als brede winstgroei de huidige premie ondersteunt, kan €171,03 een redelijke start zijn. Als vooral de multiple daalt, helpt spreiding wel tegen een bedrijfsramp, maar niet tegen een matig totaalrendement. Lees ook: waarom hoge waarderingen naar winstgroei moeten worden teruggerekend.

  • Contracten van Nebius moeten langer meegaan dan de chips

    In het kort Nebius Group Class A sloot vrijdag 2 oktober op Nasdaq op $242,81. Het bedrijf bouwt AI-infrastructuur, koopt grote hoeveelheden GPU's en financiert de uitrol met eigen vermogen, schuld, convertibles en klantvooruitbetalingen. Een meerjarig klantcontract klinkt als zichtbare omzet, maar de economie hangt af van timing. De hardware moet worden gekocht en geïnstalleerd voordat omzet begint. GPU's verliezen snel economische waarde door nieuwe generaties en lagere prijzen per rekeneenheid. De kernvraag is daarom of de vaste contractduur lang genoeg is om investering, rente en vervanging terug te verdienen. Contractwaarde zonder die tijdsbrug kan veel omzet opleveren en toch weinig vrije kas per aandeel. Lees ook: Waarom capaciteit pas waarde krijgt bij winstgevende benutting Direct naar een onderdeel van dit artikel Contractduur is belangrijker dan het headlinebedrag Technische levensduur is niet hetzelfde als economische levensduur Klantvooruitbetaling helpt, maar verandert de opbrengst niet Wat vraagt $242,81? Het sterkste tegenargument Drie mogelijke koerspaden Waar de these kan breken De afweging Contractduur is belangrijker dan het headlinebedrag Stel dat Nebius $4 miljard in hardware investeert voor een klantomgeving. Bij $3 miljard jaaromzet, 35% kasmarge vóór capex en een vaste contractduur van vijf jaar ontstaat $5,25 miljard contractkas vóór rente, belasting en vervangingsinvesteringen. Op papier is de initiële investering dan ruim gedekt. Die uitkomst verandert snel wanneer bezetting later begint, de kasmarge lager is of een deel van de capaciteit buiten het vaste contract valt. De eerste module laat investering, jaaromzet, marge en contractduur aanpassen. Het percentage boven 100% is geen winstgarantie. Het laat alleen zien hoeveel van de initiële investering theoretisch wordt terugverdiend vóór andere lasten. Technische levensduur is niet hetzelfde als economische levensduur Een GPU kan na vijf jaar nog werken en tegelijk economisch sterk zijn verouderd. Nieuwe chips leveren meer rekencapaciteit per watt, meer geheugen en betere software-ondersteuning. Klanten vergelijken prijs per token of per trainingstaak. Daardoor kan de prijs van oudere capaciteit sneller dalen dan de boekhoudkundige afschrijving suggereert. De tweede module begint met $4 miljard hardwarewaarde en 30% jaarlijkse prijsdaling. Na vijf jaar resteert in die eenvoudige curve ongeveer $0,67 miljard. Dat bedrag is een scenario, geen taxatie van Nebius-apparatuur. Het maakt wel duidelijk waarom restwaarde niet gratis aan een contract mag worden toegevoegd. De veiligste contracten verdienen de hardware terug voordat de economische waarde te ver wegsmelt. Klantvooruitbetaling helpt, maar verandert de opbrengst niet Nebius heeft eerder aangegeven dat klantvoorfinanciering een belangrijk deel van nieuwe capex kan dragen. Dat verkleint de behoefte aan direct eigen vermogen en kan financieringsrisico verlagen. Economisch blijft het een verplichting: het bedrijf moet capaciteit leveren, prestaties halen en de dienst beschikbaar houden. Een vooruitbetaling verbetert kas vandaag en verlaagt kas later, omdat een deel van de toekomstige omzet al is ontvangen. Wie de huidige kaspositie optelt bij de bedrijfswaarde en tegelijk de volledige contractwaarde gebruikt, kan dezelfde euro dubbel tellen. De juiste analyse volgt de contractverplichting, resterende