Search this site
14056 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- SpaceX vliegt door, maar de grootste rekening ligt op aarde
In het kort SpaceX bracht op 1 oktober opnieuw een bemanning richting het internationale ruimtestation. Voor aandeelhouders speelt ondertussen een andere vraag: hoeveel verdienen de miljarden die het bedrijf in AI steekt uiteindelijk terug? De investeringen in die activiteit zijn inmiddels veel groter dan die in ruimtevaart en satellietinternet samen. Bij een koers van $158,96 vraagt de waardering om een forse uitbreiding van de omzet, terwijl de winstgevendheid van die uitbreiding nog moet blijken. Een raket die opstijgt, levert een overtuigend beeld op. Een datacenter dat geld moet gaan verdienen, is minder fotogeniek. Toch ligt juist daar een groot deel van de financiële opgave voor het beursgenoteerde SpaceX. Wie alleen naar lanceersuccessen kijkt, kan een technisch sterk bedrijf zien en tegelijk de grootste rekening missen. Volgens NASA’s bericht van 1 oktober vertrok Crew-13 die dag met een Falcon 9 en Dragon. Zulke opdrachten ondersteunen de positie van SpaceX als operationele ruimtevaartleverancier. Ze vertellen alleen weinig over het rendement op de enorme investeringen elders in de groep. Een geslaagde missie en een aantrekkelijk aandeel zijn twee verschillende beoordelingsvragen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De onderneming achter het ruimtevaartbeeld Waarom de eerste klant niet genoeg is Starlink kan ondersteunen, maar geld heeft alternatieven Wat zit er in $158,96? Drie mogelijke routes naar 2029 De onderneming achter het ruimtevaartbeeld De economische logica van SpaceX bestaat uit verschillende lagen. Lanceringen vragen voertuigen, infrastructuur en een betrouwbare planning. Satellietinternet vraagt daarnaast een netwerk dat klanten langdurig gebruiken. AI-rekencapaciteit heeft weer een andere kostenstructuur: chips, stroom, gebouwen en veel kapitaal voordat de bezetting voldoende hoog is. Dat maakt het bedrijf interessant. Een onderneming met meerdere sterke activiteiten kan kennis, infrastructuur en financiering delen. Het maakt de beoordeling ook lastiger. De winst van een volwassen activiteit kan verdwijnen in een project waarvan de opbrengst pas jaren later zichtbaar wordt. Dat hoeft geen slechte investering te zijn, maar het is wel iets anders dan winst die vandaag beschikbaar is voor de aandeelhouder. Bij de kwartaalcijfers van 4 augustus over het tweede kwartaal rapporteerde SpaceX $7,814 miljard omzet en $541 miljoen nettoverlies. Connectiviteit leverde $4,291 miljard omzet en $1,656 miljard operationele winst. De AI-activiteit behaalde $2,561 miljard omzet, maar boekte operationeel $1,257 miljard verlies. De totale investeringen bedroegen $18,369 miljard, waarvan $15,828 miljard bij AI. Operationele winst is wat na de normale bedrijfskosten overblijft, vóór financiering en belasting. Investeringen zijn betalingen voor bijvoorbeeld apparatuur die meerdere jaren meegaat. Die betalingen verdwijnen niet allemaal direct uit de winst; ze worden vaak over jaren als afschrijving verwerkt. Daarom kan een winstcijfer veel vriendelijker ogen dan de kasrekening. De verdeling van de investeringen maakt dat verschil tastbaar: Waarom de eerste klant niet genoeg is De belangrijkste vraag bij nieuwe rekencapaciteit is niet uitsluitend of iemand een contract tekent. Het gaat om de combinatie van prijs, gebruik, looptijd, energiekosten en de levensduur van de apparatuur. Een grote klant die weinig betaalt en elk jaar nieuwe hardware verlangt, kan veel omzet opleveren zonder veel waarde te creëren. SpaceX meldde in augustus $14,1 miljard aan gecontracteerde AI-verkopen, inclusief al verantwoorde omzet. Dat bedrag is dus niet volledig toekomstige omzet. Bij een contract volgt betaling bovendien niet altijd tegelijk met levering, en levering niet altijd tegelijk met het moment waarop omzet boekhoudkundig wordt erkend. Een orderboek is nuttig bewijs van vraag, maar geen spaarrekening. Stel dat een datacenter voor honderd euro capaciteit bouwt. Een contract voor twintig euro per jaar klinkt aantrekkelijk. Maar daarvan moeten stroom, onderhoud, personeel, vervanging en financiering nog worden betaald. Als de apparatuur eerder veroudert dan verwacht, wordt de terugverdientijd ineens krap. Bij AI is daarom niet alleen de groei belangrijk, maar ook hoeveel nieuwe investeringen nodig zijn om die groei vast te houden. Dat sluit aan bij de afweging in ons artikel over de waarderingen van OpenAI, Anthropic en SpaceX. Een hoge ondernemingswaarde en veel beschikbaar kapitaal lossen de vraag naar toekomstige opbrengsten niet op. Ze maken het mogelijk om langer te investeren, en vergroten daarmee soms juist de schaal van de uiteindelijke test. Starlink kan ondersteunen, maar geld heeft alternatieven Het sterke argument vóór SpaceX is dat het niet volledig afhankelijk is van een belofte zonder inkomsten. Connectiviteit levert al operationele winst. Daarmee heeft de groep een andere uitgangspositie dan een jonge AI-onderneming die voor elke uitbreiding opnieuw naar beleggers moet. Toch heeft intern beschikbaar geld een prijs. Iedere dollar voor AI kan niet tegelijk worden gebruikt voor extra satellieten, schuldvermindering of een uitkering. Aandeelhouders hoeven dus niet alleen te vragen of de groep haar investeringen kan financieren. Ze moeten ook vragen of de gekozen projecten beter renderen dan de alternatieven. De financierbaarheid van groei is niet hetzelfde als de aantrekkelijkheid ervan. In de volgende kasbrug zijn beide invoeren eigen aannames. Bij $20 miljard operationele kasstroom en $60 miljard investeringen blijft een tekort van $40 miljard over. Dat voorbeeld is geen jaarprognose, maar laat zien hoe weinig een positief operationeel cijfer op zichzelf zegt: Het tegenargument is redelijk: juist vroeg investeren kan een voorsprong creëren die later lastig in te halen is. Wie te lang wacht op bewijs van de volledige opbrengst, loopt mogelijk de grootste groeifase mis. Daar staat tegenover dat concurrenten eveneens capaciteit bouwen. Een technische voorsprong helpt minder wanneer de marktprijs voor rekentijd sneller daalt dan de kosten. Wat zit er in $158,96? Het uitgangspunt is $158,96 voor SpaceX Class A, ticker SPCX op Nasdaq, de koers van 2 oktober 2026. Die kan inmiddels zijn veranderd; kijk voor de laatste stand bij De Belegger. Het aandeel heeft ISIN US84615Q1031. De kwartaalrapportage noemt per 28 juli samen ongeveer 13,182 miljard uitstaande aandelen van klasse A en B. Voor de economische beurswaarde tellen beide mee. Het veel lagere gewogen aantal aandelen uit de winstberekening over het kwartaal is geen geschikte actuele noemer na de beursgang. Op die uitstaande basis vertegenwoordigt $158,96 ongeveer $2.095 miljard aandelenwaarde. Latere verwatering kan die berekening veranderen. Een gewone koers-winstverhouding helpt bij een verlieslatende groep weinig. Daarom draaien we de waardering om: welke omzet zou een toekomstige ondernemingswaarde kunnen dragen? Ondernemingswaarde is de waarde van de bedrijfsactiviteiten; om bij aandelenwaarde te komen, voegen we nettokas toe of trekken we nettoschuld af. Bij 14,1 miljard aandelen, $25 miljard nettokas en achttien keer omzet in 2029 is circa $123 miljard jaaromzet nodig om de huidige prijs te dragen. Voor tien procent jaarlijks koersrendement tot eind 2029 wordt dat circa $168 miljard. Dat zijn modeluitkomsten, geen bedrijfsverwachtingen. De rekensom staat hieronder, met ongeveer 3,24 jaar tussen peildatum en eind 2029: Achttien keer omzet is op zichzelf al een stevige aanname. Bij een operationele marge van 22 procent komt dat neer op ongeveer 82 keer operationele winst. Rente, belasting en investeringen moeten dan nog worden betaald. Een hoge omzetmultiple verstopt gemakkelijk hoe ver de winst nog in de toekomst ligt. Lees ook: Wat AMD en SpaceX bij hun kwartaalcijfers moesten bewijzen. De vragen over vraag, investeringen en kasstroom helpen ook om de volgende rapportage te beoordelen. Drie mogelijke routes naar 2029 De scenarioformule is omzet maal een gekozen omzetmultiple, plus nettokas, gedeeld door het toekomstige aantal aandelen. Alle omzet- en kasbedragen staan in miljarden dollars; de aandelenbasis in miljarden aandelen. De volledige jaarlijkse aannames zijn in de module zichtbaar. De aandelenpaden omvatten verwatering en mogelijke financiering. Aandelenbeloning wordt niet daarnaast als een tweede waarderingsaftrek geboekt. Het bearpad rekent met $50, $65 en $80 miljard omzet in 2027, 2028 en 2029, afnemende multiples en uiteindelijk nettoschuld. Dat geeft mogelijke jaareindekoersen van $53,68, $55,71 en $54,17. Het middenpad vraagt $80, $130 en $190 miljard omzet en geeft $133,33, $190,58 en $244,33. In het gunstige pad lopen de inkomsten naar $350 miljard in 2029; de mogelijke koersen zijn $252,59, $418,84 en $601,42. Bij die paden horen veronderstelde operationele marges in 2029 van respectievelijk 15, 22 en 28 procent. De kaspaden veronderstellen dat investeringen en financiering binnen de gekozen eindpositie passen. Dividend is niet meegenomen. Dit zijn geen kansgewogen koersdoelen: vooral het gunstige pad verlangt uitzonderlijk veel commerciële uitvoering én een blijvend hoge waardering. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Bij de volgende cijfers is de interessantste verandering daarom misschien geen nieuw lanceerrecord. Het kan ook een stijging van de bezetting zijn, minder investeringen per extra dollar omzet, of aantoonbaar betere kasstromen uit AI. SpaceX heeft laten zien dat het ingewikkelde technische systemen kan bouwen. De aandeelhouder moet nu volgen of de grootste nieuwe systemen ook voldoende geld opleveren.
- 235 miljard dollar inkoop moet bij Nvidia echt aandelen schrappen
In het kort NVIDIA verhoogde op 28 september de machtiging voor aandeleninkoop met $150 miljard. Daardoor stond in totaal $235 miljard aan resterende ruimte open. Dat is ongeveer 4% van de beurswaarde, maar een machtiging is nog geen besteding en bruto inkoop is nog geen netto aandelenkrimp. Bij $233,95 moet de vrije kas eerst de groei financieren en daarna aantoonbaar meer aandelen weghalen dan personeelsbeloning creëert. Ons middenpad geeft $258,90 in 2027, $301,08 in 2028 en $350,14 in 2029. Het zijn scenario’s, geen koersdoelen. Een inkoopmachtiging klinkt als direct rendement. In werkelijkheid heeft het bestuur alleen toestemming om tot een maximumbedrag aandelen te kopen. NVIDIA bepaalt later hoeveel, wanneer en tegen welke koers. Bij een snel stijgend aandeel koopt iedere dollar bovendien minder stukken terug. De tweede nuance is belangrijker. NVIDIA beloont werknemers met aandelen en opties. Dat is een reële economische kostenpost. Inkoop kan die uitgifte compenseren, maar alleen het verschil verlaagt de verwaterde aandelenbasis. Direct naar een onderdeel van dit artikel De kasmachine kan de machtiging dragen $235 miljard is groot en toch begrensd Het sterke tegenargument is groei per aandeel Reverse valuation bij $233,95 Wat aandeelhouders moeten controleren De kasmachine kan de machtiging dragen Bij de cijfers over het tweede kwartaal van boekjaar 2027, gepubliceerd op 26 augustus, meldde NVIDIA $96,2 miljard omzet. Dat was 18% meer dan in het vorige kwartaal en 106% meer dan een jaar eerder. De groei kwam vooral uit datacenters en de aanhoudende vraag naar AI-infrastructuur. De brutomarge, bedrijfskosten en investeringen bepalen hoeveel van die omzet beschikbaar komt voor aandeelhouders. NVIDIA hoeft zelf geen fabs te bouwen zoals TSMC, maar financiert wel onderzoek, voorraden, verpakkingscapaciteit, netwerkproducten en strategische relaties. De groei vraagt dus kapitaal, ook wanneer de balans sterk is. De nieuwe machtiging laat zien dat het bestuur verwacht veel kas te genereren. Zij bewijst niet dat inkoop tegen iedere prijs waarde creëert. Een aandeel terugkopen boven de intrinsieke waarde verplaatst vermogen van blijvende aandeelhouders naar verkopers. Bij een waardering van ongeveer 29 keer de laatste winst moet de winstgroei sterk blijven om de inkoop aantrekkelijk te maken. $235 miljard is groot en toch begrensd Tegen $233,95 zou volledige besteding theoretisch ongeveer een miljard aandelen kunnen inkopen. In de praktijk verandert de koers, wordt het programma gespreid en kan NVIDIA minder uitgeven. Ook belastingen, overnames en strategische belangen concurreren om dezelfde kas. De onderneming investeert bijvoorbeeld in klanten en partners in de AI-keten. Zulke transacties kunnen de vraag versnellen, maar maken de kwaliteit van die vraag moeilijker te beoordelen. Wanneer een leverancier kapitaal verstrekt aan een klant die vervolgens hardware koopt, moet de belegger zowel de omzet als het financieringsrisico volgen. Daarom is de juiste maatstaf niet het persberichtbedrag. Kijk naar het gemiddelde verwaterde aantal aandelen in de winstberekening. Daalt dat aantal jaar na jaar, dan werkt inkoop. Blijft het gelijk, dan compenseert de onderneming vooral aandelenbeloning. Stijgt het, dan groeit de claim op de winst ondanks de besteding. Het sterke tegenargument is groei per aandeel NVIDIA hoeft niet goedkoop te zijn om waardevolle inkoop te doen. Wanneer de winst per aandeel jarenlang sneller stijgt dan de koers, daalt de multiple en koopt hetzelfde kasbedrag later meer aandelen. Ook kan een omvangrijke machtiging onzekerheid verminderen over het gebruik van overtollige kas. De concurrentiepositie is uitzonderlijk. CUDA, netwerkproducten, systemen en ontwikkelsoftware vormen samen een ecosysteem. Klanten kopen geen losse chip, maar een productieketen voor AI. Dat ondersteunt marge en terugkerende bestedingen. Toch is geen positie onaantastbaar. Grote cloudbedrijven ontwikkelen eigen chips. AMD en gespecialiseerde ontwerpers vallen delen van de markt aan. Exportbeperkingen kunnen omzet en productontwerp beïnvloeden. Daarnaast moet de vraag van AI-klanten uiteindelijk worden ondersteund door winstgevende toepassingen, niet alleen door financieringsrondes en ambities. Reverse valuation bij $233,95 Wij gebruiken $7,97 winst per verwaterd aandeel als meetbare startbasis en een eindmultiple van 28. Om de huidige koers in 2029 alleen te rechtvaardigen, is $8,36 winst per aandeel nodig. Dat is weinig groei. Maar een gelijkblijvende koers levert geen aantrekkelijk rendement op. Voor 10% jaarlijks koersrendement zou de koers in 2029 circa $311 moeten zijn. Bij 28 keer winst hoort $11,10 winst per aandeel. Dat vraagt ongeveer 11,7% jaarlijkse groei vanaf de startbasis. Omdat het model werkt met winst per verwaterd aandeel, mag netto aandelenkrimp niet nogmaals als losse waardepost worden toegevoegd. Het bearscenario neemt 8% winstgroei, een multiple van 20,2 en minder gunstige uitvoering. Dat geeft mogelijke koersen van $165,16 in 2027, $176,72 in 2028 en $189,09 in 2029. Het middenpad gebruikt 18% groei, 28 keer winst en 1,5% netto aandelenkrimp: $258,90, $301,08 en $350,14. Het gunstige pad rekent met 26% groei, 31,4 keer winst en een sterke productcyclus: $333,18, $420,61 en $530,99. De bedragen zijn mogelijke jaarlijkse koersen onder vaste aannames. Ze zijn geen belofte dat de markt in een rechte lijn beweegt. Een lagere multiple kan sterke winstgroei volledig neutraliseren. Andersom kan optimisme tijdelijk een hogere koers opleveren dan de operationele groei rechtvaardigt. Wat aandeelhouders moeten controleren De eerste controle is het werkelijk bestede inkoopbedrag per kwartaal. De tweede is de gemiddelde inkoopprijs. De derde is de verwaterde aandelenbasis. De vierde is de verhouding tussen vrije kasstroom en aandelenbeloning. Ook de volgorde van kapitaalallocatie telt. Onderzoek en ontwikkeling beschermen de productvoorsprong. Voorraad en verpakkingscapaciteit maken levering mogelijk. Strategische investeringen kunnen het ecosysteem vergroten. Inkoop komt pas daarna. Een te agressief programma dat groei-investeringen verdringt zou meer schade doen dan voordeel opleveren. Lees ook: Nvidia ligt onder onderzoek om de Groq-deal en het echte risico is groter dan een boete. De machtiging is financieel groot, maar niet de kern van de beleggingscase. De kern blijft hoeveel duurzame winst iedere overblijvende aandeelhouder krijgt. $235 miljard wordt pas waardevol wanneer het programma werkelijk wordt uitgevoerd, de prijs redelijk blijft en het aantal verwaterde aandelen sneller daalt dan nieuwe beloning wordt uitgegeven.
