Doorzoek deze website
14687 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Beleggers trekken geld uit de quantum-ETF van VanEck
In het kort QUTM sloot op 28 september rond €26,24 op Xetra. VanEck rapporteerde die dag een intrinsieke waarde van $29,38 en $900,5 miljoen fondsvermogen, tegenover ongeveer $30,00 en $924 miljoen op 25 september. Alleen de daling van de intrinsieke waarde zou het vermogen naar circa $904,9 miljoen hebben gebracht. Het resterende verschil van ongeveer $4,4 miljoen wijst op netto-uitstroom en maakt duidelijk dat beleggersvraag naast quantumtechnologie zelf een prijsfactor is. Bij een gewone onderneming kan een dalende koers niets aan de kas op de balans veranderen. Bij een ETF werkt dat anders. Authorized participants kunnen participaties creëren of intrekken wanneer beleggers geld inleggen of terughalen. Daardoor hoort het fondsvermogen mee te bewegen met zowel de waarde van de portefeuille als de netto-instroom. VanEck vermeldt voor 28 september een NAV van $29,38, $900,5 miljoen vermogen, 17,75% rendement sinds jaarbegin en 0,55% jaarlijkse kosten. De ETF is accumulerend, heeft ISIN IE0007Y8Y157 en volgt een smalle, vroege sector. De Xetra-notering in euro is niet afgedekt tegen de dollar. Direct naar een onderdeel van dit artikel Koersdaling en uitstroom zijn twee verschillende bewegingen De kosten vragen ieder jaar een hogere thematische opbrengst Drie jaar hangt de koers af van winst én risicobereidheid Instroom kan de spread verbeteren maar ook sentiment aantrekken Een thematische ETF heeft twee cycli tegelijk Koersdaling en uitstroom zijn twee verschillende bewegingen Tussen vrijdag 25 september en maandag 28 september daalde de NAV van circa $30,00 naar $29,38, ongeveer 2,1%. Als er geen creaties of intrekkingen waren geweest, zou $924 miljoen vermogen daardoor dalen naar circa $904,9 miljoen. VanEck rapporteerde $900,5 miljoen. Het verschil is klein ten opzichte van het hele fonds, maar materieel als signaal: ruwweg $4,4 miljoen verdween via netto-uitstroom. De module maakt de decompositie zichtbaar. Kies koers, uitstroom of totaal. Zo wordt helder dat een lagere AUM niet automatisch bewijst dat beleggers massaal verkopen, want de portefeuillewaarde zelf beweegt ook. De tegenwerping is terecht dat drie dagen te kort zijn voor een trend. Deze berekening bewijst geen blijvende uitstroom. Zij laat wel zien welke cijfers nodig zijn om koersenthousiasme van echte nieuwe fondsinstroom te onderscheiden. De kosten vragen ieder jaar een hogere thematische opbrengst De TER van 0,55% is niet extreem voor een thematische ETF, maar wel bijna acht keer de 0,07% van een brede S&P 500-tracker. Bij €100.000 is dat €550 per jaar voordat transactiekosten en bied-laatspread meetellen. De belegger moet dus geloven dat selectie en blootstelling aan quantumbedrijven dat verschil goedmaken. De omgekeerde som toont hoeveel bruto rendement de portefeuille moet leveren om na de fondsvergoeding het gekozen netto rendement over te houden. Belastingen, spread en valuta zijn nog niet meegenomen. Lees ook: Vier quantumaandelen met miljardenwaarderingen en nauwelijks omzet Drie jaar hangt de koers af van winst én risicobereidheid QUTM bevat zowel verlieslatende pure plays als winstgevende technologiebedrijven en leveranciers. Eén koers-winstverhouding voor het hele fonds is daarom een grove samenvatting. Het scenario rekent met portefeuillewinstgroei, een waarderingsfactor en valuta. Dividend is klein en wordt herbelegd. Dit is geen koersdoel. De spreiding voorkomt dat één onderneming alles bepaalt, maar kan niet voorkomen dat de hele quantumsector tegelijk goedkoper wordt. Instroom kan de spread verbeteren maar ook sentiment aantrekken Een groter fonds kan aantrekkelijker worden voor market makers en beleggers, terwijl snelle uitstroom liquiditeit juist kan belasten. De laatste module berekent het nieuwe fondsvermogen na één jaar op basis van portefeuille-opbrengst en nettoflow. Zo is zichtbaar dat sterke instroom AUM kan laten groeien terwijl de onderliggende koers nauwelijks beweegt, en omgekeerd. QUTM biedt een handige mand voor een sector waarin de winnaar nog niet vaststaat. De prijs van die spreiding is een hogere vergoeding en blootstelling aan een gemeenschappelijk sentiment. Rond €26,24 is niet alleen technologische vooruitgang nodig. De ETF heeft ook voldoende winstgroei bij volwassen holdings, financiering voor verlieslatende bedrijven en stabiele vraag naar het fonds nodig. De AUM-beweging van drie dagen is geen trend, maar wel een nuttig waarschuwingslicht. Een thematische ETF heeft twee cycli tegelijk QUTM volgt niet alleen de economische vooruitgang van quantumcomputing. Het fonds beweegt ook mee met de populariteit van het thema. Instroom dwingt een ETF normaal gesproken niet om boven intrinsieke waarde te handelen, omdat nieuwe stukken kunnen worden gecreëerd. Zij kan de onderliggende, vaak kleinere aandelen wel extra vraag geven. Uitstroom werkt omgekeerd. Daardoor kan een thema snel afkoelen zonder dat er op dezelfde dag slecht bedrijfsnieuws verschijnt. De portefeuille bevat bovendien meer dan pure quantumhardware. Leveranciers van chips, meetapparatuur, cloudinfrastructuur en software kunnen een plek krijgen omdat de commerciële keten nog jong is. Dat spreidt het bedrijfsrisico, maar verwatert ook de zuivere blootstelling. Een belegger koopt dus geen mandje dat uitsluitend stijgt wanneer het aantal logische qubits toeneemt. Omzet uit klassieke halfgeleiders, defensie of cloud kan op korte termijn zelfs belangrijker zijn dan quantumomzet. De 0,55% kostenratio is hoog tegenover een brede markt-ETF, maar niet uitzonderlijk voor een klein en gespecialiseerd fonds. Belangrijker is of de indexmethodiek voldoende liquiditeit afdwingt en hoe vaak zij herschikt. Snelle koersbewegingen kunnen gewichten opblazen voordat een herweging plaatsvindt. Regelmatige herweging voorkomt extreme concentratie, maar veroorzaakt handelskosten en kan winnaars vroeg terugbrengen. Dat is geen fout, wel een eigenschap van de strategie. De berekende uitstroom van circa $4,4 miljoen is een schatting. Zij ontstaat door de verandering van het fondsvermogen te corrigeren voor de verandering van de intrinsieke waarde. Valutabewegingen, timing en afronding kunnen het getal beïnvloeden. De richting is informatiever dan de laatste dollar. Wanneer het fondsvermogen meerdere dagen achtereen daalt terwijl de intrinsieke waarde stabiel blijft, wordt het signaal sterker dat beleggers stukken inleveren. Voor de komende kwartalen zijn drie controles nuttig. Kijk of het vermogen groeit door nieuwe stukken of alleen door hogere koersen. Controleer of de grootste posities echte quantumomzet rapporteren. En leg de prestaties naast een wereldwijde technologie-index. QUTM verdient zijn hogere kosten pas wanneer de selectie en thematische blootstelling na kosten iets toevoegen dat met een goedkoper fonds niet te krijgen is. Foto: Jan van Eck, CEO van VanEck. Credit Blockworks, archieffoto uit 2021.
