Search this site
14063 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- IonQ zoekt bij Nvidia de weg van quantumproef naar toepassing
In het kort IonQ wil in 2027 een quantumcomputer plaatsen bij Nvidia’s onderzoekscentrum. Dat kan helpen om quantumhardware te verbinden met de rekensystemen en software die ontwikkelaars al gebruiken. De aankondiging bevat alleen geen openbaar contractbedrag of bewijs van extra commerciële omzet. Bij $43,77 vraagt het aandeel om veel toekomstige groei, terwijl financiering, integratie en de stap naar winstgevendheid nog zwaar wegen. Een plek naast Nvidia is voor een quantumontwikkelaar waardevol. Ontwikkelaars krijgen toegang tot een omgeving waarin ze toepassingen kunnen bouwen en vergelijken. Voor een aandeelhouder begint daar juist de volgende vraag: wie gaat er uiteindelijk voor betalen, en waarvoor precies? Dat onderscheid hoeft het technische nieuws niet kleiner te maken. Het voorkomt vooral dat een belangrijke onderzoeksstap wordt behandeld alsof de commerciële uitkomst al vaststaat. De route van een werkende proef naar terugkerende omzet heeft meer tussenstappen dan een persbericht meestal laat zien. Direct naar een onderdeel van dit artikel Wat er bij Nvidia moet komen te staan Meer qubits is geen kant-en-klare businesscase De grotere omzetbasis bevat een overname Hoeveel tijd koopt de kas? Wat vraagt de huidige beursprijs? Mogelijke koersen bij drie verschillende uitkomsten Wat er bij Nvidia moet komen te staan In de aankondiging van 23 september beschrijft IonQ een geplande installatie van Superion 256 in 2027. Het systeem moet via NVQLink samenwerken met Nvidia’s GB200 NVL72-infrastructuur en CUDA-Q-software. De partijen willen hybride toepassingen onderzoeken, onder meer voor materialen, chemie en financiële vraagstukken. Hybride betekent hier dat een klassieke computer en een quantumcomputer verschillende delen van een berekening uitvoeren. De quantumcomputer vervangt dus niet eenvoudig het hele datacenter. Hij moet een taak krijgen waarvoor hij aantoonbaar iets toevoegt, terwijl gewone processors de voorbereiding, aansturing en verwerking blijven doen. De economische kans zit in die aansluiting. Een afzonderlijke machine zonder bruikbare software en zonder ontwikkelaars heeft beperkte waarde. Goede integratie kan de overstap voor klanten verkleinen. Een vergelijkbare gedachte komt terug in Rabi’s analyse van Nvidia’s hardware en software: de samenhang van het systeem kan een sterkere positie opleveren dan één losse chip. Maar wie bezit die positie bij quantum? IonQ kan verdienen aan hardware, toegang en dienstverlening. Nvidia kan waarde behouden via de klassieke infrastructuur en software. De klant kan profiteren van een betere uitkomst. Dat zijn geen elkaar uitsluitende mogelijkheden, maar het is onduidelijk welk deel van de toekomstige opbrengst uiteindelijk bij IonQ-aandeelhouders terechtkomt. Meer qubits is geen kant-en-klare businesscase Een qubit is een rekenelement dat gebruikmaakt van quantumverschijnselen. Het aantal qubits geeft een deel van de capaciteit aan, maar vertelt niet hoeveel bruikbaar rekenwerk zonder fouten kan worden verricht. Besturing, foutkansen, snelheid en de manier waarop qubits worden verbonden zijn eveneens belangrijk. Voor een potentiële klant is de vergelijking praktisch. Levert deze combinatie een beter antwoord op dan de beste klassieke aanpak, tegen een aanvaardbare prijs en binnen een bruikbare tijd? Een technisch sterke demonstratie kan op die commerciële test nog steeds tekortschieten. Omgekeerd hoeft een nuttige toepassing niet meteen alle klassieke computers te verslaan om een markt te vinden. Een bestelling, installatie, proef en structureel betaald gebruik zijn vier verschillende signalen. De geplande installatie in 2027 is daarom een mijlpaal om te volgen, geen vast beginpunt voor een bekend omzetbedrag. De volgende module gebruikt bewust een fictief project om het effect van vertraging te laten zien: Bij een halfjaar vertraging verdwijnt een deel van de eerste jaaropbrengst, terwijl personeel en ontwikkeling doorlopen. Voor een bedrijf met grote toekomstige beloften kan zo’n verschuiving zowel de kas als de waardering raken. Het probleem is niet alleen dat omzet later komt. Beleggers kunnen ook minder bereid worden om vandaag al veel voor die latere omzet te betalen. De grotere omzetbasis bevat een overname IonQ heeft inmiddels een bredere onderneming dan alleen de oorspronkelijke quantumactiviteiten. In de verhoogde jaarverwachting van 8 september noemt het bedrijf $450 tot $460 miljoen omzet voor 2026. Daarin zit SkyWater vanaf de overname op 31 juli, met eliminatie van onderlinge omzet. De eerdere verwachting was $280 tot $290 miljoen. Dat is geen zuivere verhoging van de organische groei. Organisch betekent groei uit de bestaande activiteiten, zonder de omzet die door een overname wordt toegevoegd. Voor beleggers is dat onderscheid belangrijk: een fabriek kopen kan strategisch nuttig zijn, maar de gekochte omzet heeft een prijs en een eigen kostenstructuur. De mogelijke winst is meer grip op productie, leveringen en technologische ontwikkeling. De keerzijde is dat IonQ ook de bezetting, investeringsbehoefte en marges van die productie moet beheren. Het combineren van onderzoek en fabricage vraagt andere vaardigheden dan het verkopen van toegang tot een quantumcomputer. Bij de cijfers van 5 augustus over Q2 meldde IonQ $80,1 miljoen omzet en een aangepast operationeel verlies vóór rente, belasting en afschrijvingen van $120,3 miljoen. Het gerapporteerde nettoverlies was veel groter, $1,868 miljard. Zulke winstbegrippen zijn niet onderling verwisselbaar. Een boekhoudkundige herwaardering kan de gerapporteerde winst sterk beïnvloeden zonder dezelfde kasuitstroom te veroorzaken, terwijl een aangepast verlies tegelijk echte uitgaven kan uitsluiten. Hoeveel tijd koopt de kas? De onderneming noemde bij die rapportage ongeveer $2 miljard pro-formakas en beleggingen na SkyWater. Pro forma betekent dat het cijfer de overname verwerkt alsof zij al in de vergelijkingsbasis zit. Het is geen actuele kasstand per 4 oktober. De overname, verdere investeringen en bedrijfsuitgaven hebben sindsdien invloed op de liquiditeit. Dat bedrag geeft ruimte. Het neemt de financieringsvraag niet weg. Als operationele kasuitstroom en investeringen samen $500 miljoen per jaar bedragen, blijft na drie jaar van een buffer van $2 miljard nog $500 miljoen over. Bij veel hogere uitgaven ontstaat een nieuwe financieringsbehoefte. De onderstaande gevoeligheid veronderstelt geen nieuwe overnames of emissies: Nieuwe aandelen uitgeven kan verstandig zijn als daarmee waardevolle groei wordt gefinancierd. Voor de bestaande aandeelhouder betekent het wel verwatering: toekomstige opbrengsten moeten over meer aandelen worden verdeeld. Daarom is de groei van de omzet per aandeel minstens zo relevant als de groei van de onderneming. Lees ook: De waardering en financiële verschillen tussen IonQ, D-Wave, Rigetti en QUBT. De sector kent verschillende technieken, maar ook heel verschillende kasbuffers en commerciële uitgangspunten. Wat vraagt de huidige beursprijs? De koersbasis is $43,77 voor het gewone IonQ-aandeel op NYSE, ticker IONQ, ISIN US46222L1089, uit de handel van 2 oktober. De aanvullende De Belegger-momentopname heeft brontijd 20.29 UTC en twintig minuten vertraging. De onderneming rapporteert eveneens in dollars. De SEC-rapportage telt 381.002.314 uitstaande aandelen per 29 juli. Daar kwamen bij de SkyWater-transactie 24.135.775 aandelen bij, samen circa 405,1 miljoen vóór eventuele latere mutaties. Dat is iets anders dan een volledig verwaterde basis waarin alle mogelijke nieuwe aandelen al meetellen. Voor de waardering gebruiken we daarom expliciete toekomstige aantallen in plaats van het historische, gewogen kwartaalgemiddelde. Het middenpad loopt van 420 miljoen aandelen eind 2027 naar 460 miljoen eind 2029. Dat zijn eigen aannames, geen vaststaande aantallen. Zonder positieve duurzame winstbasis rekenen we met ondernemingswaarde ten opzichte van omzet. De omgekeerde vraag luidt: hoeveel omzet is nodig voor tien procent jaarlijks koersrendement tot eind 2029, bij zestien keer omzet, 460 miljoen aandelen en $1 miljard nettokas? Het antwoord volgt in de module. De formule verhoogt eerst de huidige koers over ongeveer 3,24 jaar en rekent die vervolgens terug naar benodigde bedrijfsomzet: Een omzetmultiple van zestien is allerminst voorzichtig. Bij vijf procent operationele marge zou dat 320 keer operationele winst zijn. Zelfs bij achttien procent marge is het bijna 89 keer. De waardering blijft dus ook na stevige omzetgroei afhankelijk van winst die verder in de toekomst ligt. Het model kan de belofte zichtbaar maken; het kan haar niet bewijzen. Mogelijke koersen bij drie verschillende uitkomsten Het bearpad veronderstelt $550, $600 en $650 miljoen omzet in 2027, 2028 en 2029. De omzetmultiple daalt, de kas slinkt en de aandelenbasis groeit naar 500 miljoen. De mogelijke jaareindekoersen zijn $15,12, $11,52 en $7,80. In dit pad blijft de operationele marge in 2029 op min twintig procent steken. Het middenpad vraagt $800 miljoen, $1,2 miljard en $1,8 miljard omzet, een positieve operationele marge van vijf procent in 2029 en een aandelenbasis van 420, 440 en 460 miljoen. Het geeft $41,19, $51,36 en $64,78. Het gunstige pad bereikt $3 miljard omzet en achttien procent marge in 2029; de mogelijke koersen zijn $73,57, $109,77 en $150,67. De formule is omzet maal omzetmultiple, plus nettokas, gedeeld door aandelen. Alle bedragen en aantallen staan in miljoenen. Kasverbruik, investeringen en financiering zitten in de kas- en aandelenpaden. We tellen geen afzonderlijke bonuswaarde voor de Nvidia-samenwerking op en trekken aandelenbeloning niet nogmaals af boven op de verwatering. Dividend is niet verondersteld. De scenario’s zijn eigen aannames, geen bedrijfsverwachtingen of analistenconsensus. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. Het sterkste argument vóór IonQ is dat integratie met bestaande rekensystemen de weg naar toepassingen kan verkorten. De hardste tegenwerping is dat een grotere technische kans nog geen aantrekkelijke prijs voor het aandeel oplevert. De komende bevestiging moet daarom concreter worden: levering op tijd, bruikbare vergelijkingen met klassieke methoden, betalende klanten en een beter verband tussen extra omzet en extra kasverbruik. Foto: Chris Ballance, President Quantum Computing bij IonQ. Officieel bedrijfsportret, IonQ; archief.
- De merkenmix bepaalt hoeveel NIO aan zijn groei verdient
In het kort NIO verkocht in september 37.408 elektrische auto's, maar achter dat totaal gaan drie verschillende verdienmodellen schuil. Het premiummerk groeit stevig, terwijl ONVO en firefly een andere prijsklasse aanspreken. Dat kan de fabrieken beter vullen, maar maakt de gemiddelde opbrengst en brutowinst per auto minder voorspelbaar. Bij $3,37 per Amerikaans certificaat draait de belegging vooral om toekomstige marges, financiering en het aantal aandelen waarover de opbrengst straks wordt verdeeld. Een autofabrikant kan meer auto's verkopen en zijn aandeelhouders toch teleurstellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer de extra auto's goedkoper zijn, veel korting meekrijgen of een dure introductiecampagne nodig hebben. Bij NIO wordt die afweging interessanter nu het bedrijf tegelijk een premiummerk, een gezinsmerk en een compact stadsautomerk uitbouwt. De leveringspublicatie van 1 oktober laat zien hoe verschillend die onderdelen bewegen. In september kwamen 21.318 leveringen van NIO, 8.763 van ONVO en 7.327 van firefly. Het NIO-merk groeide 55,3% tegenover een jaar eerder, terwijl de groep als geheel 7,7% groeide. De samenstelling van de groei verdient daarom minstens zoveel aandacht als het totaal. Direct naar een onderdeel van dit artikel Drie merken geven meer bereik, maar ook meer werk De voertuigmarge herstelt, de gewone aandeelhouder ziet nog verlies Een prijsgevecht kan de schaalvoordelen opeten Financiering bepaalt hoeveel van het herstel per ADS overblijft Wat moet NIO waarmaken bij $3,37? Drie merken geven meer bereik, maar ook meer werk De economische logica achter meerdere merken is begrijpelijk. Met dezelfde technische kennis, inkooporganisatie en delen van de productieketen kan een fabrikant verschillende klanten bereiken. Wie geen premiumauto wil betalen, is mogelijk wel geïnteresseerd in een betaalbaarder model. Dat vergroot de markt zonder dat voor ieder merk een volledig nieuw bedrijf nodig is. Tegelijk zijn gedeelde onderdelen geen garantie voor gedeelde winst. Elk merk vraagt positionering, service, marketing en ontwikkeling. Een klant die van een dure NIO naar een goedkopere ONVO overstapt, levert bovendien niet automatisch extra omzet op. Dat heet kannibalisatie: een nieuw product eet een deel van de verkoop van een bestaand product op. Het is pas gunstig wanneer de bredere klantenbasis en lagere kosten dat verlies ruimschoots compenseren. De verdeling van september, ongeveer 57% NIO, 23% ONVO en 20% firefly, is daarom een startpunt voor de analyse. Zij bewijst niet welk merk het meest winstgevend was. NIO publiceert in deze maandupdate geen afzonderlijke brutowinst per merk. Wie alleen aantallen vermenigvuldigt met een catalogusprijs mist kortingen, batterijkeuzes, uitvoering en het moment waarop omzet wordt verantwoord. Dat is ook waarom een vergelijking met Tesla meer vraagt dan twee leveringsgrafieken. In de eerdere Tesla-analyse over de rekening achter de kasbuffer staat de verhouding tussen investeringen en opbrengsten centraal. Voor NIO komt daar de vraag bij of een bredere merkenfamilie de kosten per auto verlaagt of juist extra complexiteit toevoegt. De voertuigmarge herstelt, de gewone aandeelhouder ziet nog verlies Bij de kwartaalcijfers van 1 september over april tot en met juni rapporteerde NIO RMB32,14 miljard omzet en een voertuigmarge van 18,5%. Die marge was een jaar eerder 10,3%. Een voertuigmarge is het deel van de auto-omzet dat overblijft na de directe productiekosten, vóór onder meer ontwikkeling en verkooporganisatie. Een verbetering van acht procentpunten is groot. Bij RMB100 aan voertuigomzet blijft dan ongeveer RMB8 extra over om andere kosten te betalen. Maar brutowinst is nog geen nettowinst. De onderneming rapporteerde een nettoverlies van RMB528 miljoen; het verlies toerekenbaar aan gewone aandeelhouders bedroeg RMB721,6 miljoen. Zonder bepaalde posten was een kleine aangepaste winst zichtbaar. Die aangepaste uitkomst maakt de gewone verliesbasis niet positief. Hoeveel helpt een volgende stap in volume? Neem als eigen rekenvoorbeeld 109.000 auto's in een kwartaal, gemiddeld RMB270.000 omzet per auto en 18,5% voertuigmarge. Dat levert ongeveer RMB5,44 miljard brutowinst op. Tegenover een illustratieve operationele kostenbasis van RMB6 miljard blijft dan een tekort bestaan. Overige omzet, overige directe kosten, rente en belasting ontbreken in dit eenvoudige model; het is dus geen voorspelling van de gerapporteerde winst. Het voorbeeld maakt wel duidelijk waarom één procentpunt marge belangrijk is. Bij deze volumes verandert de brutowinst met ongeveer RMB294 miljoen per kwartaal. Een kleine prijsconcessie kan dus een groot deel van de verbetering door extra productie opslokken. De meest bruikbare volgende cijfers zijn voertuigomzet per levering, brutomarge en de ontwikkeling van operationele kosten samen. Een prijsgevecht kan de schaalvoordelen opeten BYD, Tesla en andere Chinese fabrikanten concurreren om klanten die veel keuze hebben. NIO probeert zich te onderscheiden met service, technologie en batterijwisselen. Dat kan merkbinding opleveren. Het vereist ook investeringen en voldoende gebruik om de infrastructuur rendabel te maken. Het sterkste positieve argument is dat een groter volume de bestaande organisatie productiever maakt. Ontwikkelingskosten voor software of een platform hoeven niet voor elke extra auto opnieuw te worden gemaakt. Als NIO het premiummerk laat groeien zonder de kosten even hard op te voeren, kan de winst snel verbeteren. De tegenwerping is dat de sector die ruimte niet cadeau geeft. Nieuwe modellen volgen elkaar snel op. Een aantrekkelijke auto van een concurrent kan NIO dwingen de prijs te verlagen of meer uitrusting toe te voegen. Een hogere fabrieksbezetting helpt weinig als de bijdrage per auto tegelijk verdwijnt. Daarnaast kan de uitbreiding met drie merken managementaandacht verdelen op een moment waarop kostenbeheersing juist cruciaal is. Financiering bepaalt hoeveel van het herstel per ADS overblijft De brede liquiditeitsmaatstaf van NIO bedroeg eind juni RMB56,7 miljard. Daar zitten ook restricted cash en deposito's in. Dat is geen bedrag dat zonder verdere aftrek als vrij beschikbare nettokas aan de beurswaarde mag worden toegevoegd. Schulden, operationele verplichtingen en toekomstige investeringen horen bij dezelfde rekensom. Het financieringsrisico is concreet. NIO kan groei betalen uit operationele kasstromen, met leningen, via partners of door nieuwe aandelen uit te geven. Dat laatste heet verwatering: dezelfde onderneming wordt over meer aandelen verdeeld. Bij 30% omzetgroei en 4% meer aandelen stijgt de omzet per aandeel bijvoorbeeld met 25%, niet met 30%. De eerdere uitleg bij Rivian over groei en nieuwe aandelen helpt om dat onderscheid te maken. Een kapitaalronde kan het bedrijf sterker maken en voor bestaande aandeelhouders toch een prijs hebben. Bij NIO mag een scenario met extra geld daarom niet tegelijkertijd rekenen op een onveranderd aandelental zonder financieringskosten. Wat moet NIO waarmaken bij $3,37? Het uitgangspunt is de NYSE-slotkoers van 2 oktober 2026 van $3,37 om 16.00 uur New Yorkse tijd. Het gaat om NIO ADS, ISIN US62914V1061. Volgens de eigen beleggersinformatie vertegenwoordigt één ADS één gewoon Class A-aandeel. De onderneming rapporteert hoofdzakelijk in renminbi; onderstaande waarderingsscenario's staan in Amerikaanse dollars en veronderstellen een gelijkblijvende omzettingskoers ten opzichte van de gekozen dollaromzet. Omdat de gerapporteerde winst negatief is, heeft een gewone koers-winstverhouding hier weinig betekenis. De omgekeerde rekensom gebruikt ondernemingswaarde ten opzichte van omzet. Met 2,65 miljard toekomstige aandelen, $2 miljard netto financiële verplichtingen en 0,7 keer omzet vraagt de huidige koers ongeveer $15,6 miljard jaaromzet. Voor 10% jaarlijks koersrendement tot eind 2029 is bij dezelfde aannames circa $20,2 miljard nodig. Dat klinkt bereikbaar, maar de omzetmultiple is zelf een winstaanname. Een waardering van 0,7 keer omzet kan bijvoorbeeld overeenkomen met veertien keer operationele winst bij 5% operationele marge. Zonder uitzicht op zo'n marge verdient omzet geen vaste prijs. Bij langdurige verliezen kan zelfs een lage omzetmultiple te hoog zijn. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Lees ook: Dit is waarom Rivian aandelen dalen vandaag, over de spanning tussen groeifinanciering en waarde per bestaand aandeel. De drie paden geven mogelijke koersen voor eind 2027, 2028 en 2029. Het bearpad houdt de operationele marge rond nul en laat financieringsdruk voortduren. Het middenpad veronderstelt dat de marge richting 5% groeit; het gunstige pad vraagt rond 8% en sterke volumegroei. De volledige omzet-, multiple-, schuld- en aandelenpaden staan in de module. De toekomstige netto financiële posities zijn aannames, geen vaststelling van de huidige nettoschuld. Dividend is niet meegerekend. De aantrekkelijkste aanwijzing voor NIO zou een combinatie zijn: meer premiumleveringen, stabiele voertuigprijzen en lagere kosten per auto. Alleen een nieuw leveringsrecord is onvoldoende. Als die combinatie uitblijft, wordt de financieringsvraag opnieuw belangrijker dan de groei. Voor aandeelhouders zit de kans in een winstgevend volume, en het risico in jarenlang volume zonder voldoende winst. Foto: NIO, William Li bij de WTO in Genève op 14 september 2026. Archiefbeeld.