- Dertien satellieten maken van AST SpaceMobile nog geen netwerk
In het kort AST SpaceMobile meldde bij de kwartaalupdate dat de lancering van BlueBird 8 tot en met 13 het aantal satellieten in een baan om de aarde op dertien brengt. Samen beschikken zij over ongeveer 20.000 vierkante voet aan antenne-oppervlak. Dat is technische voortgang, maar nog geen rendabel netwerk. Bij $58,45 betaalt de beurs voor snelle omzetgroei, hoge benutting en beperkte extra verwatering. Ons middenpad levert $19,47 in 2027, $29,30 in 2028 en $44,08 in 2029. Dat zijn scenario’s, geen koersdoelen. Bij een ruimtevaartbedrijf is de verleiding groot om lanceringen als omzet te behandelen. Een satelliet in een baan is echter vergelijkbaar met een nieuwe fabriek: hij vertegenwoordigt capaciteit. Pas wanneer spectrum, gateways, telecomcontracten en betalende gebruikers op elkaar aansluiten, ontstaat een economische machine. De update over zes lanceringen in vijftig dagen verkleint één risico, namelijk het tempo van de constellatie. Zij vergroot tegelijk de bewijslast. Meer hardware in de ruimte betekent hogere afschrijvingen en onderhoudsdruk. Het netwerk moet nu laten zien hoeveel bruikbare capaciteit en omzet iedere satelliet oplevert. Direct naar een onderdeel van dit artikel Van technisch bereik naar verkoopbaar product De kwartaalcijfers tonen vooral investeringen Het beste argument voor AST is distributie Wat moet $58,45 waarmaken? Vier cijfers bepalen de volgende fase Van technisch bereik naar verkoopbaar product AST wil gewone smartphones rechtstreeks met satellieten verbinden. De kracht van dat model is dat de consument geen speciale schotel of satelliettelefoon nodig heeft. Telecomoperators kunnen satellietdekking toevoegen aan hun bestaande abonnementen en spectrum. Die eenvoud aan de voorkant verbergt complexiteit. De satelliet moet het juiste gebied passeren, voldoende capaciteit leveren en verbinding maken via gateways. De lokale operator moet spectrum en netwerkfuncties integreren. Toezichthouders moeten gebruik toestaan. Daarna moeten partijen de omzet verdelen. Een demonstratie van bijna 100 Mbps met een Block 1 BlueBird laat zien dat de techniek kan werken. AST verwacht voor Block 2 pieksnelheden richting 200 Mbps. Pieksnelheid is geen gemiddelde capaciteit. In een dichtbevolkt gebied delen veel gebruikers dezelfde bandbreedte. Voor de waardering is daarom niet de snelste test leidend, maar de omzet per satelliet bij normale belasting. De kwartaalcijfers tonen vooral investeringen De resultaten over het tweede kwartaal verschenen op 10 augustus en hebben als gebeurtenisdatum 30 juni. AST rapporteerde $31,5 miljoen omzet. Ongeveer $24,4 miljoen kwam uit gateways en aanverwante producten, niet uit grootschalige consumentenconnectiviteit. De commerciële kern waarvoor veel beleggers het aandeel bezitten stond dus nog aan het begin. De onderneming gaf in het kwartaal honderden miljoenen dollars uit aan de netwerkuitrol. De kaspositie biedt ruimte, maar iedere extra satelliet, lancering en gateway vraagt kapitaal voordat de dienst op schaal inkomsten genereert. Verlieslatende groei moet daarom altijd samen met financiering worden geanalyseerd. Het aandeel noteerde op 3 oktober $58,45 op Nasdaq. De marktwaarde lag rond $17,5 miljard. Er is geen positieve winstbasis waarop een normale koers-winstverhouding kan worden gezet. Een omzetmultiple is evenmin vanzelfsprekend, omdat de uiteindelijke marge en aandelenbasis nog onzeker zijn. Het beste argument voor AST is distributie AST werkt met grote mobiele operators. Dat is belangrijker dan een lijst met vrijblijvende intenties wanneer de afspraken leiden tot integratie, commerciële tarieven en actieve gebruikers. Operators bezitten de klantrelatie, lokale licenties en facturering. AST hoeft dan niet in ieder land een consumentenmerk vanaf nul te bouwen. De markt kan bovendien groter zijn dan afgelegen gebieden. Direct-to-device kan noodcommunicatie, maritieme dekking, landelijke gebieden en tijdelijke capaciteitsproblemen ondersteunen. Overheidscontracten kunnen aanvullende omzet bieden. Daar staat sterke concurrentie tegenover. SpaceX heeft met Starlink schaal, lanceringstoegang en kapitaal. Andere satellietnetwerken en terrestrische uitbreidingen kunnen prijzen drukken. Een operator zal niet meer betalen dan de waarde van extra dekking voor zijn klanten. Het idee dat iedere mobiele abonnee automatisch een hoge maandelijkse bijdrage voor satellietdekking oplevert, is daarom te optimistisch. Wat moet $58,45 waarmaken? Voor onze reverse valuation gebruiken we $0,70 omzet per verwaterd aandeel als startbasis. Dat is een modelmaatstaf die de toekomstige run-rate probeert te benaderen, geen gerapporteerde jaarwinst. Bij een eindmultiple van achttien keer omzet vraagt de huidige koers in 2029 ongeveer $3,25 omzet per aandeel. Dat vereist circa 67% jaarlijkse groei. Zo’n percentage is bij een commerciële start niet onmogelijk. Het moet wel worden verdiend terwijl het verwaterde aantal aandelen kan stijgen. Een onderneming kan de totale omzet sterk laten groeien en toch weinig waarde per bestaand aandeel creëren als financiering steeds nieuwe stukken vereist. Het bearscenario neemt 45% omzetgroei, een multiple van 13 en forse verwatering. Dat geeft mogelijke koersen van $9,22 in 2027, $12,22 in 2028 en $16,20 in 2029. Het middenpad gebruikt 55% groei, achttien keer omzet en 8% netto verwatering per jaar: $19,47, $29,30 en $44,08. Het gunstige pad rekent met 63% groei, een multiple van 20,2 en betere benutting: $27,69, $45,36 en $74,28. De formule is omzet per verwaterd aandeel maal de omzetmultiple. De aandelenbasis wordt jaarlijks aangepast. Nettokas wordt niet apart bij de uitkomst opgeteld, omdat die kas in dit model nodig is om de constellatie te bouwen. Dat voorkomt dat dezelfde financiering tegelijk als bedrijfswaarde en als uit te geven investeringsbudget wordt geteld. Vier cijfers bepalen de volgende fase Het eerste cijfer is het aantal operationele satellieten, niet alleen gelanceerde satellieten. Het tweede is de daadwerkelijk beschikbare capaciteit per regio. Het derde is commerciële omzet uit connectiviteit, los van gateways en overheidsmijlpalen. Het vierde is het verwaterde aantal aandelen. Ook satellietverlies hoort bij de normale risicorekening. BlueBird 7 ging eerder verloren na een probleem met de bovenste trap. Verzekering beperkte de schade, maar vergoedde niet alles. Een constellatie wordt betrouwbaarder door spreiding, terwijl meer lanceringen ook meer momenten creëren waarop iets kan misgaan. Lees ook: Is AST SpaceMobile een ruimtevaart hype of een serieuze belegging?. AST heeft de technische geloofwaardigheid vergroot. De waardering vraagt nu commerciële geloofwaardigheid. Dertien satellieten zijn een belangrijke stap, maar de beursprijs wordt pas houdbaar wanneer die hardware verandert in bruikbare minuten, betalende klanten en omzet per aandeel.
- Amerikaanse fabrieken moeten Apple meer brengen dan zekerheid
In het kort Apple opende op 13 augustus zijn Advanced Manufacturing Center in Houston en breidt de Amerikaanse toeleveringsketen uit. De strategische logica is duidelijk: minder afhankelijkheid en betere beschikbaarheid van AI-servers en chips. Voor aandeelhouders telt echter of die zekerheid de hogere kosten compenseert. Bij $333,69 noteert Apple rond 38 keer de laatste winst. Ons middenpad komt uit op $319,26 in 2027, $337,83 in 2028 en $357,48 in 2029. Dat zijn scenario’s, geen koersdoelen. Een fabriek in Houston is makkelijker te fotograferen dan een vermeden leveringsprobleem. Daardoor ontstaat een waarderingsval. De kosten van regionale productie zijn zichtbaar in lonen, machines en leverancierscontracten. De economische opbrengst zit vaak in iets dat niet gebeurt: geen producttekort, geen vertraging van Apple Intelligence en minder geopolitieke kwetsbaarheid. Bij de huidige waardering mag die veerkracht niet alleen een dure verzekering zijn. Ze moet de brutomarge, productbeschikbaarheid en kasstroom per aandeel ondersteunen. Anders betaalt Apple meer voor dezelfde eindvraag. Direct naar een onderdeel van dit artikel De fabriek ondersteunt een bredere keten De winstmachine blijft uitzonderlijk Lokale productie beschermt geen zwak product Omgekeerde waardering bij $333,69 De meetpunten zijn praktisch De fabriek ondersteunt een bredere keten Apple meldde op 13 augustus dat het productiecentrum in Houston is geopend. De locatie ondersteunt geavanceerde productie en servers voor Apple Intelligence. Het project past in een veel groter Amerikaans investeringsprogramma, met leveranciers voor chips, verpakking, glas, radiofrequentiecomponenten en materialen. De onderneming produceert niet alles zelf. Zij stuurt een netwerk van contractfabrikanten en gespecialiseerde toeleveranciers. Dat model heeft jarenlang hoge marges en flexibiliteit opgeleverd. Het nadeel is concentratie. Een verstoring bij een cruciale chipfabriek, verpakkingslijn of assembler kan de verkoop van miljoenen apparaten vertragen. Regionale productie verlaagt dat risico niet automatisch. Nieuwe fabrieken hebben opstartkosten, lagere benutting en soms duurdere arbeid. Ook kan dezelfde kwetsbaarheid blijven bestaan wanneer materialen of machines uit Azië komen. Het gaat daarom niet om de locatie op het etiket, maar om de hele keten achter het product. De winstmachine blijft uitzonderlijk Apple rapporteerde op 30 juli over het kwartaal tot 27 juni. De omzet en winst lagen hoger dan een jaar eerder. Mac-omzet groeide sterk, terwijl iPad zwakker was. De onderneming wees tegelijk op beperkingen in de toeleveringsketen. Dat is relevant: grote vraag levert pas omzet op wanneer Apple het product daadwerkelijk kan leveren. De beurskoers van $333,69 op 3 oktober impliceert een marktwaarde van ongeveer $4,91 biljoen. Met $8,71 winst per aandeel bedraagt de koers-winstverhouding ongeveer 38,3. Zo’n multiple vraagt niet alleen groei, maar ook voorspelbaarheid. Iedere investering die leveringsrisico verlaagt kan daarom waardevol zijn. Toch moet de belegger voorkomen dat strategische uitgaven automatisch als rendabel worden beschouwd. Apple heeft een sterk merk, hoge klantloyaliteit en een groeiend dienstenecosysteem. Die sterke punten bieden prijszettingsmacht. Ze maken de onderneming ook kwetsbaar voor een simpele rekensom: wanneer hardwaregroei vertraagt, moet dienstenwinst sneller stijgen om de totale winst per aandeel te laten groeien. Lokale productie beschermt geen zwak product Het beste tegenargument tegen de zorgen over kosten is dat Apple zijn schaal kan gebruiken om leveranciers mee te laten investeren. Langlopende afnamecontracten maken nieuwe capaciteit financierbaar. Apple krijgt daarvoor betere beschikbaarheid, kwaliteit en mogelijk technische exclusiviteit terug. Maar een veilige keten creëert geen vraag. Consumenten vervangen een iPhone niet sneller omdat een server in Texas staat. AI-functies moeten zichtbaar nuttig worden, diensten moeten relevant blijven en apparaten moeten voldoende verschil bieden. Wanneer productinnovatie vertraagt, beschermt productiezekerheid vooral een lagere groei. Er is ook een concentratierisico aan de vraagzijde. De iPhone blijft een groot deel van de winst dragen. Diensten spreiden de omzet, maar worden geconfronteerd met regelgeving rond appwinkels, betalingen en standaardinstellingen. Hogere lokale productiekosten zijn moeilijker te dragen wanneer tegelijk de dienstenmarge onder druk komt. Omgekeerde waardering bij $333,69 Voor de reverse valuation nemen we $8,71 winst per verwaterd aandeel als meetbare startbasis en een eindmultiple van 34. Om de huidige koers in 2029 te rechtvaardigen, is dan ongeveer $9,81 winst per aandeel nodig. Dat betekent grofweg 4% jaarlijkse groei. Deze uitkomst lijkt mild, maar de huidige belegger ontvangt bij een gelijkblijvende koers geen aantrekkelijk rendement. Voor 10% jaarlijks koersrendement zou Apple in 2029 ongeveer $444 moeten noteren. Bij 34 keer winst hoort daar $13,06 winst per aandeel bij. Vanaf $8,71 is dat bijna 14,5% jaarlijkse groei. Netto aandeleninkoop kan helpen, maar alleen voor zover het verwaterde aantal aandelen werkelijk daalt. Het bearscenario neemt min 2% winstgroei, een eindmultiple van 24,5 en beperkte economische winst uit de Amerikaanse productieketen. Dat geeft mogelijke koersen van $199,33 in 2027, $193,35 in 2028 en $187,55 in 2029. Het middenpad gebruikt 8% groei, 34 keer winst en 2% netto aandelenkrimp: $319,26, $337,83 en $357,48. Het gunstige pad rekent met 16% groei, 38,1 keer winst en sterke diensten- en AI-monetisatie: $414,43, $470,95 en $535,19. De formule is winst per aandeel maal de multiple, met een expliciete correctie voor de netto aandelenbasis. Dividend is niet apart toegevoegd om dubbeltelling te vermijden; het relatief lage dividendrendement verandert de hoofdconclusie niet. De meetpunten zijn praktisch Beleggers kunnen drie dingen volgen. Ten eerste de brutomarge. Wanneer regionale productie de kosten verhoogt zonder prijs- of mixvoordeel, wordt dat daar zichtbaar. Ten tweede de voorraad en levertijden rond nieuwe producten. Betere beschikbaarheid moet gemiste omzet beperken. Ten derde de netto aandelenkrimp. Inkoop is alleen waardevol wanneer nieuwe aandelen uit beloning en opties niet hetzelfde effect terugdraaien. Het optimistische verhaal is sterk. Apple kan meer onderdelen dichtbij huis inkopen, AI-servers sneller bouwen en leveringsrisico verminderen. De onderneming heeft bovendien de kasstroom om de transitie te dragen. Lees ook: TSMC groeit 53,3% in augustus en de fabriek achter de AI-boom kan de vraag nauwelijks bijhouden. De waardering laat weinig ruimte voor een strategisch project dat alleen goed klinkt. Houston moet uiteindelijk bijdragen aan productbeschikbaarheid, marge of een lagere risicopremie. Zolang dat bewijs ontbreekt, is de fabriek vooral een nuttige verzekering waarvan de premie nog moet worden terugverdiend.