- De volgfout kost de iShares S&P 500-ETF ook rendement
In het kort CSPX noteerde op 28 september rond €729 op Euronext Amsterdam. De accumulerende Ierse ETF met ISIN IE00B5BMR087 volgt de S&P 500 en rekent 0,07% lopende kosten, maar de uiteindelijke volgfout is breder dan dat ene getal. Dividendbelasting in het fonds, handelskosten, kas en opbrengsten uit securities lending kunnen het verschil met de index vergroten of verkleinen. Bij de huidige waardering is ongeveer 7% jaarlijkse onderliggende winstgroei nodig om, bij een stabiele waardering en valuta, richting 8% totaalrendement te gaan. Een goedkope ETF voelt bijna als een natuurkundige kopie van de index. In werkelijkheid zit er een fonds tussen de belegger en de 500 ondernemingen. Dat fonds ontvangt dividenden, betaalt belasting en kosten, handelt bij indexwijzigingen en kan effecten uitlenen. Het resultaat heet tracking difference: het gemeten verschil tussen fondsrendement en indexrendement. BlackRock rapporteerde voor 2025 een totaalrendement van 17,6% voor CSPX tegenover 17,4% voor de benchmark. Dat is geen garantie dat de ETF ieder jaar boven de index uitkomt. Het laat wel zien dat de lopende kosten niet één op één hetzelfde zijn als de gerealiseerde volgfout. Opbrengsten uit effectenuitlening en de precieze indexdefinitie kunnen een deel compenseren. Direct naar een onderdeel van dit artikel De 0,07 procent kosten vertelt niet het hele verhaal Acht procent rendement vraagt bijna zeven procent winstgroei De koersscenario’s combineren winst, waardering en eurodollar Valuta en volgfout kunnen een goed dollarjaar afzwakken Het echte verschil zit tussen indexrendement en beleggersrendement De 0,07 procent kosten vertelt niet het hele verhaal De shareclass is USD accumulating. Accumulerend betekent dat ontvangen dividend in het fonds wordt herbelegd. Het betekent niet dat dividendbelasting verdwijnt. De Ierse fondsstructuur kan op Amerikaanse dividenden belasting dragen voordat het resterende bedrag wordt herbelegd. Daarbovenop komen kleine handelsposten en kasverschillen. Kies hieronder een kostenlaag. De module toont hoe €100.000 na tien jaar groeit bij hetzelfde brutorendement, maar met verschillende jaarlijkse lekken. Het verschil lijkt in één jaar klein en wordt door samengestelde groei steeds zichtbaarder. Het sterke tegenargument is dat enkele basispunten nauwelijks uitmaken wanneer de S&P 500 jarenlang dubbelcijferig stijgt. Dat klopt voor één goed jaar. Het wordt minder vanzelfsprekend na een zwakke periode, want kosten lopen door terwijl rendement kan tegenvallen. Acht procent rendement vraagt bijna zeven procent winstgroei Een ETF heeft geen eigen bedrijfswinst. De waarde komt uit de winsten en dividenden van de onderliggende ondernemingen, gecorrigeerd voor waardering, kosten en valuta. De omgekeerde som hieronder houdt de koers-winstverhouding constant. Bij een dividendrendement van 1,2% en 0,07% fondsvergoeding moet de winst per aandeel van de index ongeveer 6,87% per jaar groeien om 8% totaalrendement te halen. Lees ook: Vanguard S&P 500 ETF VUSA, alles wat je moet weten De koersscenario’s combineren winst, waardering en eurodollar De Amsterdamse koers wordt in euro’s verhandeld, maar de onderliggende aandelen en de intrinsieke waarde zijn hoofdzakelijk in dollars. CSPX is niet valuta-afgedekt. Een sterkere euro kan dus een deel van de winstgroei in dollars wegdrukken; een zwakkere euro doet het omgekeerde. De drie scenario’s modelleren de koers van de accumulerende shareclass. Dividend wordt herbelegd en zit daardoor in de koersontwikkeling van het fonds. Het model gebruikt afgeronde uitkomsten vanaf €729 en toont koersrendement, niet een losse dividenduitkering. Dit is geen koersdoel. De uitkomsten laten zien dat een brede ETF nog steeds gevoelig is voor waardering en valuta. Spreiding verlaagt het ondernemingsrisico, niet het risico dat de hele markt duurder of goedkoper wordt. Valuta en volgfout kunnen een goed dollarjaar afzwakken De laatste module combineert twee stille krachten: de dollarbeweging tegenover de euro en de jaarlijkse volgfout. De gekozen Amerikaanse opbrengst wordt vertaald naar euro’s en daarna gecorrigeerd voor de tracking difference. Dit is precies waarom het rendement van een Nederlandse belegger kan afwijken van de headline over de S&P 500. CSPX blijft een bijzonder efficiënte manier om de S&P 500 te bezitten. Het aandeel is echter niet hetzelfde als de index op televisie. De fondsstructuur, het dividendlek, de eurodollar en de waardering van de 500 ondernemingen bepalen samen wat er op de rekening verschijnt. Bij ongeveer €729 is de ETF logisch voor wie circa 7% winstgroei en een stabiele waardering aannemelijk vindt. Wie een sterkere euro of krimpende multiple verwacht, moet rekening houden met een veel vlakker driejaarsbeeld. Het echte verschil zit tussen indexrendement en beleggersrendement Een lage beheervergoeding is slechts het zichtbare deel van de kosten. De fondsbeheerder ontvangt dividenden, betaalt bronbelasting, houdt tijdelijk kas aan en voert indexwijzigingen uit. Securities lending kan een deel van die frictie terugverdienen. De tracking difference, het gerealiseerde rendementsverschil met de index, vangt al deze effecten samen. Voor CSPX is dat nuttiger dan alleen naar de 0,07% lopende kosten te kijken, omdat een goedkoop fonds alsnog iets meer of minder kan achterblijven dan de brochure suggereert. De keuze voor een accumulerende shareclass verandert de economische bron van het rendement niet. Dividenden worden binnen het fonds herbelegd in plaats van uitgekeerd. Daardoor groeit de intrinsieke waarde sneller, maar de onderliggende Amerikaanse bronbelasting verdwijnt niet. Nederlandse beleggers moeten bovendien hun eigen fiscale positie apart beoordelen. Het woord accumulerend zegt dus iets over de kasstroom naar de belegger, niet over een belastingvrije opbouw van vermogen. Valuta verdient dezelfde nuchterheid. CSPX wordt op Euronext Amsterdam in euro verhandeld, terwijl vrijwel alle ondernemingen hun marktwaarde in dollars hebben. De eurokoers op het scherm neemt het dollarrisico niet weg. Een sterkere euro kan het rendement voor een eurobelegger drukken, zelfs wanneer de S&P 500 in dollars stijgt. Omgekeerd geeft een zwakkere euro rugwind. De noteringsvaluta bepaalt vooral hoe de transactie wordt afgerekend, niet welke economische blootstelling in de portefeuille zit. Ook liquiditeit is breder dan het handelsvolume van één beurslijn. Een market maker kan stukken creëren of innemen tegen de onderliggende aandelenmand. Daardoor hangt een normale bied-laatspread vooral samen met de liquiditeit van de S&P 500, de openingstijden van de Amerikaanse markt en de omvang van de order. Rond de Europese ochtend zijn veel Amerikaanse aandelen nog dicht. Dan kan de spread iets meer onzekerheid bevatten dan tijdens de overlappende handelsuren. Het tegenargument tegen deze kostenfocus is terecht dat een verschil van enkele basispunten klein is naast de waardering van de index. De grootste uitkomst blijft afhangen van winstgroei en de multiple van Amerikaanse megacaps. Toch zijn tracking, valuta en spread de onderdelen die de fondsbeheerder en belegger rechtstreeks kunnen beïnvloeden. Bij een lange horizon stapelen kleine jaarlijkse verschillen zich op, terwijl een onnodig dure uitvoering direct en definitief is. Foto: Larry Fink, voorzitter en CEO van BlackRock. Bron quien-es.net, geraadpleegd op 29 september 2026. De oorspronkelijke beeldcredit staat niet bij de bron vermeld.
- Starship vloog eindelijk voor omzet en SpaceX moet dat verzilveren
In het kort SpaceX sloot op 28 september op $145,47, terwijl Starship Flight 14 voor het eerst een missie vloog die het bedrijf zelf als omzetgenererend bestempelde. De raket zette 26 Starlink V3-satellieten uit en koppelt daarmee technische vooruitgang aan een direct economisch doel. De waardering verlangt nu dat meer laadvermogen de kosten per satelliet snel verlaagt en dat Starlink de enorme investeringen kan dragen. In het middenscenario blijft de koers alleen overeind wanneer SpaceX de omzet hard laat groeien zonder opnieuw zwaar te verwateren. Een geslaagde vlucht is bij SpaceX meer dan een mooie video van een raket. Starship moet veel grotere en zwaardere Starlink-satellieten tegelijk meenemen dan Falcon 9. Daardoor kan dezelfde vloot sneller capaciteit in een baan om de aarde zetten, terwijl vaste kosten over meer bruikbare bandbreedte worden verdeeld. Dat is de brug tussen techniek en geld. Bij Flight 14 van 28 september werden 26 Starlink V3-satellieten uitgezet. De booster en het ruimteschip eindigden nog in gecontroleerde splashdowns, zodat volledige herbruikbaarheid niet is bewezen. Toch verandert het karakter van de test zodra de lading commercieel bruikbaar is. Vanaf dat moment telt niet alleen of Starship vliegt, maar hoeveel omzet en bespaarde lanceerkosten iedere vlucht oplevert. Direct naar een onderdeel van dit artikel Meer laadvermogen verlaagt pas bij voldoende vluchten de kosten De beurs betaalt al voor een groot commercieel netwerk Drie jaar aan mogelijke koersen vragen heel andere bedrijven Lanceertempo en verwatering vormen samen de beslissende test Wat beleggers vanaf nu per kwartaal moeten meten Meer laadvermogen verlaagt pas bij voldoende vluchten de kosten De kern van de rekensom is eenvoudig. Een grotere raket kan de kosten per satelliet verlagen, maar alleen wanneer productie, lanceertempo en hergebruik tegelijk werken. Een duur voertuig dat weinig vliegt, schrijft zijn ontwikkelingskosten over te weinig missies af. Een voertuig dat vaak vliegt, veel lading meeneemt en grotendeels terugkomt, kan dezelfde infrastructuur veel intensiever benutten. De module hieronder laat zien waarom het verschil tussen een testvlucht en een volwassen vervoerssysteem zo groot is. Schakel tussen drie operationele stadia. Het laadvermogen is een technische maatstaf, de economische uitkomst hangt af van het aantal vluchten en de kosten die na iedere missie terugkomen. De lastige tegenwerping is dat Starlink de satellieten zelf gebruikt. Een interne lancering is geen omzet van een externe klant. De waarde ontstaat indirect wanneer extra capaciteit meer abonnees, hogere snelheden of zakelijke contracten mogelijk maakt. Daarom is een succesvolle uitzetting nodig, maar niet voldoende. De beurs betaalt al voor een groot commercieel netwerk Bij $145,47 en circa 5,864 miljard uitstaande aandelen ligt de beurswaarde rond $853 miljard. Het precieze verwaterde aantal kan door personeelsopties en toekomstige uitgiftes hoger uitvallen. De omgekeerde waardering hieronder rekent daarom niet met winst per aandeel, maar met omzet, een omzetmultiple en netto kas. Dat past beter bij een onderneming die nog uitzonderlijk veel investeert. Verander de omzetbasis. Het model toont hoeveel ondernemingswaarde de huidige koers impliceert ten opzichte van die