Doorzoek deze website
14229 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Vier signalen bepalen wie de AI-rally vanaf nu echt wint
In het kort Technologie leverde eind augustus circa 76% van de winstgroei van de S&P 500 in 2026. De beurs steunt daardoor zwaar op één groeimotor. De AI-rally verschuift van brede hype naar selectie op omzet, marges, vrije kasstroom en financiering. Chips en infrastructuur blijven kansrijk, maar hogere rente en meer schuldfinanciering verhogen de prijs van tegenvallende rendementen. Kunstmatige intelligentie blijft een uitzonderlijk krachtige groeimotor voor de beurs. De vraag naar chips, geheugen, netwerken, stroomvoorziening en datacenters groeit hard. Tegelijk verschuift de belangrijkste beleggersvraag. Het gaat niet langer alleen om welke bedrijven van AI profiteren, maar vooral om hoeveel winst zij uiteindelijk overhouden en hoeveel kapitaal daarvoor nodig is. Vijf recente analyses wijzen in dezelfde richting. a16z ziet technologie als de dominante bron van winstgroei binnen de S&P 500. Goldman Sachs spreekt van een markt voor aandelenselectie. De Federal Reserve waarschuwt dat de investeringsgolf eerst inflatie kan veroorzaken. Alexander Campbell richt de aandacht op de kredietmarkt, terwijl nieuwe onzekerheid rond optische netwerkmodules laat zien hoe belangrijk regelgeving en productielocaties kunnen worden. De rode draad is helder: AI groeit door, maar de markt zal winnaars en verliezers steeds scherper uit elkaar trekken. Bron: Noahnews Direct naar een onderdeel van dit artikel Technologie draagt bijna de volledige beursgroei Oudere Nvidia-chips blijken langer waardevol Bij software is winstgevendheid alleen niet genoeg Een lagere waardering stelt een harde winstgroeidrempel Schuld wordt de tweede balans van de AI-boom AI kan groei én hogere rente veroorzaken Optische netwerken tonen hoe regelgeving winnaars kan herschikken De nieuwe checklist voor AI-aandelen De AI-rally krijgt een financiële boekhouding Technologie draagt bijna de volledige beursgroei Volgens het rapport State of Markets II van a16z was technologie eind augustus goed voor ongeveer 76% van de totale winstgroei van de S&P 500 in 2026. Anders gezegd: technologie droeg ruim drie keer zoveel bij aan de winstgroei als alle andere sectoren samen. Dat is tegelijk indrukwekkend en kwetsbaar. Zolang technologiewinsten hard blijven groeien, kan de brede beurs daarvan profiteren. Zodra chipvraag, cloudgroei of AI-investeringen vertragen, kan de impact echter veel verder reiken dan alleen de technologiesector. Binnen technologie is bovendien een duidelijke verschuiving zichtbaar. De vorige cyclus draaide om kapitaalarme software. De huidige cyclus vraagt fysieke infrastructuur. Grote cloudbedrijven zetten hun kasstromen om in omzet voor leveranciers van halfgeleiders, geheugen, netwerkapparatuur, koeling, elektriciteit en datacenters. Die verschuiving verklaart waarom hardwarebedrijven opnieuw centraal staan. Het verdienmodel is tastbaar: iedere nieuwe server of datacenterverbinding vraagt fysieke onderdelen. Voor beleggers is dat voorlopig makkelijker te volgen dan een algemene belofte dat AI ooit de productiviteit van een softwareklant zal verhogen. Oudere Nvidia-chips blijken langer waardevol Een belangrijk risico bij AI-infrastructuur is economische veroudering. Als iedere nieuwe generatie chips veel krachtiger wordt, zouden oudere GPU’s snel in waarde kunnen dalen. Dat zou afschrijvingen, onderpandwaardes en het rendement op datacenters onder druk zetten. De actuele huurmarkt geeft voorlopig een ander signaal. Volgens a16z lagen de verhuurprijzen van Nvidia’s A100-chips minstens op het niveau van begin 2026. De sterke vraag naar rekenkracht houdt dus niet alleen de nieuwste chips, maar ook oudere modellen economisch relevant. Dat is gunstig voor eigenaren van AI-infrastructuur. Een GPU die langer verhuurbaar blijft, kan over een langere periode inkomsten opleveren. De restwaarde blijft hoger en de kans neemt af dat een investering al ruim voor het einde van de boekhoudkundige levensduur economisch achterhaald raakt. Deze conclusie is nog niet definitief. Extra capaciteit, efficiëntere modellen of een omslag in de AI-vraag kunnen de huurprijzen alsnog raken. Beleggers moeten daarom niet alleen kijken naar omzetgroei bij datacenterbedrijven, maar ook naar bezettingsgraden, contractduur, huurprijzen en de snelheid waarmee oudere apparatuur opnieuw wordt verhuurd. Bron: a16z / Silicon Data, Bloomberg, Snacks Bij software is winstgevendheid alleen niet genoeg De situatie bij softwareaandelen is ingewikkelder. Ongeveer 75% van de door a16z onderzochte softwarebedrijven is inmiddels winstgevend. Slechts circa 30% groeit echter nog met meer dan 20%. Dat verschil verklaart waarom een lage waardering niet automatisch een koopkans is. Veel softwarebedrijven hebben hun kosten verlaagd en winstgevendheid bereikt, maar tegelijkertijd is hun groei vertraagd. Een onderneming die nog maar 8% of 10% groeit, verdient meestal geen waardering die ooit bij een groei van 25% hoorde. Goldman Sachs ziet vooral belangstelling voor cybersecurity, data-infrastructuur en software waarmee ondernemingen AI daadwerkelijk kunnen invoeren. Deze bedrijven leveren de beveiliging, datastromen en beheertools die nodig zijn om modellen in bestaande bedrijfsprocessen te gebruiken. Traditionele bedrijfssoftware krijgt een zwaardere bewijslast. Kan het bedrijf hogere prijzen rekenen voor AI-functies? Leveren die functies nieuwe omzet op? Blijft het product onderscheidend wanneer algemene AI-modellen steeds meer taken kunnen uitvoeren? Een afgestraft softwareaandeel is pas interessant wanneer drie elementen samenkomen: duurzame groei, een sterke concurrentiepositie en een waardering die bij het nieuwe groeitempo past. Alleen een koersdaling is geen beleggingsargument. Een lagere waardering stelt een harde winstgroeidrempel Goldman Sachs merkte op dat de waarderingsmultiple van de Nasdaq in 2026 met ongeveer 20% is gedaald. Dat betekent niet dat de index zelf 20% verloor. De winstgroei van technologiebedrijven heeft een belangrijk deel van die waarderingsdruk gecompenseerd. Een eenvoudige berekening maakt duidelijk hoe hoog de nieuwe lat ligt. Wanneer een waarderingsmultiple met 20% daalt, moet de winst met 25% groeien om de aandelenwaarde gelijk te houden. De rekensom is 0,8 maal 1,25, wat precies op 1 uitkomt. Voor verdere koersstijging is dus meer nodig dan een overtuigend AI-verhaal. Een onderneming moet voldoende winstgroei leveren om de lagere multiple te overtreffen. Bij 10% winstgroei en 20% multiplekrimp blijft theoretisch nog ongeveer 12% koersdruk over. Pas wanneer de winst veel sneller groeit, kan het aandeel ondanks een lagere waardering stijgen. Dit maakt komende kwartaalresultaten belangrijker. Beleggers zullen niet alleen letten op AI-omzet, maar ook op brutomarges, operationele winst, vrije kasstroom en het rendement op het geïnvesteerde kapitaal. Schuld wordt de tweede balans van de AI-boom De eerste fase van de investeringsgolf kon grotendeels worden betaald uit de enorme kasstromen van grote technologiebedrijven. Naarmate de bedragen stijgen, komt een groter deel van de financiering uit obligaties, leaseverplichtingen, private kredietfondsen en aparte datacentervennootschappen. De Bank for International Settlements beschrijft hoe hyperscalers steeds vaker langlopende contracten en financieringsconstructies gebruiken waarbij een deel van de economisch vergelijkbare schuld buiten de eigen balans blijft. De directe schuldpositie vertelt daardoor niet altijd het volledige verhaal. Langlopende huurcontracten, afnameverplichtingen en garanties kunnen eveneens vaste financiële lasten veroorzaken. Daarmee wordt de kredietmarkt een nuttig waarschuwingssysteem. Oplopende kredietopslagen, duurdere herfinanciering of strengere voorwaarden kunnen erop wijzen dat financiers minder vertrouwen hebben in het rendement van nieuwe AI-projecten. Een uitstekend product beschermt een onderneming niet automatisch tegen een kwetsbare financieringsstructuur. Wanneer projecten later worden opgeleverd, de bezettingsgraad tegenvalt of klanten contracten niet verlengen, blijven rente en aflossingen gewoon doorlopen. AI-hyperscalers verhogen hun investeringen sterk en financieren een groter deel daarvan met schuld. Tegelijk lopen de kredietrisicopremies bij zwakker beoordeelde spelers op: Bron: BIS AI kan groei én hogere rente veroorzaken Fed-bestuurder Lisa Cook verwacht dat AI op korte termijn extra inflatiedruk veroorzaakt. Datacenters concurreren om elektriciteit, water, bouwcapaciteit, chips en gespecialiseerd personeel. Slechts een beperkt deel van de aangekondigde datacenterinvesteringen is al gerealiseerd, zodat een aanzienlijk deel van de vraag nog in de pijplijn zit. Productiviteitswinst kan later enige verlichting geven, maar die uitkomst is niet vanzelfsprekend. Hogere productiviteit vergroot niet alleen het aanbod. Zij kan ook lonen, vermogens en investeringsverwachtingen verhogen, waardoor de vraag eveneens stijgt. Voor beleggers ontstaat daardoor een scenario waarin AI-bedrijven sterk groeien terwijl de rente relatief hoog blijft. Dat is geen tegenstrijdigheid. Hogere reële groei kan sterke bedrijfswinsten en een hogere kapitaalvraag tegelijkertijd veroorzaken. Het gevolg is wel dat toekomstige winsten zwaarder worden verdisconteerd. Bedrijven die vandaag veel investeren en pas over jaren substantiële vrije kasstroom verwachten, worden gevoeliger voor de rente dan ondernemingen die nu al geld verdienen. Cook ziet bovendien nog beperkt bewijs voor een brede omslag op de arbeidsmarkt, al zijn er vroege signalen bij programmeurs, vertalers en startersfuncties. Wanneer AI vooral leidt tot een mismatch tussen beschikbare banen en vaardigheden, kan de Fed dat moeilijk oplossen met renteverlagingen zonder opnieuw inflatie aan te jagen. Dit is haar persoonlijke analyse en geen gezamenlijke voorspelling van het volledige Federal Reserve-bestuur. Optische netwerken tonen hoe regelgeving winnaars kan herschikken De onzekerheid rond Amerikaanse beperkingen voor Chinese optische transceivers laat zien dat ook regelgeving een grotere rol krijgt. Deze modules zetten elektrische signalen om in licht en zijn essentieel voor snelle communicatie binnen datacenters. De recente koerssterkte van Lumentum en Coherent werd in de markt gekoppeld aan een juridische interpretatie van mogelijke FCC-regels. Een toegankelijke inleiding van FundaAI suggereert dat de uiteindelijke regels mogelijk minder negatief uitpakken dan gevreesd, en zelfs kansen kunnen bieden aan grote Chinese leveranciers. De volledige redenering staat echter achter een betaalmuur en kan daarom niet volledig worden gecontroleerd. De cruciale vraag blijft bovendien wat de Amerikaanse toezichthouder precies als een Chinese transceiver beschouwt. Gaat het om de productielocatie, het hoofdkantoor, de eigenaar, de feitelijke zeggenschap of de herkomst van specifieke onderdelen? Een Chinese marktleider met productie buiten China kan in het ene regelgevingsmodel toegang behouden en in een ander model alsnog worden uitgesloten. Beleggers moeten daarom terughoudend zijn met snelle conclusies over toekomstig marktaandeel. De definitieve juridische tekst, uitzonderingen en overgangstermijnen zijn belangrijker dan de eerste marktinterpretatie. De nieuwe checklist voor AI-aandelen De interessantste AI-bedrijven zijn niet automatisch de ondernemingen met de spectaculairste technologie. Het gaat om bedrijven die technologische vraag kunnen omzetten in houdbare economische waarde. Daarvoor moeten drie vragen worden beantwoord. Levert AI aantoonbaar extra omzet op? Verbetert die omzet uiteindelijk de operationele marge en vrije kasstroom? En blijft het product of de infrastructuur onmisbaar wanneer concurrenten goedkoper worden? Bij kapitaalintensieve bedrijven komt daar een vierde vraag bij: wie financiert de groei en onder welke voorwaarden? Een datacenterproject met snel stijgende omzet kan alsnog waarde vernietigen wanneer de kapitaalkosten hoger zijn dan het uiteindelijke rendement. Voor softwarebedrijven ligt de nadruk juist op prijszetting, klantbehoud en onderscheidend vermogen. Bij chip- en infrastructuurbedrijven tellen bezettingsgraad, restwaarde, orderconversie en kapitaaldiscipline zwaarder. Voor optische leveranciers en andere kritieke schakels komt geopolitieke positionering daar nog bovenop. De AI-rally krijgt een financiële boekhouding De kans blijft groot dat AI nog jarenlang investeringen en winstgroei aanjaagt. De sterkste aanwijzingen zijn de blijvende vraag naar rekenkracht, de economische bruikbaarheid van oudere GPU’s en de verbreding naar cybersecurity, data-infrastructuur en commerciële toepassingen. Het grootste risico is dat beleggers technologische vooruitgang verwarren met aandeelhoudersrendement. De rekening voor datacenters, chips, stroom en financiering moet uiteindelijk worden terugverdiend. Hogere rente maakt die rekensom strenger en vergroot de gevolgen van projecten die te weinig kasstroom opleveren. Het beslissende vervolgsignaal ligt daarom niet bij één spectaculaire AI-demo. Beleggers moeten volgen of AI-omzet sneller groeit dan investeringen, of vrije kasstroom per aandeel verbetert en of kredietmarkten vertrouwen houden in de terugbetaling. AI blijft een sterke groeimotor, maar vanaf nu bepaalt financiële kwaliteit steeds nadrukkelijker welk aandeel daar werkelijk van profiteert.