- Tienduizenden thuisbatterijen erbij maar wat leveren ze op?
Sophie Hermans, die als minister van Klimaat en Groene Groei in 2024 het wetsvoorstel voor beëindiging van salderen mede indiende. Archieffoto van 16 februari 2026: Martijn Beekman en Valerie Kuypers / Rijksoverheid. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Nederland registreerde in de eerste negen maanden van 2026 bijna vier keer zoveel batterijen als in dezelfde periode vorig jaar. Het geregistreerde vermogen passeert inmiddels één gigawatt, al omvat dat ook zakelijke installaties. Voor een huishouden hangt de besparing vooral af van hoeveel zonnestroom de accu daadwerkelijk naar een later moment verschuift en wat het systeem volledig kost. Een rekensom met aankoop, energieverlies en jaarlijkse kosten laat zien waarom een groeiende markt nog geen rendabele aankoop garandeert. Een thuisbatterij staat bij steeds meer huishoudens op het wensenlijstje. Dat is begrijpelijk: vanaf 1 januari 2027 stopt salderen. Wie overdag veel zonnestroom overhoudt en ’s avonds elektriciteit koopt, zoekt een manier om dat verschil kleiner te maken. Een batterij kan daarbij helpen. Maar de vraag hoeveel je ermee bespaart, verdwijnt gemakkelijk achter nieuws over verkooprecords, grote vermogens en snel gevulde subsidiepotten. De nieuwste registratiereeks laat een duidelijke versnelling zien. Tegelijk ontbreken daarin juist de gegevens die een koper nodig heeft: de prijs, de hoeveelheid bruikbare opgeslagen energie, het stroomcontract en het eigen verbruik. Die twee kanten van het verhaal horen bij elkaar. De markt groeit, maar een batterij moet zich uiteindelijk bij één specifieke woning terugverdienen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De registraties groeien hard, met een kanttekening bij het record Eén gigawatt vertelt niet hoeveel avonden een batterij overbrugt Begin bij de meter voordat de batterij wordt gekozen Duizend opgeslagen kilowattuur leveren in dit voorbeeld €180 op Na drie jaar is de investering in deze scenario’s nog niet terug Een kleinere of goedkopere batterij kan beter bij de woning passen Subsidie helpt alleen als het aanbod zonder haast is doorgerekend De registraties groeien hard, met een kanttekening bij het record In de maandreeks van Energieleveren.nl staan van januari tot en met september 53.517 opslagregistraties. In dezelfde negen maanden van 2025 waren dat er 13.715. Dat is een stijging van ongeveer 290 procent, ofwel bijna een verviervoudiging. September voegde 8.535 registraties toe, ruim 26 procent meer dan augustus. Eind september telt de reeks in totaal 79.231 registraties. September is daarmee een sterke maand, maar in de ruwe cijfers geen absoluut record. April staat op 9.774. Solar & Storage Magazine meldde op 2 oktober dat die aprilpiek deels bestond uit oudere Zonneplan-batterijen die achteraf zijn geregistreerd. Dat verklaart waarom een nieuwscijfer over registraties niet automatisch iets zegt over installaties die diezelfde maand zijn geplaatst. Ook de doelgroep vraagt precisie. Van de septemberregistraties vallen er 8.463 onder kleinverbruik, ruim 99 procent. Daaronder kunnen naast woningen ook kleine bedrijven vallen. Een registratie is dus geen bewijs van een nieuwe verkoop aan een particulier. Voor installateurs en aanbieders wijst de reeks op veel meer activiteit, maar hoeveel daarvan nieuwe vraag is en hoeveel een administratieve inhaalslag, is uit dit bestand alleen niet vast te stellen. Eén gigawatt vertelt niet hoeveel avonden een batterij overbrugt Het opgetelde geregistreerde vermogen komt eind september uit op ongeveer 1.006 megawatt. Daarmee is de grens van één gigawatt gepasseerd. Toch zou het misleidend zijn om dit uitsluitend als het vermogen van Nederlandse thuisbatterijen te presenteren. Systemen boven 15 kilowatt vormen slechts 7,1 procent van de registraties, maar leveren samen 51,9 procent van het geregistreerde vermogen. De grotere installaties wegen dus zwaar mee. Voor een koper is bovendien het verschil tussen kilowatt en kilowattuur belangrijk. Kilowatt, afgekort kW, beschrijft hoe snel een batterij stroom kan opnemen of afgeven. Kilowattuur, kWh, beschrijft hoeveel energie erin past. Een systeem met 5 kW vermogen en 10 kWh bruikbare energie zou in een vereenvoudigd voorbeeld twee uur lang 5 kW kunnen leveren. De praktijk hangt ook af van verliezen en technische grenzen. De registratiereeks bevat vermogensklassen, geen opslagcapaciteit in kWh. Uit de categorie 5 tot 15 kW kun je daarom niet afleiden hoe groot het accupakket is of hoeveel een gezin ermee bespaart. Daarvoor moet bekend zijn hoeveel energie het huishouden dagelijks kan opslaan én later nodig heeft. Een grote accu die vaak halfleeg blijft, heeft weinig aan zijn maximale capaciteit. Begin bij de meter voordat de batterij wordt gekozen De eerste besparing vraagt soms vooral een ander tijdstip. Milieu Centraal adviseert om wasmachine en vaatwasser op zonnige momenten te gebruiken en ze niet allemaal tegelijk te laten starten. Wie een elektrische auto thuis kan laden, kan meer eigen zonnestroom direct in die auto stoppen. Dat verkleint het overschot waarvoor nog een losse batterij nodig is. Daar zit een belangrijke volgorde in. Kijk eerst wat met bestaande apparaten en instellingen mogelijk is. Bepaal daarna hoeveel stroom overdag nog naar het net gaat en hoeveel later wordt ingekocht. Gebruik daarvoor liefst gegevens per kwartier of uur, verspreid over het jaar. Een jaarverbruik van 3.000 kWh zegt weinig als het grootste overschot in de zomer valt en de grootste vraag in de winter. Een thuisbatterij verschuift stroom meestal binnen een dag. Hij bewaart de zomerproductie niet voor januari. Wie na slim laden en verschoven huishoudelijk verbruik nog een regelmatig dagoverschot én avondvraag heeft, kan opslag nuttig inzetten. Wie nauwelijks avondverbruik heeft, maakt een grote accu niet productief door er meer zonnepanelen naast te leggen. Ons eerdere artikel over de elektrische auto na het salderen legt uit waarom ook daar het extra voordeel bovenop gewoon slim laden telt. Duizend opgeslagen kilowattuur leveren in dit voorbeeld €180 op Volgens de Rijksoverheid stopt het wegstrepen van teruggeleverde stroom tegen afname per 1 januari 2027. Er blijft een terugleververgoeding bestaan. Tot 2030 moet die ten minste de helft van het kale leveringstarief zijn, dus zonder belastingen. Eventuele terugleverkosten staan daar nog tegenover. Het financiële voordeel van opslag hangt daardoor af van de vermeden inkoop én de opbrengst die je door minder terugleveren misloopt. Neem een eigen rekenvoorbeeld voor 2027. De complete batterij met installatie kost €3.000. Na het verschuiven van direct verbruik blijft jaarlijks 1.000 kWh zonnestroom over die de batterij kan laden. Het rendement van laden en ontladen samen is 90 procent. Er komt dus 900 kWh terug naar de woning. We nemen 30 cent per kWh aan vermeden inkoop en 5 cent netto terugleveropbrengst. Dit zijn rekenaannames, geen offerte of voorspelling van toekomstige tarieven. De 900 kWh voorkomt €270 aan inkoop. Zonder batterij had de 1.000 kWh zonnestroom €50 opgeleverd. Daarmee resteert €220 voordeel. Trek €40 per jaar af voor aangenomen gebruiks- en onderhoudskosten en er blijft €180 netto kasbesparing over. De netto terugleverprijs bevat in dit voorbeeld al de aan die stroom toegerekende terugleverkosten. Die nogmaals als extra besparing opvoeren zou dubbel tellen. Bij een echt contract kan de kostenstructuur anders zijn. Als terugleverkosten in staffels worden berekend, levert een kleine vermindering van teruglevering soms niets op en het passeren van een grens juist wel. De juiste vergelijking gebruikt daarom de complete jaarrekening met en zonder batterij. Alleen de hoogste en laagste stroomprijs naast elkaar zetten is onvoldoende. Na drie jaar is de investering in deze scenario’s nog niet terug Hoe gevoelig is de uitkomst voor het werkelijke gebruik? Met dezelfde aankoopprijs en tarieven laten we de batterij in het eerste jaar 500, 1.000 of 1.500 kWh zonnestroom opnemen. Dat levert achtereenvolgens €70, €180 en €290 netto besparing op. Het zijn drie gebruiksscenario’s voor dezelfde investering, geen voorspellingen voor drie specifieke producten. Voor 2028 en 2029 nemen we aan dat de jaarlijks bruikbaar te verschuiven hoeveelheid met 2 procent afneemt door veroudering. De feitelijke slijtage verschilt per systeem en gebruik; hier is het een vaste modelaanname. Tarieven, efficiëntie en jaarlijkse kosten blijven gelijk. De jaarbesparing wordt berekend als de geladen zonnestroom maal 22 cent, min €40. Die 22 cent komt uit 90 procent maal 30 cent vermeden inkoop, min 5 cent misgelopen terugleveropbrengst. In het middenscenario komt de kasbesparing zo uit op €180 in 2027, €175,60 in 2028 en €171,29 in 2029. Samen is dat €526,89. Tegenover de uitgave van €3.000 resteert na drie jaar €2.473,11 die nog niet is terugverdiend. In het lage en hoge scenario resteert respectievelijk €2.796,56 en €2.149,67. De batterij kan daarna verder besparen, mits hij blijft werken en het gebruik past. Draai de berekening vervolgens om. Om de aangenomen €3.000 binnen tien jaar terug te verdienen, moet de accu in dit model in het eerste jaar ongeveer 1.690 kWh zonnestroom opnemen en later voor de woning beschikbaar maken, rekening houdend met het verlies. Dat is gemiddeld zo’n 4,6 kWh geladen stroom per dag. Dat gemiddelde is geen bewijs dat het haalbaar is: op winterdagen kan voldoende zonnestroom ontbreken en op zomerdagen de vraag. De berekening telt geen financieringskosten, vervanging, restwaarde of handelsinkomsten mee. Ook kent zij geen rentevergoeding op het geïnvesteerde geld. Een systeem dat na tien jaar precies is terugverdiend, heeft daarmee nog geen aantrekkelijk rendement bewezen. Voor een offerte is de nuttige vervolgvraag hoeveel van die benodigde energie met het eigen verbruiksprofiel werkelijk verschoven kan worden. Een kleinere of goedkopere batterij kan beter bij de woning passen Dat de uitkomst sterk verschilt, blijkt ook uit praktijkonderzoek van CE Delft voor Vereniging Eigen Huis, gepubliceerd in februari 2026. Het onderzoek gebruikte twaalf maanden gegevens van dertien huishoudens. In één representatieve proef steeg het eigen gebruik van zonnestroom met een batterij van 5 kWh van 35 naar 68 procent. Twee proefopstellingen voor zelfverbruik kwamen op terugverdientijden van 6,5 tot 22 jaar. Dat is geen gemiddelde voor de hele markt, maar het laat zien hoeveel woning en contract uitmaken. Een goedkopere batterij kan financieel beter uitpakken, zolang er genoeg bruikbare capaciteit en vermogen overblijft. De Consumentenbond onderzocht zeven stekkerbatterijen en wijst op verschillen tussen opgegeven en daadwerkelijk bruikbare capaciteit. Ook efficiëntie en prestaties bij lagere temperatuur tellen mee. Alleen de aanschafprijs delen door het aantal kWh op de doos kan daardoor een verkeerde vergelijking opleveren. Het omgekeerde geldt ook. Een grotere accu kan bij een woning met veel dagelijks overschot en later verbruik wel degelijk passen. Vraag dan om een berekening die laat zien wat de extra capaciteit bovenop het kleinere systeem oplevert. Als de duurdere uitvoering vooral meer zomerse pieken opvangt die later niet nodig zijn, groeit de investering sneller dan de besparing. Vraag ook welke functies zonder betaald abonnement blijven werken en wie garantie en ondersteuning levert. Subsidie helpt alleen als het aanbod zonder haast is doorgerekend De belangstelling voor ondersteuning is groot. Flevoland stelde vanaf 1 oktober ruim €400.000 aan resterend budget beschikbaar voor een nieuwe aanvraagronde. Inmiddels meldt de provincie dat het maximale aantal aanvragen voor 2026 is bereikt. Begin 2027 volgt volgens de provincie een nieuwe mogelijkheid. Een bericht over een open subsidiepot is dus geen bewijs dat er op het moment van bestellen nog geld beschikbaar is. Subsidie verlaagt de investering, maar vergroot het avondverbruik niet. Een aanbod dat alleen aantrekkelijk lijkt met een nog niet toegekende bijdrage verdient daarom twee berekeningen: met en zonder die bijdrage. Hetzelfde geldt voor beloofde handelsopbrengsten. De capaciteit die op een bepaald moment voor handel wordt ingezet, kan niet tegelijk onbeperkt voor het eigen huishouden worden gebruikt. Bovendien is handelen niet automatisch gunstig voor de lokale stroomkabel. Netbeheer Nederland maakt onderscheid tussen passend opslaan van eigen zonnestroom en aansturing op marktprijzen, die lokale pieken soms juist kan vergroten. Voor een huishouden telt dus niet alleen hoeveel een app verdient, maar ook onder welke voorwaarden het systeem mag laden en ontladen. De bijna verviervoudiging van registraties maakt opslag een interessante markt voor installateurs, fabrikanten en dienstverleners. Voor beleggers is de vervolgvraag wie aan die groei voldoende verdient nadat installatie, ondersteuning en garantie zijn betaald. Voor huishoudens begint de beslissing een stap eerder: hoeveel stroom kan deze specifieke batterij extra benutten, welke kosten staan daartegenover en hoe verandert de uitkomst als het gebruik tegenvalt? Een offerte die dat overtuigend laat zien, zegt meer dan het landelijke aantal batterijen.