omzet. Een lagere multiple is alleen verdedigbaar wanneer de omzet sneller groeit of de kasstroommarge sterk stijgt. De IPO leverde SpaceX in juni ongeveer $85,7 miljard bruto op. Dat geld geeft tijd, maar het is geen winst. Elke dollar die naar Starship, datacenters of satellieten gaat, moet uiteindelijk meer waarde opleveren dan de kapitaalkosten. Anders verschuift de rekening alleen van vandaag naar later. Lees ook: OpenAI, Anthropic en SpaceX zijn samen meer waard dan alle IPO’s van afgelopen 45 jaar Drie jaar aan mogelijke koersen vragen heel andere bedrijven De scenario’s gebruiken omzet maal een omzetmultiple, tellen netto kas op en delen door de verwachte verwaterde aandelen. In de slechte uitkomst blijft Starship technisch waardevol, maar groeit de commerciële opbrengst te traag en neemt het aantal aandelen toe. In de gunstige uitkomst wordt Starship een frequente vervoerder en groeit zowel Starlink als de verkoop van reken- en netwerkcapaciteit. Dit is geen koersdoel. Het brede bereik is juist de boodschap. De huidige koers is niet afhankelijk van één volgende lancering, maar van honderden vluchten, goedkopere capaciteit en discipline bij de aandelenbasis. Lanceertempo en verwatering vormen samen de beslissende test Een belegger kan de techniek niet los zien van financiering. Meer vluchten verhogen de capaciteit, maar nieuwe aandelen verdelen dezelfde bedrijfswaarde over meer stukken. De gevoeligheidsmodule combineert beide. Het vereenvoudigde model neemt een ondernemingswaarde die met het aantal jaarlijkse Starship-vluchten stijgt en deelt die door de gekozen aandelenbasis. Flight 14 is financieel relevant omdat Starship voor het eerst een bruikbare commerciële lading afleverde. De volgende bevestiging moet uit hergebruik, tempo en opbrengst komen. Als SpaceX in 2027 veel vaker vliegt zonder dat kosten, herstelwerk en aandelen harder oplopen, krijgt de waardering meer houvast. Blijft het bij geslaagde demonstraties en een traag lanceerritme, dan betaalt $145,47 al voor een uitkomst die nog ver weg ligt. Wat beleggers vanaf nu per kwartaal moeten meten De belangrijkste operationele maatstaf is niet het aantal spectaculaire beelden, maar de verhouding tussen bruikbare capaciteit en het geld dat daarvoor nodig is. SpaceX moet laten zien hoeveel Starlink-capaciteit per lancering wordt toegevoegd, hoeveel vluchten een voertuig werkelijk meegaat en hoeveel herstelwerk tussen twee missies nodig is. Een hoge vluchtfrequentie met langdurig onderhoud kan economisch nog steeds tegenvallen. De combinatie van laadvermogen, doorlooptijd en betrouwbaarheid bepaalt uiteindelijk de kosten per geleverde gigabit. Daar komt een tweede meetpunt bij. Meer capaciteit heeft alleen waarde wanneer de vraag volgt. Starlink kan extra satellieten benutten voor consumentenaansluitingen, mobiele dekking, luchtvaart, scheepvaart en overheidscontracten. De gemiddelde omzet per gebruiker hoeft niet voortdurend te stijgen, zolang het netwerk goedkoper capaciteit toevoegt dan het nieuwe klanten bedient. Een dalende prijs per aansluiting kan dus prima zijn wanneer de brutowinst per satelliet en de kasstroom van het netwerk blijven verbeteren. Concurrentie werkt op twee niveaus. Andere lanceerbedrijven kunnen prijzen drukken, maar de grotere dreiging komt mogelijk van terrestrische netwerken en alternatieve satellietconstellaties. SpaceX heeft schaal, eigen lanceringen en een snel groeiende vloot als voordeel. Daartegenover staan spectrumbeperkingen, nationale vergunningen en het risico dat goedkope glasvezel of mobiele netwerken de aantrekkelijkste stedelijke klanten vasthouden. Starlink moet daarom vooral winnen waar bereik en snelheid belangrijker zijn dan de laagste prijs. Een sterke tegenwerping tegen de optimistische waardering is dat de onderneming tegelijk meerdere kapitaalintensieve programma’s financiert. Starship, Starlink V3, grondstations en rekeninfrastructuur kunnen elk afzonderlijk veel geld opslokken. De kaspositie na de beursgang beperkt het financieringsrisico, maar voorkomt niet dat het rendement op nieuw kapitaal te laag kan zijn. Bij tegenvallende uitvoering kan verwatering terugkeren terwijl de omzetmultiple daalt. Dat is precies de combinatie die het bear-scenario hard raakt. Voor de waardering zijn daarom drie signalen doorslaggevend. Starship moet vaker vliegen zonder dat herstelkosten even snel oplopen. Starlink moet nieuwe capaciteit in betalende vraag omzetten. En de verwaterde aandelenbasis moet veel langzamer groeien dan de omzet. Wanneer slechts twee van die drie lukken, kan het bedrijf operationeel indrukwekkend blijven terwijl het aandeel achterblijft. Foto: Elon Musk tijdens het World Economic Forum in Davos in 2026. Credit Reuters, via Yahoo Finance.
- AI Cloud verdient bij Alibaba minder dan AI Labs verliest
In het kort Alibaba liet in het juni-kwartaal twee gezichten van kunstmatige intelligentie zien. AI Cloud groeide hard en verdiende RMB5,628 miljard aangepaste EBITA. AI Labs, waar nieuwe consumententoepassingen en modellen worden ontwikkeld, leed tegelijk RMB13,861 miljard aangepast EBITA-verlies. De winstgevende infrastructuur kon de experimentele rekening dus niet bijhouden. De Amerikaanse ADS sloot op 28 september op $108,76 aan de NYSE. Eén ADS vertegenwoordigt acht gewone aandelen. Bij die koers hoeft niet ieder AI-project vandaag winst te maken, maar de groep moet aantonen dat investeringen uiteindelijk de kas per ADS verhogen. De vrije kasstroom was in het kwartaal negatief RMB44,67 miljard en capex liep op tot RMB67,678 miljard. Dat maakt het verschil tussen groei en rendement heel concreet. Direct naar een onderdeel van dit artikel Eén AI-verhaal bevat twee economische modellen Inference bepaalt of gebruik waarde toevoegt De kasbuffer is groot, de uitstroom ook Wat moet $108,76 waarmaken? Cloud moet de laboratoriumrekening leren dragen Eén AI-verhaal bevat twee economische modellen AI Cloud verkoopt rekenkracht, opslag, databases en modellen aan bedrijven. Een bezette server kan jarenlang omzet leveren. AI Labs investeert in modellen en producten waarvan het verdienmodel nog moet blijken. De eerste activiteit heeft al betalende klanten en een positieve aangepaste EBITA. De tweede koopt vooral snelheid, talent en gebruik. De module combineert de winst van Cloud met het verlies van Labs. Zelfs wanneer het verlies van Labs 25 procent verbetert, blijft het gezamenlijke resultaat in het model negatief. Dat betekent niet dat Labs waardeloos is. Het laat zien hoeveel economische vooruitgang nodig is voordat de experimentele portefeuille de winstpool niet langer opslokt. De groepsomzet steeg in het kwartaal met 9 procent naar RMB268,953 miljard. AI Cloud groeide 45 procent en de opbrengsten uit AI-producten groeiden voor het twaalfde kwartaal op rij met drie cijfers. Daartegenover daalde de aangepaste EBITA van de groep met 30 procent en de niet-GAAP nettowinst met 38 procent. Groei in AI heeft dus nog geen evenredige groepswinst opgeleverd. Inference bepaalt of gebruik waarde toevoegt Training bouwt een model. Inference gebruikt het model voor een antwoord, advertentie, productfoto of softwaretaak. Naarmate het aantal gebruikers stijgt, kan inference een terugkerende kostenpost worden. Meer gebruik is alleen goed nieuws als de opbrengst per verzoek hoger blijft dan chip-, energie- en netwerkuitgaven. Bij 200 miljard betaalde verzoeken, $180 opbrengst per miljoen, $140 variabele rekenkosten en $4 miljard vaste platformkosten blijft het model verlieslatend. De eenheden zijn bewust aanpasbaar. De les is dat volume zonder positieve bijdrage de kosten juist sneller laat groeien. Alibaba heeft een belangrijk voordeel: het kan AI direct inzetten bij handelaren, advertenties, klantenservice en logistiek. Daardoor hoeft niet iedere opbrengst als losse cloudfactuur zichtbaar te zijn. Een betere zoekmachine kan de conversie verhogen en zo de handelsomzet helpen. Die indirecte waarde is echt, maar lastiger te meten dan externe cloudomzet. Concurrentie beperkt de prijszettingsmacht. Tencent, Huawei, ByteDance en andere aanbieders investeren eveneens. Wanneer vergelijkbare modellen goedkoper worden, kan de prijs per taak dalen. Alibaba moet dan sneller in volume en efficiëntie groeien dan de prijs daalt. Eigen chips kunnen kosten verlagen, maar vereisen een goed software-ecosysteem en betrouwbare productie. De kasbuffer is groot, de uitstroom ook Alibaba eindigde het kwartaal met RMB474,505 miljard aan kas en liquide beleggingen. Dat geeft veel ruimte om te investeren. Het is geen reden om vrije kasstroom te negeren. Hardware veroudert snel en datacenters vragen voortdurend nieuwe generaties chips. Bij een kwartaaluitstroom van RMB44,67 miljard en een minimumliquiditeit van RMB250 miljard resteert in het eenvoudige model ongeveer vijf kwartalen tot die vloer. Dat is geen verwachting. Werkkapitaal kan herstellen, capex kan vertragen en Alibaba kan financiering aantrekken. De module laat vooral zien dat zelfs een grote kas snel minder comfortabel wordt wanneer de uitstroom structureel blijft. De inkoop van eigen aandelen bood dit kwartaal weinig tegenwicht. Alibaba kocht slechts 1,7 miljoen ADS'en in voor $162 miljoen. Dat is klein tegenover de investeringsrekening. Bovendien kan personeelsbeloning de brutokrimp van het aandelenaantal gedeeltelijk terugdraaien. De quick-commerceactiviteiten en internationale handel vragen eveneens geld. Zij kunnen klantfrequentie verhogen, maar scherpe kortingen en logistiek drukken de marge. Iedere renminbi die naar bezorgsubsidie gaat, kan niet tegelijk een datacenter financieren. Kapitaalallocatie wordt daardoor net zo belangrijk als omzetgroei. Wat moet $108,76 waarmaken? De reverse waardering vraagt welke genormaliseerde winst per ADS in 2029 nodig is. Bij 9 procent jaarlijks koersrendement en een eindmultiple van 14 keer winst komt de uitkomst op ongeveer $10,06 per ADS. Vanaf een kernwinstbasis van $7,50 vraagt dat circa 10,3 procent jaarlijkse groei. Dat is mogelijk als Cloud winstgevend opschaalt, Labs zijn verlies snel terugbrengt en capex uiteindelijk in vrije kas verandert. Het wordt moeilijk als prijsdruk en nieuwe productsubsidies de winst blijven opslokken. In het bear-scenario bedraagt de winst per ADS $5,80 in 2027, $5,60 in 2028 en $5,50 in 2029. Multiples van 12, 11 en 10 geven mogelijke koersen van $69,60, $61,60 en $55,00. De markt rekent dan af met blijvend hoge investeringen. Het middenpad gebruikt $7,60, $8,60 en $9,80 winst per ADS bij veertien keer winst. Dat levert $106,40, $120,40 en $137,20. Hiervoor moet de Cloud-winst sneller groeien dan de experimentele verliezen. In het gunstige pad stijgt de winst naar $8,80, $10,80 en $13,20. Multiples van 17, 18 en 18 geven $149,60, $194,40 en $237,60. Dan verandert AI-gebruik snel in winst en vrije kas. Cloud moet de laboratoriumrekening leren dragen Alibaba heeft schaal, data en distributie die weinig concurrenten kunnen evenaren. De zwakke plek zit niet in de vraag naar AI, maar in de prijs van die vraag. Als ieder nieuw verzoek minder oplevert dan het kost, maakt groei het probleem groter. Volg daarom de aangepaste EBITA van AI Cloud, het verlies van AI Labs en de vrije kas na capex. Wanneer Cloud de experimentele rekening steeds beter draagt en het aandelenaantal daalt, groeit de waarde per ADS. Wanneer de kasuitstroom hoog blijft terwijl Labs verder uitbreidt, is $108,76 vooral een voorschot op winst die nog moet worden bewezen. Lees ook: Snelle bezorging kost Alibaba precies het geld dat pas bij de tweede bestelling van een klant terugkomt