omzet, hardwarebasis en vervangingscapex samen. Wat vraagt $242,81? Bij 315 miljoen volledig verwaterde aandelen is de gemodelleerde aandelenwaarde ongeveer $76,5 miljard. Wie 10% jaarrendement verlangt en in 2029 28 keer vrije kasstroom wil betalen, heeft dan circa $3,6 miljard vrije kasstroom nodig. Dat is vrije kas na onderhoud en groei die nodig zijn om de contractbasis in stand te houden. De reverse-module maakt de aandelenbasis expliciet. Dat is nodig na aandelenuitgifte en converteerbare financiering. Een contract kan operationeel succesvol zijn en per aandeel minder waarde opleveren wanneer de financiering de winst over veel extra aandelen verdeelt. Kas wordt niet apart opgeteld wanneer financieringskosten en investeringen al in de vrije-kasstroomaanname zitten. Het sterkste tegenargument AI-infrastructuur kan juist lange economische levens hebben wanneer software, netwerken en klantintegratie de hardware productiever maken. Oudere GPU's kunnen inferentie, ontwikkeling en minder kritieke workloads blijven bedienen. Niet elke taak heeft de nieuwste chip nodig. Een gediversifieerde klantenbasis kan capaciteit bovendien herplaatsen wanneer een contract afloopt. Nebius bouwt meer dan een serververhuurder. Managed services, inference-software en eigen datacenterontwerp kunnen brutomarge en benutting verhogen. Wanneer dezelfde hardware meer tokens per uur produceert, daalt de terugverdientijd. Dat tegenargument is overtuigend zodra bezetting, prijs per GPU-uur en kasmarge in de cijfers verbeteren. Drie mogelijke koerspaden Het bearscenario veronderstelt contracten die korter zijn dan de terugverdientijd, lage restwaarde en 350 miljoen aandelen. Mogelijke koersen zijn $145 eind 2027, $120 eind 2028 en $102 eind 2029. Het middenscenario gebruikt vijfjarige contractdekking en 315 miljoen aandelen: $260, $315 en $375. Het gunstige scenario rekent met hoge bezetting, sterke restwaarde en 295 miljoen aandelen: $355, $490 en $655. Dit zijn scenario's, geen koersdoelen. De module laat operationele uitvoering en waardering afzonderlijk verschuiven, zodat zichtbaar wordt of een hoger pad uit betere kasstroom of alleen een hogere multiple komt. Waar de these kan breken Klantconcentratie kan onderhandelingsmacht bij een paar grote afnemers leggen. Een vertraging tussen bestelling, installatie en acceptatie laat rente en afschrijving doorlopen zonder volledige omzet. Stroomaansluiting, koeling en netwerkapparatuur kunnen de ingebruikname vertragen. Lagere prijzen per GPU-uur kunnen de omzetdichtheid drukken terwijl vaste datacenterkosten blijven staan. Financiering is het tweede risico. Convertibles beperken directe rentelast, maar kunnen verwateren wanneer de koers hoog genoeg is. Nieuwe aandelen financieren groei zonder aflossingsdatum, maar verdelen de toekomstige kas over meer stukken. Bij een hoge beurswaarde kan een kleine tegenvaller tegelijk de vrije kas en de waarderingsmultiple raken. De afweging Nebius heeft toegang tot een markt met uitzonderlijke vraag naar AI-rekenkracht. Grote contracten en klantvooruitbetalingen verlagen een deel van het commerciële risico. De aandelenkoers veronderstelt echter dat de onderneming niet alleen capaciteit bouwt, maar elk hardwarecohort binnen zijn economische levensduur ruim terugverdient. Let daarom bij volgende updates op contractduur, acceptatiemomenten, bezetting, prijs per rekeneenheid, kasmarge vóór en na capex en het volledig verwaterde aandelenaantal. Een backlog is sterker wanneer vaste omzet langer loopt dan de terugverdientijd en vervangingscapex al in de prijs is verwerkt. Zonder die combinatie kan snelle groei vooral meer hardware en meer financiering vragen. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.