- Haalt dsm-firmenich genoeg marge uit zijn innovatie?
In het kort dsm-firmenich noteert rond €98,74 in Amsterdam. Het concern verkoopt geuren, smaakoplossingen, textuur, voedingsingrediënten en gezondheidsproducten. De klant betaalt niet alleen voor grondstoffen, maar voor formulering, regelgeving, sensorische kwaliteit en intellectueel eigendom. Dat maakt innovatie de kern van het verdienmodel. Onderzoek is echter pas waardevol wanneer nieuwe moleculen en formuleringen voldoende prijs, volume en marge opleveren. Een volle pijplijn zonder commerciële schaal is een kostenpost. De waardering vraagt dat de combinatie van dsm en Firmenich meer oplevert dan twee losse onderzoeksorganisaties. Gezamenlijke klanttoegang, inkoop en technologie moeten zichtbaar worden in marge en vrije kas, niet alleen in aangepaste EBITDA. Direct naar een onderdeel van dit artikel Onderzoek verdient pas na commerciële opschaling Mix kan belangrijker zijn dan volume Fusiesynergie is meer dan kosten schrappen Kapitaalallocatie na de inkoop Wat moet €98,74 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden Onderzoek verdient pas na commerciële opschaling Een nieuw ingrediënt doorloopt ontwikkeling, testen, regelgeving en klantkwalificatie voordat omzet ontstaat. In parfumerie kan een formule bovendien voor een specifiek merk worden ontwikkeld. In voeding en gezondheid zijn veiligheid, stabiliteit en claims belangrijk. Deze doorlooptijd maakt innovatie economisch anders dan een fabriek die direct extra volume verkoopt. De uitgave komt eerst, de opbrengst later. Succesvolle producten kunnen daarna lang meegaan en herhaalomzet leveren. De eerste module vergelijkt jaarlijkse innovatie-uitgaven met extra EBITDA uit nieuwe producten. Met €750 miljoen uitgaven en €675 miljoen extra EBITDA is de eenvoudige terugverdientijd iets meer dan één jaar. Dat klinkt kort, maar de module laat belasting, opschaling en werkkapitaal bewust buiten beschouwing. De bedragen zijn scenario-invoer, geen door dsm-firmenich bekendgemaakte productpijplijn. Het nut zit in de gevoeligheid. Wanneer de commerciële EBITDA halveert, verdubbelt de terugverdientijd. Wanneer een product sneller schaal bereikt, stijgt het rendement sterk. De beste innovatie heeft meerdere eigenschappen tegelijk. Zij lost een klantprobleem op, is moeilijk te kopiëren, gebruikt bestaande productie en kan in meer landen of toepassingen worden verkocht. Een uniek molecuul dat een volledig nieuwe fabriek vraagt, kan technisch prachtig maar financieel minder aantrekkelijk zijn. Mix kan belangrijker zijn dan volume Perfumery & Beauty verkoopt creativiteit, geurtechnologie en premiumingrediënten. Taste, Texture & Health helpt voedingsproducenten met smaak, mondgevoel en formulering. Health, Nutrition & Care heeft toepassingen met andere cycli en regelgeving. Deze activiteiten hebben niet dezelfde marge. Een verschuiving naar premium en gespecialiseerde oplossingen kan de groepsmarge verhogen, zelfs wanneer het totale volume beperkt groeit. Een verschuiving naar meer basisvolume kan omzet laten stijgen zonder dezelfde winsthefboom. De tweede module verdeelt de omzetbasis tussen premium- en basisactiviteiten. Bij 48% premiumaandeel en een margeverschil van acht procentpunt ontstaat een gemengde marge van bijna 20%. Wie de mix of het verschil wijzigt, ziet hoeveel de uitkomst beweegt. Dit is een vereenvoudiging. Werkelijke segmenten hebben verschillende kapitaalbehoeften, valuta en grondstoffen. De rekensom maakt wel zichtbaar waarom prijs/mix in de rapportage belangrijker kan zijn dan gerapporteerde volumegroei. Een hogere premiumprijs moet op klantwaarde rusten. Een parfumhuis kan meer vragen wanneer een molecuul uniek, stabiel en gewenst is. Een voedingsingrediënt verdient een premie wanneer het smaak, houdbaarheid of regelgeving verbetert. Prijs zonder aantoonbare waarde lokt alternatieven uit. Fusiesynergie is meer dan kosten schrappen dsm-firmenich kan onderzoeksteams, productie, klantrelaties en inkoop combineren. Kostenbesparing is de meest zichtbare synergie, maar omzet- en innovatiesynergie kan waardevoller zijn. De ene divisie kan technologie of klanten voor de andere openen. De onderneming moet oppassen dat integratie de innovatiesnelheid niet verlaagt. Meer processen en besluitlagen kunnen experts vertragen. De financiële winst van standaardisatie mag het commerciële voordeel van lokale klantkennis niet wegdrukken. Bij de halfjaarcijfers van 30 juli lag de aandacht op autonome groei, aangepaste EBITDA, kasconversie en de vereenvoudigde portefeuille na Animal Nutrition & Health. Die portefeuillestap maakt de resterende groep gerichter, maar de prestaties moeten nog uit meerdere markten komen. Herstructurerings- en integratiekosten zijn echte kasuitgaven. Het is redelijk om ze apart te tonen wanneer zij tijdelijk zijn. Het wordt problematisch wanneer ieder jaar nieuwe uitzonderingen nodig zijn om de gewenste marge te laten zien. De bruikbare controle is vrije kas na alle integratie-uitgaven. Wanneer aangepaste EBITDA stijgt maar de vrije kas achterblijft, kan werkkapitaal, capex of herstructurering meer vragen dan de winstmaat suggereert. Kapitaalallocatie na de inkoop Op 29 september rondde dsm-firmenich een aandeleninkoop van €540 miljoen af. Die inkoop helpt de winst per aandeel alleen wanneer het verwaterde aantal aandelen netto daalt. Nieuwe stukken voor beloning kunnen een deel neutraliseren. Inkoop concurreert met onderzoek, schuldafbouw en gerichte acquisities. Bij een innovatiebedrijf is R&D vaak de beste bestemming zolang het verwachte rendement hoog is. Inkoop is aantrekkelijk wanneer de koers onder de intrinsieke waarde ligt en de balans voldoende ruimte houdt. Het dividend hoort eveneens bij totaalrendement, maar mag niet dubbel worden geteld. Vrije kas die als dividend vertrekt, kan niet tegelijk als extra ondernemingswaarde op de balans blijven. Wat moet €98,74 waarmaken? De reverse valuation gebruikt €5,35 vrije kas per aandeel en een eindmultiple van 18,5. Daarmee vraagt de huidige koers in 2029 ongeveer €5,34 vrije kas per aandeel om alleen de prijsbasis te dragen. Het vereiste niveau ligt dicht bij de gebruikte basis. Het rendement hangt dus vooral af van groei, dividend, netto aandelenkrimp en de multiple die beleggers later willen betalen. Een dalende multiple kan een deel van operationele vooruitgang opeten. De multiple is hoger dan bij een grondstoffenbedrijf omdat gespecialiseerde ingrediënten stabielere klantrelaties en hogere marges kunnen hebben. Die premie blijft alleen logisch wanneer innovatie leidt tot prijszettingsmacht en kas. Netto schuld zit niet afzonderlijk in deze vereenvoudigde per-aandeelmethode. Een ondernemingswaardemodel zou schuld aftrekken en kas toevoegen. Wie een hogere multiple kiest, moet daarom tegelijk een gezonde balans en betrouwbare kasconversie eisen. Drie mogelijke koerspaden Het bearpad veronderstelt zwakke volumes, trage innovatie-opschaling en multiplekrimp. Het middenpad neemt betere mix, synergie en vrije kas per aandeel aan. Het gunstige pad vraagt dat Perfumery, Beauty en gespecialiseerde voeding tegelijk sterk groeien. De module geeft mogelijke koersen voor 2027, 2028 en 2029. Groei van vrije kas per aandeel, multiple en netto aandelenbasis zijn zichtbaar. Het zijn scenario's, geen koersdoelen. Het sterkste argument voor dsm-firmenich is dat klanten complexe problemen niet graag zelf oplossen. Formulering, regelgeving en sensorische kennis maken de leverancier diep onderdeel van het product. Het tegenargument is dat innovatie lang kan duren en grondstof- of valutabewegingen de marge onderweg drukken. Volg in de komende rapportages autonome volumegroei, prijs/mix, aangepaste EBITDA, vrije kas na uitzonderingen en het verwaterde aandelenaantal. Vooral de verhouding tussen innovatie-uitgaven en nieuwe brutowinst verdient aandacht. Bij €98,74 hoeft ieder onderzoeksproject niet te slagen. De portefeuille moet als geheel wel aantonen dat kennis meer marge en kas oplevert dan zij kost. Dat is de echte economische betekenis van een innovatiepremie. Lees ook: waarom de winkelmarge meer zegt dan omzetgroei.