- Eén miljard dollar AI-omzet is voor ServiceNow pas het begin
In het kort ServiceNow sloot op 28 september op $131,45, na verwerking van de nieuwe aandelenbasis. In het tweede kwartaal passeerde AI $1 miljard aan jaarlijkse contractwaarde. Dat is commercieel bewijs, maar nog geen eindpunt. De waardering vraagt dat AI-gebruik doorrolt in verlengingen, meer modules en vrije kasstroom. Wanneer agents stoelen vervangen zonder extra usage-omzet, kan de groei juist kannibaliseren. ServiceNow begon als systeem voor IT-tickets en workflows. Inmiddels verbindt het platform IT, klantprocessen, medewerkers, beveiliging en risico. Die positie is waardevol voor AI-agents: een agent heeft niet alleen een taalmodel nodig, maar ook rechten, actuele data en een gecontroleerde manier om acties uit te voeren. Contractwaarde meet verkoop, gebruik meet nut ServiceNow rapporteerde meer dan $1 miljard AI annual contract value en negen keer zoveel agentic deployments in negen maanden. ACV meet de jaarlijkse waarde van gesloten contracten. Het zegt niet hoeveel klanten de functies dagelijks gebruiken, hoeveel rekenkosten ontstaan of welk deel bij verlenging blijft. De tweede-kwartaalomzet uit abonnementen steeg 24,5% naar $3,877 miljard. De actuele orderportefeuille, cRPO, groeide 21% naar $13,2 miljard. Dat verschil is klein maar belangrijk: omzet kan tijdelijk sneller groeien door timing, terwijl cRPO een blik op de komende twaalf maanden geeft. Voor een duurzame versnelling moet cRPO weer minstens even snel groeien. Van stoel naar gebruik verandert de rekensom Traditionele software verkoopt vaak licenties per medewerker. Autonome agents kunnen werk uitvoeren zonder extra menselijke stoel. ServiceNow moet daarom prijsmodellen gebruiken die waarde, transacties of gebruik meenemen. Dat beschermt omzet wanneer klanten met minder medewerkers meer werk doen. Het maakt de rekening wel minder voorspelbaar en kan weerstand oproepen bij klanten. Het bedrijf verwacht voor 2026 ongeveer 35% vrije-kasstroommarge en 81% niet-GAAP abonnementsbrutomarge. Meer gebruik van hyperscalerpartners en AI kan de brutomarge drukken. De economische test is of extra AI-ACV sneller groeit dan cloud- en modelkosten. Lees ook: ServiceNow kost $131,11 en het verschil tussen 4% en 29,5% marge telt Wat de huidige prijs verlangt Met een beurswaarde van ongeveer $136 miljard en $15,76 miljard tot $15,78 miljard verwachte abonnementsomzet betaalt de markt grofweg 8,6 keer omzet. Bij 35% vrije-kasstroommarge is dat ongeveer 24,6 keer vrije kasstroom. Dat is verdedigbaar wanneer omzet rond 20% groeit en de marge stijgt. Bij groei richting lage tienerpercentages verdwijnt veel ruimte. Het sterkste tegenargument Grote softwareleveranciers en hyperscalers bouwen eigen agents en workflowfuncties. Microsoft kan AI bundelen met productiviteit, Salesforce met CRM en cloudbedrijven met infrastructuur. ServiceNow verdedigt zich met geïntegreerde processen en governance. Die voorsprong blijft alleen waardevol als implementaties snel genoeg zijn en klanten aantoonbaar rendement zien. De volgende rapportages moeten AI-ACV, cRPO, verbruik en brutomarge in samenhang tonen. $1 miljard contractwaarde is een sterke start. De echte beleggingscase ontstaat wanneer klanten na een jaar meer betalen omdat agents meer werk betrouwbaar uitvoeren, niet omdat een verkoopteam een tijdelijke pilot heeft afgesloten. De control tower is alleen waardevol met echte controle ServiceNow verkoopt een centraal overzicht voor processen, rechten en data. Dat is aantrekkelijk wanneer ondernemingen tientallen modellen en agents gebruiken. Het platform kan zien welke agent toegang heeft, welke handeling is uitgevoerd en waar een mens moet goedkeuren. Governance wordt daarmee een product, niet alleen een compliancelaag. De concurrentie komt echter van twee kanten. Grote applicatieleveranciers bouwen agents in hun eigen software. Hyperscalers leveren modellen, data en infrastructuur. ServiceNow moet ertussenin bewijzen dat een neutrale workflowlaag meer waarde toevoegt dan de extra complexiteit en licentiekosten. Een brede partnerstrategie helpt, maar kan ook de afhankelijkheid van externe rekenleveranciers vergroten. De Rule of 60 combineert omzetgroei en vrije-kasstroommarge. Dat is nuttig omdat een softwarebedrijf groei kan kopen door veel uit te geven, of marge kan beschermen door onvoldoende te investeren. ServiceNow mikt op meer dan $30 miljard abonnementsomzet in 2030 en 30% van ACV uit AI. Om die combinatie te halen moet AI zowel nieuwe vraag creëren als bestaande processen uitbreiden. Langlopende contracten geven zichtbaarheid, maar vertragen ook de reactie wanneer klanten ontevreden zijn. cRPO kijkt naar het deel dat binnen twaalf maanden wordt geboekt als omzet en is daarom een beter kort signaal dan totale RPO. Als AI-pilots wel in totale RPO verschijnen maar niet snel in cRPO en gebruik, kan de markt de commerciële vooruitgang overschatten. Foto: Bill McDermott, voorzitter en CEO van ServiceNow. Credit ServiceNow, officiële archieffoto.
- Is Vanguards High Dividend-ETF een koopje op 16,4 keer winst?
In het kort VHYL noteerde op 28 september rond €80 op Euronext Amsterdam. De volledige naam is Vanguard FTSE All-World High Dividend Yield UCITS ETF USD Distributing, ISIN IE00B8GKDB10. De ETF bezit 2.364 aandelen, kost 0,29% per jaar en keert per kwartaal uit. De kernvraag is niet of het dividend aantrekkelijk oogt, maar wat de ondernemingen onder de motorkap moeten verdienen om 16,4 keer winst te rechtvaardigen. De ETF volgt grote en middelgrote ondernemingen met een bovengemiddeld dividend en sluit vastgoedbeleggingsfondsen uit. Dat geeft een duidelijke waardestijl. Technologie weegt minder zwaar dan in een brede wereldindex, terwijl financiële waarden, energie, defensieve consumptie en zorg zwaarder wegen. Daardoor kan VHYL sterk afwijken van de markt, ook met duizenden posities. Breed gespreid is niet hetzelfde als neutraal De Verenigde Staten vormen 40,08% van de portefeuille, Japan 9,44% en het Verenigd Koninkrijk 6,88%. De grootste individuele posities zijn klein, maar sectoren bewegen vaak samen. Banken reageren op rente en kredietverliezen. Energiebedrijven reageren op olie en gas. Een dividendstrategie kan dus tegelijk breed en macrogevoelig zijn. Vanguard rapporteerde per 31 augustus een koers-winstverhouding van 16,4, een rendement op eigen vermogen van 14,4% en een geschatte winstgroei van 8,7%. Die combinatie is redelijk. Zij is alleen geen klassieke noodverkoopwaardering. Wanneer winstgroei terugvalt naar 3% en de multiple daalt, kan drie jaar dividend een koersverlies maar gedeeltelijk opvangen. De uitkering komt uit winst en balans De meest recente uitkering bedroeg $0,5191 per aandeel met ex-dividenddatum 17 september en betaaldatum 30 september. Over de laatste vier kwartalen liep de uitkering op tot $2,3344. Omdat de shareclass in dollars rapporteert en de Amsterdamse lijn in euro handelt, beweegt het uitgekeerde eurobedrag mee met de wisselkoers. Een hoog dividend kan gezond zijn wanneer winst en vrije kasstroom meegroeien. Het kan ook een waarschuwing zijn wanneer de koers daalt omdat de markt een dividendverlaging verwacht. De index herbalanceert periodiek, maar voorkomt niet dat cyclische ondernemingen vlak voor een winstdaling aantrekkelijk lijken op historisch dividend. Lees ook: VHYL kost €80,34 en een dividend van $0,52 is geen gratis rendement Wat de huidige prijs verlangt Bij 16,4 keer winst bedraagt het omgekeerde winstrendement ongeveer 6,1%. Dat is de winst die de portefeuille genereert voor elke euro marktwaarde, niet hetzelfde als de cashuitkering. Om een aantrekkelijk totaalrendement te leveren moeten winstgroei, dividend en waardering samen werken. De lopende kosten trekken elk jaar 0,29 procentpunt af van de fondswaarde. Het sterkste tegenargument Beleggers kiezen VHYL vaak juist om minder afhankelijk te zijn van dure groeiaandelen. Dat argument houdt. De ETF biedt spreiding over 2.364 ondernemingen en een lagere multiple dan veel technologiezware indices. De keerzijde is dat de portefeuille minder meedoet wanneer schaarse groeibedrijven de wereldmarkt trekken. Waardestijl is geen gratis risicoreductie, maar een andere bron van risico. De controles voor de komende jaren zijn eenvoudig. Vergelijk winstgroei met 8,7%, volg of uitkeringen door vrije kasstroom worden gedekt en kijk naar de multiple naast een brede wereldindex. Bij €80 is VHYL geen koopje puur omdat er dividend uitkomt. De belegging werkt wanneer winst en uitkering samen groeien en de waardering niet verder krimpt. Valuta en indexregels sturen het werkelijke rendement De Amsterdamse belegger koopt in euro, maar het fonds heeft dollar als basisvaluta en bezit bedrijven uit tientallen muntgebieden. De noteringsvaluta dekt die blootstelling niet af. Een stijgende euro verlaagt de eurokoers van buitenlandse activa wanneer alle andere factoren gelijk blijven. De europrijs van VHYL kan daardoor dalen terwijl de onderliggende ondernemingen lokaal winstgroei laten zien. De index selecteert op dividendkenmerken en marktkapitalisatie. Dat mechanisme voorkomt actieve voorspellingen, maar kijkt onvermijdelijk naar bestaande en verwachte uitkeringen. Een bedrijf waarvan het dividend binnenkort wordt verlaagd kan tijdelijk aantrekkelijk lijken. Periodieke herweging verwijdert zo’n positie pas wanneer de relevante indexregels en data dat afdwingen. Het verschil tussen koersrendement en totaalrendement is bij deze shareclass wezenlijk. De koers daalt rond de ex-dividenddatum mechanisch met ongeveer de waarde van de uitkering. Een belegger die alleen de koersgrafiek bekijkt, onderschat dus het rendement. Wie het dividend uitgeeft in plaats van herbelegt, bouwt minder snel vermogen op dan een automatisch accumulerende variant. De 0,29% kosten lijken klein, maar lopen elk jaar door. Bij een bruto totaalrendement van 7% blijft voor kosten ongeveer 6,71% over, nog vóór belasting, spread en valuta-effecten. Over lange periodes stapelt het verschil zich op. Daar staat tegenover dat fysieke replicatie en lage tracking error de uitvoering voorspelbaar maken. Foto: Salim Ramji, CEO van Vanguard. Credit Vanguard, officiële archieffoto.