  • Eén basispunt verlies kan Adyen miljoenen kosten

    In het kort Adyen sloot vrijdag 2 oktober op Euronext Amsterdam op €859,40. Over het eerste halfjaar van 2026 rapporteerde het betaalplatform €1,303 miljard netto-omzet, €641,5 miljoen aangepaste EBITDA en honderden miljarden euro verwerkt volume. Bij zo'n schaal worden kleine percentages groot. Eén basispunt is 0,01%. Op €803,8 miljard halfjaarvolume staat één basispunt gelijk aan ongeveer €80 miljoen. Niet elk fraude- of chargebackverlies blijft bij Adyen; veel risico wordt contractueel bij merchants gelegd. Toch bepalen fraudepreventie, operationele fouten, merchantselectie en verhaalbaarheid hoeveel economische waarde van het volume overblijft. Dat is een andere vraag dan take rate, overnames of de EBITDA-marge alleen. Lees ook: Wanneer is het echt een goed moment om Adyen-aandelen te kopen? Direct naar een onderdeel van dit artikel Eén basispunt is geen afrondingsfout Preventie heeft ook een prijs Het ene platform is economisch relevant Wat vraagt €859,40? Het sterkste tegenargument Drie mogelijke koerspaden Waar de these kan breken De afweging Eén basispunt is geen afrondingsfout De eerste module vertaalt betaalverlies naar euro's. Bij €803,8 miljard halfjaarvolume en één basispunt ontstaat ongeveer €80,4 miljoen. Dat bedrag is geen voorspelling van Adyens verlies. Het toont de schaal waarop risicobeheer werkt. Een tiende basispunt verschil kan al miljoenen betekenen. De economische blootstelling hangt af van het contract. Bij een normale chargeback betaalt de merchant vaak terug. Bij fraude, faillissement, reservegebrek of een operationele fout kan de verwerker tijdelijk of uiteindelijk meer dragen. Daarnaast zijn er indirecte kosten: personeel, modellen, netwerkboetes, juridische procedures en mogelijk klantverlies na een storing. Preventie heeft ook een prijs Een platform kan verliezen verlagen door strengere transactiefilters, meer handmatige controle, hogere reserves en betere merchantselectie. Te streng blokkeren schaadt conversie. Een echte klant die onterecht wordt afgewezen levert geen omzet op voor merchant en Adyen. De optimale oplossing minimaliseert dus niet fraude alleen, maar maximaliseert goedgekeurde winstgevende transacties na verlies. De tweede module rekent met €1.600 miljard jaarvolume, 0,8 basispunt vermeden verlies en €90 miljoen extra preventiekosten. Het netto voordeel is dan ongeveer €38 miljoen. Reputatie, klantretentie en hogere autorisatie staan nog buiten beeld. De gevoeligheid laat zien waarom Adyen veel kan investeren in één wereldwijd risicoplatform wanneer dat over alle merchants schaalvoordeel oplevert. Het ene platform is economisch relevant Adyen verwerkt online, winkel- en platformbetalingen op één technische stack. Daardoor kan een risicomodel signalen uit meerdere kanalen combineren. Een kaart die online verdacht lijkt, kan in combinatie met winkelgedrag juist betrouwbaar zijn. Meer data kunnen de autorisatiegraad verhogen en verlies tegelijk beperken. Dat voordeel is niet automatisch blijvend. Kaartnetwerken, banken, gespecialiseerde fraudebedrijven en andere betaalverwerkers verbeteren hun modellen ook. Privacyregels beperken hoe data worden gebruikt. Nieuwe betaalmethoden verplaatsen risico. De economische waarde zit daarom in aantoonbaar betere netto conversie, niet in het aantal gebruikte modellen of regels. Wat vraagt €859,40? De reverse valuation gebruikt €24 genormaliseerde winst per aandeel als startpunt, 30 keer winst in 2029 en 9% gewenst jaarlijks koersrendement. Dan is ongeveer 17% EPS-groei per jaar nodig. Dat is haalbaar wanneer netto-omzet stevig groeit, de marge stijgt en verlies beheersbaar blijft. Het laat weinig ruimte voor meerdere jaren met tegelijk lagere take rate en hogere risicokosten. De module laat startwinst, eindmultiple en rendement veranderen. Een hogere eindmultiple verlaagt de operationele eis, maar maakt de uitkomst afhankelijker van marktsentiment. Een lagere startwinst verhoogt de lat. Netto kas wordt niet nogmaals toegevoegd wanneer overnames, rente en kapitaalallocatie al in de genormaliseerde winst worden verondersteld. Het sterkste tegenargument De meeste betaalverliezen zijn geen structurele kosten van Adyen. Merchants dragen chargebacks en het platform kan reserves, garanties en risicolimieten gebruiken. Adyen verdient bovendien op netto-omzet, niet op het volledige