- JPMorgan ziet Ahold Delhaize nog ruim een kwart dalen
In het kort JPMorgan verlaagt het koersdoel voor Ahold Delhaize van €24,07 naar €22,63, bijna 29% onder de slotkoers van donderdag. De bank was eerder extreem somber over de koers, maar zag de vertraging van de supermarktverkopen wel correct aankomen. Zwakke volumes, prijsverlagingen en een flinterdunne supermarktmarge maken de cijfers van 4 november belangrijk. JPMorgan heeft het koersdoel voor Ahold Delhaize verlaagd van €24,07 naar €22,63. Het advies blijft Onderwogen. Tegenover de slotkoers van €31,65 van donderdag impliceert dat een mogelijke daling van bijna 29%. Dat is geen kleine waarschuwing. De Amerikaanse bank verwacht dat de kwartaalupdate van 4 november tegenvalt en heeft het aandeel daarom opnieuw op zijn zogenoemde Negative Catalyst Watch geplaatst. JPMorgan voorziet verdere groeivertraging, druk op de verkochte volumes en lagere marges door nieuwe prijsverlagingen. Beleggers hebben wel een reden om sceptisch te zijn. JPMorgan zit al maanden ver onder de beurskoers met zijn waardering van Ahold Delhaize. Toch is het te makkelijk om het nieuwe rapport direct terzijde te schuiven. De bank was eerder te pessimistisch over de uiteindelijke koers, maar haar waarschuwing over de operationele vertraging bleek ongemakkelijk nauwkeurig. Direct naar een onderdeel van dit artikel Koersdoel Ahold Delhaize gaat opnieuw omlaag JPMorgan zat vorige keer niet volledig verkeerd Retail ligt er inderdaad niet sterk bij Een kleine margedaling kan hard aankomen Het verschil tussen €22,63 en de beurskoers is enorm De cijfers van 4 november worden de echte test Koersdoel Ahold Delhaize gaat opnieuw omlaag JPMorgan rekende eerder op een vergelijkbare omzetgroei van 1,5% in de Verenigde Staten en 2,4% in Europa voor het derde kwartaal. Die verwachtingen zijn nu teruggebracht naar respectievelijk 0,4% en 1,6%. Vooral de Amerikaanse verlaging valt op. Ahold Delhaize behaalde in het tweede kwartaal ongeveer €13 miljard van de totale groepsomzet van €23,2 miljard in de Verenigde Staten. Merken als Food Lion, Hannaford, Giant Food en Stop & Shop bepalen daardoor een groot deel van de winstontwikkeling. De bank vreest dat klanten minder producten kopen, vaker voor goedkopere huismerken kiezen en scherper reageren op prijsverschillen. Ahold Delhaize kan marktaandeel verdedigen met aanbiedingen en prijsverlagingen, maar betaalt daarvoor met een lagere marge. Daar zit de kern van het negatieve rapport. Het probleem is niet dat mensen plotseling stoppen met boodschappen doen. Het probleem is dat de strijd om iedere winkelmand duurder wordt. JPMorgan zat vorige keer niet volledig verkeerd In juni zette JPMorgan Ahold Delhaize eveneens op zijn Negative Catalyst Watch. De bank ging toen voor het tweede kwartaal uit van 1,0% vergelijkbare omzetgroei in de Verenigde Staten en 2,0% in Europa. De werkelijke cijfers waren met 0,8% groei in de Verenigde Staten en 1,7% in Europa zelfs iets zwakker. Op dat operationele punt was JPMorgan dus niet te somber, maar nog een fractie te optimistisch. De bank waarschuwde ook voor margedruk door prijsinvesteringen. Ook dat kwam terug in de cijfers. De onderliggende operationele marge daalde met 0,1 procentpunt naar 3,9%, doordat een verbetering in Europa onvoldoende was om de verslechtering in de Verenigde Staten te compenseren. Waar JPMorgan wel opvallend ver van de werkelijkheid bleef, was het koersdoel. Het aandeel noteerde rond de vorige waarschuwing ongeveer €35 en zakte daarna naar €31,65. Dat is een duidelijke daling van ongeveer 10%, exclusief dividend, maar nog altijd ver boven het toenmalige koersdoel van €24,07. De vorige waarschuwing was daarmee richtinggevend juist, maar veel te extreem in de vertaling naar de beurswaarde. Dat onderscheid is ook nu belangrijk. Retail ligt er inderdaad niet sterk bij De recente cijfers van andere retailers geven JPMorgan extra munitie. De vergelijkbare omzet van Kroger zonder brandstof steeg in het laatste gerapporteerde kwartaal slechts 0,2%. De Amerikaanse supermarktketen verlaagde bovendien zijn omzetverwachting voor het volledige jaar. Ook Walmart rapporteerde de zwakste Amerikaanse vergelijkbare omzetgroei in zes jaar. Europese consumenten blijven ondertussen sterk op prijs letten. Recente marktdata laten zien dat de groei van verkochte volumes beperkt en ongelijk verdeeld blijft, terwijl huismerken terrein winnen. Dat beeld past bij de ontwikkeling die Ahold Delhaize zelf in het tweede kwartaal liet zien. De vergelijkbare Amerikaanse omzetgroei van 0,8% werd gedrukt door lagere apotheekprijzen, dalende eierprijzen en lagere SNAP-uitkeringen. Online verkopen vormden met een groei van 14,5% wel een duidelijke meevaller. Ook Europa is niet simpelweg zwak. De voedselverkopen in de eurozone groeiden in juli op jaarbasis nog in volume, maar consumenten zijn selectief en prijsbewust. Het gaat dus minder om een instorting van de vraag en meer om een harde concurrentiestrijd waarin prijs, huismerken en promoties bepalen waar de klant winkelt. Een kleine margedaling kan hard aankomen Supermarkten werken met dunne marges. Ahold Delhaize realiseerde in het tweede kwartaal een onderliggende operationele marge van 3,9%. Van iedere €100 omzet bleef vóór rente en belasting dus ongeveer €3,90 aan onderliggende operationele winst over. Daardoor kan een ogenschijnlijk kleine beweging grote gevolgen hebben. Wanneer de marge met 0,1 procentpunt daalt, van 3,9% naar 3,8%, neemt de operationele winst bij een gelijkblijvende omzet met ongeveer 2,6% af. Toegepast op de kwartaalomzet van €23,2 miljard vertegenwoordigt 0,1 procentpunt ongeveer €23 miljoen aan operationele winst. Een tegenvaller van 0,2 procentpunt zou indicatief al ruim €46 miljoen kosten. Dit is geen prognose voor het derde kwartaal, maar laat wel zien waarom JPMorgan zoveel nadruk legt op prijsverlagingen. Ahold Delhaize moet daarom twee doelen tegelijk halen. Het concern moet concurrerend genoeg prijzen om volumes en marktaandeel te verdedigen, maar mag daarvoor niet zoveel marge opofferen dat de winst per aandeel stilvalt. Het verschil tussen €22,63 en de beurskoers is enorm Wie voor €10.000 aandelen Ahold Delhaize zou bezitten tegen een koers van €31,65, houdt bij het koersdoel van €22,63 rekenkundig ongeveer €7.150 over. Dat betekent een papieren verlies van circa €2.850, exclusief dividend, kosten en belasting. Zo’n koersdoel is geen voorspelling met een vervaldatum. Het is de uitkomst van aannames over omzetgroei, marges, vrije kasstroom en de waardering die beleggers bereid zijn te betalen. Juist bij Ahold Delhaize lopen die aannames sterk uiteen. JPMorgan gaat ervan uit dat de markt te vroeg rekent op herstel in het vierde kwartaal en in 2027. Als die verbetering opnieuw wordt uitgesteld, moeten winstverwachtingen mogelijk verder omlaag. Blijven de marges daarentegen rond 4% en realiseert Ahold Delhaize minstens €2,3 miljard vrije kasstroom, zoals het bedrijf zelf verwacht, dan wordt een koers van €22,63 aanzienlijk lastiger te verdedigen. Dat laatste punt verdient aandacht. Na het zwakke tweede kwartaal handhaafde Ahold Delhaize zijn jaarverwachting van een onderliggende operationele marge rond 4%, een middelhoog tot hoog enkelcijferig groeiende onderliggende winst per aandeel bij constante wisselkoersen en minstens €2,3 miljard vrije kasstroom. JPMorgan zat bij de vorige waarschuwing met een kasstroomraming van €1,79 miljard veel lager. Welke partij daar gelijk krijgt, is nog niet beslist. De cijfers van 4 november worden de echte test Het nieuwe koersdoel van JPMorgan is extreem, maar het onderliggende waarschuwingssignaal is niet vergezocht. Retailers zien zwakke volumes, klanten zoeken vaker naar goedkopere alternatieven en concurrenten investeren stevig in prijzen. Bij een marge van ongeveer 4% is er weinig ruimte voor fouten. Tegelijkertijd heeft Ahold Delhaize verdediging. Boodschappen blijven noodzakelijk, huismerken winnen terrein, online groeit sterk en het bedrijf heeft zijn jaarverwachting tot nu toe gehandhaafd. Die combinatie maakt het aandeel weerbaarder dan veel andere retailers. De beslissende cijfers op 4 november zijn daarom niet alleen de omzetgroei. Beleggers moeten vooral kijken naar de Amerikaanse volumes, de onderliggende marge en de vrije kasstroom. Als de vergelijkbare groei inderdaad richting 0,4% zakt en prijsverlagingen de marge verder aantasten, krijgt JPMorgan opnieuw operationeel gelijk. Blijven de marge en jaarprognose overeind, dan kan €22,63 opnieuw vooral bewijzen hoe moeilijk het is om een terechte waarschuwing om te zetten in een goed koersdoel.
- Deze drie aandelen zijn de oktoberfavorieten van onze volgers
In het kort De Belegger vroeg zijn volgers op X welke drie aandelen volgens hen de toppers van oktober worden. Nebius, Amazon en GameStop kwamen in de eerste reacties het vaakst terug. Opvallend is de grote spreiding: van AI-aandelen en chipbedrijven tot Fastned, Ahold Delhaize en Bitcoin. Een nieuwe beursmaand betekent ook nieuwe kansen. We vroegen daarom op X aan beleggers welke drie aandelen volgens hen in oktober de absolute uitblinkers worden. De reacties leveren voorlopig geen overtuigende winnaar op, maar drie namen springen er wel uit. Direct naar een onderdeel van dit artikel Nebius, Amazon en GameStop bovenaan AI en chips sterk vertegenwoordigd Ook Nederlandse en Europese aandelen krijgen stemmen Geen duidelijke winnaar Nebius, Amazon en GameStop bovenaan In de reacties die tot nu toe op de peiling binnenkwamen, werden Nebius, Amazon en GameStop ieder even vaak genoemd. Daarmee delen deze drie aandelen voorlopig de eerste plaats onder de volgers van De Belegger. Vooral Nebius valt op. Het AI-infrastructuurbedrijf werd genoemd naast onder meer CoreWeave en Strategy. Daarmee blijft kunstmatige intelligentie duidelijk een belangrijk thema onder particuliere beleggers. Amazon werd eveneens twee keer genoemd. Eén belegger combineerde het aandeel met Netflix en Accenture, terwijl een andere Amazon naast Nebius en CoreWeave zette. GameStop blijft ondertussen een categorie op zichzelf. Het aandeel werd twee keer genoemd en laat zien dat ook de bekende meme-aandelen nog altijd een trouwe groep beleggers aantrekken. Bron: Nebius AI en chips sterk vertegenwoordigd Wie verder door de reacties kijkt, ziet vooral veel technologie. Nvidia, Broadcom, IonQ, AppLovin, Xiaomi en XPeng werden allemaal genoemd. Ook de chipsector is opvallend sterk vertegenwoordigd. Een van de deelnemers koos bijvoorbeeld voor Lam Research, KLA Corporation en Credo Technology. Daarmee lijkt een deel van de beleggers erop te rekenen dat de investeringsgolf rond AI, datacenters en halfgeleiders ook in oktober steun blijft bieden. Tegelijkertijd werden meer speculatieve namen genoemd, waaronder BitMine Immersion Technologies, Digimarc en Strategy. Ook Nederlandse en Europese aandelen krijgen stemmen Niet iedereen kijkt naar Wall Street. Onder de Europese namen kwamen onder meer OVHcloud, Fastned en Theon naar voren. Ook Ahold Delhaize werd genoemd, samen met McDonald's en Bitcoin. Die brede spreiding laat zien dat beleggers voor oktober verschillende strategieën hanteren. Sommige deelnemers kiezen voor sterke AI- en chiptrends, terwijl anderen juist zoeken naar achterblijvers, defensievere aandelen of bedrijven die na een forse koersbeweging kunnen herstellen. Geen duidelijke winnaar Voorlopig is er dus geen aandeel dat de peiling volledig domineert. Nebius, Amazon en GameStop staan gezamenlijk bovenaan, maar daarachter is het veld bijzonder breed. Dat maakt de uitkomst aan het einde van oktober juist interessant. We kijken dan opnieuw naar de genoemde aandelen om te zien welke deelnemers daadwerkelijk de beste drie picks van de maand hadden. De peiling is afkomstig van het X-account van De Belegger en is bedoeld als inventarisatie van de verwachtingen onder volgers. De resultaten zijn niet representatief voor alle beleggers.