- Sterk halfjaar bij a.s.r. maar de marktmeewind kan omslaan
In het kort a.s.r. rapporteerde over de eerste helft van 2026 een operationeel resultaat van €901 miljoen, bijna 10 procent meer dan een jaar eerder. De organische kapitaalgeneratie steeg naar €773 miljoen en de Solvency II-ratio kwam uit op 222 procent. Daar stond €277 miljoen aan positieve investeringsgerelateerde aanpassingen naast, geholpen door de rentecurve en een hogere vastgoedwaardering. Dat is gunstig voor het halfjaar, maar niet automatisch een vaste winstbron. Het aandeel sloot op 28 september op €73,24 in Amsterdam. Bij die koers draait de waardering om de vraag hoeveel van de huidige winst terugkomt uit premies, investeringsmarge en fee-activiteiten. Marktbewegingen kunnen een kwartaal optillen en later weer terugnemen. Daarom moeten beleggers de operationele motor scheiden van de waarderingsschommelingen in de portefeuille. Direct naar een onderdeel van dit artikel Marktmeewind en kernresultaat lopen door elkaar Hogere rente helpt alleen via de netto spread Aandeleninkoop maakt alleen de noemer kleiner Wat moet €73,24 waarmaken? De herhaalbare euro telt het zwaarst Marktmeewind en kernresultaat lopen door elkaar Een verzekeraar ontvangt premies voordat claims worden betaald. Het geld wordt tussentijds belegd in obligaties, hypotheken, vastgoed en andere activa. Daardoor komen twee resultaten samen: de winst uit verzekeren en de winst of het verlies op beleggingen. Beide zijn echt, maar zij hebben een ander ritme. De module begint bij een gekozen gerapporteerd halfjaarresultaat en trekt een nettocorrectie voor de €277 miljoen marktmeewind af. Omdat vóór- en na-belastingbedragen niet zonder meer vergelijkbaar zijn, is de correctiefactor instelbaar. Het resultaat is een genormaliseerde modelkern, geen vervanging van de officiële jaarrekening. Het operationele resultaat is doorgaans geschikter voor de vergelijking tussen jaren. Bij a.s.r. groeide leven naar €689 miljoen, schade naar €268 miljoen en de fee-activiteiten naar €115 miljoen. Die onderdelen reageren anders op rente, claims en klantinstroom. Een brede verbetering is sterker dan één meevallende beleggingspost. Hogere rente helpt alleen via de netto spread Een hogere herbeleggingsrente kan gunstig zijn. Nieuwe premies en aflopende obligaties worden dan tegen een hoger rendement belegd. Tegelijk kunnen bestaande obligaties in marktwaarde dalen en veranderen de verplichtingen. De winst zit daarom in de spread tussen opbrengst op activa en de kosten van verplichtingen, kredietrisico en beheer. Met €70 miljard rentedragende activa, 4 procent herbeleggingsopbrengst, 0,7 procent krediet- en beheerkosten en 3 procent kosten van verplichtingen blijft in het model €210 miljoen jaarlijkse marge. Een klein verschil in spread werkt door op een grote balans. Dat is precies waarom rente een verzekeraar kan helpen en toch geen gratis winst oplevert. Duration, de gemiddelde looptijd van kasstromen, speelt een grote rol. Als activa en verplichtingen niet goed op elkaar aansluiten, kan een rentebeweging de kapitaalpositie raken. Afdekking vermindert dat risico, maar kost geld. Beleggers moeten dus niet alleen naar de actuele rente kijken, maar naar de gerealiseerde investeringsmarge en de ontwikkeling van het eigen vermogen. Vastgoed voegt een tweede laag toe. Een hogere waardering verhoogt vandaag het resultaat of de buffer, maar levert pas harde kas op bij verkoop of via hogere huur. Waarderingen kunnen ook dalen wanneer transactierentes oplopen. De beste graadmeter is daarom huurinkomst en verkoopresultaat over een langere periode, niet één taxatieronde. Aandeleninkoop maakt alleen de noemer kleiner a.s.r. rondde een aandeleninkoop van €175 miljoen af. Het gemiddelde aantal aandelen daalde van 204,6 miljoen naar 201,5 miljoen. Inkoop kan winst en kapitaalgeneratie per aandeel verhogen, zolang het bedrijf niet te veel betaalt en de buffer sterk blijft. Bij €1,8 miljard jaarresultaat, 204,6 miljoen startaandelen, €175 miljoen inkoop en een gemiddelde koers van €72 stijgt het modelresultaat per aandeel zichtbaar. Het bedrijf creëert daarmee geen extra totale winst. Dezelfde winst wordt over minder aandelen verdeeld. De prijs bepaalt of die ruil verstandig is. Onder de economische waarde koopt a.s.r. toekomstige winst goedkoop terug. Boven die waarde gaat kapitaal verloren dat ook als dividend kon worden uitgekeerd of in aantrekkelijke verzekeringsgroei kon worden gestoken. Management moet daarom per bestemming het verwachte rendement vergelijken. De Solvency II-ratio van 222 procent geeft ruimte, maar is geen blanco cheque. Marktstress, claims en nieuwe pensioencontracten gebruiken kapitaal. Het interimdividend steeg met 9,4 procent naar €1,39 per aandeel. Die groei is duurzaam wanneer organische kapitaalgeneratie haar betaalt, niet wanneer de buffer ieder jaar iets kleiner wordt. Wat moet €73,24 waarmaken? De reverse waardering rekent de vereiste winst terug uit de koers. Bij 7 procent jaarlijks koersrendement, exclusief dividend, en een eindmultiple van 11 keer winst is in september 2029 ongeveer €8,16 winst per aandeel nodig. Vanaf een genormaliseerde basis van €8 vraagt dat nauwelijks groei. Het dividend komt voor het totaalrendement apart bovenop de koers. De lat lijkt daarmee redelijk, maar de winstbasis moet wel bestaan uit terugkerende onderdelen. Een hoge marktmeevaller als startpunt maakt de rekensom te vriendelijk. In het bear-scenario daalt de winst per aandeel van €6,50 in 2027 naar €6,10 in 2029. Multiples van 10, 9,5 en 9 geven mogelijke koersen van €65,00, €59,85 en €54,90. Beleggingsverliezen en claims drukken dan zowel de winst als de multiple. Het middenpad gebruikt €7,70, €8,20 en €8,80 per aandeel bij elf keer winst. Dat levert €84,70, €90,20 en €96,80. Hiervoor moeten de investeringsmarge, schadeprijsstelling en lagere aandelentelling samen werken. In het gunstige pad stijgt de winst per aandeel naar €8,40, €9,30 en €10,30. Multiples van 12,5, 13 en 13,5 geven €105,00, €120,90 en €139,05. Daarvoor zijn stabiele markten en sterke operationele uitvoering nodig. De herhaalbare euro telt het zwaarst a.s.r. heeft een sterke kapitaalpositie, groeiende fee-activiteiten en een duidelijke uitkeringsdiscipline. De valkuil is dat een gunstige beleggingsbeweging dezelfde waardering krijgt als een premie-euro die ieder jaar terugkomt. Het eerste kan verdwijnen, het tweede bouwt de waarde per aandeel. Volg daarom het operationele resultaat, de organische kapitaalgeneratie per aandeel en de investeringsmarge na kredietkosten. Wanneer die drie groeien zonder dat de buffer wordt uitgehold, verdient €73,24 steun. Wanneer marktwaarderingen de kern moeten dragen, wordt de winst kwetsbaarder dan het headlinecijfer suggereert. Lees ook: Zo werkt pensioenbeleggen
- Alphabet stopt in één kwartaal 44,9 miljard dollar in AI-capex
In het kort Alphabet Class A sloot op 28 september op $342,75. In het tweede kwartaal groeide Search 17% naar $63,3 miljard en Cloud 82% naar $24,8 miljard. Tegelijk investeerde Alphabet $44,9 miljard in één kwartaal, vooral in technische infrastructuur voor AI. Dat is meer dan de operationele winst van $40,8 miljard in hetzelfde kwartaal. De kernvraag is niet of AI omzet groeit, maar of die infrastructuur voldoende winst en kasstroom oplevert. Alphabet verdient nog altijd vooral aan advertenties rond intentie. Een zoekopdracht naar een product of dienst is commercieel waardevol omdat de gebruiker al een behoefte toont. AI-overviews kunnen meer en langere vragen aantrekken, maar zij gebruiken ook meer rekenkracht en kunnen het aantal klikken naar klassieke advertenties veranderen. Search verdedigt het verdienmodel voorlopig sterk Google Search en overige advertentieomzet groeiden 17%. De traffic acquisition cost, het deel van omzet dat naar partners en distributie gaat, daalde van 20,6% naar 19,8%. Dat helpt de marge. De nieuwe kostenpost zit elders: modellen trainen en iedere AI-query uitvoeren vraagt chips, datacenters en energie. Alphabet rapporteert niet apart hoeveel een klassieke zoekopdracht en een AI-overview kosten. Beleggers moeten daarom indirect meten. Blijft de marge van Google Services rond 40% terwijl AI-gebruik stijgt, dan lijkt monetisatie de rekenkosten bij te houden. Daalt de marge zonder duidelijke versnelling van omzet, dan subsidieert Search het gebruik. Cloud toont hoe AI ook direct omzet kan worden Google Cloud groeide 82% en verdrievoudigde de operationele winst naar $8,8 miljard. De marge liep op naar ongeveer 35,6%. Dat is belangrijk omdat infrastructuur hier rechtstreeks wordt verkocht aan externe klanten. Alphabet begon ook TPU-systemen aan klantdatacenters te leveren, waardoor eigen chips niet alleen interne kosten besparen maar omzet kunnen genereren. Toch is de vergelijking met software riskant. Datacenters zijn kapitaalintensief en chips verouderen snel. Een hoge cloudmarge op de resultatenrekening kan gepaard gaan met enorme investeringen op het kasstroomoverzicht. De relevante maatstaf is rendement op het extra kapitaal over meerdere jaren. Lees ook: Alphabet kost $343,92 en YouTube Shorts moet na de maker ook de aandeelhouder betalen Wat de huidige prijs verlangt Met een beurswaarde rond $4,19 biljoen betaalt de markt ongeveer 28 keer een genormaliseerde vrije kasstroom van $150 miljard. Dat