- Bespaart je elektrische auto straks geld na het salderen?
Robin Berg van We Drive Solar (links) bij de presentatie van Utrecht Energized, met Eva Oosters, Anouk Poelmann, Jérôme Faton en Laurens van de Vijver. Archieffoto van 4 juni 2025: Renault Group / We Drive Solar, persbeeld. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Per 1 januari 2027 stopt salderen en wordt het belangrijker om zonnestroom op het juiste moment te gebruiken. Een elektrische auto kan daarbij helpen, maar stroom terugleveren is nog geen gegarandeerd verdienmodel. Robin Berg van We Drive Solar verwacht dat een oplossing voor dubbele energiebelasting dit jaar niet meer komt. Voor huishoudens telt vooral wat bidirectioneel laden extra oplevert bovenop gewoon slim laden, nadat alle kosten zijn betaald. Over minder dan drie maanden verandert de rekening voor Nederlandse huishoudens met zonnepanelen. Stroom die overdag het net op gaat, kan vanaf januari niet meer worden weggestreept tegen stroom die ’s avonds wordt gekocht. De accu van een elektrische auto lijkt een logische oplossing: overdag laden, later gebruiken of verkopen. Alleen zitten er tussen een technisch werkende accu en een aantrekkelijke investering nog belastingregels, contracten en kosten. ‘De belangrijkste stap is nu het oplossen van die dubbele energiebelasting’, zegt Robin Berg, oprichter van We Drive Solar, in het interview dat EW op 4 oktober publiceerde. Hij verwacht een oplossing eerder bij de voorjaarsbegroting dan vóór eind december. Dat is zijn verwachting, geen vastgestelde invoeringsdatum. De financiële vraag voor een huishouden is intussen heel concreet: hoeveel blijft er werkelijk over? Lees het interview in EW. Direct naar een onderdeel van dit artikel De waarde van zonnestroom hangt straks sterker af van het moment Niet iedere batterij krijgt met dubbele belasting te maken Van tien cent prijsverschil blijft niet vanzelf tien cent winst over De juiste vergelijking begint bij slim laden Een groot accupakket is nog geen beschikbaar vermogen voor de buurt Drie opbrengsten laten zien hoeveel de aannames uitmaken De overheid moet een bruikbare markt mogelijk maken De waarde van zonnestroom hangt straks sterker af van het moment Volgens de Rijksoverheid vervalt de salderingsregeling op 1 januari 2027. Terugleveren blijft mogelijk en krijgt een vergoeding. Tot 2030 moet die minimaal 50 procent van het kale leveringstarief bedragen, dus zonder belastingen. Dat betekent niet dat een huishouden de helft van zijn volledige stroomprijs terugkrijgt. Ook eventuele terugleverkosten moeten apart worden meegenomen. De nieuwe regels staan hier. Neem een eenvoudig rekenvoorbeeld met aangenomen contractprijzen. Een huishouden betaalt 30 cent per kWh voor afgenomen stroom en houdt netto 5 cent over aan een teruggeleverde kWh. Wie één kWh zonnestroom rechtstreeks zelf gebruikt, vermijdt 30 cent aan inkoop, maar ziet af van 5 cent aan opbrengst. Het extra voordeel tegenover terugleveren is dan 25 cent. Dat prijsverschil maakt het aantrekkelijker om verbruik te verschuiven. Via een accu komt er verlies bij. Bij een aangenomen rendement van 90 procent levert één opgeslagen kWh later 0,9 kWh bruikbare stroom op. Die voorkomt 27 cent aan inkoop. Trek daar de misgelopen 5 cent aan terugleveropbrengst vanaf en er resteert 22 cent, vóór slijtage en andere kosten. De zonnestroom is dus niet economisch gratis omdat hij van het eigen dak komt. Deze visualisatie laat zien waarom dezelfde zonnestroom op verschillende manieren een andere waarde krijgt. Niet iedere batterij krijgt met dubbele belasting te maken Bidirectioneel laden betekent dat een auto zowel stroom kan opnemen als afgeven. Bij vehicle-to-home, V2H, gaat die stroom naar de woning. Bij vehicle-to-grid, V2G, gaat hij terug naar het openbare net. Een auto die alleen een apparaat via een stopcontact kan voeden, biedt daarmee nog niet automatisch deze mogelijkheden. De juiste auto, installatie en aansturing moeten samen geschikt zijn. Het kabinet maakt in de antwoorden van 23 september onderscheid tussen verschillende stroomroutes. Eigen zonnestroom opslaan en daarna zelf gebruiken leidt niet tot energiebelasting over die stroom. Netstroom inkopen, opslaan en vervolgens zelf gebruiken betekent één belast afnamemoment. Het dubbele effect kan ontstaan wanneer eerder ingekochte netstroom na opslag wordt teruggeleverd en later opnieuw van het net wordt afgenomen. Lees de Kamerantwoorden. Dat onderscheid is belangrijk voor de keuze van een systeem. Een huishouden dat vooral zijn eigen zonnestroom wil bewaren, heeft een andere rekensom dan iemand die op prijsverschillen wil handelen. Een algemene uitspraak dat iedere thuisbatterij of elektrische auto twee keer wordt belast, helpt de lezer daarom niet. Eerst moet duidelijk zijn welke stroom waar vandaan komt en waar hij naartoe gaat. De routes hieronder maken zichtbaar waar belasting kan ontstaan. Terugleveren zelf is niet het tweede belastbare afnamemoment. Van tien cent prijsverschil blijft niet vanzelf tien cent winst over Berg rekent in het EW-interview normaal met ongeveer 10 cent verschil tussen goedkope en dure stroom. Als daar bijna 9 cent energiebelasting vanaf gaat, blijft volgens hem weinig over. Die bedragen beschrijven zijn rekensom. Het is geen universeel nettotarief voor iedere aansluiting en evenmin een door ons vastgesteld belastingtarief voor 2027. Ook zonder belastingprobleem is een prijsverschil geen winst. Voor elke kWh die de auto later afgeeft, moet eerder meer dan één kWh worden geladen als er omzettingsverlies is. Daarnaast kunnen een aanbieder, energieleverancier en laadinstallatie kosten veroorzaken. De accu wordt gebruikt en is op dat moment mogelijk niet beschikbaar om mee te rijden. Het is daarom onvoldoende om de laagste en hoogste uurprijs naast elkaar te zetten. De auto moet juist op die momenten aangesloten zijn. Er moet ruimte in de accu zitten wanneer stroom goedkoop is, terwijl er na het terugleveren genoeg bereik overblijft. Een fraaie dagopbrengst zegt weinig over een jaar waarin veel dagen minder gunstig uitpakken. En de markt verandert mee. Als steeds meer accu’s op goedkope uren laden en op dure uren ontladen, kan dat prijsverschillen verkleinen. Een rekensom die jarenlang dezelfde uitzonderlijk grote prijsverschillen veronderstelt, vraagt dus om een sterke onderbouwing. De techniek kan nuttiger worden voor het energiesysteem terwijl de handelsopbrengst per accu juist daalt. De juiste vergelijking begint bij slim laden Een auto alleen op goedkope uren opladen kan al geld besparen. Daarvoor hoeft hij geen stroom terug te leveren. De economische waarde van een bidirectioneel systeem is daarom het extra voordeel bovenop dat alternatief. Wie alle besparingen van slim laden aan V2G toeschrijft, laat de duurdere installatie aantrekkelijker lijken dan hij werkelijk is. In de Kamerantwoorden staat een illustratief verschil. De vaak genoemde €900 tot €1.050 per jaar betreft maximale besparingsmogelijkheden uit onderzoek van Revnext. Voor een huishouden met zonnepanelen, een middelgrote elektrische auto, 15.000 kilometer per jaar en twee thuiswerkdagen noemt het kabinet ongeveer €61 extra per jaar bovenop slim laden. Dat is één scenario, geen gemiddelde voor iedere automobilist. Stel dat de extra investering voor terugleveren €2.500 bedraagt. Dat is hier een gekozen rekenbedrag, geen offerte of actuele marktprijs. Bij €61 extra per jaar duurt eenvoudig terugverdienen ongeveer 41 jaar. Daarbij zijn rente en eventuele vervanging nog buiten beschouwing gelaten. Zo’n installatie wordt niet vanzelf rendabel omdat de totale energierekening door andere maatregelen ook daalt. Draai de som om. Wie €2.500 extra uitgeeft en dat binnen acht jaar wil terugverdienen, heeft gemiddeld €312,50 per jaar aan extra netto voordeel nodig. Dat moet overblijven na energieverlies, teruglever- en dienstverleningskosten en een reservering voor extra slijtage. De volgende module laat zien welke jaarlijkse opbrengst een gekozen investering moet dragen. Een groot accupakket is nog geen beschikbaar vermogen voor de buurt Er is wel degelijk een praktische toepassing. Stedin meldde op 16 juni 2026 een flexibel capaciteitscontract met We Drive Solar. In de regio Utrecht waren volgens de netbeheerder toen ongeveer 500 bidirectionele voertuigen actief, samen goed voor enkele megawatts flexibel vermogen. De waarde zit in het kunnen helpen op de juiste plaats en het juiste moment. Stedin beschrijft het contract hier. Een batterij met veel opgeslagen energie lost niet automatisch een lokaal overbelaste kabel op. Daarvoor moet de auto achter het relevante knelpunt aangesloten zijn en op de gevraagde momenten laden of ontladen. Handelen op landelijke stroomprijzen en een lokale netbeheerder helpen zijn bovendien verschillende diensten. Hun belangen kunnen samenvallen, maar dat is geen natuurwet. Daarmee ontstaat ook een ondernemingsvraag. Wie bundelt de auto’s, garandeert de beschikbaarheid en verdeelt de opbrengst? Een contract voor netondersteuning kan het verdienmodel aanvullen, maar dezelfde accucapaciteit kan niet onbeperkt tegelijk voor autorijden, huishoudelijk gebruik en verschillende stroomdiensten worden verkocht. Vergoedingen optellen zonder die beperkingen mee te rekenen levert een te rooskleurige uitkomst op. Het verschil tussen een energieprijs en de uiteindelijke rekening speelt ook bij brandstof. In ons eerdere artikel over olie en benzine ontleden we hoe belastingen, verwerking en andere kosten tussen grondstof en consument komen te staan. Diezelfde discipline is nodig bij de beloofde opbrengst van een autoaccu. Lees de analyse van de pompprijs. Drie opbrengsten laten zien hoeveel de aannames uitmaken Voor een vergelijking over 2027, 2028 en 2029 nemen we opnieuw €2.500 aan extra startinvestering. De jaarlijkse extra netto kasbesparing zetten we in drie rekenscenario’s op €100, €300 en €600. Die bedragen zijn aannames, geen voorspellingen of offertes. Ze moeten al ná gebruikskosten en een reservering voor slijtage overblijven, maar vóór financieringskosten. Na drie jaar is dan respectievelijk €300, €900 of €1.800 terugverdiend. Tegenover de oorspronkelijke uitgave staat nog een tekort van €2.200, €1.600 of €700. De installatie kan daarna verder besparen, maar alleen als hij bruikbaar blijft en de aangenomen opbrengsten daadwerkelijk worden gehaald. Een eventuele restwaarde is hier niet meegeteld. De grafiek toont voor ieder jaar hoeveel van de investering nog niet is terugverdiend. Met de scenarioselectie verandert ook de toelichting, zodat zichtbaar blijft welke aanname het verschil veroorzaakt. De overheid moet een bruikbare markt mogelijk maken Een overheid die flexibiliteit wil stimuleren, heeft reden om een onbedoelde dubbele heffing aan te pakken. In juni vroegen Kamerleden Van den Berg en Boomsma al om een uitvoerbare regeling of voorkeursvariant bij het Belastingplan 2027. Dat verzoek maakt tegelijk duidelijk dat fiscale techniek onderdeel is van de energietransitie. De motie benoemt ook uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Eenvoudige regels kunnen hier meer betekenen dan een nieuwe subsidiepot. Een leverancier kan geen betrouwbare terugverdientijd aanbieden als de belastingbehandeling onzeker blijft. Tegelijk moet een uitzondering controleerbaar zijn: stroom kan afkomstig zijn van zonnepanelen of het net en later worden gebruikt voor rijden, de woning of teruglevering. Een ingewikkelde administratie kan een deel van het financiële voordeel weer opeten. Ook de technische keuze verdient aandacht. Renault beschreef bij de particuliere introductie van Power V2G op 20 mei een combinatie van een geschikte auto, een specifiek laadpunt en een passend dynamisch energiecontract. Bij de introductie hoorde daar Hegg Energy bij. Dat is geen bewijs dat iedere elektrische auto met iedere laadpaal en leverancier kan terugleveren. Controle van de exacte uitvoering en actuele voorwaarden blijft nodig. Dit waren de voorwaarden bij de introductie. Voor ondernemers ligt de kans in systemen die klanten daadwerkelijk kunnen gebruiken en die na installatie ondersteund blijven. Voor huishoudens telt de extra netto besparing tegenover het goedkoopste passende alternatief. Voor beleggers is een groeiende markt voor flexibiliteit pas waardevol wanneer bedrijven daar herhaalbare omzet en winst aan overhouden. Meer geschikte auto’s alleen bewijst dat nog niet. Berg heeft daarmee een terecht punt: belastingregels kunnen nuttige investeringen afremmen. Maar het oplossen van die regels maakt niet iedere laadpaal een goede aankoop. Een overtuigend aanbod laat zien hoeveel er extra wordt verdiend, welke kosten daarvan afgaan en wat er gebeurt bij minder gunstige stroomprijzen. Wie dat kan aantonen, heeft een sterker verhaal dan iemand die alleen de grootste besparing op de brochure zet.