- Morgan Stanley zet Nvidia weer op 1 om een reden die velen missen
In het kort Morgan Stanley heeft Nvidia opnieuw uitgeroepen tot zijn favoriete halfgeleideraandeel en wijst vooral op de vroege fase van de Rubin-productcyclus. Nvidia sloot op 1 oktober op $230,86, terwijl Morgan Stanley de waardering rond 15 keer de verwachte winst in boekjaar 2028 relatief laag noemt. Een eerder genoemde Rubin-run-rate van $80 miljard zou neerkomen op ongeveer $6,7 miljard omzet per maand. Morgan Stanley zet Nvidia opnieuw bovenaan zijn lijst met favoriete halfgeleideraandelen. Dat klinkt op het eerste gezicht vooral als opnieuw een positief Wall Street-rapport over het bekendste AI-aandeel ter wereld, maar de onderliggende redenering is interessanter. De Amerikaanse bank kijkt namelijk niet alleen naar de aanhoudende vraag naar AI-chips. Morgan Stanley wijst vooral op de combinatie van de nieuwe Rubin-productcyclus, de opkomst van agentic AI en een probleem dat voor datacenters steeds belangrijker wordt: beschikbare stroom. Voor Nvidia kan juist dat laatste een groter concurrentievoordeel worden dan beleggers op het eerste gezicht zouden verwachten. Direct naar een onderdeel van dit artikel Morgan Stanley ziet nog ruimte ondanks de enorme beurswaarde Rubin wordt de volgende grote test Stroom wordt misschien belangrijker dan chips Agentic AI kan de vraag verder verhogen De verwachtingen zijn inmiddels extreem hoog De Nvidia-discussie verandert Morgan Stanley ziet nog ruimte ondanks de enorme beurswaarde Nvidia sloot donderdag 1 oktober op $230,86, een stijging van 1,09%. Vrijdagochtend liep het aandeel voorbeurs verder op nadat bekend werd dat Morgan Stanley Nvidia opnieuw als zijn favoriete halfgeleideraandeel ziet. De analisten wijzen onder meer op de brede klantenbasis van Nvidia. Het bedrijf verkoopt niet alleen aan de bekende hyperscalers zoals Microsoft, Amazon, Alphabet en Meta, maar profiteert ook van de snelle groei van gespecialiseerde AI-cloudbedrijven en nieuwe AI-labs. Dat maakt de vraag naar Nvidia-hardware breder dan enkele jaren geleden. Waar de eerste AI-investeringsgolf sterk werd gedragen door een beperkt aantal grote technologiebedrijven, ontstaat inmiddels een veel grotere groep klanten die grote hoeveelheden rekenkracht nodig heeft. Tegelijkertijd noemt Morgan Stanley de waardering opvallend. Volgens de bank handelt Nvidia rond ongeveer 15 keer de verwachte winst voor boekjaar 2028. Voor een onderneming waarvan de winstverwachtingen nog altijd snel oplopen, vindt Morgan Stanley dat relatief beperkt. De kern van die redenering is belangrijk. Nvidia hoeft niet per se opnieuw een veel hogere koers-winstverhouding te krijgen om het aandeel verder te laten stijgen. Als de verwachte winst sneller oploopt dan de koers, kan het aandeel zelfs goedkoper worden terwijl de beurswaarde verder stijgt. Rubin wordt de volgende grote test De grootste aandacht gaat de komende maanden uit naar Vera Rubin, de volgende generatie AI-platforms van Nvidia. Morgan Stanley verwacht dat Rubin snel kan uitgroeien tot een belangrijke omzetmotor. In eerdere ramingen werd gesproken over een jaarlijkse omzetrun-rate van ongeveer $80 miljard richting oktober. Een run-rate is niet hetzelfde als daadwerkelijk gerealiseerde jaaromzet. Het betekent dat de omzet op een bepaald moment wordt omgerekend alsof dat maandelijkse of kwartaaltempo een volledig jaar zou aanhouden. Toch laat de rekensom zien waarom Wall Street zoveel aandacht aan Rubin besteedt. Een jaarlijkse run-rate van $80 miljard komt neer op ongeveer $6,7 miljard omzet per maand. Nvidia draait momenteel op jaarbasis grofweg meer dan $300 miljard omzet. Als Rubin daadwerkelijk het genoemde tempo bereikt, zou alleen deze nieuwe productfamilie op run-ratebasis al goed zijn voor ruim een kwart van de huidige totale omzet van Nvidia. Dat is geen één-op-één vergelijking, omdat bestaande producten tegelijkertijd worden vervangen en omzet tussen productgeneraties verschuift. Maar het illustreert wel hoe groot één succesvolle productcyclus inmiddels kan worden. Bron: Nvidia Stroom wordt misschien belangrijker dan chips De interessantste these uit het verhaal van Morgan Stanley zit mogelijk niet in de vraag hoeveel GPU's Nvidia kan verkopen, maar in hoeveel rekenkracht klanten uit iedere megawatt stroom kunnen halen. Datacenters lopen wereldwijd steeds vaker tegen fysieke beperkingen aan. Nieuwe projecten hebben niet alleen chips nodig, maar ook elektriciteit, netaansluitingen, koeling en geschikte locaties. Wanneer stroom de beperkende factor wordt, verandert ook de economische waarde van een chip. Een GPU die meer AI-berekeningen uitvoert binnen hetzelfde energieverbruik kan dan aantrekkelijker worden, zelfs wanneer de aanschafprijs hoger ligt. Nvidia probeert zich precies op dat punt te onderscheiden. Het bedrijf stelt dat de Rubin-generatie aanzienlijk meer AI-output per megawatt kan leveren dan eerdere systemen. Voor klanten die miljarden investeren in datacenters kan dat verschil uiteindelijk belangrijker zijn dan de kale prijs per chip. Een AI-datacenter waarin de stroomcapaciteit volledig wordt benut, kan immers niet zomaar nog duizenden extra GPU's toevoegen. Meer output uit dezelfde hoeveelheid beschikbare elektriciteit wordt dan rechtstreeks een economische factor. Agentic AI kan de vraag verder verhogen Daar komt de ontwikkeling van agentic AI bovenop. Traditionele generatieve AI reageert meestal op één opdracht van een gebruiker. AI-agenten kunnen zelfstandig meerdere stappen uitvoeren, informatie verzamelen, plannen maken, software gebruiken en vervolgens hun eigen resultaten controleren. Dat vraagt veel meer rekenwerk. Een simpele vraag aan een chatbot kan één relatief korte inferentie vereisen. Een AI-agent die tientallen acties uitvoert voordat een taak is afgerond, kan vele malen meer tokens en rekenkracht verbruiken. Als agentic AI daadwerkelijk breed wordt ingevoerd bij bedrijven, kan daardoor de hoeveelheid inference-compute veel sneller groeien dan het aantal eindgebruikers. Dat is mogelijk een onderschatte groeifactor voor Nvidia. De volgende fase van AI hoeft niet noodzakelijk te worden gedreven door honderden miljoenen nieuwe gebruikers. Dezelfde gebruiker kan simpelweg veel meer rekenkracht consumeren doordat AI-systemen complexere taken uitvoeren. De verwachtingen zijn inmiddels extreem hoog De risico's verdwijnen daarmee uiteraard niet. Nvidia moet een enorme productramp uitvoeren zonder grote problemen in de toeleveringsketen. Tegelijkertijd blijven AMD, Broadcom en de grote cloudbedrijven miljarden investeren in alternatieve AI-chips. Amazon ontwikkelt Trainium, Google heeft zijn TPU's en ook andere hyperscalers proberen minder afhankelijk te worden van Nvidia. Daarnaast blijft de waardering in absolute zin hoog. Nvidia behoort inmiddels tot de grootste bedrijven ter wereld en de markt rekent al op jarenlange groei van de AI-infrastructuurmarkt. Dat betekent dat tegenvallers zwaarder kunnen worden afgestraft. Een vertraging van Rubin, druk op brutomarges of een onverwachte afkoeling van de investeringen door hyperscalers kan snel invloed hebben op de winstverwachtingen. Beleggers kijken daarom steeds minder alleen naar omzetgroei. De vraag wordt vooral hoeveel winst Nvidia uit iedere nieuwe generatie kan halen. De Nvidia-discussie verandert Jarenlang draaide de discussie rond Nvidia vooral om marktaandeel. Zolang het bedrijf het grootste deel van de markt voor AI-versnellers in handen hield, leek de groeithese relatief eenvoudig. Die fase verandert. De komende jaren gaat het steeds meer over kapitaalefficiëntie, energieverbruik en de economische opbrengst van iedere nieuwe generatie chips. Juist daarom is de hernieuwde voorkeur van Morgan Stanley interessanter dan alleen het predicaat "top pick". De bank lijkt niet simpelweg te rekenen op nog meer AI-hype, maar op een situatie waarin fysieke beperkingen in datacenters Nvidia's technologische voorsprong juist waardevoller kunnen maken. Als Rubin inderdaad snel richting het genoemde omzettempo beweegt en agentic AI de vraag naar rekenkracht verder opjaagt, verschuift de discussie opnieuw. Dan wordt de belangrijkste vraag niet meer of Nvidia genoeg chips kan verkopen, maar hoeveel omzet en winst het bedrijf uit iedere beschikbare megawatt kan halen.
- Waarom koopt de Rheinmetall-topman bij terwijl het aandeel zakt?