verwerkte volume. Een vergelijking tussen één basispunt volume en EBITDA kan de blootstelling dus groter laten lijken dan zij contractueel is. Dat tegenargument is terecht. Daarom staat in de modules expliciet dat verhaalbaarheid de uiteindelijke last bepaalt. De relevante vraag is niet of Adyen één basispunt op al het volume verliest. Het gaat om de marginale economische waarde van betere selectie en preventie. Op enorme schaal kan zelfs een klein niet-verhaalbaar deel de marge bewegen. Drie mogelijke koerspaden Het bearscenario veronderstelt hogere betaalverliezen, 6% EPS-groei en een waardering van 24 keer winst. Mogelijke koersen zijn €650 eind 2027, €610 eind 2028 en €590 eind 2029. Het middenscenario gebruikt 15% EPS-groei en 30 keer winst: €930, €1.040 en €1.160. Het gunstige scenario rekent met 23% EPS-groei, sterke risicobeheersing en 36 keer winst: €1.160, €1.370 en €1.610. De scenario's zijn geen koersdoelen. Ze maken zichtbaar hoe dezelfde operationele ontwikkeling anders wordt gewaardeerd. Netto kas is niet dubbel toegevoegd. Waar de these kan breken Fraudepatronen kunnen sneller veranderen dan modellen. Een grote merchant kan failliet gaan voordat chargebacks zijn verrekend. Een storing of cyberincident kan autorisaties stoppen en reputatie schaden. Strengere regels kunnen reserves en compliancekosten verhogen. Nieuwe betaalmethoden kunnen de mix verschuiven naar transacties met andere risico- en prijsprofielen. Ook acquisities tellen. Talon.One en Orb kunnen meer softwareomzet per klant leveren, maar integratie vraagt managementtijd en kas. Wanneer groei buiten de kern samengaat met hogere verlies- of compliancekosten, kan de beloofde marge van meer dan 55% in 2028 moeilijker worden. Aangepaste EBITDA moet uiteindelijk zichtbaar zijn in vrije kas voor aandeelhouders. De afweging Adyen heeft schaal, één technologiestack en een sterke balans. Die combinatie maakt investeren in risicobeheer economisch aantrekkelijk. De huidige koers verlangt alleen dat omzetgroei, marge en verliesbeheersing tegelijk goed blijven. Een hoog verwerkt volume is geen waarde op zichzelf; het is de basis waaruit netto-omzet en kas moeten worden gehaald. Let bij volgende rapportages op netto take rate, autorisatiegraad, verliesvoorzieningen, merchantreserves, operationele incidenten, vrije kasstroom en het volledig verwaterde aandelenaantal. Wanneer Adyen meer goede transacties goedkeurt zonder het niet-verhaalbare verlies te verhogen, wordt het platform sterker. Als extra volume vooral meer risico en kosten brengt, kan één basispunt belangrijker worden dan een mooie groeipercentage in de presentatie. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.

  • Heinen stuurt de nieuwe box 3 met spoed naar de Raad van State en neemt naar eigen zeggen een risico

    Het kabinet heeft vrijdag de belangrijkste formele stap richting een nieuwe box 3 in maanden gezet. De ministerraad stelde de novelle vast die de geparkeerde Wet werkelijk rendement ombouwt naar een vermogenswinstbelasting en vroeg nog dezelfde dag spoedadvies aan de Raad van State, blijkt uit het transcript van de persconferentie op rijksoverheid.nl. Minstens zo opvallend is wat er nog ontbreekt: de dekking. Minister van Financiën Eelco Heinen stuurde het voorstel bewust zonder sluitende financiering door, in afwachting van een nieuwe grens die kleine spaarders en beleggers moet ontzien. Ik neem hier een risico, zei hij daar vrijdagavond zelf over bij WNL. In het kort De ministerraad keurde vrijdag 2 oktober de novelle goed die box 3 per 2028 grotendeels laat overstappen op belasting over werkelijke vermogenswinst en stuurde het voorstel direct voor spoedadvies naar de Raad van State. Die haast is nodig omdat de wetswijziging vóór eind december door beide Kamers moet om invoering per 2028 te halen, schrijft PwC. Tegelijk is de dekking niet rond: de door de Tweede Kamer afgedwongen reparatie voor kleine spaarders kost geld en Heinen noemde het doorsturen zonder die financiering zelf een risico. Rond 12 oktober, bij de behandeling van het Belastingplan, moet duidelijk worden waar de nieuwe spaardersgrens komt te liggen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De novelle is vastgesteld en nog dezelfde dag de deur uit Waarom het kabinet ineens zo veel haast heeft De dekking ontbreekt en dat is een bewuste gok Critici zien een gat van miljarden Dit merk je er de