- Wall Street betaalt bijna de prijs van de internetzeepbel
In het kort Wall Street betaalt opnieuw een prijs voor aandelen die historisch uitzonderlijk hoog is. De Shiller-ratio stond op 2 oktober op 41,38, dicht bij het niveau van de internetzeepbel. Als beleggers minder willen betalen voor dezelfde onderliggende winst, kan een fors deel van de beurswaarde verdwijnen. Dat risico is serieus, maar de populaire bewering dat zes historische signalen een nieuwe crash onvermijdelijk maken, houdt bij nader onderzoek geen stand. Een beurs hoeft niet eerst door een recessie te worden getroffen om hard te dalen. Soms is het genoeg dat beleggers hun verwachtingen een maatje kleiner maken. Een uitstekend bedrijf kan dan goede resultaten publiceren en toch een slechte belegging blijken, omdat de koper vooraf al voor een bijna perfecte toekomst betaalde. Precies dat maakt de huidige waardering ongemakkelijk. Volgens de dagelijkse berekening van Multpl stond de Shiller-ratio bij het Amerikaanse slot van vrijdag 2 oktober 2026 op 41,38. Dezelfde bron vermeldt een historisch gemiddelde van 17,42 en een maandrecord van 44,19 in december 1999. Een actuele dagschatting en een historisch maandcijfer zijn niet precies dezelfde meetmomenten, maar het verschil in orde van grootte tegenover het langjarige gemiddelde is onmiskenbaar. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een prijskaartje dat nauwelijks ruimte laat voor fouten De zes historische alarmsignalen blijken geen natuurwet Een kwart van het vermogen weg zonder dat de winst daalt Hoe hard moeten winsten groeien om de koers te redden Drie mogelijke routes voor 2027 tot en met 2029 Het gevaar zit in de prijs die voor vooruitgang wordt betaald Een prijskaartje dat nauwelijks ruimte laat voor fouten De Shiller ratio, ook CAPE genoemd, deelt de aandelenkoers door de gemiddelde winst over de voorafgaande tien jaar, gecorrigeerd voor inflatie. Economen Robert Shiller en John Campbell ontwikkelden deze maatstaf om door tijdelijke winstpieken en recessies heen te kijken. De toelichting bij Shillers oorspronkelijke gegevens beschrijft zowel die lange reeks als de gebruikte koers-, winst- en inflatiecijfers. Een CAPE van veertig betekent dat beleggers veertig keer die afgevlakte jaarwinst betalen. Dat is iets anders dan veertig keer de laatst gerapporteerde jaarwinst, en ook iets anders dan veertig keer de winst die analisten volgend jaar verwachten. In een markt met snel stijgende winsten kan de gewone koers-winstverhouding veel lager uitvallen. Wie deze drie getallen door elkaar haalt, kan dezelfde beurs tegelijk goedkoop en extreem duur laten lijken. Het gevaar ontstaat wanneer twee verwachtingen tegelijk moeten uitkomen. Bedrijven moeten veel meer verdienen én beleggers moeten bereid blijven daar een royaal prijskaartje aan te hangen. Zolang beide meewerken, lijken hoge waarderingen zichzelf te bewijzen. Zodra één tegenvalt, verdwijnt die vanzelfsprekendheid. De economie hoeft daarvoor niet in te storten. De zes historische alarmsignalen blijken geen natuurwet De rondgaande waarschuwing luidt dat de CAPE slechts zes keer minstens twee maanden boven dertig bleef en dat de eerdere vijf periodes allemaal eindigden in een zware beursdaling. Dat klinkt bijna als een natuurwet. Alleen zit er veel vrijheid in de manier waarop zulke periodes worden afgebakend. Een letterlijke telling in de oorspronkelijke maandreeks van Shiller levert acht aaneengesloten reeksen op, inclusief de lopende. De zes bekende periodes beginnen in 1929, 1997, 2017, 2019, 2020 en november 2023. Maar ook november 2001 tot en met januari 2002 en juli tot en met augustus 2023 voldoen aan de regel van minstens twee opeenvolgende maanden boven dertig. Losse maanden boven de grens tellen hierbij niet mee. Die extra reeksen maken de markt niet goedkoper. Ze maken wel duidelijk dat het getal zes geen objectief aftellende klok is. Wie korte onderbrekingen samenvoegt tot één brede beurscyclus, kan een andere telling krijgen. Daar hoort dan een vaste regel bij. De geraadpleegde download loopt tot september 2026; de septemberkoers is daarin nog de slotstand van 1 september en enkele inflatiegegevens zijn geschat. Voor de recentere stand gebruiken we daarom de afzonderlijk gedateerde dagschatting. Ook het moment van instappen maakt veel uit. In juni 1997 bedroeg de maandgemiddelde koers van de Amerikaanse aandelenreeks 876,29. In maart 2000 was dat 1.442,21. Dat is 64,6 procent hoger, berekend als 1.442,21 gedeeld door 876,29, min één. Deze nominale koersvergelijking bevat geen dividend en gebruikt maandgemiddelden, geen dagelijkse top- en bodemkoersen. Wie bij het eerste alarm verkocht, miste dus eerst een grote stijging. Daar komt bij dat de beroemdste crashcijfers verschillende indices en tijdvakken combineren. Een verlies van de Dow tijdens de Grote Depressie is niet hetzelfde als een verlies van de Nasdaq na de internetzeepbel. En een pandemie ontstaat niet doordat een waarderingsratio dertig passeert. Hoge prijzen kunnen een schok versterken; ze vertellen niet welke schok morgen komt. Een kwart van het vermogen weg zonder dat de winst daalt De kwetsbaarheid is zonder crashvoorspelling al groot genoeg. Neem een afgerond rekenvoorbeeld met een CAPE van veertig en een onveranderde gemiddelde reële winst. Als de markt uiteindelijk dertig keer die winst wil betalen, wordt de nieuwe koers 30 gedeeld door 40, oftewel 75 procent van de oude koers. Het koersverlies is dan 25 procent, terwijl de winstbasis niet is verslechterd. Een fictieve aandelenportefeuille van €100.000 zou daarmee naar €75.000 zakken. Om daarna weer €100.000 te bereiken is €25.000 herstel op een kleinere basis nodig: €25.000 gedeeld door €75.000 is 33,3 procent. Verlies en herstel zijn dus niet elkaars spiegelbeeld. Bij een halvering is zelfs een verdubbeling nodig om terug te komen. Dit is een eenmalige waarderingsschok, geen jaarlijks of maandelijks verwacht rendement. De bedragen zijn bruto koerswaarden, vóór kosten en belasting en zonder dividend; de wisselkoers en het prijspeil blijven in het voorbeeld gelijk. Bij een portefeuille met 60 procent aandelen en 40 procent onveranderd spaargeld kost dezelfde aandelendaling €15.000 in plaats van €25.000. De kleinere klap heeft een tegenprijs: dat spaargeld profiteert ook niet van een verdere aandelenrally. Voor iemand die binnenkort geld moet opnemen, weegt dit risico zwaarder dan voor een belegger die nog twintig jaar blijft inleggen. De eerste kan gedwongen worden juist op een slecht moment te verkopen. De tweede kan met nieuwe inleg meer aandelen kopen wanneer de prijzen dalen, mits inkomen en financiële buffer dat toelaten. Een Europese belegger in Amerikaanse aandelen heeft daarnaast valutarisico: een zwakkere dollar kan het resultaat in euro extra drukken, een sterkere dollar kan het dempen. Hoe hard moeten winsten groeien om de koers te redden De omgekeerde vraag is interessanter dan alleen vragen hoeveel de beurs kan verliezen. Hoeveel moeten bedrijven verdienen om een hoge koers alsnog betaalbaar te maken? Bij een gelijkblijvende reële koers moet de tienjaarsgemiddelde winst met 33,3 procent stijgen om een CAPE van veertig naar dertig te brengen. De verhouding is 40 gedeeld door 30. Dat betekent niet dat één jaar met 33,3 procent winstgroei het probleem oplost. De ratio bevat tien jaar geschiedenis. Nieuwe winsten schuiven maar geleidelijk naar binnen, terwijl oude jaren uit het gemiddelde verdwijnen. Daardoor werkt een winstexplosie in het komende kwartaal slechts beperkt door in deze specifieke maatstaf. Een vereenvoudigd voorbeeld maakt die vertraging zichtbaar. Veronderstel dat ieder van de afgelopen tien jaren een reële winst van honderd rekeneenheden opleverde. Bij CAPE veertig hoort dan een koers van 4.000 rekeneenheden. Om die koers na drie jaar te combineren met CAPE dertig is een gemiddelde winst van 133,33 nodig. Zeven oude jaren leveren samen 700; de drie nieuwe jaren moeten samen 633,33 opleveren: tien maal 133,33 min 700. Dat vraagt in elk nieuw jaar gemiddeld 211,11 rekeneenheden, ruim 111 procent boven het oude niveau. Dit is geen voorspelling en geen vereiste jaarlijkse groeivoet. Het is het constante winstniveau dat drie vervangende jaren in dit eenvoudige model nodig hebben. In werkelijkheid verschillen oude jaarwinsten sterk en kunnen juist zwakke jaren uit de reeks verdwijnen. De les blijft dat een traag winstgemiddelde niet onmiddellijk wordt ingehaald door goed nieuws. Drie mogelijke routes voor 2027 tot en met 2029 Om de ruimte tussen paniek en euforie te laten zien, gebruiken we dezelfde fictieve winstgeschiedenis met tien jaren van honderd. De startkoers krijgt indexwaarde honderd en de start-CAPE is afgerond veertig. We plaatsen die modelbasis aan het einde van 2026 en rekenen de kalenderjaren 2027, 2028 en 2029 door. Peildatum is 4 oktober 2026; het model veronderstelt geen extra beweging in de resterende maanden van 2026. De formule is ieder jaar dezelfde: koersindex = nieuw tienjaarsgemiddelde van de reële winst × CAPE, gedeeld door veertig. In het basisscenario groeien de nieuwe jaarwinsten jaarlijks met tien procent: 110, 121 en 133,1. De CAPE daalt naar respectievelijk 38, 35 en 32. Dat geeft koersindices van 96,0, 90,2 en 85,1. Zelfs met groei eindigt de belegger na drie jaar met ongeveer 14,9 procent minder reële koerswaarde. In het zwakke scenario blijft de jaarlijkse reële winst honderd en zakt de CAPE naar 32, 28 en 25. De koersindex wordt dan 80, 70 en 62,5. Het totale koersverlies bedraagt 37,5 procent. Dit pad veronderstelt geen instorting van de winst: alleen dat beleggers hun bereidheid om een hoge prijs te betalen flink terugschroeven. In het sterke scenario groeien de jaarwinsten jaarlijks met twintig procent, terwijl de CAPE veertig blijft. De koersindex loopt dan op naar 102,0, 106,4 en 113,7. De reële koerswinst over drie jaar is 13,7 procent. Een blijvend hoge waardering kan dus samengaan met verder oplopende koersen, als de onderliggende verdiensten voldoende groeien. Deze scenario’s hebben geen toegekende kansen en zijn geen S&P 500-koersdoelen. Ze isoleren de werking van een tienjaarsgemiddelde en een veranderend prijskaartje. Dividend, kosten, belasting en valuta ontbreken; alle winsten en koerswaarden zijn in constante koopkracht. Het gaat om bruto reële koersverandering over drie jaar, niet om het netto totaalrendement van een fonds. De vereenvoudigde winstgeschiedenis is de belangrijkste beperking. Het gevaar zit in de prijs die voor vooruitgang wordt betaald Het sterkste argument van optimisten verdient serieus gewicht. Winstgevende technologiebedrijven kunnen productiever worden, nieuwe markten openen en meer geld verdienen. De Amerikaanse beurs van vandaag heeft een andere samenstelling dan die van 1929. In een analyse van 22 oktober 2025 benadrukt Vanguard dat sterke bedrijfswinsten hoge waarderingen gedeeltelijk kunnen verklaren, maar dat zulke waarderingen de markt ook gevoeliger maken voor teleurstellingen. Vanguard noemt waardering nadrukkelijk geen instrument om het volgende omslagpunt te timen. Ook de maatstaf zelf is niet perfect. Shiller licht op zijn datasite toe dat veranderend uitkeringsbeleid, met meer aandeleninkoop in plaats van dividend, de groei van de winst per aandeel en daarmee de CAPE kan beïnvloeden. Daarom bestaat ook een aangepaste total-returnvariant. Het gemiddelde uit anderhalve eeuw is dus geen wettelijk maximum waar iedere moderne beurs verplicht naar terug moet. Dat neemt de rekening voor de koper niet weg. Wie tegen een hoge prijs koopt, profiteert alleen voldoende van vooruitgang als de winstgroei die prijs rechtvaardigt. Ondernemerschap kan uitstekend floreren terwijl aandeelhouders een mager rendement behalen. Het succes van een technologie en het rendement op een duur gekocht aandeel zijn verschillende zaken. Lees ook: De beurs staat hoog, het vertrouwen ligt op de grond en waarom Box 3 het erger kan maken. Ons oordeel is dat deze beurs weinig ruimte laat voor gemakzucht. Een CAPE boven veertig is een reden om de prijs, spreiding en benodigde opnames scherp te beoordelen. Het is geen bewijs dat maandag de crash begint. Het bewijs dat deze waarschuwing zou afzwakken, is meerdere jaren sterke reële winstgroei én een dalende waardering zonder zware koersschade. Blijft vooral de prijs stijgen terwijl de winstverwachtingen teruglopen, dan wordt de rekening juist gevaarlijker.
- ServiceNow Otto moet de stap van antwoord naar uitvoering bewijzen
In het kort ServiceNow wil met Otto een AI-assistent bouwen die niet alleen informatie opzoekt, maar ook werkzaamheden afhandelt. Dat kan waardevol zijn voor klanten, mits de uitvoering betrouwbaar is en voldoende tijd bespaart. De kwartaalcijfers tonen stevige groei, maar ook hogere kosten voor AI en aandelenbeloning. Bij $134,38 vraagt het aandeel daarom meer dan een overtuigende demonstratie: de commerciële opbrengst moet uiteindelijk per aandeel zichtbaar worden. Een medewerker vraagt om toegang tot software. Een chatbot kan uitleggen welk formulier daarvoor nodig is. Een nuttiger systeem regelt de aanvraag, controleert de rechten, vraagt toestemming aan de juiste manager en legt de beslissing vast. Precies op dat verschil richt ServiceNow zich met Otto. Dat klinkt als een logische volgende stap. Toch zit tussen een geslaagde demonstratie en een rendabele toepassing bij duizenden bedrijven veel werk. Oude computersystemen moeten meedoen, toegangsrechten moeten kloppen en iemand moet verantwoordelijk blijven wanneer de software een verkeerde handeling uitvoert. Daar liggen zowel de kans als de kosten voor ServiceNow. Direct naar een onderdeel van dit artikel Van antwoord naar afgerond werk Een grote voorsprong, maar geen vrijbrief De kwartaalcijfers laten beide kanten zien Wat blijft economisch over voor de aandeelhouder? Wat vraagt de huidige koers? Drie mogelijke paden tot eind 2029 Van antwoord naar afgerond werk ServiceNow introduceerde Otto op 5 mei 2026. Het bedrijf brengt daarmee onder meer Now Assist en de gebruikerservaring van Moveworks samen. De bedoeling is dat medewerkers via één ingang werk kunnen laten uitvoeren in verschillende bedrijfssystemen. Rechten, goedkeuringen en controleerbare vastlegging horen daarbij, niet pas achteraf. De economische waarde zit in afgeronde handelingen. Een korter antwoord is aardig; minder terugkerend werk kan een personeelsafdeling of IT-team werkelijk helpen. Stel dat een organisatie maandelijks 25.000 verzoeken afhandelt en AI daarvan 35% zelfstandig afrondt. Bij twaalf minuten besparing per verzoek gaat het om 1.750 uur per maand. Dat is een eigen rekenvoorbeeld, geen door ServiceNow aangetoond klantresultaat. Die uren zijn bovendien niet automatisch een kostenbesparing op de bankrekening. Medewerkers kunnen meer ander werk doen, een achterstand wegwerken of minder externe ondersteuning nodig hebben. Alleen als de organisatie die ruimte daadwerkelijk benut, ontstaat een voordeel dat een duurder softwarecontract kan rechtvaardigen. In de septemberinformatie over de Brazil Early Availability-release beschrijft ServiceNow verdere ondersteuning voor ontwikkelaars en het bouwen van toepassingen. De verschillende ontwikkelomgevingen worden dichter bij elkaar gebracht en AI kan helpen bij het maken en aanpassen van werkprocessen. Early Availability betekent dat een versie eerst beperkt beschikbaar komt; het is niet hetzelfde als brede ingebruikname door alle klanten. Dat onderscheid telt. Makkelijker software bouwen kan de implementatietijd verkorten, maar ook nieuwe controlewerkzaamheden opleveren. Een proces dat sneller wordt gemaakt, moet nog steeds veilig en juist werken. Het bewijs dat nu nodig is, bestaat uit kortere invoeringstrajecten, meer daadwerkelijke gebruikers en hogere contractverlengingen, bij voorkeur naast concrete klantresultaten. Een grote voorsprong, maar geen vrijbrief ServiceNow verkoopt voornamelijk abonnementen op software waarmee organisaties werkprocessen organiseren. Denk aan IT-storingen, personeelsaanvragen en klantservice. De aantrekkingskracht zit niet alleen in de losse toepassing, maar ook in de verbindingen tussen afdelingen en de gegevens over wat wanneer moet gebeuren. Een bedrijf dat zulke processen jarenlang heeft ingericht, stapt niet zomaar over. Een concurrent moet niet alleen betere antwoorden geven, maar ook alle verbindingen, rechten en uitzonderingen overnemen. Dat maakt bestaande klanten waardevol. Tegelijk bieden Microsoft, Salesforce en gespecialiseerde AI-bedrijven alternatieven. Een klant kan delen van het werk elders laten uitvoeren zonder zijn hele ServiceNow-omgeving te vervangen. In Rabi’s bespreking van de kwartaalcijfers van 22 juli staat de vraag centraal of de commerciële groei het vertrouwen in het platform ondersteunt. De productontwikkeling rond Otto maakt die vraag concreter: welke extra werkzaamheden willen klanten daadwerkelijk tegen betaling afnemen? Een tweede risico is dat AI het prijsmodel verandert. Wanneer minder medewerkers nodig zijn om een proces uit te voeren, kan een prijs per gebruiker onder druk komen. Betalen per afgeronde taak kan dat opvangen, maar brengt variabele gebruikskosten mee. Het bedrijf moet daarom niet alleen meer AI verkopen, maar ook zorgen dat de opbrengst sneller groeit dan de rekenkosten. De kwartaalcijfers laten beide kanten zien Bij de kwartaalcijfers van 22 juli rapporteerde ServiceNow $3,987 miljard omzet over het tweede kwartaal, 24% meer dan een jaar eerder. De abonnementsomzet bedroeg $3,877 miljard en groeide 24,5%. Zonder wisselkoerseffecten was die groei 23%. De kortlopende resterende contractverplichtingen, oftewel cRPO, kwamen uit op $13,2 miljard. Dat is de contractwaarde die naar verwachting binnen twaalf maanden als omzet wordt verantwoord. De groei bedroeg 21,5% bij constante valuta. Zo’n maatstaf geeft zicht op toekomstige omzet, maar is geen bedrag dat vandaag volledig als winst of kasgeld beschikbaar is. Bij de introductie van Otto meldde ServiceNow dat EmployeeWorks in de eerste maand zes overeenkomsten had gesloten met elk meer dan $1 miljoen nieuwe jaarlijkse contractwaarde. Dat is commercieel interessant, maar contractwaarde is nog geen erkende omzet. Omzet wordt toegerekend aan de periode waarin de dienstverlening plaatsvindt. Bij gefaseerde activering van nieuwe abonnementen kan het volledige jaarbedrag pas later zichtbaar worden. De omzetgroei van één kwartaal mag ook niet zomaar worden doorgetrokken. ServiceNow meldde dat bepaalde Amerikaanse overheidsverkopen van software voor eigen servers eerder vielen dan verwacht. De middenwaarde van de jaarverwachting voor abonnementsomzet ging slechts $15 miljoen omhoog, naar een bandbreedte van $15,760 tot $15,780 miljard. Aan de kostenkant daalde de aangepaste brutomarge op abonnementen van 83% naar 80,5%. De brutomarge is het deel van de omzet dat overblijft na de directe kosten van de dienstverlening. AI-infrastructuur en overnames spelen daarbij een rol. De gerapporteerde brutomarge bedroeg 73,5%; die ligt lager doordat de aangepaste maatstaf bepaalde kosten buiten beschouwing laat. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code GRAAG. Wat blijft economisch over voor de aandeelhouder? ServiceNow verwacht voor heel 2026 een aangepaste vrije-kasstroommarge van 35%. Vrije kasstroom is grofweg het geld uit de bedrijfsvoering na investeringen in vaste activa. Die 35% heeft betrekking op de totale omzet, niet uitsluitend op abonnementen. Het is bovendien een door het bedrijf aangepaste maatstaf. In het tweede kwartaal bedroeg de operationele kasstroom $587 miljoen. De aangepaste vrije kasstroom kwam op $634 miljoen uit, mede door een bijtelling van $161 miljoen voor kosten rond overnames. De bedragen zijn daardoor niet rechtstreeks uitwisselbaar. Ook de aandelenbeloning van $655 miljoen verdient aandacht: personeel ontvangt aandelen in plaats van alleen geld, waardoor een deel van de beloning niet als directe kasuitgave zichtbaar is. Voor de waardering gebruik ik hier eigenaarskasstroom: vrije kasstroom na een economische aftrek voor aandelenbeloning. Dat is een eigen rekenmaatstaf, geen door ServiceNow gerapporteerde winst. Het model houdt vervolgens het aantal aandelen constant op 1,04 miljard. Er volgt dus niet nóg een aftrek voor dezelfde verwatering of een extra kostenpost voor compenserende aandeleninkoop. Zo wordt de aandelenbeloning één keer verwerkt. Lees ook: Deze SaaS-bedrijven worden dood verklaard maar lijken springlevend. Daar wordt uitgelegd waarom bestaande werkprocessen en klantrelaties belangrijk blijven wanneer AI het softwaremodel verandert. Wat vraagt de huidige koers? Het gewone aandeel ServiceNow, ISIN US81762P1021, sloot op 2 oktober om 16.00 uur New Yorkse tijd op $134,38 op de NYSE. De koers is in Amerikaanse dollars en aangepast aan de aandelensplitsing van vijf voor één die in december 2025 inging. De gebruikte toekomstige aandelenbasis sluit daarop aan. Bij 27 keer eigenaarskasstroom en een gewenst jaarlijks koersrendement van 10% moet eind 2029 ongeveer $7,05 miljard eigenaarskasstroom beschikbaar zijn. De rekensom is $134,38 × 1,10 tot de macht 3,24 × 1,04 miljard aandelen, gedeeld door 27. Dividend speelt in deze berekening geen rol en kasmiddelen worden niet als aparte bonus opgeteld. Dat vereiste bedrag is stevig. Bij $26,8 miljard omzet zou daarvoor een eigenaarskasstroommarge van ruim 26% nodig zijn. Het middenscenario hieronder rekent met 22%, dus met ongeveer $5,90 miljard. Het verschil maakt duidelijk dat sterke omzetgroei op zichzelf onvoldoende is om elk gewenst rendement vanaf deze koers te dragen. Drie mogelijke paden tot eind 2029 De scenario’s gebruiken voor ieder kalenderjaar de totale omzet, een eigen eigenaarskasstroommarge en een waarderingsmultiple. De formule luidt: omzet × eigenaarskasstroommarge × multiple, gedeeld door 1,04 miljard aandelen. De marges zijn nadrukkelijk geen kopie van de aangepaste bedrijfsverwachting van 35%. In het bearscenario vertraagt de groei en blijven AI en uitvoering duur. Omzet van $16,5, $17,5 en $18,5 miljard, een marge van telkens 14% en multiples van 20, 18 en 16 leiden tot $44,42, $42,40 en $39,85 eind 2027, 2028 en 2029. Dat is een zware herwaardering, maar juist daarom relevant bij een aandeel waarvoor veel toekomstige groei wordt betaald. Het middenpad gebruikt omzet van $19,1, $22,7 en $26,8 miljard, marges van 18%, 20% en 22% en multiples van 29, 28 en 27. Dat geeft $95,87, $122,23 en $153,07. In het gunstige pad groeit de omzet naar $20, $24,8 en $31 miljard, met marges van 24%, 26% en 28%. Multiples van 34, 34 en 33 leveren $156,92, $210,80 en $275,42 op. De sterkste reden voor optimisme is dat ServiceNow al midden in de werkprocessen van grote organisaties zit. Betrouwbare AI kan die positie waardevoller maken. De stevigste tegenwerping is dat dezelfde klant meer automatisering krijgt zonder evenredig meer te betalen, terwijl ServiceNow wel meer rekencapaciteit en ondersteuning moet financieren. Bij de volgende cijfers verdienen daarom drie dingen samen aandacht: extra contractgroei, de marge op de dienstverlening en de economische kasstroom per aandeel. Otto hoeft geen perfecte demonstratie te geven. Het moet aantoonbaar genoeg nuttig werk afronden om ook een gezonde rekening achter te laten. Foto: Bill McDermott tijdens SapphireNow in 2010, toen hij bij SAP werkte. Tom Raftery, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0. Archiefbeeld.
- Vanguards dividend-ETF kiest anders dan de wereldindex
In het kort VHYL verzamelt wereldwijd aandelen met een bovengemiddeld dividendrendement. Daarmee koopt een belegger een andere combinatie van bedrijven, landen en groeiverwachtingen dan met een ongesorteerde wereldindex. De laatst gepubliceerde portefeuille telde 2.364 aandelen en had een koers-winstverhouding van 16,4. De uitkering is prettig voor wie inkomen zoekt, maar de belangrijkste beleggingskeuze zit in de ondernemingen die dat inkomen moeten blijven verdienen. Veel beleggers herkennen de grootste Amerikaanse technologiebedrijven moeiteloos. Bij een dividendfonds ziet de bovenkant van de portefeuille er anders uit. Banken, energiebedrijven en gevestigde zorgconcerns nemen daar een zichtbare plaats in. Dat is geen toevallig gevolg van de beursdag: het komt voort uit de manier waarop de index selecteert. VHYL probeert een breed dividendmandje te volgen, niet de volgende snelgroeiende winnaar te voorspellen. Dat kan juist aantrekkelijk zijn wanneer een portefeuille al zwaar op Amerikaanse groeiaandelen leunt. Het wordt minder aantrekkelijk wanneer de belegger denkt met het woord 'wereldwijd' automatisch dezelfde blootstelling te kopen als bij iedere andere wereld-ETF. Direct naar een onderdeel van dit artikel De exacte fondsvariant maakt verschil De selectie verandert de portefeuille al vóór de eerste uitkering Een hoog dividend kan zowel kracht als een waarschuwing zijn Het inkomen mag niet twee keer in het rendement terechtkomen De lagere waardering moet uit de onderliggende winst komen Drie uitkomsten voor koers en inkomen Een passend fonds vraagt vooral een passende verwachting De exacte fondsvariant maakt verschil Het gaat hier om de Vanguard FTSE All-World High Dividend Yield UCITS ETF, USD Distributing, ISIN IE00B8GKDB10. De gekozen beurslijn is VHYL op Euronext Amsterdam in euro's. Het fonds is in Ierland gevestigd, houdt daadwerkelijk aandelen aan en keert per kwartaal uit. De productpagina van Vanguard vermeldt lopende kosten van 0,29% per jaar. USD in de fondsnaam is de administratieve basisvaluta. Het betekent niet dat de Amsterdamse koers in dollars wordt afgerekend. Andersom maakt een aankoop in euro's de buitenlandse beleggingen niet valutavrij. De waarde van Amerikaanse, Japanse en Britse aandelen moet uiteindelijk naar euro's worden omgerekend. Het fonds volgt grote en middelgrote dividendbetalers uit ontwikkelde en opkomende markten; vastgoedtrusts zijn uitgesloten. Het is dus niet hetzelfde product als de bredere All-World, een S&P 500-tracker of een accumulerende variant die inkomsten intern herbelegt. De letters achter een fondsnaam lijken administratief, maar bepalen mede wat er op de rekening gebeurt. De selectie verandert de portefeuille al vóór de eerste uitkering Op 31 augustus 2026 bestond 40,08% van VHYL uit Amerikaanse aandelen. Japan woog 9,44% en het Verenigd Koninkrijk 6,88%. Tot de grootste posities behoorden JPMorgan, ExxonMobil en Johnson & Johnson. De grootste individuele positie woog ongeveer 2,13%. Dat is brede spreiding over ondernemingen, gecombineerd met een duidelijke voorkeur voor bestaande winst en uitkeringen. De fondsfactsheet van 31 augustus maakt die keuze tastbaar: financiële bedrijven wogen 30,4%, industrie 12,3%, gezondheidszorg 11,2% en energie 9,1%. Technologie woog slechts 6,4%. Een rentedaling kan bijvoorbeeld kredietverliezen beperken en de economie steunen, maar ook de rentemarge van banken raken. Een hogere olieprijs helpt producenten, terwijl zij voor veel andere ondernemingen juist extra kosten veroorzaakt. Waarom is dat relevant? Bedrijven die weinig dividend betalen, houden vaak meer geld binnen voor investeringen of aandeleninkoop. Een hoogdividendstrategie geeft die bedrijven minder ruimte. Zij kan daardoor achterblijven wanneer juist hun toekomstige groei steeds hoger wordt gewaardeerd. Omgekeerd kan zij profiteren wanneer beleggers weer meer betalen voor huidige winst, tastbare kasstromen en minder ambitieuze groeiverhalen. Veel aandelen betekent niet dat alle economische risico's verdwijnen. Banken kunnen tegelijk last krijgen van kredietverliezen. Energiebedrijven bewegen mee met grondstoffenprijzen. Gevestigde zorgbedrijven hebben patent- en prijsrisico's. Wanneer zulke sectoren in dezelfde economische richting bewegen, bieden honderden namen minder bescherming dan het aantal suggereert. Dat maakt VHYL een bewuste stijlkeuze. 'Stijl' betekent hier een voorkeur voor bepaalde kenmerken van bedrijven, zoals veel huidige winst of een hoge uitkering. Het is geen oordeel dat de ene groep bedrijven altijd beter is. Een portefeuille kan jarenlang achterblijven omdat de andere stijl populairder is, zonder dat het fonds zijn opdracht verkeerd uitvoert. Een hoog dividend kan zowel kracht als een waarschuwing zijn Dividendrendement is het uitgekeerde bedrag gedeeld door de aandelenkoers. Een bedrijf dat €4 betaalt bij een koers van €100 biedt 4%. Daalt de koers naar €60, dan springt dat rendement naar 6,7%, zolang de uitkering gelijk blijft. De onderneming heeft daarmee nog geen euro extra verdiend. Soms ziet de markt een dividendverlaging aankomen. Een hoog rendement kan dan juist het gevolg zijn van zorgen over de kasstroom. Een brede index beperkt de schade van één zo'n geval, maar een selectie op uitkeringen sluit dividendvallen niet volledig uit. Het fonds kan het risico spreiden; het kan niet garanderen dat alle bedrijven hun uitkering handhaven. Aan de andere kant dwingt een uitkering bedrijven ook om hun kapitaalgebruik te wegen. Geld dat naar aandeelhouders gaat, kan niet meer aan een slecht overnameplan worden besteed. Voor ondernemingen met volwassen activiteiten en beperkte investeringsbehoefte kan dat een verstandige keuze zijn. De vraag is of voldoende geld overblijft om de concurrentiepositie te onderhouden. Het inkomen mag niet twee keer in het rendement terechtkomen Een dividendbetaling verplaatst waarde van de belegging naar de belegger. Rond de ex-dividenddatum wordt dat in beginsel zichtbaar in een lagere koers. Daardoor is koersrendement iets anders dan totaalrendement. Dat laatste telt de ontvangen uitkering erbij, eventueel met het effect van herbeleggen. Bij €100 beginwaarde, 3% koerswinst en €3,50 bruto-uitkering is het brutototaalrendement zonder tussentijdse herbelegging 6,5%. Er komt geen extra bonus bovenop omdat dezelfde €3,50 ook 'dividendrendement' heet. Kosten en belastingen kunnen de uiteindelijke opbrengst verlagen. De module is een algemeen rekenvoorbeeld. De invoer voor inhouding is geen bewering dat een Nederlandse houder standaard precies dat percentage aan belasting betaalt. Belastingen binnen het fonds, eventuele inhoudingen bij uitkering en de persoonlijke fiscale positie zijn verschillende zaken. Een onderliggende dividendbelasting die al in de fondsopbrengst zit, mag niet nogmaals worden afgetrokken. Voor wie inkomen nodig heeft, is een periodieke uitkering praktisch. Voor wie alles toch meteen herbelegt, wegen transactiekosten en gemak mee. De eerdere uitleg over Vanguard VUSA bespreekt een andere uitkerende indexvariant. Het relevante verschil is niet alleen de uitkeringsvorm, maar vooral welke bedrijven en landen de index bevat. De lagere waardering moet uit de onderliggende winst komen Vanguard rapporteerde voor 31 augustus een portefeuillewaardering van 16,4 keer winst. Dat is een gewogen maatstaf voor de onderliggende aandelen, geen winst per ETF-stuk. Het cijfer is bovendien een gedateerde momentopname. Het is hier het waarderingsanker voor de scenario's, met expliciet de aanname dat de startmultiple op 2 oktober niet materieel is veranderd. Een nieuwe portefeuillepublicatie kan die aanname bijstellen. De Amsterdamse slotkoers van 2 oktober was €80,18; de aanvullende De Belegger-koersregistratie van 17.35 uur lokale tijd gaf dezelfde waarde. De koersscenario's beginnen daar. Zij zetten dus niet een dollar-NAV rechtstreeks naast een eurobeurskoers. De omgekeerde waarderingsvraag is hoeveel winstgroei nodig is om bijvoorbeeld 8% jaarlijks totaalrendement tot eind 2029 te halen. Bij een onveranderde multiple, gelijkblijvende valuta, 0,29% kosten en een jaarlijks netto herbelegd uitkeringsrendement van 3% vraagt dat ongeveer 5,2% winstgroei per jaar. Die 3% is een modelaanname over toekomstige netto-uitkeringen, geen toegezegd dividend. Daalt de eindmultiple naar veertien, dan is meer groei nodig om hetzelfde rendement te bereiken. Stijgt de euro tegenover de valuta van de portefeuille, dan wordt de lat eveneens hoger. Een lage startwaardering helpt, maar is geen losstaand rendement. De bedrijven moeten hun winst verdienen en de markt moet bereid blijven daar een bepaalde prijs voor te betalen. Drie uitkomsten voor koers en inkomen De koersformule gebruikt €80,18 maal de groei van de onderliggende winst, de verandering in waardering, een valuta-effect en de fondskosten. Het veronderstelde eindniveau van de koers-winstverhouding wordt geleidelijk bereikt. De berekening trekt dividend niet nogmaals van de winstgroei af: die groeivoet is al de eigen aanname voor winst per aandeel na het kapitaalbeleid van ondernemingen. In het bearpad groeit de winst 1% per jaar, daalt de eindmultiple naar veertien en kost valuta jaarlijks 2%. Dat geeft mogelijke koersen van €74,25, €69,78 en €65,59 eind 2027, 2028 en 2029. Het middenpad gebruikt 5,5% winstgroei, 16,4 keer winst en neutrale valuta: €85,38, €89,81 en €94,48. Bij 9% winstgroei, een multiple van achttien en 1% valutameewind ontstaat €93,27, €105,37 en €119,03. Dat zijn koersbedragen zonder ontvangen dividend. De jaarlijkse bruto-uitkeringsaannames zijn respectievelijk 3,8%, 3,5% en 3,2%. Voor een benadering met jaarlijkse herbelegging vermenigvuldigt men het koerspad met de bijbehorende uitkeringsfactor; belastingen moeten daar nog passend in worden verwerkt. Het koersrendement van het middenpad tot eind 2029 is ongeveer 5,2% per jaar. Met 3,5% bruto-herbelegging wordt dat rekenkundig ongeveer 8,9%, vóór persoonlijke belastingen en zonder extra handelskosten. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Lees ook: Nederland houdt 671 miljard euro liquide maar koopt nauwelijks aandelen, over het verschil tussen een noodzakelijke geldbuffer en vermogen voor de lange termijn. Een passend fonds vraagt vooral een passende verwachting VHYL kan nuttig zijn voor een belegger die brede aandelenspreiding wil combineren met inkomen en minder afhankelijkheid van de gebruikelijke groeifavorieten. Het is minder geschikt als vervanging van geld dat binnenkort beschikbaar moet zijn. De kwartaaluitkering verandert niets aan het risico dat de koers een flink deel van de inleg verliest. De belangrijkste keuze is daarom of deze verzameling ondernemingen past naast de rest van de portefeuille. Wie al veel banken, oliebedrijven en dividendfondsen bezit, koopt mogelijk meer overlap dan extra spreiding. Wie juist zwaar op groeiaandelen leunt, krijgt met VHYL een andere economische blootstelling. De waarde zit in die bewuste combinatie, niet in de gedachte dat uitgekeerd geld gratis rendement is. Foto: Bill Cramer / Wonderful Machine, John C. Bogle, oprichter van Vanguard, archief 2007. CC BY-SA 4.0, onbewerkt.