In het kort De topman van een grote Duitse defensieproducent kocht op 29 september 525 eigen aandelen voor €498.948, tegen gemiddeld €950,38 per stuk. Het aandeel sloot die dag op €960,40, 52,2% onder het record van €2.008, terwijl de operationele winst in het eerste halfjaar met 74% steeg. Vredessignalen, een negatieve kasstroom en een hoge rente drukken de koers, en de kwartaalcijfers van 5 november worden de volgende grote toets. Europese defensieaandelen liggen opnieuw onder vuur. Op 23 september maakte de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio bekend dat de Russische president Poetin is uitgenodigd voor de G20-top in Miami in december. Beleggers zagen daarin een stap richting vredesgesprekken over Oekraïne, ook al wees Rusland in de VN-Veiligheidsraad een wapenstilstand af. Een dag later verloren Duitse defensieaandelen 3 tot 4%. Toch zet de topman van één van die bedrijven juist nu zijn eigen geld in. Op 29 september kocht hij via Xetra 525 aandelen voor €498.948, tegen gemiddeld €950,38, blijkt uit de wettelijke melding bij EQS. Het aandeel sloot die dag op €960,40, 52,2% onder het record van €2.008 van 3 oktober 2025. Over vijf weken, op 5 november, volgen de cijfers over het derde kwartaal. Direct naar een onderdeel van dit artikel Het gaat om Rheinmetall: Papperger koopt voor de zevende keer dit jaar Omzet +39% en operationele winst +74%: de cijfers blijven sterk Waarom de koers toch blijft zakken NAVO-landen blijven meer uitgeven aan defensie Analisten: koersdoelen tussen €1.050 en €1.900 Wat beleggers moeten weten Het gaat om Rheinmetall: Papperger koopt voor de zevende keer dit jaar Het aandeel is Rheinmetall, de Duitse producent van munitie, tanks en luchtafweer. De koper is topman Armin Papperger. Sinds februari kochten Papperger en zijn beleggingsvehikel ATP Holding bij zeven gelegenheden aandelen, voor in totaal bijna €13,9 miljoen. De grootste slagen vielen in juni: €5,0 miljoen op 1 juni tegen €1.249,91 en €4,0 miljoen op 22 juni tegen €1.161,46. Na de koersval van 24 juni volgde nog €3,0 miljoen tegen €954,62. Opgeteld kocht Papperger dit jaar 12.133 aandelen tegen gemiddeld zo'n €1.145. Op de slotkoers van 29 september staat hij daar ruim 16% op in de min, een papieren verlies van circa €2,2 miljoen. Dat hij toch bijkoopt, is een krachtig signaal, maar geen garantie. Een topman is van nature optimistisch over zijn eigen bedrijf. Omzet +39% en operationele winst +74%: de cijfers blijven sterk Operationeel loopt het bedrijf beter dan ooit. In het eerste halfjaar steeg de omzet met 39% naar €5,23 miljard. Het operationeel resultaat groeide met 74% naar €786 miljoen, bij een marge van 15,0%. De winst per aandeel steeg van €4,69 naar €8,43. Het orderboek groeide met 44% naar €80,5 miljard, bijna het dubbele van de beurswaarde van ruim €44 miljard. De keerzijde is de vrije kasstroom, die door later binnenkomende vooruitbetalingen en voorraadopbouw zakte naar min €1,6 miljard. Lees ook: Rheinmetall-aandeel bijna gehalveerd: is dit hét moment om in te stappen? Waarom de koers toch blijft zakken De beurs kijkt vooruit, en daar zit de pijn. Eind juni schrapte Berlijn het fregattenprogramma F126 en het aandeel verloor op 24 juni 18,7%, van €1.166,60 naar €949,00. In augustus verlaagde Rheinmetall de omzetprognose voor 2026 met €300 miljoen naar €13,7 tot €14,2 miljard. Daarvoor moet de tweede jaarhelft €8,5 tot €9,0 miljard opleveren, 62 tot 72% meer dan de eerste. Beleggers willen eerst zien dat die inhaalslag lukt. JPMorgan-analist David Perry zette het aandeel op 10 september bovendien op een lijst van aandelen waarvoor hij negatief nieuws verwacht. Hij vreest een verschuiving van munitie en voertuigen met hoge marges naar raketten en drones met lagere marges. Ook de rente drukt: de Amerikaanse tienjaarsrente kwam op 29 september uit rond 5,3%, het hoogste niveau sinds 2007. Dat maakt beleggers kritischer op aandelen met een negatieve kasstroom. Rheinmetall sloot op 2 januari op €1.602 en staat nu op €960,40, een daling van 40,0%. In september alleen ging er al 13,5% vanaf, gerekend vanaf de slotkoers van €1.110,80 op 31 augustus. NAVO-landen blijven meer uitgeven aan defensie De structurele vraag verdwijnt niet. Bernstein-analist Adrien Rabier becijfert dat Europese landen dit jaar 2,6% van hun bbp aan defensie uitgeven, zo'n 730 miljard dollar en 20% meer dan in 2025. Voor 2035 verwacht hij gemiddeld 3,2%, minder dan de NAVO-norm van 3,5% maar nog altijd goed voor 4% groei per jaar. Het deel dat naar materieel gaat, stijgt volgens hem harder dan de totale budgetten. Analisten: koersdoelen tussen €1.050 en €1.900 Bernstein handhaafde op 21 september een koopadvies met een koersdoel van €1.900, een potentieel van 97,8% vanaf €960,40. Berenberg-strateeg Chris Armstrong noemde Rheinmetall op 25 september een van zijn favorieten in de sector, met een koersdoel van €1.600 (+66,6%). Mwb research bevestigde op 24 september een houdadvies met een koersdoel van €1.050 (+9,3%). Volgens mwb zitten de hoge orders al in de koers en draait alles om de snelheid van uitvoering. Wat beleggers moeten weten De aankopen van Papperger zeggen vooral iets over het niveau. Hij kocht op 25 juni en op 29 september rond €950, precies de zone waar het aandeel eind juni de bodem vond. Het laagste slot van dit jaar staat op €946,60 (26 juni), nog geen 1,5% onder de huidige koers. Daarna veerde het aandeel op tot €1.238 op 6 augustus. Houdt deze zone opnieuw stand, dan kan dat het begin van een herstel zijn. Zakt de koers er duidelijk doorheen, dan ligt de weg richting €900 open. De eerste toetssteen zijn de kwartaalcijfers van 5 november. Van 25 tot en met 27 november volgt een kapitaalmarktdag in Hamburg, waar moet blijken of de margevrees van JPMorgan terecht is. De G20-top van december blijft een risico voor het sentiment, want elk vredessignaal raakt de sector. Het verschil tussen bedrijfsresultaat en koers was zelden zo groot. Wie gelooft in de meerjarige herbewapening van Europa, ziet een topman die op hetzelfde niveau bijkoopt als in juni. Wie zich zorgen maakt over kasstroom, uitvoering en rente, heeft reden om 5 november af te wachten. Houd er ook rekening mee dat defensiebeleggingen voor sommige beleggers ethische vragen oproepen.
- SoftBank leende miljarden op dit chipaandeel en nu keldert het
Foto: Rosiestep (bijgesneden), CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons In het kort Dit chipaandeel zakte maandag 28 september 8,7% naar 283,33 dollar, na een septemberrally van ruim 28%. Winstnemingen, een geplande aandelenverkoop door de financieel directeur, een koers-winstverhouding van bijna 300 en een oplopende Amerikaanse rente zetten de koers onder druk. Grootaandeelhouder SoftBank verhoogde zijn lening met deze aandelen als onderpand tot 25 miljard dollar, wat bij een diepe koersval tot gedwongen verkopen kan leiden. Maandag 28 september ging een van de populairste AI-aandelen van 2026 hard onderuit. De koers zakte van 310,32 naar 283,33 dollar, een verlies van 8,7%. Geen bekend chipaandeel deed het die dag slechter (Bron: 24/7 Wall St.). Tien dagen eerder meldde Bloomberg dat grootaandeelhouder SoftBank zijn lening met deze aandelen als onderpand had verhoogd tot 25 miljard dollar. Dat maakt de daling meer dan een gewone winstneming. Het aandeel staat nog altijd 156% hoger dan begin januari, maar de waardering is extreem en SoftBank heeft een deel van zijn financiering aan de koers gekoppeld. Is dit een instapmoment of juist een waarschuwing? Direct naar een onderdeel van dit artikel Arm Holdings: van Meta-sprong naar verkoopgolf Vier redenen achter de koersval Het onderpand van SoftBank: waarom dit extra risico telt Sterke kwartaalcijfers, maar de lat ligt hoog Analisten verdeeld over het koersdoel Wat beleggers moeten weten Arm Holdings: van Meta-sprong naar verkoopgolf Het gaat om Arm Holdings (Nasdaq: ARM), de Britse chipontwerper waarvan de blauwdrukken in vrijwel elke smartphone zitten en steeds vaker in datacenterservers. Arm verdient aan licenties en aan een vergoeding per verkochte chip, de zogeheten royalty's. September begon sterk. Op 31 augustus sloot het aandeel op 241,91 dollar, op vrijdag 25 september op 310,32 dollar: een stijging van 28,3%. De grootste sprong kwam op 21 september, toen de koers 17,2% steeg van 275,61 naar 322,90 dollar. Aanleiding was Muse, een nieuwe AI-agent van Meta die zelfstandig taken uitvoert. Beleggers rekenen erop dat zulke agenten veel meer gewone processors nodig hebben, precies het terrein van Arm. Daarna draaide het sentiment. Op 24 september zakte de koers 7,9% en op 28 september nog eens 8,7%. Vanaf de hoogste slotkoers van de maand, 333,20 dollar op 22 september, was dat samen 15,0%. Dinsdag volgde een herstel van 3,6% naar 293,67 dollar. Vier redenen achter de koersval De eerste reden is winstneming na een rally van tientallen procenten in een paar weken, in een aandeel dat doorgaans veel harder beweegt dan de markt. De tweede reden is een aandelenverkoop door financieel directeur Jason Child. Hij verkocht op 21 september 10.400 aandelen tegen 300 dollar, samen 3,12 miljoen dollar. Dat blijkt uit een melding bij toezichthouder SEC van 23 september, een dag voor de eerste koersval. De verkoop lag al sinds mei vast in een automatisch handelsplan en Child houdt nog 153.442 aandelen over. Inhoudelijk zegt dat weinig, maar het signaal viel slecht. De derde reden is de waardering. Bij een koers van 293,67 dollar en een winst per aandeel van 0,98 dollar over de afgelopen twaalf maanden betalen beleggers bijna 300 keer de winst. De beurswaarde van 313,7 miljard dollar is ruim 60 keer de jaaromzet van 5,16 miljard dollar (Bron: StockAnalysis). De vierde reden is de rente. Hogere olieprijzen voeden de angst voor inflatie, en dat raakt vooral dure groeiaandelen. Dinsdag liep de Amerikaanse 30-jaarsrente op tot 5,61%, het hoogste niveau sinds 2002. Hoe hoger de rente, hoe minder winsten ver in de toekomst vandaag waard zijn. Het onderpand van SoftBank: waarom dit extra risico telt SoftBank bezit volgens het jaarverslag van Arm ongeveer 86,4% van de aandelen. Daarvan dienen 769 miljoen aandelen, goed voor 72% van Arm, als onderpand voor een zogeheten margin loan. Volgens Bloomberg is die lening in september met 5 miljard verhoogd tot 25 miljard dollar, onder meer om de investeringen in OpenAI te financieren. Het risico zit in de voorwaarden. Arm schrijft in zijn jaarverslag dat de kredietverstrekkers extra onderpand kunnen eisen als de koers onder bepaalde grenzen zakt. SoftBank moet dan geld bijstorten en kan verpande aandelen verkopen. Zulke verkopen drukken de koers verder, waardoor een neerwaartse spiraal kan ontstaan. Toch moet je dat risico in verhouding zien. Bij de huidige koers zijn de verpande aandelen ongeveer 226 miljard dollar waard. Als de volledige 25 miljard is opgenomen, bedraagt de lening zo'n 11% van het onderpand. Er is dus een zeer diepe koersval nodig voordat een margin call dreigt, al zijn de exacte grenzen niet openbaar. Lees ook: OpenAI is $852 miljard waard, maar SoftBank heeft veel meer nodig Sterke kwartaalcijfers, maar de lat ligt hoog In het eerste kwartaal van boekjaar 2027 (april tot en met juni) steeg de omzet 22% tot een record van 1,29 miljard dollar. De aangepaste winst per aandeel steeg 29% tot 0,45 dollar. De royalty's uit datacenters verdubbelden ruim en de vraag naar Arms eigen AI-processor, de AGI CPU, bedraagt volgens het bedrijf meer dan 2 miljard dollar over de boekjaren 2027 en 2028. Voor het tweede kwartaal verwacht Arm een omzet van ongeveer 1,38 miljard dollar. Een zwakke plek is de smartphonemarkt, de grootste bron van royalty's: dure geheugenchips remmen de verkoop van telefoons. Analisten verdeeld over het koersdoel Het gemiddelde koersdoel ligt volgens StockAnalysis op 288,71 dollar, 1,7% onder de huidige koers. Piper Sandler startte op 9 september met een koopadvies (Overweight) en een koersdoel van 320 dollar (+9,0%). Morgan Stanley blijft neutraal met 212 dollar (-27,8%). Bernstein hoort met 480 dollar (+63,4%) bij de grootste optimisten. Wat beleggers moeten weten Arm is een sterk bedrijf met een zeer dure koers. De groei is echt, maar bij bijna 300 keer de winst is elke tegenvaller voelbaar. Het aandeel staat 33,2% onder de recordslotkoers van 439,46 dollar van 18 juni, en tegelijk 156% boven de slotkoers van 114,73 dollar op 2 januari. Voor wie in het langetermijnverhaal gelooft, is de daling geen reden tot paniek, maar ook nog geen duidelijk koopsignaal. De kwartaalcijfers van begin november zijn de eerstvolgende test. Wie een positie overweegt, kan ervoor kiezen gespreid in te stappen. Houd daarnaast de rente en het nieuws rond SoftBank in de gaten. Zolang die lening groeit, is Arm niet alleen een chipaandeel, maar ook onderpand. Advertorial Ook particuliere beleggers die willen inspelen op AI-chipaandelen aan de Nasdaq, zoals Arm, doen er goed aan scherp te letten op transactiekosten en valutamarges. MEXEM werd door Brokerskiezen.nl uitgeroepen tot beste allround broker van 2025, waarbij beleggers handelen tegen slechts 0,005% valutakosten tegenover 0,25% bij DEGIRO en SAXO Bank. Dat verschil kan jaarlijks oplopen tot honderden tot duizenden euro's. Daarmee geldt MEXEM voor veel beleggers als de meest complete keuze voor wie lage kosten en internationale spreiding belangrijk vindt.
- Zakt Tesla vrijdag voor de vijfde leverdag op rij?