kan uit wanneer Search en Cloud lang dubbelcijferig groeien en capex later als percentage van omzet daalt. Blijft de investeringspiek structureel, dan moet de extra operationele winst veel hoger zijn om hetzelfde rendement per aandeel te leveren. Het sterkste tegenargument Alphabet bezit een zeldzame combinatie van distributie, data, eigen chips, modellen en kasstroom. Het kan investeren waar kleinere concurrenten moeten lenen. Die schaal verlaagt financieringsrisico, maar voorkomt geen overinvestering. Concurrenten kunnen prijzen verlagen en regelgeving kan distributievoordelen aantasten. De vier controles zijn Search-groei, Google Services-marge, Cloudmarge en capex als percentage van omzet. De huidige resultaten tonen dat AI omzet kan versnellen. Het aandeel verdient zijn waardering pas wanneer de $44,9 miljard van vandaag later meer vrije kasstroom per Class A-aandeel oplevert, niet alleen meer rekencapaciteit. Eigen chips zijn een voordeel en een concentratierisico Alphabet ontwerpt Tensor Processing Units om AI-werk efficiënter uit te voeren. Dat kan de kosten per query verlagen en de afhankelijkheid van externe chipmakers verminderen. De onderneming verkoopt inmiddels ook TPU-systemen aan klanten. Het voordeel verdwijnt echter wanneer de eigen architectuur achterloopt of software-ecosystemen elders aantrekkelijker worden. De advertentiemarkt financiert de infrastructuur. Search levert intentie, YouTube levert bereik en Cloud verkoopt rekenkracht. Die drie activiteiten kunnen elkaar versterken, maar de kasstromen zijn niet even stabiel. Advertenties reageren op de economie, Cloud op bedrijfsinvesteringen en datacenters op energie, chips en bouwcapaciteit. Regulering kan de distributievoordelen raken. Rechters en toezichthouders kijken naar standaardzoekmachines, advertentietechnologie en bundeling. Verplichte veranderingen kunnen traffic acquisition costs verhogen of marktaandeel verlagen. Alphabet heeft genoeg kas om boetes te betalen; structurele remedies kunnen het verdienmodel veel harder raken. Aandeleninkoop blijft een belangrijke tegenkracht voor verwatering door personeelsbeloning. Bij een zeer hoge beurswaarde koopt hetzelfde bedrag echter minder procentuele eigendom terug. Kapitaalallocatie vraagt daarom een afweging tussen datacenters, overnames, dividend en inkoop. Een dollar capex is alleen beter dan een dollar inkoop wanneer de toekomstige kasstroom uit die infrastructuur een hoger rendement geeft. Foto: Sundar Pichai, CEO van Alphabet en Google. Credit Google, officiële archieffoto.
- Zonder ordercijfer wordt de omzetbelofte van ASM de meetlat
In het kort ASM International publiceert sinds het eerste kwartaal van 2026 geen nieuwe orderinstroom meer. Dat haalt een populaire vroege indicator uit het kwartaalbericht. Beleggers moeten voortaan scherper kijken naar omzetguidance, backlogconversie en marge. De omzet die daadwerkelijk wordt geleverd, geïnstalleerd en geaccepteerd wordt de meetlat voor vraag. In het tweede kwartaal behaalde ASM €1,003 miljard omzet, 51,9 procent brutomarge en 33 procent aangepaste operationele marge. Voor het derde kwartaal verwachtte het bedrijf €1,1 miljard omzet, plus of min 5 procent. Voor de tweede jaarhelft rekende management op meer dan 20 procent omzetgroei tegen constante valuta ten opzichte van de eerste helft. Het aandeel sloot op 28 september op €848,80 in Amsterdam. Die koers vraagt dat de omzetbelofte snel in winst per aandeel verandert. Direct naar een onderdeel van dit artikel Guidance vervangt geen orderboek, maar wordt wel de eerste controle Backlog is pas waardevol wanneer hij converteert Operationele hefboom kan beide kanten op werken Wat moet €848,80 waarmaken? Minder cijfers betekent meer nadruk op uitvoering Guidance vervangt geen orderboek, maar wordt wel de eerste controle Orderinstroom kan grillig zijn. Eén grote bestelling verschuift een kwartaal en annuleringen of dubbele boekingen maken het cijfer soms minder bruikbaar dan gedacht. Management kan daarom kiezen voor minder ruis. De keerzijde is dat beleggers minder zicht hebben op de vraag enkele kwartalen vooruit. De module maakt de Q3-bandbreedte zichtbaar. Rond €1,1 miljard ligt de onderkant op €1,045 miljard en de bovenkant op €1,155 miljard. Met 10 procent modelgroei tegenover het Q3-midden komt Q4 op €1,21 miljard. Dat is geen bedrijfsprognose voor Q4. Het laat zien welk tempo nodig is om de sterke tweede jaarhelft tastbaar te maken. Een guidance die herhaaldelijk aan de bovenkant wordt gehaald, bouwt geloofwaardigheid. Een patroon van verlagingen wijst erop dat zicht op klantplanning beperkter is dan gedacht. Nu het ordercijfer ontbreekt, wordt het verschil tussen oorspronkelijke en gerealiseerde omzet nog belangrijker. Backlog is pas waardevol wanneer hij converteert ASM levert apparatuur voor atomic layer deposition, epitaxy en andere kritieke processtappen. Een order wordt niet altijd direct omzet. De machine moet worden gebouwd, verscheept, geïnstalleerd en soms door de klant worden geaccepteerd. Daardoor kan een sterke backlog maanden later in de resultaten verschijnen. Bij een omzetdoel van €4,6 miljard voor vier kwartalen, 75 procent gewenste backlogdekking en 80 procent conversie is in het model circa €4,31 miljard startbacklog nodig. De rest van de omzet moet komen uit nieuwe orders die snel leveren, service en andere inkomsten. Omdat ASM geen actuele orderinstroom publiceert, is deze rekensom alleen een gevoeligheidsanalyse. De kwaliteit van backlog telt even zwaar als de omvang. Een machine voor een geavanceerde logicnode kan een andere marge hebben dan apparatuur voor volwassen productie. Klanten kunnen leveringen verschuiven. Exportbeperkingen kunnen bepalen waar systemen mogen worden geplaatst. Een groot bedrag zonder informatie over mix en timing zegt daarom weinig. Operationele hefboom kan beide kanten op werken De brutomarge van 51,9 procent en aangepaste operationele marge van 33 procent zijn hoog voor een kapitaalgoederenbedrijf. Dat komt door waardevolle proceskennis, een gunstige productmix en schaal. Wanneer omzet stijgt zonder evenredige groei van kosten, groeit de operationele winst sneller. Bij een daling gebeurt het omgekeerde. Vanaf €1,003 miljard kwartaalomzet, 15 procent groei, 51,9 procent brutomarge op extra omzet en €50 miljoen extra operationele kosten ontstaat in het model ongeveer €28 miljoen incrementele operationele winst. Wie de omzetgroei verlaagt, ziet wanneer de extra kosten de brutowinst opeten. Dit is relevant omdat een deel van de kosten vooruitloopt op de vraag. ASM neemt ingenieurs aan, ontwikkelt nieuwe processen en bouwt servicecapaciteit voordat de volgende node op volume draait. Die investering is verstandig wanneer nieuwe kwalificaties volgen. Zij drukt de marge als klanten productie uitstellen. Concurrentie komt van Applied Materials, Lam Research en Tokyo Electron. Een chipfabrikant kwalificeert apparatuur zorgvuldig en verandert niet snel van proces. Dat geeft de winnaar langlopende omzet en service. Voorafgaand aan de kwalificatie is de strijd juist intensief. ASM moet aantonen dat zijn oplossing betere opbrengst, doorvoer of kosten per wafer biedt. AI helpt de vraag naar geavanceerde logic en geheugen, maar is geen garantie voor iedere leverancier. Het aantal processtappen per wafer, het gewonnen marktaandeel en de timing van fabrieken bepalen de ASM-omzet. Het bedrijf kan dus groeien terwijl de totale chipmarkt minder hard beweegt, maar ook een gemiste stap voelen terwijl AI-investeringen elders stijgen. Wat moet €848,80 waarmaken? De reverse waardering rekent terug vanuit de koers. Bij 9 procent jaarlijks koersrendement en een eindmultiple van 30 keer winst is in september 2029 ongeveer €36,60 winst per aandeel nodig. Vanaf een genormaliseerde basis van €25 vraagt dat circa 13,6 procent jaarlijkse groei. Dat veronderstelt dat omzetguidance grotendeels wordt gehaald, de brutomarge rond een sterk niveau blijft en het aandelenaantal niet betekenisvol verwatert. In het bear-scenario bedraagt de winst per aandeel €22 in 2027, €23 in 2028 en €24 in 2029. Multiples van 26, 24 en 22 geven mogelijke koersen van €572, €552 en €528. De onderneming blijft winstgevend, maar lagere zichtbaarheid kost waardering. Het middenpad gebruikt €27, €31 en €35 winst per aandeel. Multiples van 31, 30 en 29 geven €837, €930 en €1.015. Hiervoor moet de omzetbelofte in een stevige operationele hefboom veranderen. In het gunstige pad stijgt de winst per aandeel naar €31, €38 en €46. Multiples van 35, 34 en 33 leveren €1.085, €1.292 en €1.518. Dat vraagt meerdere gewonnen processtappen en een gunstige mix. Minder cijfers betekent meer nadruk op uitvoering Het schrappen van orderinstroom maakt ASM niet minder sterk, maar wel minder voorspelbaar van buitenaf. De belegger moet daarom een eenvoudig scorebord gebruiken: gerealiseerde omzet tegenover guidance, brutomarge, aangepaste operationele marge en kas per aandeel. Als de omzetbandbreedte wordt gehaald en de marge standhoudt, bewijst de onderneming dat de backlog en nieuwe vraag voldoende zijn. Als de omzet vertraagt terwijl kosten al zijn opgebouwd, slaat operationele hefboom snel om. Bij €848,80 is weinig ruimte voor een lange periode waarin de belofte niet in cijfers verschijnt. Lees ook: Waarom de AI-honger ook de leveranciers van chipmachines raakt