- Bij Pharming bepaalt de volgorde van de stappen de waarde
In het kort Pharming heeft meerdere kansen voor Joenja, maar ze bevinden zich niet in dezelfde fase. Een Amerikaanse aanvraag voor lagere kinderdoses krijgt een versnelde beoordeling, terwijl onderzoek naar bredere toepassingen nog veel minder ver is. Tegelijk moeten interim-CEO’s Leverne Marsh en Kenneth Lynard de commerciële uitvoering en financiering bewaken. Bij €0,8702 is vooral van belang welke inkomsten op tijd kunnen groeien om onderzoek, kosten en toekomstige schuldaflossing te dragen. Een geneesmiddel kan wetenschappelijk interessant zijn, een goedgekeurde toepassing hebben en toch moeite kosten om commercieel uit te rollen. Dat zijn verschillende problemen. Bij Pharming lopen ze momenteel door elkaar: nieuwe doses voor een bestaande ziekte, onderzoek naar andere aandoeningen en een plotselinge wissel aan de top. Voor beleggers helpt het om de stappen in volgorde te zetten. Welke ontwikkeling kan binnen enkele kwartalen omzet toevoegen? Welke vraagt eerst meer patiëntenonderzoek? En welke rekening loopt ondertussen al door? De waarde hangt niet alleen af van wat uiteindelijk mogelijk is, maar ook van wat eerder betaald moet worden. Direct naar een onderdeel van dit artikel De aanvraag voor lichtere kinderen is de dichtstbijzijnde stap Breder gebruik vraagt ander bewijs Twee leiders moeten de prioriteiten bijeenhouden De bestaande producten financieren de opties Wat verlangt €0,8702 van de onderneming? Drie uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 De aanvraag voor lichtere kinderen is de dichtstbijzijnde stap Pharming meldde op 25 september dat de Amerikaanse FDA de aanvraag voor lagere doses Joenja heeft geaccepteerd. De versnelde beoordeling richt zich op kinderen van vier tot elf jaar die tussen 13 en minder dan 27 kilogram wegen. De streefdatum voor het besluit is 30 januari 2027. Dat is een andere groep dan de kinderen van dezelfde leeftijd met een gewicht van minstens 27 kilogram, voor wie op 11 september al goedkeuring werd gemeld. De beide berichten beschrijven dus geen herhaling van dezelfde goedkeuring. Lagere doses moeten een afzonderlijke, lichtere patiëntengroep kunnen bedienen. Priority Review betekent dat de toezichthouder sneller naar een besluit wil toewerken. Het zegt niet dat het besluit positief zal zijn. En ook na goedkeuring volgen voorschriften, vergoeding en daadwerkelijke behandelstarts. In de eerdere uitleg over de FDA-aanvraag staat juist die afstand tussen de beoordelingsklok en commerciële uitvoering centraal. Wat maakt een paar maanden dan uit? Stel dat een uitbreiding uiteindelijk $12 miljoen extra omzet per volledig jaar oplevert. Als na januari nog drie maanden nodig zijn voordat betaalde behandelingen starten, resteert in 2027 in dit eenvoudige model $8 miljoen. Bij meer vertraging wordt het eerste jaar kleiner, terwijl de organisatie klaar moet blijven staan. De module laat dat tijdseffect zien, zonder een bekend patiëntenaantal of contractbedrag te suggereren: Breder gebruik vraagt ander bewijs Een tweede ontwikkeling ligt verder weg. Op 22 september presenteerde Pharming voorlopige uitkomsten van fase-II-onderzoek naar leniolisib bij genetisch herkenbare primaire immuundeficiënties met ontregeling van het immuunsysteem. In de studie zaten dertien patiënten. Het bedrijf meldde onder meer een gemiddelde afname van het miltvolume van 26,4 procent. Meer gegevens zijn aangekondigd voor het ESID-congres van 14 tot en met 17 oktober. Fase II is een onderzoeksfase waarin onder meer werking en veiligheid verder worden onderzocht. Deze studie was open-label en had één behandelgroep: patiënten en onderzoekers wisten welke behandeling werd gegeven, en er was geen afzonderlijke controlegroep. De uitkomsten kunnen richting geven, maar beantwoorden niet automatisch alle vragen die voor een brede goedkeuring nodig zijn. Een kleiner miltvolume is een concreet meetresultaat. De vervolgvraag is hoe dat zich verhoudt tot dagelijkse gezondheid, infecties, langdurige veiligheid en het effect bij een bredere groep. Een bemoedigend signaal is waardevol, maar nog geen vrijbrief om een hele nieuwe markt als omzet in te boeken. Het positieve argument is dat kennis over een bestaande stof mogelijk voor meer patiënten bruikbaar wordt. Dat kan aantrekkelijker zijn dan een volledig nieuw middel ontwikkelen. Het tegenargument is dat verwante aandoeningen niet identiek zijn en een kleine studie het risico van vervolgonderzoek beperkt kan wegnemen. Een groter onderzoek kost geld voordat duidelijk is hoeveel extra waarde ontstaat. Deze manier van kijken sluit aan bij Rabi’s analyse van Moderna’s onderzoeksdoorbraak: de grootte en kwaliteit van het medische effect moeten worden vertaald naar een commerciële mogelijkheid, met de resterende onzekerheid ertussen. Een sterk onderzoeksbericht en een verdedigbare beurswaardering zijn niet hetzelfde. Twee leiders moeten de prioriteiten bijeenhouden Pharming maakte op 29 september het onmiddellijke vertrek van Fabrice Chouraqui bekend. Het bedrijf wees op onvoldoende overeenstemming over de uitvoering van de strategische prioriteiten. Leverne Marsh, de commercieel directeur, en financieel directeur Kenneth Lynard werden interim-co-CEO’s. De onderneming stelde dat strategie, pijplijn en patiëntverplichtingen ongewijzigd blijven. Die taakverdeling past bij de twee kanten van het vraagstuk: patiënten bereiken en de middelen daarvoor bewaken. Ze bewijst nog niet dat de overgang zonder vertraging verloopt. Beslissingen over een nieuw onderzoek, commerciële uitbreiding en kosten moeten op elkaar aansluiten. Zonder aanvullende toelichting is het niet verantwoord om een specifieke overname, uitgave of tegenvallend project als reden voor het vertrek aan te wijzen. In ons bericht over de abrupte CEO-wissel ging het om dat uitvoeringsrisico. Voor de komende maanden is concreet bewijs nuttiger dan algemene geruststelling: blijven mijlpalen staan, groeit het aantal betaalde behandelingen en blijft de kasontwikkeling beheersbaar? De bestaande producten financieren de opties Volgens de halfjaarcijfers van 30 juli behaalde Pharming in Q2 $90,2 miljoen omzet. Ruconest leverde $72,3 miljoen en Joenja $17,9 miljoen. In de eerste jaarhelft bedroeg de totale omzet $162,7 miljoen, het operationele verlies $3,6 miljoen en de operationele kasuitstroom $7,7 miljoen. De omzetverwachting voor heel 2026 bleef $375 tot $395 miljoen. Ruconest levert dus nog een groot deel van de inkomsten waarmee de onderneming haar organisatie en ontwikkeling draagt. Een groeiend Joenja moet niet alleen extra omzet toevoegen, maar ook eventuele druk op Ruconest opvangen. Voor een zeldzame aandoening kunnen relatief kleine veranderingen in betaalde patiënten zichtbaar worden in de kwartaalomzet. Eén kwartaal is daardoor onvoldoende om het volledige groeipad vast te stellen. De balans bevat daarnaast een keuze die niet kan worden weggedacht. Per 30 juni bedroegen de vrije kas en verhandelbare effecten ongeveer $158,3 miljoen, exclusief restricted cash. Daar staat onder meer een converteerbare obligatie van €100 miljoen tegenover, met een coupon van 4,5 procent en looptijd tot 2029. Converteerbaar betekent dat onder de voorwaarden omzetting in aandelen mogelijk is. Aflossing vraagt geld; omzetting kan het aantal aandelen verhogen. De volgende kasbrug is een geïsoleerd voorbeeld. Zij toont de vrije kas van juni, drie zelfgekozen jaren vrije kasstroom en de nominale obligatieaflossing. De tweede helft van 2026 en andere financiering zijn er niet in voorspeld. Hetzelfde geld kan niet tegelijk als kasbuffer én als dekking voor toekomstige aflossing worden meegeteld. Lees ook: Waarom een snellere FDA-beoordeling nog geen commerciële zekerheid geeft. De betaalde behandelstart is een andere mijlpaal dan acceptatie van een aanvraag. Wat verlangt €0,8702 van de onderneming? De koersbasis is €0,8702 voor het gewone Pharming-aandeel op Euronext Amsterdam, ticker PHARM, ISIN NL0010391025, bij het slot van 2 oktober 2026. De beurskoersreeks vermeldt 17.55 uur Nederlandse tijd. De aanvullende De Belegger-momentopname betreft dezelfde euro-notering. Pharming rapporteert zijn financiële resultaten in dollars; dat verschil komt expliciet terug in het model. De halfjaarrapportage telt 707.781.240 uitgegeven gewone aandelen per 30 juni. De toekomstige modelaantallen liggen hoger om rekening te houden met mogelijke verwatering. De waardering gebruikt toekomstige omzet en marges; de onderneming boekte over de eerste jaarhelft verlies. Bij 740 miljoen aandelen, $65 miljoen nettokas en 1,15 dollar per euro eind 2029 vraagt tien procent jaarlijks koersrendement ongeveer $429 miljoen jaaromzet als de onderneming 2,2 keer omzet waard is. De horizon vanaf 4 oktober is ongeveer 3,24 jaar. Zo’n omzetbedrag ligt niet buiten iedere denkbare ontwikkeling van de bestaande activiteiten. Maar de multiple is alleen verdedigbaar als voldoende winst overblijft. Bij twaalf procent operationele marge is 2,2 keer omzet ongeveer 18,3 keer operationele winst, nog vóór rente en belasting. Bij een verliesgevende onderneming betekent hetzelfde omzetniveau financieel iets heel anders. Drie uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 Het bearpad gebruikt $370, $360 en $350 miljoen omzet, dalende omzetmultiples, verslechterende nettokas en meer aandelen. De mogelijke jaareindekoersen zijn €0,51, €0,36 en €0,25. Het middenpad rekent met $420, $470 en $530 miljoen omzet en geeft €0,97, €1,19 en €1,45. Het gunstige pad bereikt $470, $580 en $700 miljoen omzet; de mogelijke koersen worden €1,49, €2,18 en €3,03. De bijbehorende operationele marges in 2029 zijn als eigen aannames min tien, plus twaalf en plus twintig procent. De formule is omzet maal omzetmultiple, plus nettokas, gedeeld door het aantal aandelen en vervolgens door 1,15 dollar per euro. De volledige jaarlijkse kas-, aandelen- en waarderingsaannames staan in de module. Dividend is niet verondersteld. De toekomstige nettokas omvat de financieringspositie na investeringen en schuldverplichtingen. De obligatie wordt niet nogmaals van de modelwaarde afgetrokken. De aandelenpaden bevatten mogelijke emissies en beloning, maar geen automatische extra conversie boven op een al veronderstelde aflossing. Het zijn scenario’s, geen analistenramingen; vooral de gunstige uitkomst verlangt veel meer commerciële groei dan een enkel positief onderzoeksbericht kan bewijzen. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. Pharming hoeft niet iedere mogelijke markt tegelijk te veroveren om waarde te creëren. Het moet wel de volgorde goed krijgen: bestaande inkomsten beschermen, de dichtstbijzijnde uitbreiding uitvoeren en nieuw onderzoek financieren zonder de aandeelhouder uit het oog te verliezen. De komende maanden kunnen duidelijker maken of die stappen elkaar versterken of om dezelfde beperkte middelen blijven vragen. Foto: Leverne Marsh en Kenneth Lynard, interim-co-CEO’s van Pharming. Officiële bedrijfsfoto en functiegegevens, Pharming; archief.
- Kan AI-begeleiding de marge van Hims helpen herstellen?
In het kort Hims & Hers breidt AI-begeleiding uit naar afslankklanten op het Hims-platform. De financiële kans zit in betere klantbinding en efficiëntere ondersteuning, terwijl medische beslissingen bij zorgverleners blijven. Die belofte komt op een belangrijk moment: de omzet groeit, maar de brutomarge en kasstroom staan onder druk. Bij $29 per aandeel moet het bedrijf bewijzen dat internationale schaal en nieuwe technologie ook geld opleveren na productkosten, overnames en financiering. Een patiënt die hulp nodig heeft, koopt geen verzameling losse softwarefuncties. Die wil een begrijpelijk antwoord, passende begeleiding en zo nodig snel contact met een zorgverlener. Hims probeert steeds meer van die stappen in één omgeving te verbinden. Voor beleggers is de interessante vraag hoeveel extra waarde dat oplevert ten opzichte van een website die alleen een behandeling verkoopt. Op 24 september beschreef technisch directeur Mo Elshenawy hoe AI-begeleiding wordt uitgerold naar Hims-afslankklanten. Het systeem gebruikt, na toestemming, context uit het behandeltraject en verwijst medische vragen door naar het zorgteam. De productbelofte is daarmee concreter dan een algemene chatbot, maar de financiële opbrengst is nog niet aangetoond. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een zorgrelatie kan waardevoller zijn dan een losse bestelling De margeproef is al zichtbaar in de kwartaalcijfers Internationale groei moet ook zonder overnames overtuigen Het sterkste tegenargument komt van de macht van leveranciers Schuld en overnameverplichtingen horen bij de waardering Welke omzet en marge zijn nodig voor $29? Een zorgrelatie kan waardevoller zijn dan een losse bestelling Hims verdient aan toegang tot behandeling, producten en begeleiding via een digitaal platform. Het voordeel van terugkerende klanten is eenvoudig: het bedrijf hoeft niet iedere maand dezelfde klant opnieuw via advertenties binnen te halen. Als iemand langer blijft en passende aanvullende diensten afneemt, kunnen acquisitiekosten over meer omzet worden uitgesmeerd. AI kan daar op twee manieren bij helpen. Ten eerste kan betere bereikbaarheid voorkomen dat klanten afhaken omdat zij zich onvoldoende begeleid voelen. Ten tweede kan automatische afhandeling van niet-medische vragen de druk op ondersteunende teams verlagen. Dat zijn economische mogelijkheden, geen reeds gemeten resultaten van de nieuwe uitrol. Stel dat een klant anders na vier maanden vertrekt en door goede begeleiding zes maanden blijft. Dan komen er twee maanden omzet bij zonder een nieuwe advertentiecampagne voor diezelfde persoon. Maar er komen ook product-, bezorg- en zorgkosten bij. Klantbehoud creëert pas waarde als die extra maanden een positieve bijdrage leveren. De omzet per abonnee op zichzelf vertelt dat niet. Het belangrijke onderscheid is hetzelfde als bij zakelijke AI-software: een overtuigende demonstratie is nog geen financieel rendement. In Rabi's analyse van de kwartaalcijfers van ServiceNow wordt dat verschil tussen contractwaarde, groei en de bijbehorende kosten uitgewerkt. Bij Hims hoort daar nog een extra toets bij: de dienstverlening moet ook klinisch verantwoord en betrouwbaar blijven. De margeproef is al zichtbaar in de kwartaalcijfers De cijfers van 10 augustus over het tweede kwartaal laten $753,2 miljoen omzet zien, 38% meer dan een jaar eerder. De brutomarge daalde van 76% naar 64%. Het gewone nettoverlies bedroeg $86,3 miljoen, of $0,37 per aandeel; de vrije kasstroom was $68,2 miljoen negatief. De aangepaste EBITDA bedroeg wel positief $60,3 miljoen. EBITDA is winst vóór rente, belasting en afschrijvingen. Bij een aangepaste variant worden daarnaast bepaalde kosten weggelaten. Dat kan helpen om operationele ontwikkelingen te volgen, maar het is geen bedrag dat vrij beschikbaar is voor aandeelhouders. Investeringen, financiering en uitgesloten kosten verdwijnen er niet door. Wat betekent een brutomarge van 64% praktisch? Van iedere $100 omzet resteert $64 na de directe kosten, voordat marketing, productontwikkeling en de rest van de organisatie worden betaald. Vorig jaar was dat $76. Bij dezelfde omzet moet de organisatie dus met aanzienlijk minder geld dezelfde taken uitvoeren. Een productmix met meer dure geneesmiddelen kan de omzet verhogen en tegelijk het margepercentage verlagen. Dat hoeft niet verkeerd te zijn als de brutowinst in dollars en het klantbehoud voldoende toenemen. Het wordt problematisch wanneer een hogere omzet vooral hogere bedragen aan leveranciers doorgeeft, terwijl Hims zelf de dure klantwerving blijft betalen. Het mixvoorbeeld gebruikt eigen aannames, omdat Hims geen afzonderlijke brutomarge voor iedere behandelcategorie publiceert. Het laat zien waarom extra verkochte dollars niet allemaal hetzelfde waard zijn. De volgende stap in de beoordeling is de verhouding tussen brutowinst, marketinguitgaven en de duur van de klantrelatie. Internationale groei moet ook zonder overnames overtuigen In hetzelfde kwartaal bedroeg de Amerikaanse omzet $621,8 miljoen, 16% meer dan een jaar