Foto: Wcamp9 (bijgesneden), CC BY 4.0, via Wikimedia Commons In het kort Tesla meldt vrijdag 2 oktober de leveringen over het derde kwartaal. De door Tesla verzamelde consensus van 24 analisten staat op 461.974 auto's, 7,1% minder dan het record van 497.099 een jaar eerder. De schattingen lopen uiteen van 421.758 auto's bij Cantor Fitzgerald tot 482.000 bij JPMorgan. Goldman Sachs zit met 435.000 aan de voorzichtige kant, voorspellingsmarkten juist aan de optimistische. Het aandeel sloot dinsdag op 352,84 dollar, 19,5% lager dan op 2 januari, en daalde op elk van de laatste vier leverdagen. Ook in juli, toen Tesla de consensus met ruim 74.000 auto's versloeg. Vrijdag 2 oktober is voor Tesla-beleggers een dag om te omcirkelen. Dan meldt het bedrijf van Elon Musk hoeveel auto's het in het derde kwartaal afleverde. De lat ligt laag. Volgens de consensus die Tesla op 29 september publiceerde, rekenen 24 analisten gemiddeld op 461.974 auto's. Dat zijn er 35.125 minder dan de 497.099 uit het derde kwartaal van 2025, een daling van 7,1%. Juist daarom kan een meevaller hard aankomen. Handelaren op voorspellingsmarkten rekenen volgens Electrek op 470.000 tot 475.000 auto's, ruim boven de consensus. Toch kent Tesla een hardnekkig patroon. Het aandeel daalde op elk van de laatste vier leverdagen, ongeacht de cijfers. Op 2 juli meldde het bedrijf 480.126 leveringen, 74.102 meer dan de consensus van 406.024. Het aandeel zakte die dag desondanks van 425,30 naar 393,45 dollar, een verlies van 7,5%. Nu staat Tesla op 352,84 dollar (slotkoers dinsdag 29 september). Op 2 januari sloot het aandeel op 438,07 dollar, een daling van 19,5% dit jaar. Direct naar een onderdeel van dit artikel Vier leverdagen op rij in het rood Waarom het record van vorig jaar zo moeilijk te verslaan is Wall Street is verdeeld: van 421.758 tot 482.000 auto's De koers: 28% onder de top, 18% boven de bodem Semi, robotaxi en energieopslag: Musk verlegt de aandacht Meevaller of tegenvaller: wat 2 oktober kan brengen Wat beleggers moeten weten Vier leverdagen op rij in het rood Op 2 oktober 2025 meldde Tesla een record en zakte de koers van 459,46 naar 436,00 dollar (5,1%). Op 2 januari volgde een daling van 449,72 naar 438,07 dollar (2,6%) en op 2 april van 381,26 naar 360,59 dollar (5,4%). De verklaring zit in de kwaliteit van de leveringen. In het eerste kwartaal bouwde Tesla 408.386 auto's maar leverde het er slechts 358.023, waardoor ruim 50.000 auto's op voorraad bleven staan. In het tweede kwartaal leverde Tesla juist 28.368 auto's meer dan het bouwde. Een deel van die sterke cijfers kwam dus uit de voorraad, niet uit nieuwe vraag. Waarom het record van vorig jaar zo moeilijk te verslaan is In het derde kwartaal van 2025 haastten Amerikaanse kopers zich naar de showroom, omdat de federale belastingkorting van 7.500 dollar op 30 september verviel. Die extra vraag ontbreekt nu. Bovendien vallen de verkopen tegen. Volgens JPMorgan daalden de registraties van nieuwe Tesla's in augustus met bijna 13% in China en met ongeveer 4% in de Verenigde Staten. Wall Street is verdeeld: van 421.758 tot 482.000 auto's Goldman Sachs-analist Mark Delaney verlaagde zijn verwachting op 17 september van 490.000 naar 435.000 auto's, met een neutraal advies en een koersdoel van 360 dollar. JPMorgan schroefde op 28 september terug van 516.000 naar 482.000 auto's en verlaagde het koersdoel van 445 naar 415 dollar. Het aandeel zakte die maandag van 372,11 naar 357,45 dollar, 3,9% lager. Barclays gaat uit van 475.000 auto's, UBS van 470.000, StoneX van 446.500 en Cantor Fitzgerald van 421.758. Wel lagen de werkelijke leveringen vorig kwartaal 18,3% boven de consensus. De koers: 28% onder de top, 18% boven de bodem Ten opzichte van het hoogste slot van het afgelopen jaar, 489,88 dollar op 16 december 2025, staat het aandeel 28,0% lager. De grootste klap volgde op de kwartaalcijfers van 22 juli. De omzet steeg naar 28,24 miljard dollar, maar de winst per aandeel bleef steken op 0,33 dollar en de operationele marge zakte naar 1,4%, tegen 4,1% een jaar eerder. De volgende dag daalde het aandeel van 374,01 naar 319,69 dollar, een verlies van 14,5%. Vanaf de bodem van 298,32 dollar op 29 juli herstelde Tesla 18,3%. Sinds 23 september, toen het aandeel op 380,12 dollar stond, ging wel weer 7,2% verloren. Ook de rente drukt. De Amerikaanse tienjaarsrente stond dinsdag volgens IEX op 5,26%, wat autoleningen duurder maakt en de waardering van groeiaandelen onder druk zet. Semi, robotaxi en energieopslag: Musk verlegt de aandacht Op 24 september opende Tesla in Nevada de eerste fabriek voor de elektrische vrachtwagen Semi, met een capaciteit van 50.000 trucks per jaar. In een video zei Musk dat de productie in hoog volume is begonnen en dat de wachtlijst al behoorlijk groot is. Analisten rekenen voor het derde kwartaal op 15,9 gigawattuur aan geplaatste batterijsystemen, 27,2% meer dan de 12,5 gigawattuur van een jaar eerder en een mogelijk record. Bij de robotaxi's wil toezichthouder NHTSA uiterlijk 30 september weten hoe Tesla heeft vastgesteld dat de Cybercab, een auto zonder traditionele bediening, aan de veiligheidsnormen voldoet. Een overtreding is niet vastgesteld. Lees ook: Tesla aandeel daalt: $25 miljard in AI, winst valt tegen Meevaller of tegenvaller: wat 2 oktober kan brengen Komt Tesla boven de 480.000 auto's uit, dan ligt dat bijna 4% boven de consensus. The Motley Fool noemt zo'n 485.000 leveringen met een beheerste voorraad het getal dat de koers kan laten stijgen. Beleggers kijken dan wel direct of de productie meegroeit, anders dreigt een herhaling van juli. Een uitkomst rond de 462.000 lijkt grotendeels ingeprijsd, waarna de aandacht verschuift naar energieopslag en de kwartaalcijfers. Zakt Tesla richting de 435.000 van Goldman Sachs, dan is de daling op jaarbasis 12,5% en komt de koers waarschijnlijk opnieuw onder druk. Wat beleggers moeten weten De lat ligt laag en de schattingen lopen ver uiteen, dus een verrassing in beide richtingen is mogelijk. Veel auto's zijn echter geen garantie voor een stijgende koers. De markt beoordeelt Tesla op marges, kasstroom en de belofte van robotaxi's en energie. De koersdoelen tonen die onzekerheid: het doel van JPMorgan ligt 17,6% boven de huidige koers, dat van Goldman Sachs slechts 2,0%. Wie in Tesla belegt of dat overweegt, doet er goed aan rekening te houden met forse koersuitslagen rond 2 oktober. Advertorial Ook particuliere beleggers die willen inspelen op de koersbewegingen van Tesla en andere Amerikaanse groeiaandelen doen er goed aan scherp te letten op transactiekosten en valutamarges. MEXEM werd door Brokerskiezen.nl uitgeroepen tot beste allround broker van 2025, waarbij beleggers handelen tegen slechts 0,005% valutakosten tegenover 0,25% bij DEGIRO en SAXO Bank. Dat verschil kan jaarlijks oplopen tot honderden tot duizenden euro's. Daarmee geldt MEXEM voor veel beleggers als de meest complete keuze voor wie lage kosten en internationale spreiding belangrijk vindt.
- Zo belasten zeven Europese landen de kleine belegger
De discussie over box 3 gaat vaak over vermogende Nederlanders met tonnen of zelfs miljoenen euro’s aan beleggingen. Maar juist voor de veel kleinere particuliere belegger wordt het interessant om eens over de grens te kijken. Iemand die jarenlang iedere maand een paar honderd euro in aandelen of ETF’s stopt, kan in Nederland namelijk met een compleet ander belastingstelsel te maken krijgen dan iemand met precies dezelfde portefeuille in Zweden, België of Duitsland. Die verschillen zijn groter dan alleen het belastingpercentage. Sommige landen belasten vooral winst wanneer die daadwerkelijk wordt gerealiseerd, andere landen kennen speciale beleggingsrekeningen en Nederland werkt voorlopig nog met een fictief rendement. Daardoor kan dezelfde portefeuille in verschillende Europese landen fiscaal totaal anders uitpakken. Vooral bij vermogens van bijvoorbeeld €50.000 tot €150.000 ontstaan opvallende verschillen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Nederland belast niet alleen wat je verkoopt Zweden kiest juist voor een beleggingsrekening België heeft kleine beleggers een opvallend grote vrijstelling gegeven Duitsland kijkt vooral naar het rendement Spanje begint voor kleine winsten bij 19 procent Italië houdt het relatief eenvoudig Denemarken is voor aandelen juist stevig Wat gebeurt er bij €100.000 aan beleggingen? Juist voor de kleine belegger maakt timing enorm veel uit Nederland wijkt vooral af door de manier waarop het belast Nederland belast niet alleen wat je verkoopt In Nederland bedraagt het heffingsvrije vermogen in box 3 in 2026 €59.357 per persoon. Voor beleggingen en andere bezittingen gebruikt de Belastingdienst bij de voorlopige aanslag een fictief rendement van 6,00 procent. Over het berekende box 3-inkomen wordt vervolgens 36 procent belasting geheven. Wie kan aantonen dat het werkelijke rendement lager ligt, kan onder de tegenbewijsregeling onder voorwaarden van dat lagere rendement gebruikmaken. Dat betekent dat een alleenstaande belegger met bijvoorbeeld €100.000 aan aandelen al duidelijk boven de vrijstelling zit. Zonder schulden resteert €40.643 boven het heffingsvrije vermogen. Bij een volledig uit aandelen bestaande portefeuille komt de box 3-heffing volgens de reguliere fictieve berekening dan grofweg uit rond €878 per jaar. Het bijzondere is dat daarvoor helemaal geen aandelen hoeven te worden verkocht. Ook iemand die twintig jaar lang dezelfde ETF wil vasthouden, kan ieder jaar opnieuw met box 3 te maken krijgen. Nederland wil vanaf 2028 overstappen op een stelsel waarin het werkelijke rendement centraal staat, maar de precieze inrichting daarvan is politiek nog in beweging. Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen en moet nog verder worden behandeld. Zweden kiest juist voor een beleggingsrekening Zweden laat zien dat een forfaitair systeem ook heel anders kan worden ingericht. Zweedse beleggers kunnen gebruikmaken van de populaire Investeringssparkonto, meestal afgekort tot ISK. Binnen zo’n rekening worden individuele dividenden en gerealiseerde koerswinsten in principe niet afzonderlijk belast; in plaats daarvan wordt een jaarlijks forfaitair inkomen berekend over het vermogen op de rekening. Voor 2026 is vooral de vrijstelling interessant. De eerste 300.000 Zweedse kroon aan gecombineerd vermogen op onder meer ISK-rekeningen en bepaalde verzekeringsproducten is vrijgesteld. Boven die grens bedraagt het forfaitaire inkomen in 2026 3,55 procent van het relevante vermogen en daarover wordt vervolgens 30 procent belasting geheven. Dat komt effectief neer op ongeveer 1,065 procent over het deel dat boven de vrijstelling valt. Voor kleine beleggers is die vrijstelling belangrijk. Iemand die nog maar enkele tienduizenden euro’s heeft opgebouwd, kan daardoor een relatief groot deel van zijn portefeuille buiten de jaarlijkse heffing houden. Tegelijkertijd moet worden benadrukt dat het Zweedse systeem niet simpelweg belastingvrij beleggen betekent: zodra het vermogen verder groeit, begint de jaarlijkse forfaitaire belasting steeds zwaarder mee te wegen. België heeft kleine beleggers een opvallend grote vrijstelling gegeven België is in 2026 juist de andere kant op gegaan. Het land heeft vanaf 1 januari een nieuwe belasting op gerealiseerde meerwaarden op financiële activa ingevoerd. Voor de gewone particuliere belegger bedraagt het tarief in beginsel 10 procent, maar daar staat een jaarlijkse vrijstelling van €10.000 aan gerealiseerde meerwaarde tegenover. Niet-benutte vrijstelling kan bovendien onder voorwaarden gedeeltelijk worden opgebouwd, waardoor deze uiteindelijk tot €15.000 kan oplopen. Dat creëert een interessant verschil met Nederland. Stel dat een Belgische particuliere belegger een portefeuille van €100.000 heeft en in één jaar voor €10.000 aan belastbare koerswinst realiseert. Onder de algemene regeling kan die winst volledig binnen de jaarlijkse basisvrijstelling vallen. De verschuldigde Belgische meerwaardebelasting kan in dat vereenvoudigde voorbeeld daardoor op nul uitkomen. Voor historische beleggingen is bovendien een overgangsregeling belangrijk. Alleen waardestijgingen die vanaf 1 januari 2026 zijn opgebouwd vallen onder de nieuwe belasting; historische winsten van vóór 2026 worden via een referentiewaarde beschermd. België belast dus niet simpelweg iedere euro koerswinst die een belegger ooit heeft opgebouwd. Duitsland kijkt vooral naar het rendement Duitsland kent opnieuw een ander model. Inkomsten uit vermogen vallen daar in beginsel onder een afzonderlijk belastingtarief van 25 procent. Daarboven kan nog de solidariteitstoeslag komen en voor sommige belastingplichtigen speelt ook kerkbelasting een rol. Duitsland kent daarnaast een Sparer-Pauschbetrag van €1.000 per persoon, waardoor de eerste €1.000 aan relevante kapitaalinkomsten kan worden vrijgesteld. Neem opnieuw een vereenvoudigd voorbeeld van €10.000 belastbaar beleggingsrendement. Wanneer we alleen naar de Duitse basisheffing kijken en de vrijstelling volledig beschikbaar is, blijft €9.000 over. Daarover bedraagt de belasting tegen 25 procent €2.250, vóór eventuele solidariteitstoeslag en kerkbelasting. Dat klinkt aanzienlijk hoger dan de Nederlandse €878 uit het eerdere voorbeeld, maar de vergelijking laat precies zien waarom alleen belastingtarieven weinig zeggen. Duitsland belast in dit voorbeeld daadwerkelijk belastbare kapitaalinkomsten, terwijl Nederland jaarlijks een berekend rendement over het belastbare vermogen kan hanteren. Wie zijn belegging jarenlang laat staan, krijgt daardoor een heel ander belastingpad. Spanje begint voor kleine winsten bij 19 procent Ook Spanje richt zich nadrukkelijk op het inkomen dat met vermogen wordt verdiend. Spaarrendement, dividenden en vermogenswinsten vallen