- Projectwinst van BAM moet nu ook vrije kas worden
In het kort BAM verhoogde in de eerste helft van 2026 de aangepaste EBITDA met 36% naar €240 miljoen. De omzet groeide 3% naar €3,5 miljard en het nettoresultaat steeg 25% naar €127 miljoen. Voor heel 2026 verwacht het bedrijf minstens 6,5% aangepaste EBITDA-marge. Bij €12,50 draait de waardering om kasconversie en projectdiscipline. Ons middenpad geeft €13,24 in 2027, €13,89 in 2028 en €14,57 in 2029. Het zijn scenario’s, geen koersdoelen. Een bouwbedrijf kan op papier winstgevend groeien en tegelijk kas verliezen. Facturering, vooruitbetalingen, claims, materiaalinkoop en projectmijlpalen bewegen niet gelijk met de winst-en-verliesrekening. Daarom is een hogere marge goed nieuws, maar vrije kasstroom het strengere bewijs. BAM heeft de afgelopen jaren risicovolle activiteiten afgebouwd en de balans verbeterd. Die verandering verdient een hogere waardering dan in de probleemjaren. De koers veronderstelt inmiddels wel dat nieuwe projecten de oude fouten niet herhalen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De halfjaarcijfers zijn duidelijk beter Werkkapitaal is de stille schakel De optimistische visie heeft gewicht Waardering bij €12,50 De bewijsstukken voor 2026 De halfjaarcijfers zijn duidelijk beter Op 30 juli meldde BAM over de eerste zes maanden €3,5 miljard omzet, 3% meer dan een jaar eerder. De aangepaste EBITDA steeg 36% naar €240 miljoen. Dat komt neer op een marge van ongeveer 6,9%. Het nettoresultaat bedroeg €127 miljoen, of €0,49 per aandeel. Het bestuur verwacht over heel 2026 een aangepaste EBITDA-marge van minstens 6,5%. Die formulering is belangrijk. De onderneming stuurt niet alleen op omzetgroei, maar op de kwaliteit van de omzet. Een project dat veel omzet toevoegt en nauwelijks marge levert, kan capaciteit bezetten zonder voldoende waarde te creëren. De orderportefeuille geeft zicht op toekomstige activiteit, maar geen garantie op winst. Prijsstijgingen, onderaannemers, vertragingen en contractvoorwaarden bepalen wat uiteindelijk overblijft. Bij vaste prijscontracten kan een kostenstijging grotendeels voor rekening van BAM komen. Bij beter beschermde contracten wordt risico gedeeld of opnieuw geprijsd. Werkkapitaal is de stille schakel Bouwers ontvangen soms geld voordat alle kosten worden gemaakt. Dat creëert tijdelijk positief werkkapitaal. In andere projecten moet de onderneming materiaal en arbeid betalen voordat de klant factureerbare mijlpalen accepteert. Dan slurpt groei kas op. Een sterke kaspositie kan daardoor zowel operationele kwaliteit als timing weerspiegelen. Beleggers moeten kijken naar meerdere perioden en naar uitleg over voorschotten, claims en betalingen. Een eenmalige kasinstroom is minder waardevol dan structurele kasconversie uit winstgevende projecten. Ook voorzieningen verdienen aandacht. Een probleemdossier kan jaren na de eerste omzet nog kosten veroorzaken. De afwezigheid van nieuwe grote tegenvallers is daarom geen detail, maar een belangrijk onderdeel van de waardering. De optimistische visie heeft gewicht De vraag naar infrastructuur, energienetten en duurzame gebouwen blijft groot. Overheden en bedrijven moeten investeren, ook bij een tragere economie. BAM kan selectiever bieden dan in het verleden en capaciteit richten op projecten met betere voorwaarden. De hogere halfjaarmarge ondersteunt het idee dat die strategie werkt. Wanneer de onderneming 6,5% of meer vasthoudt en de kasconversie verbetert, kan de winst per aandeel groeien zonder veel extra kapitaal. Aandeleninkoop of dividend kan dan boven op de operationele waarde komen. Het tegenargument is dat bouwmarges dun blijven. Een fout op enkele grote projecten kan een aanzienlijk deel van de jaarwinst wegnemen. Arbeid is schaars, materiaalprijzen blijven volatiel en publieke opdrachtgevers kunnen procedures vertragen. Een hoge orderportefeuille kan zelfs ongunstig zijn wanneer capaciteit in slecht geprijsde contracten vastzit. Waardering bij €12,50 De koerspagina van De Belegger vermeldde op 2 oktober om 17:35 een koers van €12,50 voor BAMNB op Euronext Amsterdam. BAM is sinds 1959 genoteerd en het gewone aandeel heeft ISIN NL0000337319. De koers-winstverhouding op basis van de laatste twaalf maanden lag rond 13,7. Voor onze reverse valuation gebruiken we €1,00 genormaliseerde winst per aandeel en een eindmultiple van 12,5. Om de huidige koers in 2029 te rechtvaardigen is €1,00 winst per aandeel nodig. Dat betekent dat de koers ruwweg een stabiele winstbasis veronderstelt. Voor 10% jaarlijks koersrendement zou BAM in 2029 ongeveer €16,64 moeten noteren. Bij 12,5 keer winst hoort €1,33 winst per aandeel. Vanaf €1,00 vraagt dat circa 10% jaarlijkse groei. Dividend verlaagt de vereiste operationele groei voor totaalrendement, maar is niet in de koerspaden opgenomen. Het bearscenario neemt min 4% winstgroei, een multiple van negen en beperkte kasconversie. Dat geeft mogelijke koersen van €8,21 in 2027, €7,80 in 2028 en €7,41 in 2029. Het middenpad gebruikt 6% groei, 12,5 keer winst en 1% netto aandelenkrimp: €13,24, €13,89 en €14,57. Het gunstige pad rekent met 14% groei, veertien keer winst en aanhoudende projectdiscipline: €17,40, €19,95 en €22,88. De formule is winst per aandeel maal de multiple, gecorrigeerd voor de netto verandering van de aandelenbasis. Nettokas wordt niet nog eens apart opgeteld. Een deel daarvan is nodig voor garanties, werkkapitaal en projectrisico. Dividend is evenmin als gratis extra in de koers verwerkt. De bewijsstukken voor 2026 De eerste toets is of de jaarmarge daadwerkelijk minstens 6,5% wordt. De tweede is vrije kasstroom na investeringen en belasting. De derde is de ontwikkeling van voorzieningen en claims. De vierde is de kwaliteit van nieuwe orders. Een marge boven 6,5% met zwakke kasconversie is minder overtuigend dan een iets lagere marge die in geld binnenkomt. Andersom kan tijdelijk werkkapitaal de kas mooier maken dan de onderliggende projectwinst. Beide maatstaven horen dus bij elkaar. Ook kapitaaluitkeringen moeten in context worden beoordeeld. Dividend en inkoop zijn aantrekkelijk wanneer zij uit duurzame vrije kas komen. Ze zijn minder verstandig wanneer de onderneming kort daarna extra financiering nodig heeft om projecten of garanties te ondersteunen. Lees ook: De beurs staat hoog, het vertrouwen ligt op de grond en waarom Box 3 het erger kan maken. BAM heeft veel van de oude reputatieschade afgeschud. De volgende herwaardering vraagt niet om spectaculair hogere omzet, maar om een consequente omzetting van projectmarge in kas. De 6,5% doelstelling is daarom geen eindpunt. Zij is het begin van de controle of groei ook werkelijk aan aandeelhouders toekomt.
- Robotaxi's van partners mogen de winst van Uber niet opeten
In het kort Uber heeft zijn eerste autonome ritten met Wayve in Londen gelanceerd en werkt tegelijk aan uitrol met meerdere voertuig- en technologiepartners. Dat vergroot het aanbod op het platform, maar het zegt nog niet welk deel van een autonome rit uiteindelijk bij Uber blijft. Bij een koers van $68,11 en een beurswaarde van ongeveer $140 miljard draait de waardering daarom om platformmarge, niet alleen om het aantal ritten. Ons middenpad komt uit op $77,28 in 2027, $85,58 in 2028 en $94,77 in 2029. Dat zijn scenario’s op basis van eigen aannames, geen koersdoelen. Uber wil de centrale marktplaats voor mobiliteit blijven wanneer de chauffeur uit de auto verdwijnt. Op 3 september begon Wayve via Uber met autonome ritten in Londen. Een week later meldde Uber dat de samenwerking met WeRide en AVOMO als eerste in Spanje een nationale vergunning voor autonome personenritten had gekregen. De gebeurtenissen zijn concreet, maar nog klein tegenover de bestaande marktplaats van chauffeurs. Daarmee verschuift de beleggersvraag. Het is niet langer voldoende om te tellen hoeveel autonome partners Uber tekent. Belangrijker is wie het voertuig financiert, wie verzekering en onderhoud betaalt, welk deel naar de technologiepartner gaat en hoeveel Uber overhoudt voor vraag, betaling en klantenservice. Direct naar een onderdeel van dit artikel Uber verkoopt toegang, geen auto De nieuwste kwartaalcijfers geven een sterke basis Het beste tegenargument is schaal Wat de huidige koers al veronderstelt Waar het bewijs moet komen Uber verkoopt toegang, geen auto Het huidige model is aantrekkelijk omdat Uber zelf weinig voertuigen bezit. Chauffeurs en vlootpartners brengen het kapitaal in, terwijl Uber vraag bundelt en een vergoeding ontvangt. Bij robotaxi’s kan die kapitaallichte positie blijven bestaan, maar alleen als partners bereid zijn de voertuigen en technologie te financieren. Wayve levert de autonome technologie. Andere samenwerkingen voegen fabrikanten, vlootbeheerders of lokale operators toe. Uber brengt de klantrelatie, prijsstelling, boeking en betaling. Dat klinkt als een logische taakverdeling. Toch hebben al die partijen economische macht. Een robotaxi-eigenaar die voertuig, sensoren, energie, schoonmaak, onderhoud en stilstand draagt, zal geen chauffeurscommissie van Uber cadeau doen. De take rate, het deel van de brutoboekingen dat als omzet bij Uber terechtkomt, kan daardoor anders uitvallen dan bij ritten met menselijke chauffeurs. Een lagere vergoeding is aanvaardbaar wanneer autonome ritten veel extra volume opleveren en weinig extra platformkosten vragen. Een hoge vergoeding is minder waardevol wanneer Uber zelf garanties, voorfinanciering of vlootrisico moet dragen. De nieuwste kwartaalcijfers geven een sterke basis Bij de kwartaalcijfers van 5 augustus meldde Uber over het tweede kwartaal $58 miljard aan brutoboekingen, 24% meer dan een jaar eerder. De omzet steeg 12% naar $14,19 miljard. Dat verschil laat zien dat omzet en boekingen niet hetzelfde meten. Wijzigingen in de verslaggeving en het bedrijfsmodel drukten de gerapporteerde omzetgroei volgens Uber met acht procentpunten. De GAAP-bedrijfswinst bedroeg $1,89 miljard en de vrije kasstroom $2,79 miljard. De nettowinst werd geholpen door $1,6 miljard aan herwaarderingswinst vóór belasting. Voor een waardering is het daarom verstandiger om de operationele winst en kasstroom te volgen dan de gerapporteerde nettowinst één op één door te trekken. Uber heeft dus financiële ruimte om autonome partners te ondersteunen. Die ruimte is geen blanco cheque. Strategische investeringen, vooruitbetalingen en garanties kunnen buiten de normale platformkosten vallen. Een samenwerking kan operationeel succesvol lijken terwijl het rendement op de extra investering voor aandeelhouders tegenvalt. Het beste tegenargument is schaal De optimistische visie verdient een serieuze behandeling. Uber heeft in veel steden al vraag, betalingen, klantenservice en een groot netwerk van ritten. Een autonome aanbieder kan via dat netwerk sneller een hoge bezettingsgraad bereiken dan met een eigen app. Stilstaande robotaxi’s zijn duur. De partij die vraag op rustige uren kan bundelen, heeft dus echte waarde. Bovendien hoeft Uber niet één winnaar in autonome technologie te kiezen. Het kan Wayve, WeRide, Pony.ai en andere aanbieders naast elkaar zetten. Daardoor spreidt het technische risico en kan de klant in dezelfde app meerdere voertuigtypen krijgen. Die neutraliteit kan de marktplaats versterken. Het tegenargument is dat de beste autonome aanbieders zelf directe klantrelaties willen. Waymo en Zoox kunnen eigen apps blijven aanbieden. Wanneer één vloot in een stad duidelijk goedkoper of betrouwbaarder wordt, kan de waarde van een brede marktplaats afnemen. De strijd wordt dan lokaal beslist, niet door het wereldwijde aantal Uber-gebruikers. Wat de huidige koers al veronderstelt UBER sloot op 2 oktober op $68,11 aan de NYSE. De koers-winstverhouding van ongeveer 14,9 lijkt bescheiden, maar de winst per aandeel van $4,57 bevat posten die niet zonder meer structureel zijn. Voor onze omgekeerde waardering gebruiken we daarom $4,55 genormaliseerde winst per verwaterd aandeel en een eindmultiple van vijftien. Bij die aannames vraagt de huidige koers vrijwel geen winstgroei tot 2029. Dat is comfortabel, maar alleen wanneer de startwinst duurzaam is. Als herwaarderingen wegvallen, aandelenbeloning sneller groeit of robotaxi-investeringen veel kas vergen, ligt de echte basis lager. Onze scenario’s rekenen expliciet met de verandering van de aandelenbasis. Het bearscenario neemt 2% winstgroei, een multiple van 10,8 en iets ongunstiger uitvoering. Dat levert mogelijke koersen van $45,72 in 2027, $46,18 in 2028 en $46,64 in 2029. Het middenpad gebruikt 12% groei, vijftien keer winst en 1% netto aandelenkrimp: $77,28, $85,58 en $94,77. Het gunstige pad veronderstelt 20% groei, 16,8 keer winst en sterke schaalvoordelen: $95,40, $112,17 en $131,88. De formule is winst per aandeel maal de gekozen multiple, gecorrigeerd voor de netto verandering van de aandelenbasis. Dividend speelt geen rol, omdat Uber geen structureel dividendrendement biedt. De scenario’s zijn gevoelig voor normalisatie van de startwinst en voor de economische afspraken met autonome partners. Waar het bewijs moet komen De eerste toets is omzet per autonome boekingsdollar. Zonder die verhouding kan snel ritvolume weinig aandeelhouderswaarde opleveren. De tweede toets is de kas die Uber zelf moet inzetten voor voertuigen, garanties of belangen. De derde toets is de bezettingsgraad van autonome voertuigen tegenover die van menselijke chauffeurs. Ook regelgeving blijft belangrijk. Een vergunning bewijst dat exploitatie is toegestaan, niet dat een stad duizenden voertuigen accepteert. Ongevallen, verzekeringsvoorwaarden en lokale arbeidsregels kunnen de uitrol vertragen of duurder maken. Lees ook: Tussen deze twee aandelen is het grootste bedrijf niet vanzelf het beste aandeel. Uber heeft een geloofwaardige route om de vraagzijde van autonome mobiliteit te organiseren. De koers vraagt geen wonderbaarlijke winstgroei, maar wel dat de platformpositie economisch sterk blijft. Meer robotaxi’s zijn daarom goed nieuws wanneer elke extra rit na betalingen aan voertuig, vloot en technologie nog voldoende marge voor Uber achterlaat.