eerder. De internationale omzet kwam uit op $131,4 miljoen, tegenover $7,5 miljoen een jaar eerder. De in juni afgeronde overname van Eucalyptus speelt daarbij een grote rol. De groepsgroei is daarom geen zuivere maatstaf voor groei uit bestaande activiteiten. Eucalyptus kan Hims toegang geven tot lokale zorgrelaties, klanten en kennis. Een bewezen organisatie overnemen kan sneller zijn dan alles zelf opbouwen. De prijs is dat integratie, financiering en lokale regelgeving eveneens worden overgenomen. Een platform dat in één land efficiënt draait, is niet vanzelf identiek toepasbaar in een ander zorgstelsel. AI vergroot die complexiteit mogelijk. Taal, medische richtlijnen, gegevensbescherming en verantwoordelijkheden kunnen verschillen. Een centrale technologie kan schaalvoordelen bieden, maar lokale controle blijft nodig. Het optimistische scenario vraagt dus méér dan de Amerikaanse werkwijze naar extra landen kopiëren. Het sterkste tegenargument komt van de macht van leveranciers Hims bezit de klantrelatie, maar bezit niet automatisch het intellectuele eigendom van de belangrijkste geneesmiddelen. Producenten kunnen verkoopkanalen aanpassen, prijzen veranderen of meer direct contact met patiënten zoeken. Apotheken, andere digitale zorgaanbieders en traditionele zorgverleners blijven bovendien alternatieven. De discussie over samengestelde afslankmiddelen heeft eerder laten zien hoe snel het verdienmodel door juridische en commerciële veranderingen kan verschuiven. Het artikel van 9 februari over de scherpe koersdaling bij Hims geeft daar historische context bij. De toen beschreven situatie is geen actuele uitspraak over welke behandeling vandaag voor een individuele patiënt beschikbaar is. Het positieve antwoord van Hims is een bredere dienstverlening. Wanneer patiënten blijven vanwege gemak, begeleiding en vertrouwen, kan het platform minder afhankelijk worden van één product. Maar dat vertrouwen is kwetsbaar. Fouten, gebrekkige doorverwijzing of onduidelijke gegevensverwerking kunnen de reputatie en kosten raken. Het bedrijf beschrijft veiligheidscontroles voor AI; dat is een noodzakelijke werkwijze, geen bewijs dat fouten zijn uitgesloten. Schuld en overnameverplichtingen horen bij de waardering Eind juni stonden tegenover $841 miljoen cash en kortlopende beleggingen circa $1,365 miljard converteerbare schuld, $703 miljoen uitgestelde overnamebetalingen en ongeveer $163 miljoen voorwaardelijke overnamevergoedingen. Wie deze posten als schuldachtige verplichtingen behandelt, komt op ongeveer $1,39 miljard netto verplichtingen. De voorwaardelijke bedragen kunnen nog veranderen; leaseverplichtingen zijn in deze eenvoudige vergelijking niet apart meegenomen. Een converteerbare lening kan later aandelen worden. In de scenario's worden de leningen als schuld behandeld en worden extra aandelen voor andere verwatering verondersteld. Als een lening daadwerkelijk wordt omgezet, moet zowel het schuldbedrag als het aandelental worden aangepast. Alleen de schuld weghalen zou de waarde overschatten; alleen aandelen toevoegen zou de last dubbel tellen. Welke omzet en marge zijn nodig voor $29? Het verhandelbare instrument is Hims & Hers Class A, NYSE HIMS, ISIN US4330001060. De slotkoers op 2 oktober om 16.00 uur New Yorkse tijd was $29. De waardering hieronder gebruikt dollars, inclusief dollaromzet, en eigen aannames in plaats van analistenconsensus. Met 280 miljoen toekomstige verwaterde aandelen, $0,8 miljard netto verplichtingen en 2,2 keer omzet als ondernemingswaarde vraagt een koers van $29 ongeveer $4,05 miljard omzet. Voor 10% jaarlijks koersrendement tot eind 2029 wordt dat ongeveer $5,39 miljard. De rekensom is: gewenste aandelenwaarde plus nettoschuld, gedeeld door de gekozen omzetmultiple. Waarom 2,2 keer omzet? Dat kan bijvoorbeeld worden gedragen door een operationele marge van 10% en een ondernemingswaarde van 22 keer operationele winst. Bij slechts 5% marge verdubbelt die laatste verhouding. Een lage omzetmultiple kan dus duur zijn als de structurele winstgevendheid laag blijft. Het middenpad vraagt daarom richting 10% operationele marge; het gunstige pad ongeveer 17%, en het bearpad blijft rond 4% steken. Dat zijn toekomstige aannames, geen bestaande positieve winstbasis. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Lees ook: Dit is waarom Hims & Hers een kwart van zijn beurswaarde verliest, over de kwetsbaarheid van distributie wanneer producenten en toezichthouders de spelregels beïnvloeden. De scenario's tonen drie mogelijke jaareindekoersen voor elk van 2027, 2028 en 2029, met de bijbehorende omzet, waarderingsmultiple, nettoschuld en aandelenbasis. Er wordt geen dividend verondersteld. Het bearpad laat extra financieringsdruk en meer verwatering zien; het gunstige pad vraagt dat groei, margeherstel en schuldafbouw elkaar versterken. Voor de AI-uitrol zou vooral bewijs over klantbehoud, afhandelingstijd, zorgkwaliteit en kosten per actieve klant de analyse verbeteren. Meer gebruik van de app is nuttig, maar onvoldoende. Hims wordt als belegging overtuigender wanneer betere begeleiding zichtbaar samengaat met meer brutowinst per klant en een herstellende kasstroom. Tot die tijd is AI een serieuze operationele kans die haar prijs nog moet verdienen. Foto: Hims & Hers, technisch directeur Mo Elshenawy. Officiële persfoto bij zijn benoeming in mei 2025, archief.
- Wordt Wolters Kluwer onmisbaar op het scherm van de arts?
In het kort Wolters Kluwer wil de medische informatie van UpToDate dichter bij het dagelijkse werk van artsen brengen via een samenwerking met Epic. Dat kan de waarde van bestaande abonnementen versterken en nieuwe toepassingen mogelijk maken. Er is alleen geen afzonderlijke extra omzet uit die samenwerking bekendgemaakt. Bij €67,82 draait de beleggingsvraag om de balans tussen moeilijk vervangbare informatie, hogere AI-kosten en de winst die per aandeel overblijft. Een arts die tijdens het werk een medische vraag wil uitzoeken, heeft weinig aan nóg een los scherm. De informatie moet betrouwbaar zijn en op het juiste moment beschikbaar komen. Precies daar ligt de commerciële inzet van de samenwerking tussen Wolters Kluwer en Epic, een leverancier van elektronische patiëntendossiers. Dat klinkt als een kleine verandering in de manier waarop software wordt gebruikt. Voor de leverancier kan het een groot verschil maken. Wie onderdeel wordt van een dagelijkse handeling, is vaak moeilijker te vervangen dan een website die af en toe wordt bezocht. Maar er zit een tweede kant aan: de partij die het hoofdscherm beheert, kan ook meer onderhandelingsmacht krijgen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Betrouwbare informatie op het moment van de beslissing Waarvoor betaalt de klant eigenlijk? De bestaande onderneming verdient al geld AI kost ook geld zodra klanten het gebruiken Welke winst past bij €67,82? Drie winstpaden, zonder inkoop dubbel te tellen Betrouwbare informatie op het moment van de beslissing Wolters Kluwer beschreef op 11 september de samenwerking tussen UpToDate en Epic. Klanten met een UpToDate-licentie kunnen de inhoud gebruiken binnen Epic Evidence in Art. Daarnaast beschrijft het bedrijf mogelijkheden voor enterprise-klanten om via Agent Factory eigen toepassingen te ontwikkelen. De inzet is dus niet simpelweg een chatbot naast een medisch dossier. Het gaat om het verbinden van medische kennis met de werkstroom: de opeenvolging van handelingen waarmee een arts informatie opzoekt, beoordeelt en in een beslissing gebruikt. De kwaliteit van de bron, de manier waarop het antwoord tot stand komt en de aansluiting op de praktijk zijn daarbij belangrijk. Meer gebruik kan eerst het bestaande abonnement beschermen voordat het extra omzet oplevert. Een ziekenhuis dat de informatie op meer plekken inzet, heeft mogelijk minder reden om het contract op te zeggen. Dat kan waardevol zijn zonder dat er onmiddellijk een nieuwe toeslag wordt gefactureerd. Een hoger gebruikscijfer is daarom niet hetzelfde als groei van de contractwaarde. In het volgende voorbeeld gebruiken tachtig van honderd ziekenhuizen een integratie. Als slechts twintig procent van die gebruikers een extra betaald contract afsluit, betalen zestien ziekenhuizen meer. De aantallen zijn eigen aannames; Wolters Kluwer heeft deze conversie voor Epic niet gepubliceerd: Waarvoor betaalt de klant eigenlijk? De sterke positie van Wolters Kluwer berust niet alleen op het verzamelen van teksten. Professionals betalen ook voor selectie, actualisering, samenhang en de mogelijkheid om informatie binnen hun eigen processen te gebruiken. In medische toepassingen is een overtuigend klinkend antwoord onvoldoende. Een antwoord moet inhoudelijk bruikbaar zijn en verantwoord kunnen worden beoordeeld. Dat maakt de vergelijking met een algemene gratis AI-dienst beperkt. Gratis toegang kan nuttig zijn voor een eerste zoekvraag, maar vervangt niet automatisch de eisen van een ziekenhuis aan inhoud, beveiliging, integratie en verantwoordelijkheid. Die eisen kunnen een bestaande leverancier beschermen. Het tegenargument verdient evenveel aandacht. Als de onderliggende AI-modellen beter worden en klanten antwoorden vanuit één centraal systeem willen ontvangen, kan de zichtbaarheid van de oorspronkelijke leverancier afnemen. Wolters Kluwer kan dan onmisbare inhoud leveren, maar toch moeten onderhandelen met een sterkere distributeur. Een product kan belangrijker worden voor de gebruiker en tegelijk minder macht krijgen over de prijs. Dat is een concreet voorbeeld van de vraag uit Rabi’s analyse van softwarebedrijven en AI: blijft de waarde bij de losse applicatie, of verschuift zij naar data, rechten en de werkstroom? Bij UpToDate lijkt de bronkwaliteit een verdedigbare positie te bieden. De uiteindelijke contractvoorwaarden bepalen hoeveel daarvan bij de aandeelhouder terechtkomt. De bestaande onderneming verdient al geld Wolters Kluwer heeft een groot voordeel tegenover een ontwikkelaar die zijn eerste commerciële toepassing nog moet vinden. De onderneming verkoopt al software, informatie en diensten aan zorg, belastingprofessionals, juristen en andere zakelijke gebruikers. De investeringen in AI steunen daardoor op een bestaande inkomstenbasis. Bij de halfjaarcijfers van 5 augustus meldde het bedrijf €3,033 miljard omzet. Organisch groeide de omzet vijf procent; terugkerende inkomsten vormden 85 procent. De aangepaste operationele winst bedroeg €893 miljoen en de aangepaste winst per aandeel €2,83. De nettoschuld bedroeg €4,024 miljard, ongeveer twee keer de jaarlijkse winst vóór rente, belasting en afschrijvingen volgens de bedrijfsmaatstaf. Het gewone gerapporteerde winstcijfer per aandeel was €2,57. Terugkerende inkomsten zijn inkomsten die via abonnementen en vergelijkbare afspraken terugkomen. Ze geven meer zicht op de volgende periode, maar zijn niet onaantastbaar. Klanten kunnen bij verlenging onderhandelen, pakketten verkleinen of een alternatief kiezen. Het percentage zegt bovendien niet hoeveel omzet zonder verkoopinspanning voor altijd blijft bestaan. Ook het verschil tussen aangepaste en gerapporteerde winst moet blijven staan. Aangepaste cijfers halen bepaalde posten uit het resultaat en kunnen helpen om ontwikkelingen te vergelijken. Ze zijn geen vervanging voor alle werkelijke kosten van het aandeelhouderschap. In de waardering hieronder gebruiken we consequent aangepaste winst per aandeel als modelbasis en maken we die keuze zichtbaar. AI kost ook geld zodra klanten het gebruiken Traditionele software kan een extra gebruiker soms tegen heel lage extra kosten bedienen. Een AI-vraag vraagt rekenwerk, ook nadat het product gebouwd is. Meer gebruik kan daarom de omzet ondersteunen en tegelijk de kosten opvoeren. De prijsstructuur moet beide bij elkaar brengen. Voor heel 2026 voorzag Wolters Kluwer in augustus een aangepaste operationele marge van ongeveer 28 procent. De onderneming verwachtte ontwikkelingsuitgaven van twaalf tot dertien procent van de omzet. Dat vraagt om groei die uiteindelijk meer oplevert dan alleen een hoog aantal gebruikers. Stel dat nieuwe AI-functies €100 miljoen extra jaaromzet geven. Bij twintig procent extra reken- en servicekosten en €60 miljoen ontwikkelingskosten blijft €20 miljoen operationele bijdrage over. Als de betaalde omzet achterblijft, kan dezelfde investering voorlopig verliesgevend zijn. Dit zijn illustratieve bedragen, geen afzonderlijk gepubliceerde UpToDate-resultaten: De les is niet dat AI-kosten onwenselijk zijn. Zonder productontwikkeling kan de bestaande positie juist verzwakken. De vraag is welke verhouding ontstaat tussen extra contractwaarde, behoud van klanten en terugkerende kosten. Dat is goed te volgen als het management naast adoptie ook commerciële en financiële uitkomsten laat zien. Lees ook: Rabi’s beoordeling van de ServiceNow-cijfers. Daar komt dezelfde economische afweging terug: AI kan de vraag versterken terwijl rekenkosten en de kwaliteit van de kasstroom extra aandacht vragen. Welke winst past bij €67,82? Het gewone aandeel Wolters Kluwer, ticker WKL en ISIN NL0000395903, sloot op 2 oktober 2026 op €67,82 op Euronext Amsterdam om 17.35 uur Nederlandse tijd. Die slotkoers staat in de historische koersreeks. De onderneming rapporteert in euro’s. De waardering heeft peildatum 4 oktober 2026. De omgekeerde waardering begint met een eigen aanname van €5,60 aangepaste winst per aandeel voor boekjaar 2026. Dat is geen door het bedrijf gegeven exact winstbedrag en ook geen simpele verdubbeling van het halfjaar. Bij veertien keer de winst in 2029 en tien procent gewenst jaarlijks koersrendement tot dat jaareinde is ongeveer €6,60 winst per aandeel nodig. Vanaf de gekozen basis vraagt dat ongeveer 5,6 procent jaarlijkse winstgroei in 2027 tot en met 2029. Die lat oogt minder spectaculair dan bij veel jonge AI-bedrijven. Toch kan een lage multiple niet los worden gezien van risico’s. Als klanten minder willen betalen, AI-kosten harder stijgen of de distributiepositie verslechtert, kan de winstbasis tegenvallen. Een lage waardering kan een kans weerspiegelen, maar ook een terechte verwachting van minder groei. Het verschil tussen een aantrekkelijk aandeel en een goedkope valkuil zit hier vooral in de houdbaarheid van de winst. De nieuwe Epic-integratie is daarom relevant als bewijs voor blijvende bruikbaarheid. Zij mag niet als afzonderlijke miljardentoeslag boven op de bestaande waardering worden gezet zonder te weten hoeveel extra geld zij oplevert. Drie winstpaden, zonder inkoop dubbel te tellen De scenario’s rekenen steeds met winst per aandeel maal een koers-winstverhouding. In het bearpad daalt de aangepaste winst per aandeel vanaf de gekozen 2026-basis jaarlijks vijf procent en betaalt de markt tien keer de winst. De mogelijke koersen eind 2027, 2028 en 2029 zijn €53,20, €50,54 en €48,01. Het middenpad gebruikt vijf procent jaarlijkse winstgroei en veertien keer de winst. Dan volgen €82,32, €86,44 en €90,76. In het gunstige pad groeit de winst negen procent en betaalt de markt achttien keer de winst, goed voor €109,87, €119,76 en €130,54. Dit zijn eigen scenario’s, geen koersdoelen of consensusramingen. Het effect van aandeleninkoop en verwatering zit in de groei van de winst per aandeel. We geven geen tweede bonus voor inkoop en tellen geen nettokas boven op deze winstwaardering. Dividend zit evenmin in de getoonde koersen. Het ontvangen dividend zou bijdragen aan het totaalrendement, maar toekomstige uitkeringen zijn hier niet als vast bedrag voorspeld. De uitkomsten laten daardoor alleen de mogelijke koersontwikkeling zien. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. Voor de volgende rapportages zijn twee soorten bewijs nuttig. Wordt UpToDate aantoonbaar steviger onderdeel van de dagelijkse praktijk? En vertaalt dat zich naar betere contractverlenging of extra omzet zonder onevenredige kosten? De eerste vraag bepaalt of het product relevant blijft. De tweede bepaalt hoeveel die relevantie voor aandeelhouders waard is. Foto: Greg Samios, CEO van Wolters Kluwer Health. Profielportret bij Fast Company; archief.
- Nike belooft miljarden te besparen maar hoeveel winst blijft over?