in een aparte progressieve schaal. De eerste €6.000 aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen valt in de schijf van 19 procent. Voor het gedeelte tussen €6.000 en €50.000 geldt 21 procent, waarna de tarieven verder oplopen tot uiteindelijk 30 procent voor zeer hoge bedragen. Bij €10.000 aan belastbare beleggingswinst betekent dat in een sterk vereenvoudigd voorbeeld €1.140 belasting over de eerste €6.000 en €840 over de resterende €4.000. De totale heffing komt daarmee uit op ongeveer €1.980. Voor een kleine belegger is Spanje daardoor interessant om naast Nederland te leggen. De belasting kan bij een goed beursjaar hoger uitkomen, maar de heffing beweegt veel directer mee met het gerealiseerde inkomen. Nederland kan daarentegen ook belasting berekenen in jaren waarin een belegger helemaal niets verkoopt. Italië houdt het relatief eenvoudig Italië gebruikt voor veel financiële vermogenswinsten een vlak tarief. Voor particuliere beleggers vallen veel gerealiseerde financiële meerwaarden onder een vervangende belasting van 26 procent. De Italiaanse belastingdienst bevestigt dat dit tarief onder meer geldt voor verschillende categorieën gerealiseerde financiële vermogenswinsten. Bij een gerealiseerde belastbare winst van €10.000 zou dat in een eenvoudig voorbeeld neerkomen op ongeveer €2.600 belasting. Daarmee lijkt Italië op papier aanzienlijk duurder dan Nederland wanneer uitsluitend naar één winstgevend jaar wordt gekeken. Maar opnieuw speelt timing een cruciale rol. Een belasting die bij realisatie wordt geheven werkt fundamenteel anders dan een jaarlijkse heffing over een vermogensgrondslag. Voor een belegger die zijn portefeuille tientallen jaren laat renderen zonder veel te verkopen, kan dat verschil in timing door samengestelde rendementen uiteindelijk zeer belangrijk worden. Denemarken is voor aandelen juist stevig Wie denkt dat Nederland automatisch het zwaarste beleggingsland van Europa is, hoeft alleen maar naar Denemarken te kijken. Daar worden inkomsten uit aandelen, waaronder dividenden en gerealiseerde winsten, in 2026 voor een alleenstaande tegen 27 procent belast tot 79.400 Deense kroon. Boven die grens loopt het tarief op tot 42 procent. Voor gehuwden die aan de voorwaarden voldoen, wordt de grens verdubbeld. Een kleinere belegger die omgerekend €10.000 aan aandeleninkomen realiseert, blijft grofweg rond de eerste Deense schijf en zou in een vereenvoudigde vergelijking ongeveer €2.700 belasting betalen. Bij grotere winsten kan de rekening vervolgens snel oplopen. Denemarken laat daarmee zien dat een belasting op werkelijk gerealiseerde winsten niet automatisch gunstig is. Het tarief en de vrijstellingen zijn minstens zo belangrijk als de manier waarop het rendement wordt vastgesteld. Wat gebeurt er bij €100.000 aan beleggingen? Om de verschillen tastbaar te maken kunnen we een sterk vereenvoudigde belegger nemen. Deze persoon is alleenstaand, heeft €100.000 aan aandelen, geen relevante schulden en behaalt in één jaar €10.000 rendement. Voor landen die gerealiseerde winst belasten gaan we ervan uit dat die volledige €10.000 in dat jaar wordt gerealiseerd. Dividend, transactietaksen, speciale fondsregels en persoonlijke uitzonderingen laten we buiten beschouwing. De tabel moet niet worden gelezen als een ranglijst van goedkoopste naar duurste landen. Daarvoor verschillen de systemen te veel. Vooral Nederland en Zweden belasten vermogen via een jaarlijkse forfaitaire systematiek, terwijl andere landen sterker naar gerealiseerde inkomsten of winsten kijken. Ook dividendbelasting, verliesverrekening, fondsregels en lokale heffingen kunnen de uitkomst veranderen. Juist voor de kleine belegger maakt timing enorm veel uit Het belangrijkste verschil zit daarom misschien niet eens in 10, 19, 25 of 27 procent belasting. Het gaat om de vraag wanneer de belasting wordt geïnd. Dat verschil wordt groter naarmate iemand langer belegt. Stel dat twee beleggers allebei twintig jaar lang een aandelenportefeuille laten groeien. Wanneer de ene belegger jaarlijks belasting uit zijn portefeuille moet halen en de andere belegger belasting grotendeels kan uitstellen tot het moment van verkoop, kan de tweede belegger langer rendement behalen over geld dat anders al naar de fiscus was gegaan. Dat is het bekende effect van belastinguitstel op samengestelde groei. Daar staat tegenover dat een land met jaarlijkse belasting een lager effectief tarief kan hanteren dan een land dat bij verkoop ineens 25 of 30 procent van een winst belast. Daarom kan niet simpelweg worden geconcludeerd dat een vermogenswinstbelasting altijd voordeliger is. De hoogte van het vermogen, het jaarlijkse rendement, de beleggingsduur en het aantal verkopen bepalen uiteindelijk de rekening. Nederland wijkt vooral af door de manier waarop het belast De vergelijking met het buitenland laat vooral zien hoe uitzonderlijk verschillend Europa met particuliere beleggers omgaat. Zweden heeft een speciaal beleggingsvehikel met een forse belastingvrije basis, België beschermt de eerste €10.000 aan jaarlijkse gerealiseerde meerwaarde en Duitsland geeft een relatief kleine vrijstelling maar belast daarna daadwerkelijk kapitaalinkomen. Spanje en Denemarken werken met progressieve tarieven, terwijl Italië voor veel financiële winsten een vlak tarief gebruikt. Nederland bevindt zich voorlopig in een bijzondere positie omdat het vermogen zelf en een berekend rendement nog steeds een belangrijke rol spelen. Met €59.357 aan heffingsvrij vermogen blijft een beginnende belegger aanvankelijk buiten schot, maar iemand die jarenlang consequent belegt kan relatief snel boven die grens terechtkomen. Vanaf dat moment kan er ieder jaar belasting verschuldigd zijn, ook zonder dat de portefeuille wordt verkocht. Precies daarom is de discussie over box 3 niet alleen relevant voor miljonairs. Een Nederlander die met €10.000 begint en iedere maand een paar honderd euro investeert, kan uiteindelijk vanzelf in het belastbare gebied terechtkomen. De Europese vergelijking laat vervolgens zien dat landen totaal verschillende keuzes maken over de vraag wanneer zo’n kleine belegger moet gaan afrekenen met de fiscus. Voor particuliere beleggers wordt de grote vraag richting 2028 daarom niet alleen hoe hoog het Nederlandse box 3-tarief wordt. Minstens zo belangrijk is wanneer rendement belast wordt en hoeveel ruimte kleinere vermogens krijgen om eerst belastingvrij te groeien. Juist op dat punt laten landen als Zweden en België zien dat een stelsel ook specifiek rekening kan houden met mensen die nog bezig zijn hun eerste beleggingsvermogen op te bouwen.
- Gelekt prospectus toont AI-reus met 42 miljard dollar verlies
Foto: TechCrunch (bijgesneden), CC BY 2.0, via Wikimedia Commons In het kort Een uitgelekt concept-prospectus toont dat een van de bekendste AI-bedrijven ter wereld in 2025 bijna 42 miljard dollar verloor, bij een omzet van bijna 4,6 miljard dollar. De beursgang, verwacht na de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen van 3 november, mikt op een waardering van meer dan 2 biljoen dollar, ruim het dubbele van de 965 miljard dollar uit mei. Ongeveer 80 van de 261 pagina's gaan over risico's, van 518 miljard dollar aan verplichtingen voor rekenkracht tot een existentieel risico voor de mensheid. Het kan de grootste beursgang ooit worden, en beleggers kunnen nu al in de boeken kijken. Persbureau Reuters kreeg deze week een conceptversie van het prospectus in handen van een AI-bedrijf dat meer dan 2 biljoen dollar waard wil worden. In mei werd het nog op 965 miljard dollar gewaardeerd, dus de ambitie ligt 107 procent hoger. Tegelijk verloor het bedrijf in 2025 bijna 42 miljard dollar. Dat verlies vraagt om uitleg. Volgens Reuters is ongeveer 34 miljard dollar een boekhoudkundige last, zonder dat er geld de deur uitging. De rest, ruim 8 miljard dollar, is verlies uit de bedrijfsvoering. Voor beleggers telt vooral dat Amazon, Alphabet en chipleveranciers al diep verweven zijn met dit bedrijf. Direct naar een onderdeel van dit artikel Anthropic zit achter de cijfers, maar officieel openbaar is het prospectus nog niet Omzet bijna twaalf keer zo hoog, verlies vooral door een boekhoudpost 518 miljard dollar aan verplichtingen, grotendeels niet opzegbaar Tachtig pagina's risico's, van twee grote klanten tot existentieel gevaar Wat beleggers moeten weten Anthropic zit achter de cijfers, maar officieel openbaar is het prospectus nog niet Het gaat om Anthropic, de maker van chatbot Claude onder leiding van topman Dario Amodei. Anthropic diende op 1 juni 2026 vertrouwelijk een concept-registratie in bij de Amerikaanse beurswaakhond SEC. Zo'n indiening is niet openbaar, en in de SEC-database EDGAR staat nog geen prospectus van Anthropic. Reuters en de Financial Times zagen het document in, Fortune en CNN spreken van een uitgelekt prospectus. Anthropic reageerde niet op verzoeken om commentaar. Dat onderscheid is belangrijk, want een concept kan na vragen van de SEC nog veranderen. De openbare versie moet minstens vijftien dagen voor de start van de beleggerspresentaties verschijnen. Omzet bijna twaalf keer zo hoog, verlies vooral door een boekhoudpost De omzet steeg van 386 miljoen dollar in 2024 naar 4,59 miljard dollar in 2025, een stijging van 1.089 procent. Het operationele verlies liep op van 2,98 miljard naar 8,06 miljard dollar. Van de bedrijfskosten van 12,65 miljard dollar ging 7,33 miljard naar rekenkracht en infrastructuur, ongeveer 58 procent. Het nettoverlies komt vooral door financieringsinstrumenten die later in aandelen kunnen worden omgezet. Omdat Anthropic veel meer waard werd, steeg ook de geschatte waarde van die instrumenten, goed voor een last van ongeveer 34 miljard dollar. Eind 2025 had Anthropic 20,28 miljard dollar aan kasgeld. Inmiddels gaat het harder. Volgens TechCrunch en Fortune boekte Anthropic in het tweede kwartaal van 2026 meer dan 10 miljard dollar omzet, op aangepaste basis met operationele winst. Afgezet tegen de omzet van 2025 komt 2 biljoen dollar neer op ongeveer 436 keer de jaaromzet. 518 miljard dollar aan verplichtingen, grotendeels niet opzegbaar Anthropic heeft voor de komende jaren 518 miljard dollar aan verplichtingen voor cloud, rekenkracht en infrastructuur, ruim 25 keer het kasgeld van eind 2025. Volgens Reuters is ongeveer 80 procent daarvan niet opzegbaar of moet het ook bij onbenutte capaciteit worden betaald. Alphabet krijgt minimaal 111,1 miljard dollar tot medio 2033, Amazon 110 miljard dollar tot 2036 en Microsoft 31,4 miljard dollar. Daarnaast staat er 161,2 miljard dollar aan leasecontracten voor apparatuur van chipontwerper Broadcom. Ook Akamai hoort in dat rijtje. Op 24 september maakte het bedrijf een contract van 11,6 miljard dollar over zeven jaar bekend, voor processorcapaciteit in zijn cloud, met ruimte voor uitbreiding tot ongeveer 20 miljard dollar. Het aandeel sloot die dag op 110,41 dollar en schoot een dag later tijdens de handel door tot 128,46 dollar, een stijging van 16,3 procent. Op 29 september sloot Akamai op 108,45 dollar, 1,8 procent onder het niveau van vóór de deal. Lees ook: Akamai sleept 11,6 miljard dollar van Anthropic binnen terwijl de koerswinst dezelfde dag al bijna verdampt Tachtig pagina's risico's, van twee grote klanten tot existentieel gevaar Van de 261 pagina's in het hoofddeel gaan er ongeveer 80 over risico's, bijna een derde. Aan de beschrijving van het bedrijf zelf zijn 48 pagina's gewijd. Een deel is gebruikelijk: bijna een kwart van de omzet over 2025 kwam van twee klanten, en de meeste grote klanten hebben geen langlopend contract. Andere passages zijn ongekend. Anthropic schrijft dat zijn AI-modellen "catastrofale of existentiële risico's voor de mensheid" kunnen vormen. Modellen kunnen volgens het bedrijf zelfbeschermend gedrag vertonen, zoals pogingen om uitschakeling te weerstaan, informatie te verbergen of gedrag dat op chantage lijkt. Voor beleggers betekent dat ook dat regelgeving, rechtszaken of incidenten zwaar kunnen wegen op de waardering. Wat beleggers moeten weten Wie Amazon of Alphabet bezit, heeft indirect al een belang in Anthropic. Alphabet bezit volgens rechtbankstukken ongeveer 14 procent, het belang van Amazon wordt hoger geschat. Beide profiteren dubbel: via de waarde van hun belang en via cloudcontracten van samen ruim 220 miljard dollar. Na een notering kan de koers van Anthropic wel doorwerken in hun kwartaalwinst. Voor Broadcom vormen de langlopende verplichtingen een steun onder het orderboek. Via TSMC, dat de meest geavanceerde chips maakt met machines van ASML, loopt die lijn indirect door naar Veldhoven. Andersom staat bij toeleveranciers veel omzet op het spel als de groei hapert, en Akamai liet zien hoe snel het sentiment kan omslaan. Meedoen aan de beursgang zelf is voor Nederlandse particulieren lastig. Bij Amerikaanse beursgangen gaat het grootste deel van de aandelen naar institutionele beleggers, en welke brokers aandelen voor particulieren krijgen, is nog niet bekend. De meeste particulieren kopen daarom pas vanaf de eerste handelsdag, als de koers fors kan afwijken van de uitgifteprijs. Het openbare prospectus, met definitieve cijfers en een prijsvork, wordt het eerste officiële ijkpunt. Advertorial Ook particuliere beleggers die willen inspelen op de beursgang van Anthropic en de AI-bedrijven eromheen doen er goed aan scherp te letten op transactiekosten en valutamarges. MEXEM werd door Brokerskiezen.nl uitgeroepen tot beste allround broker van 2025, waarbij beleggers handelen tegen slechts 0,005% valutakosten tegenover 0,25% bij DEGIRO en SAXO Bank. Dat verschil kan jaarlijks oplopen tot honderden tot duizenden euro's. Daarmee geldt MEXEM voor veel beleggers als de meest complete keuze voor wie lage kosten en internationale spreiding belangrijk vindt.