komende weken van De novelle is vastgesteld en nog dezelfde dag de deur uit Vandaag hebben we in de ministerraad de novelle vastgesteld en spoedadvies aan de Raad van State gevraagd, zei premier Rob Jetten vrijdag na de ministerraad. Hij noemde het een enorme stap dat het wetsvoorstel nog dezelfde dag de deur uit ging. Met de novelle wil het kabinet zoveel mogelijk vermogen onder de vermogenswinstbelasting laten vallen: voor aandelen, obligaties en opties betaal je vanaf 2028 pas belasting bij verkoop en uiterlijk in 2030 volgt de rest van het vermogen, inclusief rechtstreeks aangehouden crypto. In het pakket zitten ook de eerder aangekondigde ingrepen die de overstap moeten betalen, somt PwC op: het heffingsvrij vermogen gaat in 2027 omlaag van 59.357 naar 30.846 euro per persoon, het forfait voor overige bezittingen stijgt dat jaar naar 7,87 procent en in het nieuwe stelsel blijft per persoon nog maar 1.000 euro aan resultaat belastingvrij. Precies die grenzen voor kleine spaarders liggen in de Tweede Kamer onder vuur. Waarom het kabinet ineens zo veel haast heeft De spoedprocedure is geen toeval. Wil het nieuwe stelsel op 1 januari 2028 ingaan, dan moet de novelle vóór 31 december 2026 door Tweede én Eerste Kamer zijn, zodat de wijziging kan meelopen met het Belastingplan, schrijft PwC. De behandeling van de Wet werkelijk rendement lag sinds het voorjaar stil omdat de Eerste Kamer de stemming aanhield; met deze novelle probeert het kabinet dat dossier in één beweging vlot te trekken. Maandag 5 oktober spreekt de Eerste Kamer met Heinen en staatssecretaris Eerenberg over de box 3-plannen, een overleg dat de senaat zelf afdwong. De dekking ontbreekt en dat is een bewuste gok Donderdag dwong vrijwel de hele Tweede Kamer af dat kleine spaarders en beleggers worden ontzien, nadat bleek dat de lagere vrijstellingen ruim 850.000 extra Nederlanders box 3-belasting zouden laten betalen. Een hogere grens kost echter geld en dat geld is nog niet gevonden. Toch wachtte Heinen daar niet op. Ik neem hier een risico, maar ik laat niet gebeuren dat we al die normale spaarders een belasting laten betalen die niemand wil, zei hij bij Café Kockelmann van WNL. En over de vraag of de financiering wel rondkomt: zullen we er maar vanuit gaan dat het gewoon gaat lukken? Ik kijk nu al vijftien jaar tegen politiek aan die zegt wat allemaal niet kan. Een paar opties sloot de minister daarbij alvast uit: de staatsschuld verder laten oplopen, de erfbelasting verhogen en het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek, dat laatste noemde hij gewoon een belastingverzwaring voor mensen met een huis. De dekking die er al wel ligt, een tijdelijk lager box 2-tarief van 29,2 procent en een lagere leengrens bij de eigen bv, blijft overeind. Critici zien een gat van miljarden De kritiek op die rekensom zwelt aan. Hoogleraar economie Bas Jacobs noemde de financiering van het box 3-plan donderdag bij BNR boekhoudkundige zwendel: volgens hem schuift het kabinet een gat van 7,7 miljard euro door naar volgende kabinetten. ChristenUnie-Kamerlid Pieter Grinwis vroeg zich vrijdag bij BNR hardop af of je een wetsvoorstel met zo veel losse eindjes wel naar de Raad van State kunt sturen. En ook Heinen zelf erkende bij WNL dat een negatief advies van de Raad van State tot herziening en vertraging kan leiden. Premier Jetten verdedigde vrijdag nog de oorspronkelijke spaardersgrens, die volgens hem pas mensen met meer dan 50.000 euro spaargeld raakt en stellen boven de 100.000 euro, maar de Kamer wil de lat dus hoger leggen. Dit merk je er de komende weken van Voor jou als spaarder of belegger wordt oktober daarmee de maand van de waarheid. Maandag praat de Eerste Kamer met de bewindslieden, dinsdag stemt de Tweede Kamer over de moties uit het begrotingsdebat en rond 12 oktober moet het beloofde aangepaste dekkingsvoorstel met de nieuwe spaardersgrens er liggen, bij de behandeling van het Belastingplan. Pas dan weet je of jouw spaargeld en beleggingen vanaf 2027 binnen of buiten de heffing vallen. Half november volgt de geplande stemming over het Belastingplan en vóór de kerst moet ook de Eerste Kamer akkoord zijn. Het dossier dat jarenlang muurvast zat, moet nu dus in drie maanden door het hele parlement, zonder dat de rekening alsnog ergens anders belandt. Foto: Martijn Beekman / Rijksoverheid.

  • Levert elke verbouwde winkel Ahold ook meer kas op?