- De merkenmix bepaalt hoeveel NIO aan zijn groei verdient
In het kort NIO verkocht in september 37.408 elektrische auto's, maar achter dat totaal gaan drie verschillende verdienmodellen schuil. Het premiummerk groeit stevig, terwijl ONVO en firefly een andere prijsklasse aanspreken. Dat kan de fabrieken beter vullen, maar maakt de gemiddelde opbrengst en brutowinst per auto minder voorspelbaar. Bij $3,37 per Amerikaans certificaat draait de belegging vooral om toekomstige marges, financiering en het aantal aandelen waarover de opbrengst straks wordt verdeeld. Een autofabrikant kan meer auto's verkopen en zijn aandeelhouders toch teleurstellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer de extra auto's goedkoper zijn, veel korting meekrijgen of een dure introductiecampagne nodig hebben. Bij NIO wordt die afweging interessanter nu het bedrijf tegelijk een premiummerk, een gezinsmerk en een compact stadsautomerk uitbouwt. De leveringspublicatie van 1 oktober laat zien hoe verschillend die onderdelen bewegen. In september kwamen 21.318 leveringen van NIO, 8.763 van ONVO en 7.327 van firefly. Het NIO-merk groeide 55,3% tegenover een jaar eerder, terwijl de groep als geheel 7,7% groeide. De samenstelling van de groei verdient daarom minstens zoveel aandacht als het totaal. Direct naar een onderdeel van dit artikel Drie merken geven meer bereik, maar ook meer werk De voertuigmarge herstelt, de gewone aandeelhouder ziet nog verlies Een prijsgevecht kan de schaalvoordelen opeten Financiering bepaalt hoeveel van het herstel per ADS overblijft Wat moet NIO waarmaken bij $3,37? Drie merken geven meer bereik, maar ook meer werk De economische logica achter meerdere merken is begrijpelijk. Met dezelfde technische kennis, inkooporganisatie en delen van de productieketen kan een fabrikant verschillende klanten bereiken. Wie geen premiumauto wil betalen, is mogelijk wel geïnteresseerd in een betaalbaarder model. Dat vergroot de markt zonder dat voor ieder merk een volledig nieuw bedrijf nodig is. Tegelijk zijn gedeelde onderdelen geen garantie voor gedeelde winst. Elk merk vraagt positionering, service, marketing en ontwikkeling. Een klant die van een dure NIO naar een goedkopere ONVO overstapt, levert bovendien niet automatisch extra omzet op. Dat heet kannibalisatie: een nieuw product eet een deel van de verkoop van een bestaand product op. Het is pas gunstig wanneer de bredere klantenbasis en lagere kosten dat verlies ruimschoots compenseren. De verdeling van september, ongeveer 57% NIO, 23% ONVO en 20% firefly, is daarom een startpunt voor de analyse. Zij bewijst niet welk merk het meest winstgevend was. NIO publiceert in deze maandupdate geen afzonderlijke brutowinst per merk. Wie alleen aantallen vermenigvuldigt met een catalogusprijs mist kortingen, batterijkeuzes, uitvoering en het moment waarop omzet wordt verantwoord. Dat is ook waarom een vergelijking met Tesla meer vraagt dan twee leveringsgrafieken. In de eerdere Tesla-analyse over de rekening achter de kasbuffer staat de verhouding tussen investeringen en opbrengsten centraal. Voor NIO komt daar de vraag bij of een bredere merkenfamilie de kosten per auto verlaagt of juist extra complexiteit toevoegt. De voertuigmarge herstelt, de gewone aandeelhouder ziet nog verlies Bij de kwartaalcijfers van 1 september over april tot en met juni rapporteerde NIO RMB32,14 miljard omzet en een voertuigmarge van 18,5%. Die marge was een jaar eerder 10,3%. Een voertuigmarge is het deel van de auto-omzet dat overblijft na de directe productiekosten, vóór onder meer ontwikkeling en verkooporganisatie. Een verbetering van acht procentpunten is groot. Bij RMB100 aan voertuigomzet blijft dan ongeveer RMB8 extra over om andere kosten te betalen. Maar brutowinst is nog geen nettowinst. De onderneming rapporteerde een nettoverlies van RMB528 miljoen; het verlies toerekenbaar aan gewone aandeelhouders bedroeg RMB721,6 miljoen. Zonder bepaalde posten was een kleine aangepaste winst zichtbaar. Die aangepaste uitkomst maakt de gewone verliesbasis niet positief. Hoeveel helpt een volgende stap in volume? Neem als eigen rekenvoorbeeld 109.000 auto's in een kwartaal, gemiddeld RMB270.000 omzet per auto en 18,5% voertuigmarge. Dat levert ongeveer RMB5,44 miljard brutowinst op. Tegenover een illustratieve operationele kostenbasis van RMB6 miljard blijft dan een tekort bestaan. Overige omzet, overige directe kosten, rente en belasting ontbreken in dit eenvoudige model; het is dus geen voorspelling van de gerapporteerde winst. Het voorbeeld maakt wel duidelijk waarom één procentpunt marge belangrijk is. Bij deze volumes verandert de brutowinst met ongeveer RMB294 miljoen per kwartaal. Een kleine prijsconcessie kan dus een groot deel van de verbetering door extra productie opslokken. De meest bruikbare volgende cijfers zijn voertuigomzet per levering, brutomarge en de ontwikkeling van operationele kosten samen. Een prijsgevecht kan de schaalvoordelen opeten BYD, Tesla en andere Chinese fabrikanten concurreren om klanten die veel keuze hebben. NIO probeert zich te onderscheiden met service, technologie en batterijwisselen. Dat kan merkbinding opleveren. Het vereist ook investeringen en voldoende gebruik om de infrastructuur rendabel te maken. Het sterkste positieve argument is dat een groter volume de bestaande organisatie productiever maakt. Ontwikkelingskosten voor software of een platform hoeven niet voor elke extra auto opnieuw te worden gemaakt. Als NIO het premiummerk laat groeien zonder de kosten even hard op te voeren, kan de winst snel verbeteren. De tegenwerping is dat de sector die ruimte niet cadeau geeft. Nieuwe modellen volgen elkaar snel op. Een aantrekkelijke auto van een concurrent kan NIO dwingen de prijs te verlagen of meer uitrusting toe te voegen. Een hogere fabrieksbezetting helpt weinig als de bijdrage per auto tegelijk verdwijnt. Daarnaast kan de uitbreiding met drie merken managementaandacht verdelen op een moment waarop kostenbeheersing juist cruciaal is. Financiering bepaalt hoeveel van het herstel per ADS overblijft De brede liquiditeitsmaatstaf van NIO bedroeg eind juni RMB56,7 miljard. Daar zitten ook restricted cash en deposito's in. Dat is geen bedrag dat zonder verdere aftrek als vrij beschikbare nettokas aan de beurswaarde mag worden toegevoegd. Schulden, operationele verplichtingen en toekomstige investeringen horen bij dezelfde rekensom. Het financieringsrisico is concreet. NIO kan groei betalen uit operationele kasstromen, met leningen, via partners of door nieuwe aandelen uit te geven. Dat laatste heet verwatering: dezelfde onderneming wordt over meer aandelen verdeeld. Bij 30% omzetgroei en 4% meer aandelen stijgt de omzet per aandeel bijvoorbeeld met 25%, niet met 30%. De eerdere uitleg bij Rivian over groei en nieuwe aandelen helpt om dat onderscheid te maken. Een kapitaalronde kan het bedrijf sterker maken en voor bestaande aandeelhouders toch een prijs hebben. Bij NIO mag een scenario met extra geld daarom niet tegelijkertijd rekenen op een onveranderd aandelental zonder financieringskosten. Wat moet NIO waarmaken bij $3,37? Het uitgangspunt is de NYSE-slotkoers van 2 oktober 2026 van $3,37 om 16.00 uur New Yorkse tijd. Het gaat om NIO ADS, ISIN US62914V1061. Volgens de eigen beleggersinformatie vertegenwoordigt één ADS één gewoon Class A-aandeel. De onderneming rapporteert hoofdzakelijk in renminbi; onderstaande waarderingsscenario's staan in Amerikaanse dollars en veronderstellen een gelijkblijvende omzettingskoers ten opzichte van de gekozen dollaromzet. Omdat de gerapporteerde winst negatief is, heeft een gewone koers-winstverhouding hier weinig betekenis. De omgekeerde rekensom gebruikt ondernemingswaarde ten opzichte van omzet. Met 2,65 miljard toekomstige aandelen, $2 miljard netto financiële verplichtingen en 0,7 keer omzet vraagt de huidige koers ongeveer $15,6 miljard jaaromzet. Voor 10% jaarlijks koersrendement tot eind 2029 is bij dezelfde aannames circa $20,2 miljard nodig. Dat klinkt bereikbaar, maar de omzetmultiple is zelf een winstaanname. Een waardering van 0,7 keer omzet kan bijvoorbeeld overeenkomen met veertien keer operationele winst bij 5% operationele marge. Zonder uitzicht op zo'n marge verdient omzet geen vaste prijs. Bij langdurige verliezen kan zelfs een lage omzetmultiple te hoog zijn. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Lees ook: Dit is waarom Rivian aandelen dalen vandaag, over de spanning tussen groeifinanciering en waarde per bestaand aandeel. De drie paden geven mogelijke koersen voor eind 2027, 2028 en 2029. Het bearpad houdt de operationele marge rond nul en laat financieringsdruk voortduren. Het middenpad veronderstelt dat de marge richting 5% groeit; het gunstige pad vraagt rond 8% en sterke volumegroei. De volledige omzet-, multiple-, schuld- en aandelenpaden staan in de module. De toekomstige netto financiële posities zijn aannames, geen vaststelling van de huidige nettoschuld. Dividend is niet meegerekend. De aantrekkelijkste aanwijzing voor NIO zou een combinatie zijn: meer premiumleveringen, stabiele voertuigprijzen en lagere kosten per auto. Alleen een nieuw leveringsrecord is onvoldoende. Als die combinatie uitblijft, wordt de financieringsvraag opnieuw belangrijker dan de groei. Voor aandeelhouders zit de kans in een winstgevend volume, en het risico in jarenlang volume zonder voldoende winst. Foto: NIO, William Li bij de WTO in Genève op 14 september 2026. Archiefbeeld.
- Tienduizenden thuisbatterijen erbij maar wat leveren ze op?
Sophie Hermans, die als minister van Klimaat en Groene Groei in 2024 het wetsvoorstel voor beëindiging van salderen mede indiende. Archieffoto van 16 februari 2026: Martijn Beekman en Valerie Kuypers / Rijksoverheid. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Nederland registreerde in de eerste negen maanden van 2026 bijna vier keer zoveel batterijen als in dezelfde periode vorig jaar. Het geregistreerde vermogen passeert inmiddels één gigawatt, al omvat dat ook zakelijke installaties. Voor een huishouden hangt de besparing vooral af van hoeveel zonnestroom de accu daadwerkelijk naar een later moment verschuift en wat het systeem volledig kost. Een rekensom met aankoop, energieverlies en jaarlijkse kosten laat zien waarom een groeiende markt nog geen rendabele aankoop garandeert. Een thuisbatterij staat bij steeds meer huishoudens op het wensenlijstje. Dat is begrijpelijk: vanaf 1 januari 2027 stopt salderen. Wie overdag veel zonnestroom overhoudt en ’s avonds elektriciteit koopt, zoekt een manier om dat verschil kleiner te maken. Een batterij kan daarbij helpen. Maar de vraag hoeveel je ermee bespaart, verdwijnt gemakkelijk achter nieuws over verkooprecords, grote vermogens en snel gevulde subsidiepotten. De nieuwste registratiereeks laat een duidelijke versnelling zien. Tegelijk ontbreken daarin juist de gegevens die een koper nodig heeft: de prijs, de hoeveelheid bruikbare opgeslagen energie, het stroomcontract en het eigen verbruik. Die twee kanten van het verhaal horen bij elkaar. De markt groeit, maar een batterij moet zich uiteindelijk bij één specifieke woning terugverdienen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De registraties groeien hard, met een kanttekening bij het record Eén gigawatt vertelt niet hoeveel avonden een batterij overbrugt Begin bij de meter voordat de batterij wordt gekozen Duizend opgeslagen kilowattuur leveren in dit voorbeeld €180 op Na drie jaar is de investering in deze scenario’s nog niet terug Een kleinere of goedkopere batterij kan beter bij de woning passen Subsidie helpt alleen als het aanbod zonder haast is doorgerekend De registraties groeien hard, met een kanttekening bij het record In de maandreeks van Energieleveren.nl staan van januari tot en met september 53.517 opslagregistraties. In dezelfde negen maanden van 2025 waren dat er 13.715. Dat is een stijging van ongeveer 290 procent, ofwel bijna een verviervoudiging. September voegde 8.535 registraties toe, ruim 26 procent meer dan augustus. Eind september telt de reeks in totaal 79.231 registraties. September is daarmee een sterke maand, maar in de ruwe cijfers geen absoluut record. April staat op 9.774. Solar & Storage Magazine meldde op 2 oktober dat die aprilpiek deels bestond uit oudere Zonneplan-batterijen die achteraf zijn geregistreerd. Dat verklaart waarom een nieuwscijfer over registraties niet automatisch iets zegt over installaties die diezelfde maand zijn geplaatst. Ook de doelgroep vraagt precisie. Van de septemberregistraties vallen er 8.463 onder kleinverbruik, ruim 99 procent. Daaronder kunnen naast woningen ook kleine bedrijven vallen. Een registratie is dus geen bewijs van een nieuwe verkoop aan een particulier. Voor installateurs en aanbieders wijst de reeks op veel meer activiteit, maar hoeveel daarvan nieuwe vraag is en hoeveel een administratieve inhaalslag, is uit dit bestand alleen niet vast te stellen. Eén gigawatt vertelt niet hoeveel avonden een batterij overbrugt Het opgetelde geregistreerde vermogen komt eind september uit op ongeveer 1.006 megawatt. Daarmee is de grens van één gigawatt gepasseerd. Toch zou het misleidend zijn om dit uitsluitend als het vermogen van Nederlandse thuisbatterijen te presenteren. Systemen boven 15 kilowatt vormen slechts 7,1 procent van de registraties, maar leveren samen 51,9 procent van het geregistreerde vermogen. De grotere installaties wegen dus zwaar mee. Voor een koper is bovendien het verschil tussen kilowatt en kilowattuur belangrijk. Kilowatt, afgekort kW, beschrijft hoe snel een batterij stroom kan opnemen of afgeven. Kilowattuur, kWh, beschrijft hoeveel energie erin past. Een systeem met 5 kW vermogen en 10 kWh bruikbare energie zou in een vereenvoudigd voorbeeld twee uur lang 5 kW kunnen leveren. De praktijk hangt ook af van verliezen en technische grenzen. De registratiereeks bevat vermogensklassen, geen opslagcapaciteit in kWh. Uit de categorie 5 tot 15 kW kun je daarom niet afleiden hoe groot het accupakket is of hoeveel een gezin ermee bespaart. Daarvoor moet bekend zijn hoeveel energie het huishouden dagelijks kan opslaan én later nodig heeft. Een grote accu die vaak halfleeg blijft, heeft weinig aan zijn maximale capaciteit. Begin bij de meter voordat de batterij wordt gekozen De eerste besparing vraagt soms vooral een ander tijdstip. Milieu Centraal adviseert om wasmachine en vaatwasser op zonnige momenten te gebruiken en ze niet allemaal tegelijk te laten starten. Wie een elektrische auto thuis kan laden, kan meer eigen zonnestroom direct in die auto stoppen. Dat verkleint het overschot waarvoor nog een losse batterij nodig is. Daar zit een belangrijke volgorde in. Kijk eerst wat met bestaande apparaten en instellingen mogelijk is. Bepaal daarna hoeveel stroom overdag nog naar het net gaat en