- Onderhoud en upgrades moeten Besi door de chipcyclus dragen
In het kort Besi noteerde op 2 oktober €204,80 op Euronext Amsterdam. Bij de kwartaalcijfers van 23 juli rapporteerde de fabrikant van assemblagemachines €249,9 miljoen omzet, €89,0 miljoen nettowinst en €292,9 miljoen nieuwe orders. Dat bevestigt de sterke vraag naar hybrid bonding, fotonica en datacentertoepassingen. De waardering rust echter niet alleen op de verkoop van nieuwe machines. Onderhoud, reserveonderdelen, software en upgrades op de installed base kunnen de kasstroom voorspelbaarder maken en de volgende neergang in de chipcyclus dempen. Besi verkoopt kapitaalgoederen. Een klant koopt een machine omdat hij meer geavanceerde chips wil assembleren. Dat levert in een sterke investeringscyclus hoge omzet en marge op, maar bestellingen kunnen snel terugvallen zodra klanten capaciteit genoeg hebben. Service werkt anders. Een machine die eenmaal in de fabriek staat, moet beschikbaar blijven, onderdelen gebruiken en soms worden aangepast voor een volgend product. De installed base is daarom een economisch bezit, ook nadat de eerste omzet is geboekt. Direct naar een onderdeel van dit artikel De tweede omzetlaag na de machine Service maakt een cyclus niet ongedaan Wat moet €204,80 waarmaken? Sterkste tegenargumenten Drie mogelijke koerspaden De tweede omzetlaag na de machine De omvang van Besi's servicekans hangt af van drie variabelen: hoeveel machines actief zijn, welk deel een contract of betaalde ondersteuning gebruikt en hoeveel omzet elk systeem per jaar oplevert. Besi publiceert niet alle details die nodig zijn om die som exact te maken. De eerste module gebruikt daarom expliciete aannames. Met 3.000 actieve systemen, 50% contractpenetratie en €50.000 jaaromzet per contract komt serviceomzet op €75 miljoen. Dat bedrag is klein naast machineomzet, maar de kwaliteit kan hoog zijn. Service vraagt doorgaans minder ontwikkelkapitaal dan een volledig nieuw platform. Onderdelen en software-upgrades kunnen bovendien een goede marge hebben. Belangrijker is de timing. Een machineorder kan worden uitgesteld; een defect onderdeel moet vaak direct worden vervangen. Daardoor beweegt service minder heftig mee met een nieuwe fabrieksinvestering. De mogelijkheid is het grootst bij complexere apparatuur. Hybrid bonding brengt chips of chiplets zeer nauwkeurig samen. Naarmate toleranties kleiner worden, telt beschikbaarheid zwaar. Klanten die een kostbare productielijn stil zien vallen, hebben weinig aan een goedkoop contract met trage ondersteuning. Besi kan daar waarde leveren met lokale technici, diagnose, onderdelenlogistiek en proceskennis. Service maakt een cyclus niet ongedaan Terugkerende omzet is geen wondermiddel. Als service slechts een klein deel van het totaal blijft, bepaalt de machinecyclus nog steeds de winst. Ook kunnen grote klanten eigen technici inzetten of stevige kortingen bedingen. Garantieverplichtingen kunnen kosten veroorzaken zonder extra omzet. En een nieuwe machinegeneratie kan oudere systemen sneller economisch verouderen. De tweede module mengt machine- en serviceomzet met verschillende brutomarges. Ze laat zien hoeveel invloed de servicebasis op de totale marge heeft. Bij €900 miljoen machineomzet en €150 miljoen serviceomzet blijft de machinecyclus dominant, maar de terugkerende laag geeft wel stabiliteit. Besi's sterke Q2-cijfers geven ruimte om die laag uit te bouwen. De kwartaalomzet steeg 68,7% ten opzichte van een jaar eerder en de orderinstroom 128,8%. De brutomarge lag rond 65,7%. Dat zijn uitzonderlijke cijfers voor een machinebouwer. Juist bij zulke marges is het verleidelijk om de piek door te trekken. Een goede waardering maakt onderscheid tussen winst uit tijdelijke bezetting, structurele technologische voorsprong en terugkerende service. Technologisch staat Besi sterk in die bonding- en verpakkingsstappen waar meer transistoren niet alleen via kleinere geometrie, maar via geavanceerde assemblage worden gecombineerd. Applied Materials, ASMPT en andere concurrenten investeren eveneens. Klanten willen bovendien niet volledig afhankelijk zijn van één leverancier. Besi moet dus blijven investeren in R&D, ondersteuning en capaciteit. Service kan klantrelaties verdiepen, maar ook de verwachting scheppen dat ondersteuning wereldwijd en zonder onderbreking beschikbaar is. Wat moet €204,80 waarmaken? De reverse valuation vertrekt bij de prijs, niet bij een los koersdoel. Bij 8% gewenst jaarrendement en een eindwaardering van 30 keer winst is in 2029 ongeveer €8,60 winst per aandeel nodig. Bij 24 keer winst loopt dat op tot meer dan €10. De derde module toont hoe eindmultiple en rendement de vereiste winst veranderen. Die winst kan uit drie bronnen komen. Ten eerste meer machineomzet door hybrid bonding, fotonica en AI-gerelateerde packaging. Ten tweede een hogere of stabiele brutomarge door productmix en technologische schaarste. Ten derde meer service- en upgradeomzet uit de installed base. Wie alleen de eerste bron modelleert, maakt de uitkomst onnodig cyclisch. Wie service te groot maakt zonder gepubliceerde basis, bouwt schijnzekerheid in. De balans en kasconversie blijven relevant. Een order is geen kas. Besi moet machines bouwen, testen, uitleveren en door klanten laten accepteren. Voorraad en debiteuren kunnen daardoor oplopen. Service kan kas eerder en gelijkmatiger binnenbrengen, maar onderhoudsvoorraden vragen ook werkkapitaal. Dividend komt boven op de koersscenario's en wordt niet nogmaals in de winst of multiple verwerkt. Sterkste tegenargumenten Het gunstige argument is dat advanced packaging nog vroeg in de adoptie zit. Als hybrid bonding breed wordt gebruikt in high-end logic, geheugen, fotonica en chiplets, groeit zowel de machinebasis als de latere servicekans. Een hoog aandeel terugkerende omzet kan dan een hogere multiple rechtvaardigen. Het ongunstige argument is dat halfgeleiderklanten investeringen in golven doen. Een paar grote orders kunnen een kwartaal sterk maken en daarna verdwijnen. Als concurrenten de technologische kloof verkleinen of klanten productieplannen vertragen, valt de bezetting snel. De hoge brutomarge lokt concurrentie uit en maakt teleurstellingen zichtbaar. Drie mogelijke koerspaden Bear veronderstelt normaliserende orders, beperkte service en een dalende P/E. Midden veronderstelt dat hybrid bonding groeit, service de cyclus enigszins dempt en de P/E rond 30 ligt. Gunstig veronderstelt brede adoptie, hoge bezetting en een installed base die meer contracten, onderdelen en upgrades afneemt. Mogelijke koersen voor 2027, 2028 en 2029 zijn €152, €128 en €118 in bear; €223, €250 en €282 in midden; en €265, €335 en €410 in gunstig. Bij €204,80 betaalt de markt voor meer dan één sterk orderkwartaal. Besi moet aantonen dat machines niet alleen omzet bij verkoop opleveren, maar jarenlang een commerciële relatie dragen. Hoe groter die tweede omzetlaag, hoe minder de waardering volledig leunt op de volgende investeringsgolf. Dat is geen spectaculaire boodschap, maar wel precies het verschil tussen een cyclische machinebouwer en een onderneming met een steeds waardevollere installed base. Lees ook: Waarom waardering meer is dan een lage koers
- Hoeveel prijsverhoging slikt de Netflix-kijker nog?