    In het kort Ahold Delhaize sloot vrijdag 2 oktober op Euronext Amsterdam op €31,83. Bij de halfjaarcijfers van 5 augustus bevestigde het concern de jaarverwachting. De onderneming blijft investeren in winkels, distributie, digitaal en prijs. Voor een supermarkt is groei zelden alleen een kwestie van meer vestigingen. Elke verbouwing en elke nieuwe vierkante meter vraagt eerst kas. De waarde ontstaat pas wanneer dezelfde vloer meer klanten, hogere omzet per bezoek, minder derving en een betere kasstroom oplevert. Winkelproductiviteit en terugverdientijd laten zien of die investering echt rendeert. Lees ook: Waarom een kleine margebeweging veel waarde kan bepalen Direct naar een onderdeel van dit artikel Omzet per vierkante meter is de eerste test Omzet is nog geen kasrendement De Amerikaanse winkelbasis bepaalt veel Wat vraagt €31,83? Het sterkste tegenargument Drie mogelijke koerspaden Waar de these kan breken De afweging Omzet per vierkante meter is de eerste test Een supermarkt kan omzet verhogen door prijzen, volume, mix of extra ruimte. Alleen extra ruimte is geen succes wanneer bestaande winkels omzet verliezen of de marge daalt. Een verbouwing moet de klantstroom verbeteren, het assortiment productiever maken of arbeids- en energiegebruik verlagen. Omzet per vierkante meter maakt die effecten beter vergelijkbaar dan alleen concernomzet. De eerste module gebruikt een illustratief programma van 0,8 miljoen verbouwde vierkante meter, €8.000 jaaromzet per vierkante meter en 4% productiviteitsstijging. Dat levert ongeveer €0,26 miljard extra omzet op. Het is geen bedrijfsprognose. De module laat zien welke operationele verbetering nodig is om een groot investeringsprogramma zichtbaar te maken in de winst- en verliesrekening. Omzet is nog geen kasrendement Supermarktmarges zijn laag. Extra omzet kan gepaard gaan met promoties, hogere lonen, energie, huur en extra voorraad. Een winkelproject verdient zich daarom terug uit incrementele kas, niet uit bruto omzet. Bij €400 miljoen investering, €300 miljoen extra jaaromzet en 6% incrementele kasmarge is de eenvoudige terugverdientijd ruim 22 jaar. Bij 10% marge wordt dat ongeveer 13 jaar. Die rekensom maakt duidelijk waarom automatisering, derving en personeelsproductiviteit zo belangrijk zijn. Een kleine verbetering van de kasmarge verandert de terugverdientijd sterk. De tweede module laat investering, extra omzet en kasmarge verschuiven. Onderhoud, belasting en huur staan buiten het model, zodat de uitkomst eerder optimistisch dan conservatief is. De Amerikaanse winkelbasis bepaalt veel Een groot deel van de omzet en operationele winst komt uit de Verenigde Staten. Merken als Food Lion, Hannaford, Stop & Shop en Giant Food bedienen verschillende regio's en klantgroepen. Dat spreidt lokaal risico, maar maakt de dollar, lonen, inflatie en concurrentie van Walmart, Costco en discounters belangrijk. Winkelinvesteringen hebben daar niet overal dezelfde opbrengst. Een Food Lion-vernieuwing in een groeiende markt kan volume en marktaandeel winnen. Een investering in een zwakke regio kan vooral nodig zijn om achteruitgang te vertragen. Het concern moet daarom niet alleen capex per segment tonen, maar ook vergelijkbare omzet, marge en kasrendement na een verbouwingsgolf. Wat vraagt €31,83? De reverse-module start met €2,51 winst per aandeel, een eindmultiple van 12 en 7% gewenst jaarlijks koersrendement. Dan is ongeveer 6% jaarlijkse groei van de winst per aandeel nodig. Dividend komt daar nog bovenop. Dat lijkt haalbaar voor een volwassen supermarkt, maar het model veronderstelt dat investeringen de operationele basis versterken en dat aandeleninkoop niet wordt gefinancierd met te veel schuld. Een lagere eindmultiple verhoogt de vereiste winstgroei. Een hoger startniveau van de winst per aandeel verlaagt de lat, maar alleen wanneer die winst niet tijdelijk wordt geholpen door gunstig werkkapitaal of valuta. De belangrijkste brug is dus van investering naar duurzame operationele kas, daarna naar winst per aandeel. Het sterkste tegenargument Ahold Delhaize hoeft geen spectaculaire winkelrendementen te behalen om waarde te creëren. De bestaande netwerken zijn groot, klanten kopen frequent en veel projecten zijn vervangingsinvesteringen die risico verlagen. Een moderne koelinstallatie kan energie besparen. Een beter distributiecentrum kan voorraad en arbeid verminderen. Een opgefriste winkel kan klantverlies voorkomen, ook wanneer de omzetstijging bescheiden blijft. Daar komt bij dat vrije kasstroom wordt verdeeld over dividend, aandeleninkoop en investeringen. Een project met een degelijk rendement kan samen met inkoop onder intrinsieke waarde de winst per aandeel laten groeien. De