hoeveel later wordt ingekocht. Gebruik daarvoor liefst gegevens per kwartier of uur, verspreid over het jaar. Een jaarverbruik van 3.000 kWh zegt weinig als het grootste overschot in de zomer valt en de grootste vraag in de winter. Een thuisbatterij verschuift stroom meestal binnen een dag. Hij bewaart de zomerproductie niet voor januari. Wie na slim laden en verschoven huishoudelijk verbruik nog een regelmatig dagoverschot én avondvraag heeft, kan opslag nuttig inzetten. Wie nauwelijks avondverbruik heeft, maakt een grote accu niet productief door er meer zonnepanelen naast te leggen. Ons eerdere artikel over de elektrische auto na het salderen legt uit waarom ook daar het extra voordeel bovenop gewoon slim laden telt. Duizend opgeslagen kilowattuur leveren in dit voorbeeld €180 op Volgens de Rijksoverheid stopt het wegstrepen van teruggeleverde stroom tegen afname per 1 januari 2027. Er blijft een terugleververgoeding bestaan. Tot 2030 moet die ten minste de helft van het kale leveringstarief zijn, dus zonder belastingen. Eventuele terugleverkosten staan daar nog tegenover. Het financiële voordeel van opslag hangt daardoor af van de vermeden inkoop én de opbrengst die je door minder terugleveren misloopt. Neem een eigen rekenvoorbeeld voor 2027. De complete batterij met installatie kost €3.000. Na het verschuiven van direct verbruik blijft jaarlijks 1.000 kWh zonnestroom over die de batterij kan laden. Het rendement van laden en ontladen samen is 90 procent. Er komt dus 900 kWh terug naar de woning. We nemen 30 cent per kWh aan vermeden inkoop en 5 cent netto terugleveropbrengst. Dit zijn rekenaannames, geen offerte of voorspelling van toekomstige tarieven. De 900 kWh voorkomt €270 aan inkoop. Zonder batterij had de 1.000 kWh zonnestroom €50 opgeleverd. Daarmee resteert €220 voordeel. Trek €40 per jaar af voor aangenomen gebruiks- en onderhoudskosten en er blijft €180 netto kasbesparing over. De netto terugleverprijs bevat in dit voorbeeld al de aan die stroom toegerekende terugleverkosten. Die nogmaals als extra besparing opvoeren zou dubbel tellen. Bij een echt contract kan de kostenstructuur anders zijn. Als terugleverkosten in staffels worden berekend, levert een kleine vermindering van teruglevering soms niets op en het passeren van een grens juist wel. De juiste vergelijking gebruikt daarom de complete jaarrekening met en zonder batterij. Alleen de hoogste en laagste stroomprijs naast elkaar zetten is onvoldoende. Na drie jaar is de investering in deze scenario’s nog niet terug Hoe gevoelig is de uitkomst voor het werkelijke gebruik? Met dezelfde aankoopprijs en tarieven laten we de batterij in het eerste jaar 500, 1.000 of 1.500 kWh zonnestroom opnemen. Dat levert achtereenvolgens €70, €180 en €290 netto besparing op. Het zijn drie gebruiksscenario’s voor dezelfde investering, geen voorspellingen voor drie specifieke producten. Voor 2028 en 2029 nemen we aan dat de jaarlijks bruikbaar te verschuiven hoeveelheid met 2 procent afneemt door veroudering. De feitelijke slijtage verschilt per systeem en gebruik; hier is het een vaste modelaanname. Tarieven, efficiëntie en jaarlijkse kosten blijven gelijk. De jaarbesparing wordt berekend als de geladen zonnestroom maal 22 cent, min €40. Die 22 cent komt uit 90 procent maal 30 cent vermeden inkoop, min 5 cent misgelopen terugleveropbrengst. In het middenscenario komt de kasbesparing zo uit op €180 in 2027, €175,60 in 2028 en €171,29 in 2029. Samen is dat €526,89. Tegenover de uitgave van €3.000 resteert na drie jaar €2.473,11 die nog niet is terugverdiend. In het lage en hoge scenario resteert respectievelijk €2.796,56 en €2.149,67. De batterij kan daarna verder besparen, mits hij blijft werken en het gebruik past. Draai de berekening vervolgens om. Om de aangenomen €3.000 binnen tien jaar terug te verdienen, moet de accu in dit model in het eerste jaar ongeveer 1.690 kWh zonnestroom opnemen en later voor de woning beschikbaar maken, rekening houdend met het verlies. Dat is gemiddeld zo’n 4,6 kWh geladen stroom per dag. Dat gemiddelde is geen bewijs dat het haalbaar is: op winterdagen kan voldoende zonnestroom ontbreken en op zomerdagen de vraag. De berekening telt geen financieringskosten, vervanging, restwaarde of handelsinkomsten mee. Ook kent zij geen rentevergoeding op het geïnvesteerde geld. Een systeem dat na tien jaar precies is terugverdiend, heeft daarmee nog geen aantrekkelijk rendement bewezen. Voor een offerte is de nuttige vervolgvraag hoeveel van die benodigde energie met het eigen verbruiksprofiel werkelijk verschoven kan worden. Een kleinere of goedkopere batterij kan beter bij de woning passen Dat de uitkomst sterk verschilt, blijkt ook uit praktijkonderzoek van CE Delft voor Vereniging Eigen Huis, gepubliceerd in februari 2026. Het onderzoek gebruikte twaalf maanden gegevens van dertien huishoudens. In één representatieve proef steeg het eigen gebruik van zonnestroom met een batterij van 5 kWh van 35 naar 68 procent. Twee proefopstellingen voor zelfverbruik kwamen op terugverdientijden van 6,5 tot 22 jaar. Dat is geen gemiddelde voor de hele markt, maar het laat zien hoeveel woning en contract uitmaken. Een goedkopere batterij kan financieel beter uitpakken, zolang er genoeg bruikbare capaciteit en vermogen overblijft. De Consumentenbond onderzocht zeven stekkerbatterijen en wijst op verschillen tussen opgegeven en daadwerkelijk bruikbare capaciteit. Ook efficiëntie en prestaties bij lagere temperatuur tellen mee. Alleen de aanschafprijs delen door het aantal kWh op de doos kan daardoor een verkeerde vergelijking opleveren. Het omgekeerde geldt ook. Een grotere accu kan bij een woning met veel dagelijks overschot en later verbruik wel degelijk passen. Vraag dan om een berekening die laat zien wat de extra capaciteit bovenop het kleinere systeem oplevert. Als de duurdere uitvoering vooral meer zomerse pieken opvangt die later niet nodig zijn, groeit de investering sneller dan de besparing. Vraag ook welke functies zonder betaald abonnement blijven werken en wie garantie en ondersteuning levert. Subsidie helpt alleen als het aanbod zonder haast is doorgerekend De belangstelling voor ondersteuning is groot. Flevoland stelde vanaf 1 oktober ruim €400.000 aan resterend budget beschikbaar voor een nieuwe aanvraagronde. Inmiddels meldt de provincie dat het maximale aantal aanvragen voor 2026 is bereikt. Begin 2027 volgt volgens de provincie een nieuwe mogelijkheid. Een bericht over een open subsidiepot is dus geen bewijs dat er op het moment van bestellen nog geld beschikbaar is. Subsidie verlaagt de investering, maar vergroot het avondverbruik niet. Een aanbod dat alleen aantrekkelijk lijkt met een nog niet toegekende bijdrage verdient daarom twee berekeningen: met en zonder die bijdrage. Hetzelfde geldt voor beloofde handelsopbrengsten. De capaciteit die op een bepaald moment voor handel wordt ingezet, kan niet tegelijk onbeperkt voor het eigen huishouden worden gebruikt. Bovendien is handelen niet automatisch gunstig voor de lokale stroomkabel. Netbeheer Nederland maakt onderscheid tussen passend opslaan van eigen zonnestroom en aansturing op marktprijzen, die lokale pieken soms juist kan vergroten. Voor een huishouden telt dus niet alleen hoeveel een app verdient, maar ook onder welke voorwaarden het systeem mag laden en ontladen. De bijna verviervoudiging van registraties maakt opslag een interessante markt voor installateurs, fabrikanten en dienstverleners. Voor beleggers is de vervolgvraag wie aan die groei voldoende verdient nadat installatie, ondersteuning en garantie zijn betaald. Voor huishoudens begint de beslissing een stap eerder: hoeveel stroom kan deze specifieke batterij extra benutten, welke kosten staan daartegenover en hoe verandert de uitkomst als het gebruik tegenvalt? Een offerte die dat overtuigend laat zien, zegt meer dan het landelijke aantal batterijen.
- Bij Pharming bepaalt de volgorde van de stappen de waarde
In het kort Pharming heeft meerdere kansen voor Joenja, maar ze bevinden zich niet in dezelfde fase. Een Amerikaanse aanvraag voor lagere kinderdoses krijgt een versnelde beoordeling, terwijl onderzoek naar bredere toepassingen nog veel minder ver is. Tegelijk moeten interim-CEO’s Leverne Marsh en Kenneth Lynard de commerciële uitvoering en financiering bewaken. Bij €0,8702 is vooral van belang welke inkomsten op tijd kunnen groeien om onderzoek, kosten en toekomstige schuldaflossing te dragen. Een geneesmiddel kan wetenschappelijk interessant zijn, een goedgekeurde toepassing hebben en toch moeite kosten om commercieel uit te rollen. Dat zijn verschillende problemen. Bij Pharming lopen ze momenteel door elkaar: nieuwe doses voor een bestaande ziekte, onderzoek naar andere aandoeningen en een plotselinge wissel aan de top. Voor beleggers helpt het om de stappen in volgorde te zetten. Welke ontwikkeling kan binnen enkele kwartalen omzet toevoegen? Welke vraagt eerst meer patiëntenonderzoek? En welke rekening loopt ondertussen al door? De waarde hangt niet alleen af van wat uiteindelijk mogelijk is, maar ook van wat eerder betaald moet worden. Direct naar een onderdeel van dit artikel De aanvraag voor lichtere kinderen is de dichtstbijzijnde stap Breder gebruik vraagt ander bewijs Twee leiders moeten de prioriteiten bijeenhouden De bestaande producten financieren de opties Wat verlangt €0,8702 van de onderneming? Drie uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 De aanvraag voor lichtere kinderen is de dichtstbijzijnde stap Pharming meldde op 25 september dat de Amerikaanse FDA de aanvraag voor lagere doses Joenja heeft geaccepteerd. De versnelde beoordeling richt zich op kinderen van vier tot elf jaar die tussen 13 en minder dan 27 kilogram wegen. De streefdatum voor het besluit is 30 januari 2027. Dat is een andere groep dan de kinderen van dezelfde leeftijd met een gewicht van minstens 27 kilogram, voor wie op 11 september al goedkeuring werd gemeld. De beide berichten beschrijven dus geen herhaling van dezelfde goedkeuring. Lagere doses moeten een afzonderlijke, lichtere patiëntengroep kunnen bedienen. Priority Review betekent dat de toezichthouder sneller naar een besluit wil toewerken. Het zegt niet dat het besluit positief zal zijn. En ook na goedkeuring volgen voorschriften, vergoeding en daadwerkelijke behandelstarts. In de eerdere uitleg over de FDA-aanvraag staat juist die afstand tussen de beoordelingsklok en commerciële uitvoering centraal. Wat maakt een paar maanden dan uit? Stel dat een uitbreiding uiteindelijk $12 miljoen extra omzet per volledig jaar oplevert. Als na januari nog drie maanden nodig zijn voordat betaalde behandelingen starten, resteert in 2027 in dit eenvoudige model $8 miljoen. Bij meer vertraging wordt het eerste jaar kleiner, terwijl de organisatie klaar moet blijven staan. De module laat dat tijdseffect zien, zonder een bekend patiëntenaantal of contractbedrag te suggereren: Breder gebruik vraagt ander bewijs Een tweede ontwikkeling ligt verder weg. Op 22 september presenteerde Pharming voorlopige uitkomsten van fase-II-onderzoek naar leniolisib bij genetisch herkenbare primaire immuundeficiënties met ontregeling van het immuunsysteem. In de studie zaten dertien patiënten. Het bedrijf meldde onder meer een gemiddelde afname van het miltvolume van 26,4 procent. Meer gegevens zijn aangekondigd voor het ESID-congres van 14 tot en met 17 oktober. Fase II is een onderzoeksfase waarin onder meer werking en veiligheid verder worden onderzocht. Deze studie was open-label en had één behandelgroep: patiënten en onderzoekers wisten welke behandeling werd gegeven, en er was geen afzonderlijke controlegroep. De uitkomsten kunnen richting geven, maar beantwoorden niet automatisch alle vragen die voor een brede goedkeuring nodig zijn. Een kleiner miltvolume is een concreet meetresultaat. De vervolgvraag is hoe dat zich verhoudt tot dagelijkse gezondheid, infecties, langdurige veiligheid en het effect bij een bredere groep. Een bemoedigend signaal is waardevol, maar nog geen vrijbrief om een hele nieuwe markt als omzet in te boeken. Het positieve argument is dat kennis over een bestaande stof mogelijk voor meer patiënten bruikbaar wordt. Dat kan aantrekkelijker zijn dan een volledig nieuw middel ontwikkelen. Het tegenargument is dat verwante aandoeningen niet identiek zijn en een kleine studie het risico van vervolgonderzoek beperkt kan wegnemen. Een groter onderzoek kost geld voordat duidelijk is hoeveel extra waarde ontstaat. Deze manier van kijken sluit aan bij Rabi’s analyse van Moderna’s onderzoeksdoorbraak: de grootte en kwaliteit van het medische effect moeten worden vertaald naar een commerciële mogelijkheid, met de resterende onzekerheid ertussen. Een sterk onderzoeksbericht en een verdedigbare beurswaardering zijn niet hetzelfde. Twee leiders moeten de prioriteiten bijeenhouden Pharming maakte op 29 september het onmiddellijke vertrek van Fabrice Chouraqui bekend. Het bedrijf wees op onvoldoende overeenstemming over de uitvoering van de strategische prioriteiten. Leverne Marsh, de commercieel directeur, en financieel directeur Kenneth Lynard werden interim-co-CEO’s. De onderneming stelde dat strategie, pijplijn en patiëntverplichtingen ongewijzigd blijven. Die taakverdeling past bij de twee kanten van het vraagstuk: patiënten bereiken en de middelen daarvoor bewaken. Ze bewijst nog niet dat de overgang zonder vertraging verloopt. Beslissingen over een nieuw onderzoek, commerciële uitbreiding en kosten moeten op elkaar aansluiten. Zonder aanvullende toelichting is het niet verantwoord om een specifieke overname, uitgave of tegenvallend project als reden voor het vertrek aan te wijzen. In ons bericht over de abrupte CEO-wissel ging het om dat uitvoeringsrisico. Voor de komende maanden is concreet bewijs nuttiger dan algemene geruststelling: blijven mijlpalen staan, groeit het aantal betaalde behandelingen en blijft de kasontwikkeling beheersbaar? De bestaande producten financieren de opties Volgens de halfjaarcijfers van 30 juli behaalde Pharming in Q2 $90,2 miljoen omzet. Ruconest leverde $72,3 miljoen en Joenja $17,9 miljoen. In de eerste jaarhelft bedroeg de totale omzet $162,7 miljoen, het operationele verlies $3,6 miljoen en de operationele kasuitstroom $7,7 miljoen. De omzetverwachting voor heel 2026 bleef $375 tot $395 miljoen. Ruconest levert dus nog een groot deel van de inkomsten waarmee de onderneming haar organisatie en ontwikkeling draagt. Een groeiend Joenja moet niet alleen extra omzet toevoegen, maar ook eventuele druk op Ruconest opvangen. Voor een zeldzame aandoening kunnen relatief kleine veranderingen in betaalde patiënten zichtbaar worden in de kwartaalomzet. Eén kwartaal is daardoor onvoldoende om het volledige groeipad vast te stellen. De balans bevat daarnaast een keuze die niet kan