- Nike moet 7,5 miljard dollar voorraad sneller kwijt
In het kort Nike sloot op 28 september op $36,39. De onderneming eindigde boekjaar 2026 met $7,5 miljard voorraad. Dat bedrag was gelijk aan een jaar eerder, maar Nike meldde dat het aantal eenheden hoger lag en de productmix de waarde drukte. Tegelijk groeide wholesale in het vierde kwartaal 4%, terwijl Nike Direct 7% en digitaal 12% krompen. Het herstel draait daarom om sell-through: hoeveel product de consument zonder zware korting koopt. Voorraad is bij een modemerk geen neutrale balanspost. Een populair hardloopschoenmodel kan snel en tegen volle prijs verkopen. Een verouderde lifestyle-schoen vraagt promotie of verdwijnt naar een outlet. De boekwaarde zegt dus minder dan leeftijd, kanaal en kortingsniveau van de producten. Wholesale-orders zijn pas goed nieuws na verkoop aan de klant De wholesale-omzet steeg in het vierde kwartaal naar $6,6 miljard. Dat laat zien dat retailpartners weer meer product opnemen. Toch kan omzet naar een winkel vooruitlopen op de echte eindvraag. Wanneer sell-through tegenvalt, volgen later retouren, minder nieuwe orders of hogere promotiebijdragen. Nike moet laten zien dat partners hun voorraad daadwerkelijk tegen gezonde prijzen verkopen. Nike Direct daalde naar $4,1 miljard. Vooral digitaal bleef zwak met 12% krimp. Dat kanaal was jarenlang belangrijk omdat Nike daar klantdata, prijs en assortiment zelf controleert. Een beter evenwicht met wholesale kan bereik vergroten, maar een blijvende digitale terugval verlaagt de directe relatie met de consument. De productcyclus moet de oude voorraad voorbij groeien CEO Elliott Hill zet in op sportcategorieën, innovatie en lokaal relevante marketing. De economische maatstaf is niet hoeveel nieuwe modellen worden aangekondigd, maar hoeveel daarvan meer omzet genereren dan verouderde franchises verliezen. Nieuwe hardloop- en basketbalproducten moeten hogere gemiddelde verkoopprijzen combineren met minder promotie. De voorraadwaarde van $7,5 miljard bleef gelijk, terwijl het aantal eenheden toenam. Dat betekent dat de gemiddelde waarde per eenheid lager werd door mix. Dat kan gunstig zijn wanneer goedkopere artikelen sneller draaien. Het kan ongunstig zijn wanneer Nike meer lage-prijsproducten heeft die alsnog korting nodig hebben. Lees ook: Nike kost $36,51 maar 49,2% brutomarge bevat bijna één miljard meevaller Wat de huidige prijs verlangt Over boekjaar 2026 verdiende Nike $2,10 per aandeel. Bij $36,39 is dat 17,3 keer de gerapporteerde winst. Die winst bevatte in het vierde kwartaal een voordeel van $0,52 per aandeel door verwachte terugbetaling van tarieven. Voor een normale winstbasis moeten beleggers die meevaller apart zetten. De markt vraagt dus vooral herstel van operationele winst, niet alleen behoud van de laatste jaarwinst. Het sterkste tegenargument De lage koers kan veel problemen al weerspiegelen. Nike heeft een wereldwijd merk, distributie, sportcontracten en $9 miljard cash en kortlopende beleggingen. Dat geeft ruimte om te investeren. Het merk beschermt echter niet tegen slechte assortimentskeuzes. Adidas, On en Hoka bewijzen dat consumenten bereid zijn over te stappen wanneer productinnovatie elders zit. De komende kwartalen moeten voorraadgroei onder omzetgroei brengen, digitale krimp afremmen en wholesale-sell-through sterk houden. Lukt dat zonder structureel hogere kortingen, dan kan winst per aandeel herstellen. Blijft de voorraad oud en de eigen verkoop zwak, dan is 17 keer winst geen koopje maar een waarschuwing. Merk, product en kanaal moeten weer op één lijn Nike verkoopt geen schoenenfabrieken, maar een combinatie van ontwerp, merk en distributie. Productie is grotendeels uitbesteed. Daardoor kan de onderneming hoge rendementen behalen wanneer de vraag sterk is. Hetzelfde model maakt fouten zichtbaar in voorraad bij Nike en zijn partners. Een verkeerd assortiment kan niet snel genoeg worden teruggedraaid zonder korting. China blijft een belangrijke graadmeter. De omzet in Greater China stond onder druk terwijl lokale sportmerken sterker werden. Nationalistische voorkeur, lokale marketing en snelle productontwikkeling geven Chinese concurrenten voordelen. Nike kan daar niet alleen met wereldwijde campagnes winnen. Het moet producten en distributie lokaal relevant maken. Het dividend van $0,41 per kwartaal levert bij $36,39 ongeveer 4,5% bruto op. Dat biedt steun, maar alleen zolang winst en kasstroom de uitkering dekken. In boekjaar 2026 keerde Nike $2,4 miljard dividend uit en kocht het voor slechts $123 miljoen aandelen terug. Het management koos dus terecht voor liquiditeit terwijl het herstel nog onzeker is. Een hogere wholesale-mix kan op korte termijn de directe marge drukken, maar de voorraad sneller laten draaien en merkzichtbaarheid herstellen. De optimale mix is niet per definitie zo veel mogelijk Direct. Zij is het kanaal waarin Nike product tegen gezonde prijs verkoopt, partners voldoende rendement geeft en zelf genoeg klantinformatie behoudt om de volgende collectie beter te plannen. Foto: Elliott Hill, president en CEO van Nike. Credit Nike, officiële archieffoto.
- Een eenmalige meevaller kleurt de kwartaalwinst van TSMC
In het kort TSMC draaide in het tweede kwartaal opnieuw cijfers die bij een dominante marktpositie passen. De omzet kwam uit op $40,2 miljard, de brutomarge op 67,7 procent en de operationele marge op 60,3 procent. Toch is niet iedere winst-euro even bruikbaar voor de waardering. In het kwartaal zat ook een eenmalig voordeel rond de verkoop en herwaardering van het belang in Vanguard International Semiconductor. Tegelijk begint de productie op 2 nanometer juist met extra kosten. De interessante vraag is daarom niet of het kwartaal sterk was, maar hoeveel van de winst de komende jaren terugkomt. De Amerikaanse ADR sloot op 28 september op $452,88 aan de NYSE. Eén ADR vertegenwoordigt vijf gewone aandelen. Bij die koers betaalt de belegger voor een bedrijf dat de AI-vraag, de overstap naar 2 nanometer en een groot investeringsprogramma tegelijk goed moet uitvoeren. Een boekwinst kan de kaspositie versterken, maar verdient geen structurele waarderingsmultiple. Direct naar een onderdeel van dit artikel Eerst de kernwinst vrijmaken Twee nanometer drukt eerst en verdient later Capex is pas waardevol als de afschrijving wordt gedragen Wat moet $452,88 waarmaken? De fabriek blijft de echte winstbron Eerst de kernwinst vrijmaken TSMC verdient geld door chips te produceren die klanten zelf ontwerpen. NVIDIA, AMD, Apple en andere ontwerpers hoeven daardoor geen eigen fabriek te bouwen. De economische kracht zit in proceskennis, hoge bezetting en het vermogen om iedere nieuwe productiegeneratie op grote schaal met goede opbrengst te leveren. Een eenmalige opbrengst uit een belang hoort niet bij die productiemotor. Wie een uitzonderlijk kwartaal rechtstreeks vermenigvuldigt met een koers-winstverhouding, behandelt een incidentele meevaller alsof zij ieder jaar terugkomt. Dat kan bij een hoog gewaardeerd aandeel een groot verschil maken. De eerste module begint bij $22,8 miljard gerapporteerde kwartaalwinst en trekt een instelbare eenmalige meevaller af. De uitkomst is geen vervanging van de officiële winstberekening. Zij laat wel zien waarom de genormaliseerde basis belangrijker is dan het hoogste getal in het persbericht. Ook wisselkoersen, belasting en financiële baten kunnen per kwartaal bewegen. De beste controle is daarom operationeel. Groeien wafervolumes, stijgt de gemiddelde verkoopprijs en blijft de brutomarge hoog zonder hulp van incidentele posten? Dan groeit de kern. Komt de winstgroei vooral uit posten buiten de fabriek, dan is de kwaliteit lager dan het eerste cijfer suggereert. Twee nanometer drukt eerst en verdient later Een nieuwe node start zelden op de uiteindelijke marge. TSMC bouwt capaciteit, leidt personeel op en verbetert de opbrengst per wafer. In het begin worden vaste kosten over minder goede chips verdeeld. Naarmate meer klanten hun ontwerpen laten produceren en de opbrengst verbetert, kan de marge oplopen. Met een omzetaandeel van 10 procent voor 2 nanometer, een marge van 52 procent op die nieuwe node en 69 procent op de overige productie komt de gewogen brutomarge lager uit dan bij het bestaande productpakket. Dat is niet automatisch slecht nieuws. Een tijdelijke margedaling kan verstandig zijn als de node later jarenlang een hogere prijs en veel volume draagt. Het risico zit in timing. TSMC betaalt vandaag voor machines en fabrieken, terwijl de klantomzet later volgt. Als klanten hun ontwerpen uitstellen of minder wafers afnemen, blijft de afschrijving wel doorlopen. De voorsprong op concurrenten helpt, maar maakt kapitaal niet gratis. Intel probeert meer externe foundryklanten te winnen en Samsung blijft een belangrijke concurrent. Voor de meest geavanceerde productie is de combinatie van technologie, opbrengst en leveringszekerheid echter lastig na te bouwen. Dat geeft TSMC prijszettingsmacht. Die macht is pas duurzaam als klanten de hogere prijs terugverdienen met betere chips. Capex is pas waardevol als de afschrijving wordt gedragen TSMC verhoogde zijn investeringsverwachting voor 2026 naar $60 tot $64 miljard. Dat geld gaat naar nieuwe nodes, geavanceerde verpakking en extra capaciteit. De kasuitgave komt direct, maar de kosten lopen via afschrijving