fout zit niet in investeren, maar in het presenteren van capex als groei zonder de latere kasopbrengst te tonen. Drie mogelijke koerspaden Het bearscenario veronderstelt dat projecten hun kapitaal niet terugverdienen en de waardering daalt naar 10 keer winst. Mogelijke koersen zijn €27 eind 2027, €26 eind 2028 en €25 eind 2029. Het middenscenario gebruikt 5% EPS-groei en 12 keer winst: €34, €36 en €39. Het gunstige scenario rekent met hogere winkelproductiviteit, 8% EPS-groei en 14 keer winst: €39, €44 en €49. Dividend komt boven op deze koersscenario's. De module laat zien hoe operationele afwijking en waarderingsafwijking de negen jaaruitkomsten tegelijk veranderen. Waar de these kan breken Voedselinflatie kan de omzet verhogen terwijl volume daalt. Prijsinvesteringen kunnen klanten terugwinnen en de marge tijdelijk drukken. Looninflatie en personeelsschaarste kunnen een winkelproject duurder maken. Online boodschappen kunnen omzet toevoegen en tegelijk picking- en bezorgkosten verhogen. Ook huurverplichtingen maken de vaste kostenbasis zwaarder dan alleen gerapporteerde nettoschuld suggereert. Een ander risico is slechte kapitaaldiscipline. Groei via nieuwe ruimte is verleidelijk omdat omzet snel zichtbaar wordt. Rendement op geïnvesteerd kapitaal verschijnt later. Als management zwakke projecten blijft financieren omdat concernkasstroom sterk is, kan de totale omzet groeien terwijl waarde per aandeel nauwelijks vooruitgaat. De afweging Ahold Delhaize is geen snelle groeier, maar bezit schaal, sterke lokale merken en een terugkerende klantvraag. Bij €31,83 hoeft het concern geen wonderen te leveren. Het moet wel aantonen dat winkel- en distributie-investeringen meer doen dan de bestaande omzetbasis onderhouden. Let bij komende rapportages op vergelijkbare omzet, volume, operationele marge, capex, afschrijving en vrije kasstroom per segment. Vraag ook naar de opbrengst van afgeronde verbouwingen: hogere omzet per vierkante meter, minder derving, lagere energiekosten en betere arbeidsproductiviteit. Wanneer die verbeteringen samen sneller groeien dan de kapitaalbasis, versterken de investeringen de waarde per aandeel. Zonder die brug wordt capex vooral een terugkerende rekening. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.

  • Dividend is bij VanEcks chip-ETF te klein als stootkussen

    In het kort De VanEck Semiconductor UCITS ETF met ISIN IE00BMC38736 is een in Ierland gevestigde, fysiek replicerende en accumulerende shareclass. De eurobeurslijn op Euronext Parijs noteerde op vrijdag 2 oktober op €105,53. Het fonds rekent 0,35% lopende kosten. Accumulerend klinkt comfortabel: ontvangen dividend blijft in het fonds en wordt herbelegd. Bij chipbedrijven is die uitkering alleen niet de belangrijkste rendementsbron. Veel onderliggende ondernemingen keren weinig uit omdat zij zwaar investeren in ontwerp, apparatuur, fabrieken en onderzoek. Vanaf een hoge look-throughwaardering moet het grootste deel van het rendement daarom uit winstgroei komen. Een klein herbelegd dividend kan een forse daling van de waarderingsmultiple niet opvangen. Lees ook: Welke winstgroei de waardering van Nvidia nodig heeft Direct naar een onderdeel van dit artikel Accumulatie maakt geen gratis rendement Waarom chipdividend laag kan blijven Winstgroei en multiple werken tegelijk Wat vraagt €105,53? Het sterkste tegenargument Drie mogelijke koerspaden Waar de these kan breken De afweging Accumulatie maakt geen gratis rendement Wanneer een onderliggend chipbedrijf dividend betaalt, ontvangt het fonds de uitkering na eventuele bronbelasting en frictie. De ETF betaalt die kas niet uit, maar verwerkt hem in de intrinsieke waarde. Dat voorkomt dat de belegger zelf kleine bedragen moet herbeleggen. Economisch blijft het dezelfde uitkering: op de ex-dividenddatum daalt de waarde van het aandeel in beginsel met het dividend. De eerste module begint illustratief met 0,7% bruto dividendrendement, 0,15% dividendlek en 0,35% fondskosten. Netto blijft dan ongeveer 0,20% bijdrage over voordat winstgroei, waardering en valuta bewegen. De exacte portefeuilleopbrengst verandert met de gewichten en uitkeringen. Het punt is de orde van grootte: herbelegging helpt, maar draagt de waardering niet. Waarom chipdividend laag kan blijven De sector heeft veel winstgevende ondernemingen, maar ook uitzonderlijk hoge herinvesteringen. Ontwerpers betalen voor R&D en software. Foundries bouwen productielijnen die tientallen miljarden kosten. Apparatuurmakers ontwikkelen jarenlang voordat een nieuw platform omzet maakt. Een laag dividend kan daarom rationeel zijn wanneer elke ingehouden euro een hoog rendement oplevert. De kwetsbaarheid ontstaat wanneer de beurs dat hoge