worden weggedacht. Per 30 juni bedroegen de vrije kas en verhandelbare effecten ongeveer $158,3 miljoen, exclusief restricted cash. Daar staat onder meer een converteerbare obligatie van €100 miljoen tegenover, met een coupon van 4,5 procent en looptijd tot 2029. Converteerbaar betekent dat onder de voorwaarden omzetting in aandelen mogelijk is. Aflossing vraagt geld; omzetting kan het aantal aandelen verhogen. De volgende kasbrug is een geïsoleerd voorbeeld. Zij toont de vrije kas van juni, drie zelfgekozen jaren vrije kasstroom en de nominale obligatieaflossing. De tweede helft van 2026 en andere financiering zijn er niet in voorspeld. Hetzelfde geld kan niet tegelijk als kasbuffer én als dekking voor toekomstige aflossing worden meegeteld. Lees ook: Waarom een snellere FDA-beoordeling nog geen commerciële zekerheid geeft. De betaalde behandelstart is een andere mijlpaal dan acceptatie van een aanvraag. Wat verlangt €0,8702 van de onderneming? De koersbasis is €0,8702 voor het gewone Pharming-aandeel op Euronext Amsterdam, ticker PHARM, ISIN NL0010391025, bij het slot van 2 oktober 2026. De beurskoersreeks vermeldt 17.55 uur Nederlandse tijd. De aanvullende De Belegger-momentopname betreft dezelfde euro-notering. Pharming rapporteert zijn financiële resultaten in dollars; dat verschil komt expliciet terug in het model. De halfjaarrapportage telt 707.781.240 uitgegeven gewone aandelen per 30 juni. De toekomstige modelaantallen liggen hoger om rekening te houden met mogelijke verwatering. De waardering gebruikt toekomstige omzet en marges; de onderneming boekte over de eerste jaarhelft verlies. Bij 740 miljoen aandelen, $65 miljoen nettokas en 1,15 dollar per euro eind 2029 vraagt tien procent jaarlijks koersrendement ongeveer $429 miljoen jaaromzet als de onderneming 2,2 keer omzet waard is. De horizon vanaf 4 oktober is ongeveer 3,24 jaar. Zo’n omzetbedrag ligt niet buiten iedere denkbare ontwikkeling van de bestaande activiteiten. Maar de multiple is alleen verdedigbaar als voldoende winst overblijft. Bij twaalf procent operationele marge is 2,2 keer omzet ongeveer 18,3 keer operationele winst, nog vóór rente en belasting. Bij een verliesgevende onderneming betekent hetzelfde omzetniveau financieel iets heel anders. Drie uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 Het bearpad gebruikt $370, $360 en $350 miljoen omzet, dalende omzetmultiples, verslechterende nettokas en meer aandelen. De mogelijke jaareindekoersen zijn €0,51, €0,36 en €0,25. Het middenpad rekent met $420, $470 en $530 miljoen omzet en geeft €0,97, €1,19 en €1,45. Het gunstige pad bereikt $470, $580 en $700 miljoen omzet; de mogelijke koersen worden €1,49, €2,18 en €3,03. De bijbehorende operationele marges in 2029 zijn als eigen aannames min tien, plus twaalf en plus twintig procent. De formule is omzet maal omzetmultiple, plus nettokas, gedeeld door het aantal aandelen en vervolgens door 1,15 dollar per euro. De volledige jaarlijkse kas-, aandelen- en waarderingsaannames staan in de module. Dividend is niet verondersteld. De toekomstige nettokas omvat de financieringspositie na investeringen en schuldverplichtingen. De obligatie wordt niet nogmaals van de modelwaarde afgetrokken. De aandelenpaden bevatten mogelijke emissies en beloning, maar geen automatische extra conversie boven op een al veronderstelde aflossing. Het zijn scenario’s, geen analistenramingen; vooral de gunstige uitkomst verlangt veel meer commerciële groei dan een enkel positief onderzoeksbericht kan bewijzen. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. Pharming hoeft niet iedere mogelijke markt tegelijk te veroveren om waarde te creëren. Het moet wel de volgorde goed krijgen: bestaande inkomsten beschermen, de dichtstbijzijnde uitbreiding uitvoeren en nieuw onderzoek financieren zonder de aandeelhouder uit het oog te verliezen. De komende maanden kunnen duidelijker maken of die stappen elkaar versterken of om dezelfde beperkte middelen blijven vragen. Foto: Leverne Marsh en Kenneth Lynard, interim-co-CEO’s van Pharming. Officiële bedrijfsfoto en functiegegevens, Pharming; archief.
- Wordt Wolters Kluwer onmisbaar op het scherm van de arts?
In het kort Wolters Kluwer wil de medische informatie van UpToDate dichter bij het dagelijkse werk van artsen brengen via een samenwerking met Epic. Dat kan de waarde van bestaande abonnementen versterken en nieuwe toepassingen mogelijk maken. Er is alleen geen afzonderlijke extra omzet uit die samenwerking bekendgemaakt. Bij €67,82 draait de beleggingsvraag om de balans tussen moeilijk vervangbare informatie, hogere AI-kosten en de winst die per aandeel overblijft. Een arts die tijdens het werk een medische vraag wil uitzoeken, heeft weinig aan nóg een los scherm. De informatie moet betrouwbaar zijn en op het juiste moment beschikbaar komen. Precies daar ligt de commerciële inzet van de samenwerking tussen Wolters Kluwer en Epic, een leverancier van elektronische patiëntendossiers. Dat klinkt als een kleine verandering in de manier waarop software wordt gebruikt. Voor de leverancier kan het een groot verschil maken. Wie onderdeel wordt van een dagelijkse handeling, is vaak moeilijker te vervangen dan een website die af en toe wordt bezocht. Maar er zit een tweede kant aan: de partij die het hoofdscherm beheert, kan ook meer onderhandelingsmacht krijgen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Betrouwbare informatie op het moment van de beslissing Waarvoor betaalt de klant eigenlijk? De bestaande onderneming verdient al geld AI kost ook geld zodra klanten het gebruiken Welke winst past bij €67,82? Drie winstpaden, zonder inkoop dubbel te tellen Betrouwbare informatie op het moment van de beslissing Wolters Kluwer beschreef op 11 september de samenwerking tussen UpToDate en Epic. Klanten met een UpToDate-licentie kunnen de inhoud gebruiken binnen Epic Evidence in Art. Daarnaast beschrijft het bedrijf mogelijkheden voor enterprise-klanten om via Agent Factory eigen toepassingen te ontwikkelen. De inzet is dus niet simpelweg een chatbot naast een medisch dossier. Het gaat om het verbinden van medische kennis met de werkstroom: de opeenvolging van handelingen waarmee een arts informatie opzoekt, beoordeelt en in een beslissing gebruikt. De kwaliteit van de bron, de manier waarop het antwoord tot stand komt en de aansluiting op de praktijk zijn daarbij belangrijk. Meer gebruik kan eerst het bestaande abonnement beschermen voordat het extra omzet oplevert. Een ziekenhuis dat de informatie op meer plekken inzet, heeft mogelijk minder reden om het contract op te zeggen. Dat kan waardevol zijn zonder dat er onmiddellijk een nieuwe toeslag wordt gefactureerd. Een hoger gebruikscijfer is daarom niet hetzelfde als groei van de contractwaarde. In het volgende voorbeeld gebruiken tachtig van honderd ziekenhuizen een integratie. Als slechts twintig procent van die gebruikers een extra betaald contract afsluit, betalen zestien ziekenhuizen meer. De aantallen zijn eigen aannames; Wolters Kluwer heeft deze conversie voor Epic niet gepubliceerd: Waarvoor betaalt de klant eigenlijk? De sterke positie van Wolters Kluwer berust niet alleen op het verzamelen van teksten. Professionals betalen ook voor selectie, actualisering, samenhang en de mogelijkheid om informatie binnen hun eigen processen te gebruiken. In medische toepassingen is een overtuigend klinkend antwoord onvoldoende. Een antwoord moet inhoudelijk bruikbaar zijn en verantwoord kunnen worden beoordeeld. Dat maakt de vergelijking met een algemene gratis AI-dienst beperkt. Gratis toegang kan nuttig zijn voor een eerste zoekvraag, maar vervangt niet automatisch de eisen van een ziekenhuis aan inhoud, beveiliging, integratie en verantwoordelijkheid. Die eisen kunnen een bestaande leverancier beschermen. Het tegenargument verdient evenveel aandacht. Als de onderliggende AI-modellen beter worden en klanten antwoorden vanuit één centraal systeem willen ontvangen, kan de zichtbaarheid van de oorspronkelijke leverancier afnemen. Wolters Kluwer kan dan onmisbare inhoud leveren, maar toch moeten onderhandelen met een sterkere distributeur. Een product kan belangrijker worden voor de gebruiker en tegelijk minder macht krijgen over de prijs. Dat is een concreet voorbeeld van de vraag uit Rabi’s analyse van softwarebedrijven en AI: blijft de waarde bij de losse applicatie, of verschuift zij naar data, rechten en de werkstroom? Bij UpToDate lijkt de bronkwaliteit een verdedigbare positie te bieden. De uiteindelijke contractvoorwaarden bepalen hoeveel daarvan bij de aandeelhouder terechtkomt. De bestaande onderneming verdient al geld Wolters Kluwer heeft een groot voordeel tegenover een ontwikkelaar die zijn eerste commerciële toepassing nog moet vinden. De onderneming verkoopt al software, informatie en diensten aan zorg, belastingprofessionals, juristen en andere zakelijke gebruikers. De investeringen in AI steunen daardoor op een bestaande inkomstenbasis. Bij de halfjaarcijfers van 5 augustus meldde het bedrijf €3,033 miljard omzet. Organisch groeide de omzet vijf procent; terugkerende inkomsten vormden 85 procent. De aangepaste operationele winst bedroeg €893 miljoen en de aangepaste winst per aandeel €2,83. De nettoschuld bedroeg €4,024 miljard, ongeveer twee keer de jaarlijkse winst vóór rente, belasting en afschrijvingen volgens de bedrijfsmaatstaf. Het gewone gerapporteerde winstcijfer per aandeel was €2,57. Terugkerende inkomsten zijn inkomsten die via abonnementen en vergelijkbare afspraken terugkomen. Ze geven meer zicht op de volgende periode, maar zijn niet onaantastbaar. Klanten kunnen bij verlenging onderhandelen, pakketten verkleinen of een alternatief kiezen. Het percentage zegt bovendien niet hoeveel omzet zonder verkoopinspanning voor altijd blijft bestaan. Ook het verschil tussen aangepaste en gerapporteerde winst moet blijven staan. Aangepaste cijfers halen bepaalde posten uit het resultaat en kunnen helpen om ontwikkelingen te vergelijken. Ze zijn geen vervanging voor alle werkelijke kosten van het aandeelhouderschap. In de waardering hieronder gebruiken we consequent aangepaste winst per aandeel als modelbasis en maken we die keuze zichtbaar. AI kost ook geld zodra klanten het gebruiken Traditionele software kan een extra gebruiker soms tegen heel lage extra kosten bedienen. Een AI-vraag vraagt rekenwerk, ook nadat het product gebouwd is. Meer gebruik kan daarom de omzet ondersteunen en tegelijk de kosten opvoeren. De prijsstructuur moet beide bij elkaar brengen. Voor heel 2026 voorzag Wolters Kluwer in augustus een aangepaste operationele marge van ongeveer 28 procent. De onderneming verwachtte ontwikkelingsuitgaven van twaalf tot dertien procent van de omzet. Dat vraagt om groei die uiteindelijk meer oplevert dan alleen een hoog aantal gebruikers. Stel dat nieuwe AI-functies €100 miljoen extra jaaromzet geven. Bij twintig procent extra reken- en servicekosten en €60 miljoen ontwikkelingskosten blijft €20 miljoen operationele bijdrage over. Als de betaalde omzet achterblijft, kan dezelfde investering voorlopig verliesgevend zijn. Dit zijn illustratieve bedragen, geen afzonderlijk gepubliceerde UpToDate-resultaten: De les is niet dat AI-kosten onwenselijk zijn. Zonder productontwikkeling kan de bestaande positie juist verzwakken. De vraag is welke verhouding ontstaat tussen extra contractwaarde, behoud van klanten en terugkerende kosten. Dat is goed te volgen als het management naast adoptie ook commerciële en financiële uitkomsten laat zien. Lees ook: Rabi’s beoordeling van de ServiceNow-cijfers. Daar komt dezelfde economische afweging terug: AI kan de vraag versterken terwijl rekenkosten en de kwaliteit van de kasstroom extra aandacht vragen. Welke winst past bij €67,82? Het gewone aandeel Wolters Kluwer, ticker WKL en ISIN NL0000395903, sloot op 2 oktober 2026 op €67,82 op Euronext Amsterdam om 17.35 uur Nederlandse tijd. Die slotkoers staat in de historische koersreeks. De onderneming rapporteert in euro’s. De waardering heeft peildatum 4 oktober 2026. De omgekeerde waardering begint met een eigen aanname van €5,60 aangepaste winst per aandeel voor boekjaar 2026. Dat is geen door het bedrijf gegeven exact winstbedrag en ook geen simpele verdubbeling van het halfjaar. Bij veertien keer de winst in 2029 en tien procent gewenst jaarlijks koersrendement tot dat jaareinde is ongeveer €6,60 winst per aandeel nodig. Vanaf de gekozen basis vraagt dat ongeveer 5,6 procent jaarlijkse winstgroei in 2027 tot en met 2029. Die lat oogt minder spectaculair dan bij veel jonge AI-bedrijven. Toch kan een lage multiple niet los worden gezien van risico’s. Als klanten minder willen betalen, AI-kosten harder stijgen of de distributiepositie verslechtert, kan de winstbasis tegenvallen. Een lage waardering kan een kans weerspiegelen, maar ook een terechte verwachting van minder groei. Het verschil tussen een aantrekkelijk aandeel en een goedkope valkuil zit hier vooral in de houdbaarheid van de winst. De nieuwe Epic-integratie is daarom relevant als bewijs voor blijvende bruikbaarheid. Zij mag niet als afzonderlijke miljardentoeslag boven op de bestaande waardering worden gezet zonder te weten hoeveel extra geld zij oplevert. Drie winstpaden, zonder inkoop dubbel te tellen De scenario’s rekenen steeds met winst per aandeel maal een koers-winstverhouding. In het bearpad daalt de aangepaste winst per aandeel vanaf de gekozen 2026-basis jaarlijks vijf procent en betaalt de markt tien keer de winst. De mogelijke koersen eind 2027, 2028 en 2029 zijn €53,20, €50,54 en €48,01. Het middenpad gebruikt vijf procent jaarlijkse winstgroei en veertien keer de winst. Dan volgen €82,32, €86,44 en €90,76. In het gunstige pad groeit de winst negen procent en betaalt de markt achttien keer de winst, goed voor €109,87, €119,76 en €130,54. Dit zijn eigen scenario’s, geen koersdoelen of consensusramingen. Het effect van aandeleninkoop en verwatering zit in de groei van de winst per aandeel. We geven geen tweede bonus voor inkoop en tellen geen nettokas boven op deze winstwaardering. Dividend zit evenmin in de getoonde koersen. Het ontvangen dividend zou bijdragen aan het totaalrendement, maar toekomstige uitkeringen zijn hier niet als vast bedrag voorspeld. De uitkomsten laten daardoor alleen de mogelijke koersontwikkeling zien. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. Voor de volgende rapportages zijn twee soorten bewijs nuttig. Wordt UpToDate aantoonbaar steviger onderdeel van de dagelijkse praktijk? En vertaalt dat zich naar betere contractverlenging of extra omzet zonder onevenredige kosten? De eerste vraag bepaalt of het product relevant blijft. De tweede bepaalt hoeveel die relevantie voor aandeelhouders waard is. Foto: Greg Samios, CEO van Wolters Kluwer Health. Profielportret bij Fast Company; archief.