nog jaren door de resultatenrekening. Bij $45 miljard investering, zes jaar afschrijving, $24 miljard extra jaaromzet en een operationele kasmarge van 48 procent blijft in het model $4,02 miljard over na afschrijving. Wie de omzet- of margeschuif verlaagt, ziet hoe snel de buffer verdwijnt. Dit is het financiële mechanisme achter de vraag of een nieuwe fabriek waarde toevoegt. Geavanceerde verpakking is daarbij bijna even belangrijk als de wafer. AI-versnellers hebben snelle verbindingen met geheugenchips nodig. Een sterke waferproductie zonder voldoende verpakking kan leveringen vertragen. Andersom kan extra verpakkingscapaciteit leegstaan als de chipvraag afkoelt. TSMC moet beide ketens in hetzelfde tempo uitbreiden. De geopolitiek blijft een zware factor. De onderneming spreidt productie naar de Verenigde Staten, Japan en Europa. Dat verlaagt de concentratie op Taiwan, maar buitenlandse fabrieken zijn aanvankelijk duurder. Subsidies kunnen een deel opvangen. De structurele test is of klanten bereid zijn voor geografische zekerheid te betalen zonder dat TSMC zijn marge weggeeft. Wat moet $452,88 waarmaken? De reverse waardering draait de vraag om. In plaats van een koersdoel te kiezen, berekent zij welke winst per ADR in 2029 nodig is. Bij 9 procent jaarlijks koersrendement en een eindmultiple van 26 keer winst is ongeveer $22,57 per ADR nodig. Vanaf een gekozen genormaliseerde basis van $17 vraagt dat ongeveer 9,9 procent jaarlijkse groei. Dat is haalbaar als 2 nanometer snel opschaalt, AI-vraag sterk blijft en het aantal ADR-equivalenten niet verwatert. Het is veeleisend als de brutomarge normaliseert terwijl de afschrijving hard stijgt. In het bear-scenario komt de kernwinst per ADR uit op $16,00 in 2027, $16,40 in 2028 en $16,80 in 2029. Bij multiples van 22, 21 en 20 horen mogelijke koersen van $352,00, $344,40 en $336,00. De operationele winst blijft groot, maar de markt betaalt minder voor een zwakkere cyclus. Het middenpad gebruikt $18,20, $21,00 en $24,00 winst per ADR. Multiples van 27, 26 en 25 geven $491,40, $546,00 en $600,00. Hiervoor moet de nieuwe node na de opstart duidelijk bijdragen en moeten incidentele baten plaatsmaken voor terugkerende productiewinst. In het gunstige pad stijgt de winst per ADR naar $20,00, $25,00 en $30,00. Met multiples van 31, 30 en 29 volgen $620,00, $750,00 en $870,00. Dat veronderstelt een langdurig sterke AI-cyclus en uitstekende uitvoering. De fabriek blijft de echte winstbron TSMC heeft een uitzonderlijke positie, maar een uitzonderlijke koers vraagt ook een schone winstbasis. De eenmalige meevaller verandert weinig aan de technologische kracht en mag evenmin als structurele groei worden behandeld. De komende kwartalen draaien om de opbrengst van 2 nanometer, de brutomarge na hogere afschrijving en de omzet die elke nieuwe kapitaaldollar oplevert. Zolang de kernwinst per ADR sneller groeit dan de marktverwachting en de nieuwe fabrieken hun kapitaalkosten verdienen, blijft de waardering verdedigbaar. Als boekwinsten en gunstige valuta het gat moeten vullen, wordt $452,88 een veel zwaardere prijs. Lees ook: TSMC groeit 53,3% in augustus en de fabriek achter de AI-boom kan de vraag nauwelijks bijhouden
- AST SpaceMobile is verzekerd en kan toch veel geld verliezen
In het kort AST SpaceMobile verzekert een deel van zijn satellieten en lanceringen. Dat beperkt de directe schade als iets misgaat, maar een claim vergoedt niet automatisch vertraging, gemiste omzet en extra financiering. Voor een bedrijf dat nog een wereldwijd netwerk bouwt, kan tijd minstens zo duur zijn als hardware. AST wil gewone mobiele telefoons rechtstreeks met satellieten verbinden. Het verdienmodel leunt op samenwerking met telecombedrijven, die klanten en spectrumrelaties aanbrengen. AST bouwt en exploiteert de ruimte-infrastructuur en deelt later in de opbrengst. Dat kan een grote markt openen, maar vraagt eerst miljarden aan kapitaal en veel technische uitvoering. In het kwartaalbericht bij het eerste kwartaal meldde AST dat het een lanceerverzekering had die een deel van satelliet- en lanceringskosten dekte en dat claims waren ingediend. Een verzekering is nuttig, maar het is geen terugspoelknop. Een vervangende satelliet moet opnieuw worden gebouwd, geboekt en gelanceerd. Ondertussen loopt de organisatie door en kan commerciële dekking later komen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De claim is kleiner dan de economische schade Een vloot spreidt én stapelt risico Runway is de echte klok Wat moet AST waarmaken? Conclusie De claim is kleiner dan de economische schade Een verzekeraar kijkt naar de gedekte gebeurtenis en voorwaarden. De aandeelhouder kijkt naar alle gevolgen. Eigen risico, niet-gedekte kosten, wachttijd en financieringslasten kunnen buiten de uitkering vallen. Bovendien is een boekhoudkundige vordering nog geen geld op de bank. Met $180 miljoen kosten, 65% dekking, een uitkering van 80% op het gedekte deel en $10 miljoen financieringskosten resteert in de module $96,4 miljoen nettolast. Dit is geen uitspraak over een specifieke claim. Het toont waarom “verzekerd” niet hetzelfde betekent als “zonder verlies”. Ook timing telt. Als een uitkering maanden later komt, moet AST de bouw eerst uit bestaande kas of nieuwe financiering betalen. Bij een hoge beurskoers kan aandelenkapitaal relatief voordelig zijn. Bij een lagere koers leidt hetzelfde bedrag tot meer verwatering. Schuld voorkomt directe verwatering, maar legt rente en aflossing op een onderneming zonder volwassen kasstroom. Een vloot spreidt én stapelt risico Een grotere satellietvloot vermindert de afhankelijkheid van één object. Tegelijk vermenigvuldigt elke nieuwe lancering het aantal momenten waarop productie, raket, ontvouwing of verbinding kan tegenvallen. Beleggers moeten daarom niet alleen naar de kans op een individuele mislukking kijken, maar naar de verwachte schade over de hele vloot. Bij 45 satellieten, 4% verlieskans per satelliet, $160 miljoen kosten en 60% gemiddeld verzekerd herstel ontstaat een verwachte nettoschade van $115,2 miljoen. Dit is een statistisch model, geen voorspelling dat AST dit bedrag verliest. Het helpt wel om de economische betekenis van kleine faalkansen te zien. Het sterke tegenargument is dat ruimtevaartprogramma's juist door herhaling betrouwbaarder worden. Productie standaardiseert, lanceerpartners leren en een grote vloot kan redundantie bieden. Dat klopt. Maar tijdens de opbouwfase is de ervaring nog beperkt en is iedere vertraging relatief zwaar, omdat er nog weinig operationele omzet tegenover staat. Runway is de echte klok Voor een verlieslatend bedrijf is de kaspositie geen voetnoot. Ze bepaalt hoeveel tijd management heeft om techniek in commerciële dekking om te zetten. Verzekeringsopbrengsten verlengen die tijd, maar kunnen de tussentijdse kasdip niet volledig voorkomen. De module rekent met $3 miljard beschikbare kas, $200 miljoen maandelijkse uitstroom, $150 miljoen claimopbrengst en negen maanden wachttijd. De bruto runway komt dan op 15,8 maanden. De lijn laat zien dat het saldo vóór de claim verder kan dalen. Werkelijke kasstromen zullen grilliger zijn door lanceermijlpalen, vooruitbetalingen en financiering. AST mikt op tientallen satellieten in een eerste commerciële vloot. Alleen aantallen in een baan zijn niet genoeg. De satellieten moeten functioneren, telecomnetwerken moeten de dienst integreren en klanten moeten betalen. De uiteindelijke omzet per gebruiker hangt af van prijs, dekking, gebruik en de verdeling met partners. Daarover bestaat nog veel onzekerheid. Wat moet AST waarmaken? Een gewone koers-winstverhouding is hier niet passend, omdat AST nog geen volwassen positieve winstbasis heeft. De reverse waardering kijkt daarom naar ondernemingswaarde en omzet. Bij $61, 12% gewenst jaarlijks koersrendement, 480 miljoen economische aandelen, $2 miljard nettoschuld en 8 keer omzet is in 2029 ongeveer $6,9 miljard jaaromzet nodig. Dat is een hoge lat. Een lager aantal aandelen of hogere multiple verlaagt de benodigde omzet, maar beide aannames zijn onzeker. Nieuwe financiering kan het aantal aandelen verhogen. Een lagere multiple is waarschijnlijk als commerciële groei trager is of marges tegenvallen. De scenario's gebruiken omzet, ondernemingswaardemultiples, nettoschuld en economische aandelen. In het sombere pad groeien aandelen en schuld sneller dan omzet. Het middenscenario vraagt stevige commercialisering. Het gunstige pad veronderstelt snelle omzetgroei, beperkte extra schuld en relatief weinig verwatering. Geen van deze koersen is een doel; het zijn uitkomsten van transparante aannames. Conclusie Verzekering is bij AST verstandig risicobeheer, maar geen vervanging voor uitvoering. De belegging draait om de snelheid waarmee kapitaal verandert in werkende dekking en betalende gebruikers. Een satelliet kan verzekerd zijn en toch waarde vernietigen door vertraging, extra financiering en gemiste marktopening. Bij $61 betaalt de belegger al voor een omvangrijk commercieel netwerk. Volg daarom niet alleen lanceringen, maar ook claimontvangsten, bouwkosten, kasuitstroom, economische aandelen en de eerste terugkerende omzet per actieve satelliet. Foto: Abel Avellan. Bron en archief: AST SpaceMobile en Broadband Commission. Lees ook: Quantum-aandelen vragen veel geloof en nog weinig winst