rendement al vooruitbetaalt. Bij ongeveer 39 keer winst is de winstopbrengst slechts circa 2,6%. Die omgekeerde P/E geeft geen volledig waarderingsmodel, maar wel een gevoel voor de lat. Als winstverwachtingen vertragen of kapitaalintensiteit stijgt, kan de multiple dalen voordat de gerapporteerde winst werkelijk krimpt. Winstgroei en multiple werken tegelijk Stel dat de onderliggende winst in één jaar 15% groeit, maar de waardering daalt van 39 naar 34 keer winst. Dan blijft van de operationele groei op koersniveau weinig over. De tweede module rekent exact die combinatie door. Beleggers kijken vaak naar omzetgroei, AI-orders en nieuwe capaciteit alsof de koers daar één op één op volgt. In werkelijkheid bepaalt de betaalde multiple hoeveel van dat nieuws al in de prijs zit. Een accumulerende ETF voorkomt geen multiplekrimp. De fondsstructuur houdt de kas bij elkaar, maar de onderliggende aandelen worden elke handelsdag opnieuw geprijsd. Een kleine netto dividendbijdrage verzacht de daling, meer niet. Wat vraagt €105,53? De reverse valuation gebruikt 39 keer winst als illustratieve start en 32 keer winst in 2029. Voor 8% jaarlijks koersrendement is dan ongeveer 15% onderliggende winstgroei per jaar nodig. Dat is stevig, maar niet onmogelijk in een AI-capexcyclus. Het vraagt wel dat groei breed genoeg is en niet alleen in één ontwerper of één geheugenproducent zit. De ETF begrenst individuele posities rond 10% bij herweging. Dat tempert het gewicht van een winnaar, maar de winstbronnen blijven samenhangen. Een hyperscaler die zijn investeringsplannen verlaagt, raakt ontwerpers, foundries, netwerkchips, geheugen en apparatuur op verschillende momenten. Juridische spreiding is dan groter dan economische spreiding. Het sterkste tegenargument Een hoge multiple kan gerechtvaardigd zijn wanneer de sector aan het begin staat van een jarenlange verschuiving in rekenkracht. AI-modellen vragen meer accelerators, sneller geheugen, geavanceerde verpakking en energiezuinige netwerken. De grootste posities hebben sterke balansen en technologie die moeilijk te kopiëren is. Winst kan daardoor sneller groeien dan het dividend ooit laat zien. Daar komt bij dat de ETF winnaars automatisch blijft bezitten zolang zij aan de pure-playregels voldoen. Een belegger hoeft niet vooraf te raden welke chiparchitectuur of productiecategorie de meeste waarde pakt. Dat is een reëel voordeel. Het verandert alleen niet de rekenkundige waarheid dat een hoge beginwaardering meer groei en minder fouten verlangt. Drie mogelijke koerspaden Het bearscenario veronderstelt een chipcorrectie en een waardering van 24 keer winst. Mogelijke koersen zijn €76 eind 2027, €69 eind 2028 en €65 eind 2029. Het middenscenario gebruikt ongeveer 13% jaarlijkse winstgroei en 32 keer winst: €112, €126 en €141. Het gunstige scenario rekent met 22% winstgroei en 38 keer winst: €145, €176 en €213. De koersen bevatten de waarde van herbelegde uitkeringen, maar zijn vóór persoonlijke belasting. De eurobeurslijn neemt het dollarvalutarisico niet weg. Een sterkere of zwakkere euro kan de uitkomst voor een eurobelegger versterken of dempen. Waar de these kan breken De sector is cyclisch. Klanten kunnen na een investeringsgolf voorraden afbouwen. Nieuwe capaciteit kan prijsdruk veroorzaken. Exportregels kunnen omzet of productmix beperken. Geopolitieke spanning rond Taiwan raakt meerdere posities tegelijk. Ook een technologiewissel kan waarde verschuiven tussen ontwerpers, foundries en apparatuurmakers. Daarnaast bestaat indexrisico. De 10%-grens kan een snel stijgende winnaar bij herweging afbouwen, terwijl een achterblijver relatief meer gewicht krijgt. Dat is geen fout, maar een gevolg van risicobeheersing. De belegger krijgt dus niet exact hetzelfde rendement als een marktgewogen mandje van dezelfde namen. De afweging De VanEck Semiconductor UCITS ETF biedt efficiënte toegang tot een sterke maar geconcentreerde groeisector. De accumulerende structuur is praktisch en de kosten van 0,35% zijn overzichtelijk. Het fonds moet echter niet worden beoordeeld alsof herbelegd dividend een grote buffer vormt. Bij veel chipbedrijven komt de waarde uit ingehouden winst en toekomstige groei. Bij €105,53 is de centrale vraag hoeveel winstgroei nodig is wanneer de multiple normaliseert. Controleer daarom naast holdings en indexgewichten ook de look-throughwinst, vrije kasstroom, capex en dividenddekking van de grootste posities. Als winstgroei breed blijft, kan de hoge waardering geleidelijk worden ingehaald. Als groei versmalt of multiples dalen, is een paar tiende procent herbelegd dividend te klein om het verschil te repareren. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER.

bottom of page