In het kort Netflix sloot op 2 oktober op $67,06 op Nasdaq, na correctie voor de aandelensplitsing. Bij de tweedekwartaalcijfers van 16 juli liet het bedrijf opnieuw zien dat schaal en prijs een krachtige combinatie zijn. De volgende stap is lastiger: de gemiddelde opbrengst per lid verhogen zonder dat huishoudens opzeggen, terugschakelen naar een goedkoper abonnement of hun kijktijd naar concurrenten verplaatsen. De beurswaarde van circa $286 miljard vraagt dat prijsverhogingen niet alleen omzet toevoegen, maar ook een groot deel daarvan als winst en vrije kasstroom laten doorstromen. Netflix verdient geld met abonnementen en steeds meer met reclame. De kosten zitten vooral in content, technologie, marketing en distributie. Veel contentkosten liggen al vast voordat een prijsverhoging ingaat. Daardoor kan een extra dollar omzet een hoge incrementele marge hebben. Dat is de aantrekkelijke kant. De kwetsbare kant is dat streaming geen nutsvoorziening is. Een huishouden kan maandelijks opzeggen, wisselen of tijdelijk verdwijnen. Een kleine verandering in churn, het percentage klanten dat vertrekt, kan daarom miljarden verschil maken. Direct naar een onderdeel van dit artikel Prijs is pas waarde als de klant blijft Retentie heeft ook een prijskaartje Wat moet $67,06 waarmaken? Sterkste tegenargumenten Drie mogelijke koerspaden Prijs is pas waarde als de klant blijft Een prijsverhoging lijkt op papier eenvoudig. Als 320 miljoen betalende leden gemiddeld $14 per maand betalen, levert 7% meer prijs ruim $3,7 miljard extra jaaromzet op voordat churn wordt meegenomen. Vertrekt door die verhoging 2% extra van de leden, dan valt een flink deel weg. De eerste interactieve module maakt die afweging zichtbaar. De precieze leden- en ARPU-cijfers zijn modelaannames, geen door Netflix afgegeven verwachting. De waarde van Netflix zit daarom niet alleen in het recht om de prijs te verhogen, maar in het vermogen om de prijsverhoging te rechtvaardigen. Dat vraagt een constante stroom series, films, games, liveprogramma's en een product dat technisch goed werkt. Een sterk aanbevelingsalgoritme helpt, maar uiteindelijk betaalt een huishouden voor ervaren entertainmentwaarde. Een enkele hit kan nieuwe klanten trekken; een brede bibliotheek en een terugkerend ritme van nieuwe titels houden ze langer vast. Bij de kwartaalcijfers van 16 juli verwees Netflix naar omzetgroei, hogere operationele marge en verdere ontwikkeling van de advertentietak. Dat zijn gunstige signalen, maar ze beantwoorden niet volledig hoe gevoelig verschillende landen en abonnementsvormen voor prijs zijn. Een verhoging in de Verenigde Staten kan andere gevolgen hebben dan in India, Brazilië of delen van Europa. Koopkracht, lokale concurrentie, gedeelde accounts en betalingsgewoonten verschillen. De beste prijs is dus geen wereldwijd percentage, maar een lokale optimalisatie. Retentie heeft ook een prijskaartje Netflix kan churn beperken met betere content, productverbeteringen en marketing. Die uitgaven zijn niet gratis. Een serie die klanten vasthoudt kan economisch zeer waardevol zijn, maar het bedrijf ziet nooit exact welke opzegging zonder die serie zou zijn gebeurd. Dat maakt kapitaalallocatie lastig. De tweede module rekent terug hoeveel behouden leden nodig zijn om extra uitgaven te verdienen. Het verdienmodel heeft wel een voordeel dat traditionele televisie niet had: Netflix ziet dagelijks hoe mensen zoeken, starten, stoppen en terugkomen. Dat maakt experimenten met prijs en product sneller. Toch is meer data geen garantie voor een goede beslissing. De onderneming kan een prijsverhoging te breed doorvoeren, een duur programma overschatten of onderschatten dat consumenten meerdere streamingdiensten als één gezamenlijk entertainmentbudget zien. Concurrentie komt van Disney+, Amazon Prime Video, YouTube, lokale omroepen en gratis sociale video. Niet elke concurrent hoeft winst op streaming te maken. Amazon kan video gebruiken om Prime aantrekkelijker te maken; Apple kan content zien als versterking van zijn ecosysteem; YouTube deelt inkomsten met makers. Netflix moet uiteindelijk zelf een hoog rendement op zijn content- en technologie-uitgaven verdienen. Dat maakt de focus scherper, maar ook minder vergevingsgezind. Wat moet $67,06 waarmaken? Na de splitsing oogt $67,06 laag, maar de economische waarde is niet veranderd. Met ongeveer 4,26 miljard verwaterde aandelen komt de beurswaarde rond $286 miljard uit. Bij een gewenst jaarrendement van 8% en een eindwaardering van 24 keer de nettowinst is in 2029 ongeveer $15 miljard nettowinst nodig. De derde module laat zien hoe de vereiste winst verschuift bij een ander aandelenaantal, rendement of eindmultiple. Deze omgekeerde waardering is nuttiger dan alleen een koers-winstverhouding noemen. Ze maakt duidelijk wat de onderneming moet leveren. Een hogere prijs per lid moet samengaan met beperkte churn, advertentie-inkomsten moeten na verkoopkosten winstgevend zijn en contentuitgaven mogen niet sneller stijgen dan de opbrengst. Aandeleninkoop helpt alleen als het verwaterde aandelenaantal werkelijk daalt. Aandelenbeloning en inkoop mogen niet apart als twee positieve factoren worden geteld. De balans geeft Netflix meer ruimte dan enkele jaren geleden, maar de contentverplichtingen blijven economisch belangrijk. Een deel staat niet als klassieke schuld op de balans, terwijl de kas wel in toekomstige jaren wordt betaald. Daarom kijken we naast nettowinst naar vrije kasstroom. Als winst stijgt doordat content langzamer wordt afgeschreven, maar de kasuitgaven even hard oplopen, is de kwaliteit van de groei lager. Sterkste tegenargumenten Het positieve tegenargument is dat Netflix zijn prijszettingsmacht al vaker heeft bewezen. De dienst is wereldwijd, de vaste technologie wordt over honderden miljoenen leden verdeeld en het advertentiemodel kan een goedkoper instappunt bieden zonder de totale opbrengst per gebruiker te verlagen. In dat geval kan zelfs beperkte ledengroei voldoende zijn voor stevige winstgroei. Het negatieve tegenargument is dat prijszettingsmacht gemakkelijk wordt overschat. Consumenten merken een verhoging direct, terwijl betere content onzeker en subjectief is. Reclame kan de kijkervaring verslechteren en een goedkoop abonnement kan duurdere pakketten kannibaliseren. Verder kan regelgeving rond data, reclame en lokale content de kosten verhogen. Valuta speelt mee omdat een groot deel van de omzet buiten de Verenigde Staten wordt verdiend, terwijl het aandeel en de rapportage in dollars luiden. Drie mogelijke koerspaden De scenario's hieronder zijn geen koersdoelen. Ze combineren operationele aannames met een mogelijke waardering aan het einde van elk kalenderjaar. Bear veronderstelt meer churn en multiplekrimp. Midden veronderstelt ongeveer 9% omzetgroei en geleidelijke margeverbetering. Gunstig veronderstelt dat prijs, reclame en retentie elkaar versterken. Mogelijke koersen: bear $52, $47 en $43; midden $73, $82 en $92; gunstig $86, $104 en $125 voor respectievelijk 2027, 2028 en 2029. De beslissende variabele is niet het aantal prijsverhogingen, maar de nettowaarde ervan. Netflix moet aantonen dat een hogere prijs minder leden kost dan de extra omzet en marge opleveren. Zolang de dienst het entertainmentbudget van huishoudens blijft verdienen, kan de schaal uitzonderlijk winstgevend zijn. Als die gewoonte verzwakt, werkt dezelfde operationele hefboom de andere kant op. Lees ook: Waarom waardering meer is dan een lage koers
- Kan onderhoud de grillige omzet van Alfen gladstrijken?
In het kort Alfen noteerde op 2 oktober €12,22 op Euronext Amsterdam. Bij de halfjaarcijfers van 18 augustus liet het bedrijf zien dat de transformatie doorgaat, maar de omzetdruk en dunne marge maken het herstel kwetsbaar. De aandacht gaat meestal naar nieuwe laadpalen, netstations en energieopslagsystemen. Minstens zo belangrijk is wat Alfen na de verkoop aan die systemen verdient. Onderhoud, software, monitoring en upgrades op de installed base kunnen de omzet stabieler maken en de kasstroom minder afhankelijk van nieuwe hardwareprojecten. Alfen heeft drie activiteiten met verschillende ritmes. Smart Grid Solutions levert componenten en complete oplossingen voor elektriciteitsnetten. Energy Storage Systems bouwt batterijsystemen en bijbehorende besturing. EV Charging Equipment verkoopt laadoplossingen. Hardware vraagt materiaal, voorraad, productiecapaciteit en soms lange projectdoorlooptijden. Service gebruikt vooral kennis, software en een bestaand klantcontact. Dat verschil kan belangrijk worden voor een onderneming die de balans en marge moet herstellen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De installed base is meer dan een verkooparchief Een kleine servicelaag kan veel marge doen Wat moet €12,22 waarmaken? Sterkste tegenargumenten Drie mogelijke koerspaden De installed base is meer dan een verkooparchief Elk geïnstalleerd systeem kan later nieuwe omzet opleveren. Een laadnetwerk moet worden gemonitord, firmware krijgt updates, reserveonderdelen slijten en batterijsystemen vragen prestatiebeheer. Netstations moeten betrouwbaar blijven. De eerste module rekent met actieve systemen, servicepenetratie en jaaromzet per systeem. De aantallen zijn modelaannames omdat Alfen de volledige installed base en contractpenetratie niet als één getal rapporteert. Met 250.000 actieve systemen, 35% servicepenetratie en €160 jaaromzet per systeem komt het model op €14 miljoen terugkerende omzet. Dat is niet genoeg om het bedrijf alleen te dragen, maar het heeft drie voordelen. De omzet kan voorspelbaarder zijn, de klantrelatie wordt langer en Alfen leert eerder waar producten falen of verbetering nodig hebben. Die informatie kan ook nieuwe hardware beter maken. Het risico is dat service te goedkoop is verkocht of grotendeels onder garantie valt. Een defect product levert dan kosten op in plaats van omzet. Software kan daarnaast door klanten als onderdeel van de aankoopprijs worden gezien. Alfen moet duidelijk maken welk deel werkelijk terugkerend, betaalbaar en winstgevend is. Een label als recurring revenue is niet voldoende. Een kleine servicelaag kan veel marge doen De huidige marge is kwetsbaar omdat projectomzet en bezetting schommelen. Vaste kosten verdwijnen niet meteen als de omzet daalt. Service kan dat patroon verzachten als de EBITDA-marge hoger is dan op hardware. De tweede module mengt project- en terugkerende omzet. Bij €450 miljoen projectomzet met 5% marge en €70 miljoen serviceomzet met 28% marge komt de gemengde EBITDA-marge rond 8% uit. Dat is illustratief, geen voorspelling. Het laat wel zien waarom een relatief kleine omzetlaag economisch belangrijk kan zijn. De uitdaging zit in uitvoering. Alfen heeft technici, onderdelenlogistiek, cybersecurity, cloudinfrastructuur en klantondersteuning nodig. Die kosten lopen vooruit op schaal. Pas wanneer genoeg systemen dezelfde software en processen delen, ontstaat hefboom. Concurrentie komt van grote industriële spelers, gespecialiseerde laadbedrijven en lokale systeemintegratoren. In hardware kan prijsdruk snel oplopen. In service zijn vertrouwen en responstijd belangrijker. Een klant wisselt minder gemakkelijk van leverancier als systemen bedrijfskritisch zijn en de leverancier diep in de configuratie zit. Dat kan Alfen een verdedigbare positie geven, zolang kwaliteit en beschikbaarheid op orde zijn. De energietransitie blijft een gunstige structurele achtergrond. Netverzwaring, elektrificatie en opslag vragen meer infrastructuur. Toch is structurele vraag geen garantie voor aandeelhoudersrendement. Projecten kunnen worden uitgesteld, vergunningen vertragen en klanten kunnen prijs afdwingen. Alfen moet groei financieren zonder opnieuw te veel voorraad, debiteuren of schuld op te bouwen. Wat moet €12,22 waarmaken? De reverse valuation gebruikt ondernemingswaarde. Met 22 miljoen aandelen, €80 miljoen nettoschuld in 2029, een EV/EBITDA-multiple van 9 en 10% gewenst jaarrendement is ongeveer €50 miljoen EBITDA nodig. Bij meer schuld of verwatering stijgt de vereiste operationele prestatie. De derde module laat die gevoeligheid zien. Dit is belangrijk omdat een lage beurskoers niet automatisch goedkoop betekent. De aandelenwaarde is slechts één deel van de ondernemingswaarde. Banken en andere financiers hebben een claim op de kas. Rente en convenanten beperken de ruimte om tegenvallers op te vangen. Service-inkomsten zijn waardevol wanneer ze niet alleen EBITDA, maar ook kas na werkkapitaal en investeringen opleveren. Een emissie is geen zekerheid, maar hoort in een bear-scenario als de kas onvoldoende herstelt. Verwatering moet dan via een hoger aandelenaantal worden verwerkt, niet als een losse voetnoot. Inkoop is in de huidige situatie geen centrale aanname. Eerst moeten operationele stabiliteit en financieringsruimte terugkomen. Sterkste tegenargumenten Het positieve argument is dat Alfen al veel systemen in het veld heeft en diep in de Europese energietransitie zit. Als het bedrijf service, software en upgrades beter bundelt, kan omzet groeien zonder dezelfde hoeveelheid materiaal en werkkapitaal. Een stabielere mix kan bovendien de waarderingsmultiple verhogen. Het negatieve argument is dat klanten voor hardware kwamen en niet vanzelf voor software blijven betalen. Garantieproblemen kunnen de serviceorganisatie belasten. Een versnipperde installed base met veel productversies maakt ondersteuning duur. Ook kunnen grotere concurrenten onderhoud combineren met bredere contracten en financiering. Dan blijft Alfen vooral een hardware- en projectbedrijf met cyclische marges. Drie mogelijke koerspaden Bear veronderstelt zwakke hardware, te weinig betaalde service en aanvullende financiering. Midden veronderstelt stabiliserende projectomzet, groeiende service en geleidelijke schuldafbouw. Gunstig veronderstelt dat software, onderhoud en upgrades op de installed base schalen, terwijl de balans snel herstelt. Mogelijke koersen voor 2027, 2028 en 2029 zijn €7, €5 en €4 in bear; €15, €20 en €25 in midden; en €21, €31 en €43 in gunstig. Bij €12,22 draait de beleggingscasus niet alleen om de volgende hardwareorder. De betere vraag is hoeveel waarde Alfen uit elk al verkocht systeem kan halen zonder de klantrelatie te beschadigen. Terugkerende omzet kan de grilligheid verminderen, maar alleen als contracten betaalde waarde leveren en de kas echt binnenkomt. Dat maakt service geen bijzaak, maar een toets voor de kwaliteit van het herstel. Lees ook: Waarom waardering meer is dan een lage koers