- Bespaart je elektrische auto straks geld na het salderen?
Robin Berg van We Drive Solar (links) bij de presentatie van Utrecht Energized, met Eva Oosters, Anouk Poelmann, Jérôme Faton en Laurens van de Vijver. Archieffoto van 4 juni 2025: Renault Group / We Drive Solar, persbeeld. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Per 1 januari 2027 stopt salderen en wordt het belangrijker om zonnestroom op het juiste moment te gebruiken. Een elektrische auto kan daarbij helpen, maar stroom terugleveren is nog geen gegarandeerd verdienmodel. Robin Berg van We Drive Solar verwacht dat een oplossing voor dubbele energiebelasting dit jaar niet meer komt. Voor huishoudens telt vooral wat bidirectioneel laden extra oplevert bovenop gewoon slim laden, nadat alle kosten zijn betaald. Over minder dan drie maanden verandert de rekening voor Nederlandse huishoudens met zonnepanelen. Stroom die overdag het net op gaat, kan vanaf januari niet meer worden weggestreept tegen stroom die ’s avonds wordt gekocht. De accu van een elektrische auto lijkt een logische oplossing: overdag laden, later gebruiken of verkopen. Alleen zitten er tussen een technisch werkende accu en een aantrekkelijke investering nog belastingregels, contracten en kosten. ‘De belangrijkste stap is nu het oplossen van die dubbele energiebelasting’, zegt Robin Berg, oprichter van We Drive Solar, in het interview dat EW op 4 oktober publiceerde. Hij verwacht een oplossing eerder bij de voorjaarsbegroting dan vóór eind december. Dat is zijn verwachting, geen vastgestelde invoeringsdatum. De financiële vraag voor een huishouden is intussen heel concreet: hoeveel blijft er werkelijk over? Lees het interview in EW. Direct naar een onderdeel van dit artikel De waarde van zonnestroom hangt straks sterker af van het moment Niet iedere batterij krijgt met dubbele belasting te maken Van tien cent prijsverschil blijft niet vanzelf tien cent winst over De juiste vergelijking begint bij slim laden Een groot accupakket is nog geen beschikbaar vermogen voor de buurt Drie opbrengsten laten zien hoeveel de aannames uitmaken De overheid moet een bruikbare markt mogelijk maken De waarde van zonnestroom hangt straks sterker af van het moment Volgens de Rijksoverheid vervalt de salderingsregeling op 1 januari 2027. Terugleveren blijft mogelijk en krijgt een vergoeding. Tot 2030 moet die minimaal 50 procent van het kale leveringstarief bedragen, dus zonder belastingen. Dat betekent niet dat een huishouden de helft van zijn volledige stroomprijs terugkrijgt. Ook eventuele terugleverkosten moeten apart worden meegenomen. De nieuwe regels staan hier. Neem een eenvoudig rekenvoorbeeld met aangenomen contractprijzen. Een huishouden betaalt 30 cent per kWh voor afgenomen stroom en houdt netto 5 cent over aan een teruggeleverde kWh. Wie één kWh zonnestroom rechtstreeks zelf gebruikt, vermijdt 30 cent aan inkoop, maar ziet af van 5 cent aan opbrengst. Het extra voordeel tegenover terugleveren is dan 25 cent. Dat prijsverschil maakt het aantrekkelijker om verbruik te verschuiven. Via een accu komt er verlies bij. Bij een aangenomen rendement van 90 procent levert één opgeslagen kWh later 0,9 kWh bruikbare stroom op. Die voorkomt 27 cent aan inkoop. Trek daar de misgelopen 5 cent aan terugleveropbrengst vanaf en er resteert 22 cent, vóór slijtage en andere kosten. De zonnestroom is dus niet economisch gratis omdat hij van het eigen dak komt. Deze visualisatie laat zien waarom dezelfde zonnestroom op verschillende manieren een andere waarde krijgt. Niet iedere batterij krijgt met dubbele belasting te maken Bidirectioneel laden betekent dat een auto zowel stroom kan opnemen als afgeven. Bij vehicle-to-home, V2H, gaat die stroom naar de woning. Bij vehicle-to-grid, V2G, gaat hij terug naar het openbare net. Een auto die alleen een apparaat via een stopcontact kan voeden, biedt daarmee nog niet automatisch deze mogelijkheden. De juiste auto, installatie en aansturing moeten samen geschikt zijn. Het kabinet maakt in de antwoorden van 23 september onderscheid tussen verschillende stroomroutes. Eigen zonnestroom opslaan en daarna zelf gebruiken leidt niet tot energiebelasting over die stroom. Netstroom inkopen, opslaan en vervolgens zelf gebruiken betekent één belast afnamemoment. Het dubbele effect kan ontstaan wanneer eerder ingekochte netstroom na opslag wordt teruggeleverd en later opnieuw van het net wordt afgenomen. Lees de Kamerantwoorden. Dat onderscheid is belangrijk voor de keuze van een systeem. Een huishouden dat vooral zijn eigen zonnestroom wil bewaren, heeft een andere rekensom dan iemand die op prijsverschillen wil handelen. Een algemene uitspraak dat iedere thuisbatterij of elektrische auto twee keer wordt belast, helpt de lezer daarom niet. Eerst moet duidelijk zijn welke stroom waar vandaan komt en waar hij naartoe gaat. De routes hieronder maken zichtbaar waar belasting kan ontstaan. Terugleveren zelf is niet het tweede belastbare afnamemoment. Van tien cent prijsverschil blijft niet vanzelf tien cent winst over Berg rekent in het EW-interview normaal met ongeveer 10 cent verschil tussen goedkope en dure stroom. Als daar bijna 9 cent energiebelasting vanaf gaat, blijft volgens hem weinig over. Die bedragen beschrijven zijn rekensom. Het is geen universeel nettotarief voor iedere aansluiting en evenmin een door ons vastgesteld belastingtarief voor 2027. Ook zonder belastingprobleem is een prijsverschil geen winst. Voor elke kWh die de auto later afgeeft, moet eerder meer dan één kWh worden geladen als er omzettingsverlies is. Daarnaast kunnen een aanbieder, energieleverancier en laadinstallatie kosten veroorzaken. De accu wordt gebruikt en is op dat moment mogelijk niet beschikbaar om mee te rijden. Het is daarom onvoldoende om de laagste en hoogste uurprijs naast elkaar te zetten. De auto moet juist op die momenten aangesloten zijn. Er moet ruimte in de accu zitten wanneer stroom goedkoop is, terwijl er na het terugleveren genoeg bereik overblijft. Een fraaie dagopbrengst zegt weinig over een jaar waarin veel dagen minder gunstig uitpakken. En de markt verandert mee. Als steeds meer accu’s op goedkope uren laden en op dure uren ontladen, kan dat prijsverschillen verkleinen. Een rekensom die jarenlang dezelfde uitzonderlijk grote prijsverschillen veronderstelt, vraagt dus om een sterke onderbouwing. De techniek kan nuttiger worden voor het energiesysteem terwijl de handelsopbrengst per accu juist daalt. De juiste vergelijking begint bij slim laden Een auto alleen op goedkope uren opladen kan al geld besparen. Daarvoor hoeft hij geen stroom terug te leveren. De economische waarde van een bidirectioneel systeem is daarom het extra voordeel bovenop dat alternatief. Wie alle besparingen van slim laden aan V2G toeschrijft, laat de duurdere installatie aantrekkelijker lijken dan hij werkelijk is. In de Kamerantwoorden staat een illustratief verschil. De vaak genoemde €900 tot €1.050 per jaar betreft maximale besparingsmogelijkheden uit onderzoek van Revnext. Voor een huishouden met zonnepanelen, een middelgrote elektrische auto, 15.000 kilometer per jaar en twee thuiswerkdagen noemt het kabinet ongeveer €61 extra per jaar bovenop slim laden. Dat is één scenario, geen gemiddelde voor iedere automobilist. Stel dat de extra investering voor terugleveren €2.500 bedraagt. Dat is hier een gekozen rekenbedrag, geen offerte of actuele marktprijs. Bij €61 extra per jaar duurt eenvoudig terugverdienen ongeveer 41 jaar. Daarbij zijn rente en eventuele vervanging nog buiten beschouwing gelaten. Zo’n installatie wordt niet vanzelf rendabel omdat de totale energierekening door andere maatregelen ook daalt. Draai de som om. Wie €2.500 extra uitgeeft en dat binnen acht jaar wil terugverdienen, heeft gemiddeld €312,50 per jaar aan extra netto voordeel nodig. Dat moet overblijven na energieverlies, teruglever- en dienstverleningskosten en een reservering voor extra slijtage. De volgende module laat zien welke jaarlijkse opbrengst een gekozen investering moet dragen. Een groot accupakket is nog geen beschikbaar vermogen voor de buurt Er is wel degelijk een praktische toepassing. Stedin meldde op 16 juni 2026 een flexibel capaciteitscontract met We Drive Solar. In de regio Utrecht waren volgens de netbeheerder toen ongeveer 500 bidirectionele voertuigen actief, samen goed voor enkele megawatts flexibel vermogen. De waarde zit in het kunnen helpen op de juiste plaats en het juiste moment. Stedin beschrijft het contract hier. Een batterij met veel opgeslagen energie lost niet automatisch een lokaal overbelaste kabel op. Daarvoor moet de auto achter het relevante knelpunt aangesloten zijn en op de gevraagde momenten laden of ontladen. Handelen op landelijke stroomprijzen en een lokale netbeheerder helpen zijn bovendien verschillende diensten. Hun belangen kunnen samenvallen, maar dat is geen natuurwet. Daarmee ontstaat ook een ondernemingsvraag. Wie bundelt de auto’s, garandeert de beschikbaarheid en verdeelt de opbrengst? Een contract voor netondersteuning kan het verdienmodel aanvullen, maar dezelfde accucapaciteit kan niet onbeperkt tegelijk voor autorijden, huishoudelijk gebruik en verschillende stroomdiensten worden verkocht. Vergoedingen optellen zonder die beperkingen mee te rekenen levert een te rooskleurige uitkomst op. Het verschil tussen een energieprijs en de uiteindelijke rekening speelt ook bij brandstof. In ons eerdere artikel over olie en benzine ontleden we hoe belastingen, verwerking en andere kosten tussen grondstof en consument komen te staan. Diezelfde discipline is nodig bij de beloofde opbrengst van een autoaccu. Lees de analyse van de pompprijs. Drie opbrengsten laten zien hoeveel de aannames uitmaken Voor een vergelijking over 2027, 2028 en 2029 nemen we opnieuw €2.500 aan extra startinvestering. De jaarlijkse extra netto kasbesparing zetten we in drie rekenscenario’s op €100, €300 en €600. Die bedragen zijn aannames, geen voorspellingen of offertes. Ze moeten al ná gebruikskosten en een reservering voor slijtage overblijven, maar vóór financieringskosten. Na drie jaar is dan respectievelijk €300, €900 of €1.800 terugverdiend. Tegenover de oorspronkelijke uitgave staat nog een tekort van €2.200, €1.600 of €700. De installatie kan daarna verder besparen, maar alleen als hij bruikbaar blijft en de aangenomen opbrengsten daadwerkelijk worden gehaald. Een eventuele restwaarde is hier niet meegeteld. De grafiek toont voor ieder jaar hoeveel van de investering nog niet is terugverdiend. Met de scenarioselectie verandert ook de toelichting, zodat zichtbaar blijft welke aanname het verschil veroorzaakt. De overheid moet een bruikbare markt mogelijk maken Een overheid die flexibiliteit wil stimuleren, heeft reden om een onbedoelde dubbele heffing aan te pakken. In juni vroegen Kamerleden Van den Berg en Boomsma al om een uitvoerbare regeling of voorkeursvariant bij het Belastingplan 2027. Dat verzoek maakt tegelijk duidelijk dat fiscale techniek onderdeel is van de energietransitie. De motie benoemt ook uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Eenvoudige regels kunnen hier meer betekenen dan een nieuwe subsidiepot. Een leverancier kan geen betrouwbare terugverdientijd aanbieden als de belastingbehandeling onzeker blijft. Tegelijk moet een uitzondering controleerbaar zijn: stroom kan afkomstig zijn van zonnepanelen of het net en later worden gebruikt voor rijden, de woning of teruglevering. Een ingewikkelde administratie kan een deel van het financiële voordeel weer opeten. Ook de technische keuze verdient aandacht. Renault beschreef bij de particuliere introductie van Power V2G op 20 mei een combinatie van een geschikte auto, een specifiek laadpunt en een passend dynamisch energiecontract. Bij de introductie hoorde daar Hegg Energy bij. Dat is geen bewijs dat iedere elektrische auto met iedere laadpaal en leverancier kan terugleveren. Controle van de exacte uitvoering en actuele voorwaarden blijft nodig. Dit waren de voorwaarden bij de introductie. Voor ondernemers ligt de kans in systemen die klanten daadwerkelijk kunnen gebruiken en die na installatie ondersteund blijven. Voor huishoudens telt de extra netto besparing tegenover het goedkoopste passende alternatief. Voor beleggers is een groeiende markt voor flexibiliteit pas waardevol wanneer bedrijven daar herhaalbare omzet en winst aan overhouden. Meer geschikte auto’s alleen bewijst dat nog niet. Berg heeft daarmee een terecht punt: belastingregels kunnen nuttige investeringen afremmen. Maar het oplossen van die regels maakt niet iedere laadpaal een goede aankoop. Een overtuigend aanbod laat zien hoeveel er extra wordt verdiend, welke kosten daarvan afgaan en wat er gebeurt bij minder gunstige stroomprijzen. Wie dat kan aantonen, heeft een sterker verhaal dan iemand die alleen de grootste besparing op de brochure zet.