In het kort Nike wil met Pace 2.5 tot en met boekjaar 2031 cumulatief $2,5 miljard besparen. Dat is geen jaarlijkse winsttoename en er staan reorganisatiekosten en herinvesteringen tegenover. De recente cijfers tonen lagere verkopen, vooral bij de eigen digitale kanalen, terwijl de brutomarge iets herstelde. Bij $33,87 per aandeel is een tegenvallend jaar duidelijk zichtbaar in de koers, maar een geloofwaardig herstel van de winst blijft nodig. Kosten schrappen kan snel een aantrekkelijk getal opleveren. Een sterker merk bouwen duurt langer. Nike probeert beide tegelijk te doen: de organisatie goedkoper maken en consumenten opnieuw overtuigen dat zijn schoenen en kleding de gevraagde prijs waard zijn. De publicatie van 1 oktober over het eerste kwartaal van boekjaar 2027 maakt duidelijk hoe lastig die combinatie is. De kwartaalomzet daalde 4% naar $11,21 miljard. Nike Direct kromp 8% en de digitale omzet 13%. De brutomarge verbeterde wel naar 42,8%, mede door lagere logistieke kosten. Dat is kostenvooruitgang, maar nog geen bewijs dat de vraag herstelt. Direct naar een onderdeel van dit artikel Pace 2.5 heeft een lange looptijd en een rekening vooraf Het verdienmodel draait op merk, product en distributie samen China test hoe sterk het merk werkelijk is De balans geeft tijd, dividend verbruikt een deel daarvan De koers vraagt nog steeds om winstherstel Drie mogelijke herstelpaden Pace 2.5 heeft een lange looptijd en een rekening vooraf Het besparingsprogramma mikt op $2,5 miljard cumulatief tot en met boekjaar 2031. Cumulatief betekent dat bedragen over meerdere jaren worden opgeteld. Een jaarlijkse besparing van $500 miljoen gedurende vijf jaar telt bijvoorbeeld op tot $2,5 miljard. Het is dus verkeerd om direct $2,5 miljard extra jaarwinst in een waardering te stoppen. Nike verwacht daarnaast ongeveer $1 miljard aan lasten vóór belasting voor de uitvoering. Een deel van de besparingen kan terugvloeien naar productontwikkeling, marketing of andere investeringen. Dat maakt de economische opbrengst afhankelijk van timing en keuzes: hoeveel kosten verdwijnen echt, wanneer gebeurt dat en welk deel blijft uiteindelijk bij aandeelhouders? Neem een eigen rekenvoorbeeld met $500 miljoen terugkerende jaarbesparing. Als 45% wordt herbelegd en over de resterende winst 22% belasting wordt betaald, blijft ongeveer $215 miljoen nettowinst over. Bij circa 1,48 miljard aandelen is dat ongeveer $0,14 per aandeel. Een groot besparingsbedrag in een persbericht kan een veel kleinere toevoeging aan de winst per aandeel worden. Dat betekent niet dat het programma onbelangrijk is. Een lagere vaste kostenbasis maakt Nike weerbaarder als de omzet tegenvalt. Maar kostenreductie heeft grenzen. Minder marketing kan de verkoop schaden, te weinig ontwikkeling kan nieuwe producten vertragen en een verzwakte organisatie kan juist fouten maken in distributie of voorraadbeheer. Het verdienmodel draait op merk, product en distributie samen Nike ontwerpt en verkoopt sportproducten, waarbij veel productie bij externe fabrikanten ligt. De onderneming probeert waarde toe te voegen met productontwikkeling, merkbekendheid, sportrelaties en distributie. Daardoor is de bereidheid van consumenten om de volle prijs te betalen belangrijk. Een eigen verkoopkanaal kan meer omzet per verkocht product opleveren dan levering aan een winkelpartner. Nike moet dan wel zelf meer betalen voor winkels, fulfilment, retouren, technologie en klantenwerving. Een hogere brutomarge is daarom niet automatisch een hogere nettomarge. Die laatste is wat na alle kosten en belasting overblijft. De terugval in Nike Direct maakt dat relevant. Het herstel vraagt een evenwicht tussen eigen kanalen en partners die Nike zichtbaar maken voor klanten. Een winkelier biedt assortiment, advies en bereik. Als Nike te veel nadruk legt op zijn eigen kanaal, kunnen concurrenten de vrijgekomen schapruimte innemen. Dat effect kan langer duren dan één kwartaal. In Rabi's Nike-analyse uit juni 2024 stonden zwakke digitale verkoop en de verhouding tot groothandelspartners al centraal. De huidige cijfers maken die oude discussie opnieuw relevant. De toenmalige koersen, verwachtingen en besparingsplannen horen bij hun eigen datum en zijn niet de uitgangspunten voor deze waardering. China test hoe sterk het merk werkelijk is Een internationaal merk kan niet overal dezelfde aanpak herhalen. Lokale concurrenten kennen hun klanten, reageren op voorkeuren en kunnen aantrekkelijk geprijsde producten aanbieden. Nike moet zijn wereldwijde schaal daarom combineren met relevantie per markt. China vormt daarbij een belangrijke herstelproef. Als eigen winkels en digitale kanalen duur blijven terwijl de verkoop daalt, worden vaste kosten over minder omzet verdeeld. Een verkoopdaling van 22% in een regio die vóór die daling 11% van de groepsomzet vertegenwoordigt, kost in een geïsoleerd rekenvoorbeeld ongeveer 2,4% groepsomzet. Het effect op de winst kan groter zijn wanneer huur, personeel en campagnes niet even snel worden aangepast. Het gewicht van 11% in dit voorbeeld is een scenario-invoer, geen reconstructie van Nike's volledige vergelijkbare regio-omzet. Valuta en veranderingen in de andere regio's blijven buiten de berekening. De bedoeling is om het vastekostenprobleem zichtbaar te maken: een kleinere regio kan relatief veel druk op de groepswinst geven. Nike kan daarop reageren met betere producten, aangepaste distributie en minder overtollige voorraad. Maar meer promoties kunnen de verkoop tijdelijk helpen en tegelijk de prijskracht verder aantasten. De kwaliteit van het herstel blijkt daarom uit verkoop tegen gezonde prijzen, niet alleen uit meer verkochte paren. De balans geeft tijd, dividend verbruikt een deel daarvan Eind augustus had Nike $8,37 miljard cash en kortlopende beleggingen tegenover ongeveer $7,89 miljard kort- en langlopende schuld. Dat biedt ruimte om de ombouw te financieren, maar de onderneming heeft ook voorraden, operationele verplichtingen en reorganisatie-uitgaven. De volledige cashvoorraad is dus geen vrij beschikbare bonus boven op een winstwaardering. Het kwartaaldividend bedroeg $0,41 per aandeel. Vier keer dat bedrag zou bij $33,87 ongeveer 4,8% uitkeringsrendement betekenen, mits de uitkering gelijk blijft. Dat percentage is geen toezegging. Het jaarlijkse bedrag van $1,64 ligt bovendien boven de huidige bedrijfsverwachting voor de aangepaste jaarwinst per aandeel. Een herstel dat langer duurt, zet daarmee ook de afweging tussen dividend, investeringen en financiële ruimte onder druk. Dit is een ander risico dan een onmiddellijke liquiditeitscrisis. Een bedrijf kan een periode meer uitkeren dan het verdient. De vraag is hoelang dat verstandig blijft en of het ten koste gaat van de investeringen die het herstel juist mogelijk moeten maken. De koers vraagt nog steeds om winstherstel De analyse gebruikt NIKE Class B, NYSE NKE, ISIN US6541061031. Op 2 oktober 2026 om 16.00 uur New Yorkse tijd sloot het aandeel op $33,87. Alle scenario's hieronder zijn in dollars. Nike gaf voor boekjaar 2027 een aangepaste winstverwachting van $1,15 tot $1,35 per aandeel. Die sluit ongeveer $0,15 aan reorganisatielasten uit. Een eenvoudige vertaling komt daarmee uit op circa $1,00 tot $1,20 gerapporteerde winst. Het huidige aandeel kost dan ongeveer 28 tot 34 keer die gerapporteerde winst. Een lage koers vergeleken met het verleden is dus niet hetzelfde als een lage prijs voor de winst van nu. Bij een waardering van 23 keer winst vraagt $33,87 ongeveer $1,47 winst per aandeel. Voor 10% jaarlijks koersrendement tot eind 2029 moet de koers ongeveer $46,13 worden en is bij dezelfde multiple ongeveer $2,01 winst nodig. Dat is de omgekeerde waarderingsvraag: welk herstel moet eerst plaatsvinden voordat het gewenste rendement logisch wordt? Bij $43 miljard omzet en 1,48 miljard verwaterde aandelen vraagt $2,01 winst per aandeel ongeveer 6,9% nettomarge. Dat kan niet uitsluitend worden afgeleid uit de besparingsdoelstelling. Productmix, volumes, prijzen, marketing en belasting bepalen samen of die marge haalbaar is. Aandeleninkoop kan de winst per aandeel ondersteunen, maar alleen wanneer de onderneming daar geld voor over heeft. Een vergelijkbare les over volume en winst per klant staat in Rabi's analyse van Ryanair. Meer passagiers maakten lagere ticketprijzen niet ongedaan. Bij Nike zijn extra verkopen evenmin voldoende als daarvoor telkens meer korting nodig is. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Lees ook: Nike aandelen kelderen op de beurs maar is het een koopmoment?, de eerdere uitleg over productvernieuwing en de balans tussen eigen verkoop en winkelpartners. Drie mogelijke herstelpaden Hoe gevoelig de uitkomst is, wordt zichtbaar wanneer het winstherstel en de prijs die beleggers daarvoor betalen apart worden ingevuld. De koersen zijn scenario's voor eind kalenderjaar 2027, 2028 en 2029, gewaardeerd op de gerapporteerde winst van het gelijknamige Nike-boekjaar. Dat boekjaar eindigt in mei. Het bearpad gebruikt winst per aandeel van $1,10, $1,19 en $1,23 met multiples van achttien, zeventien en zestien. Dat levert $19,80, $20,23 en $19,68 op. Het middenpad veronderstelt $1,15, $1,65 en $2,15 winst per aandeel, gewaardeerd tegen 25, 24 en 23 keer winst: $28,75, $39,60 en $49,45. Het gunstige pad vraagt $1,20, $2,05 en $2,85 winst tegen 28, 28 en 27 keer winst: $33,60, $57,40 en $76,95. Inkoop en verwatering zitten al in de winst per aandeel; cash en dividend worden niet nogmaals aan deze koersen toegevoegd. Vanaf $33,87 betekent het middenpad tot eind 2029 ongeveer 12,4% jaarlijks koersrendement, exclusief dividend. Maar het pad laat eerst een kwetsbaar jaar zien. Er is geen reden waarom de markt geduldig moet wachten wanneer het herstel van omzet en merk achterblijft. De komende kwartalen moet Nike laten zien dat kostenbeheersing en productkracht elkaar versterken. Een dalende kostenbasis is behulpzaam. Stabielere directe verkopen, minder afhankelijkheid van promoties en een betere regionale ontwikkeling zouden meer zeggen over de houdbaarheid. Wie vandaag koopt, betaalt voor die combinatie. Pace 2.5 kan haar ondersteunen, maar niet vervangen. Foto: Nike, Elliott Hill, officiële bedrijfsfoto.
- MiniMax verkoopt naast tokens vooral gelijktijdige agenten
In het kort MiniMax koppelt zijn modellen aan tokenplannen met verschillende gelijktijdigheid. Daardoor bepaalt wachttijd bij agenttaken mede wat een abonnement werkelijk waard is. De actuele modelkaart en prijsdocumentatie zijn belangrijker dan een losse benchmark of productnaam. We rekenen terug vanaf de kosten en toetsen welke inzet in 2027, 2028 en 2029 nodig is. De conclusie is voorwaardelijk: alleen aantoonbaar geslaagde taken tellen mee. De AI-markt lijkt op het eerste gezicht steeds eenvoudiger. Iedere leverancier heeft een vlaggenschip, een goedkoper model en een indrukwekkende contextlengte. In de praktijk wordt de keuze juist lastiger. Toegang kan beperkt zijn, een introductietarief kan aflopen en open gewichten kunnen onder verschillende licenties vallen. De modelnaam is daarom hooguit het begin van het onderzoek. Bij MiniMax draait de dragende vraag om concurrency als economische producteigenschap naast tokenprijs. Dat is geen academisch verschil. Het bepaalt of een experiment ook als vaste dienst kan draaien, of de rekening beheersbaar blijft en hoeveel menselijk herstelwerk nodig is. Een goed model dat te vaak op de verkeerde taak wordt gezet, is economisch nog steeds een slechte keuze. Direct naar een onderdeel van dit artikel Wat er werkelijk beschikbaar is De techniek verandert de rekening De beslissende rekensom Drie jaar vooruit rekenen Waar het nog mis kan gaan Wat dit economisch betekent Wat er werkelijk beschikbaar is MiniMax verkoopt voor M3 en M2.7 niet alleen losse tokens, maar ook plannen waarin de toegestane gelijktijdigheid verschilt. De onderzochte planpagina toont niveaus met drie tot zeven gelijktijdige verzoeken. Dat lijkt technisch, maar wordt financieel zodra agents minutenlang bezig zijn. Een goedkoop plan dat werk in een wachtrij zet, kan dure medewerkers of klanten laten wachten. De MiniMax Token Plan is daarbij het uitgangspunt. De woorden algemeen beschikbaar, preview en beperkt toegankelijk horen niet op één hoop. Een aangekondigd model kan technisch bestaan zonder dat een normaal bedrijf het vandaag via een stabiele API kan afnemen. Andersom kan een downloadbaar model open gewichten bieden terwijl de licentie aanvullende voorwaarden stelt. Gratis proberen in een chatdienst geeft nog geen recht om het model zelf te hosten. Ook contextlengte vraagt nuchterheid. Een bovengrens van honderdduizenden of een miljoen tokens vertelt hoeveel invoer technisch mogelijk is. Zij zegt niet dat zoveel context snel, goedkoop of zorgvuldig wordt verwerkt. Lange prompts vergroten de prefilltijd, vragen cachegeheugen en kunnen relevante details tussen ruis laten verdwijnen. Voor een vergelijking moeten daarom dezelfde taak, dezelfde context en dezelfde succesdefinitie worden gebruikt. De techniek verandert de rekening Concurrency is iets anders dan snelheid. Zeven gelijktijdige verzoeken betekenen niet dat één verzoek sneller klaar is. Het betekent dat meer taken naast elkaar mogen lopen. Voor een nachtelijke batch kan drie genoeg zijn. Voor een support- of coderingsagent tijdens kantooruren kan de wachtrij bij een piek juist de hele businesscase bepalen. De beste planlaag volgt daarom uit aankomstpatroon en taakduur. Dat maakt kosten per miljoen tokens nuttig, maar onvoldoende. De betere maat is kosten per succesvol afgeronde taak. Daarin horen input, output, redenering, gereedschap, cache, herhaalpogingen en menselijke controle. Wanneer een goedkoper model twee herstelrondes nodig heeft, kan de duurdere route alsnog winnen. Wanneer een topmodel een eenvoudige extractietaak niet beter uitvoert, betaalt een bedrijf alleen voor ongebruikte capaciteit. Voor lokale modellen komt daar een andere kostenlaag bij. Alle gewichten moeten in opslag en meestal in werkgeheugen beschikbaar zijn, ook wanneer een mixture-of-expertsmodel per token slechts een deel activeert. Quantisatie kan het beslag verlagen, maar kan kwaliteit en snelheid veranderen. Gelijktijdige gebruikers en lange context voegen KV-cache toe. Een model dat één keer op een werkstation antwoord geeft, is daarmee nog geen productiesysteem. De beslissende rekensom Voor een vergelijkbaar voorbeeld gebruiken we deze kostenbrug: 3 gelijktijdig € 36, 5 gelijktijdig € 60, 7 gelijktijdig € 84. De waarden zijn afkomstig uit het gepubliceerde tarief of, waar geen controleerbaar tarief bestaat, uit een expliciet gemarkeerd eigen kostenbudget. Dat verschil is belangrijk. Een scenario-aanname is geen prijsclaim van de leverancier en een dollarbedrag is zonder belasting en wisselkoers geen Nederlandse factuur. De omgekeerde berekening begint niet bij een mooie benchmark, maar bij de vraag hoeveel productiviteit nodig is om € 6.000 per jaar terug te verdienen. Bij een interne waarde van € 55 per aantoonbaar bespaard uur is dat 109.1 uur per jaar. De formule is eenvoudig: jaarlijkse kosten gedeeld door € 55. De moeilijke stap is bewijzen dat die uren werkelijk vrijkomen bij gelijkblijvende kwaliteit. Een team moet daarom een vaste proefset gebruiken en per taak noteren of het eerste antwoord bruikbaar was, hoeveel correctietijd nodig was en of een mens dezelfde controle toch moest uitvoeren. Alleen het verschil met de bestaande werkwijze telt. Tijd die wel op papier wordt bespaard maar later terugkomt als herstelwerk, mag niet dubbel als voordeel worden geboekt. Drie jaar vooruit rekenen De scenario’s voor 2027 tot en met 2029 gebruiken drie niveaus van aantoonbaar bespaarde tijd en laten het volume jaarlijks met 12 procent groeien. Het lage scenario start bij 40 uur, het middenscenario bij 110 uur en het hoge bij 190 uur. De jaarlijkse kosten blijven bewust gelijk, zodat zichtbaar wordt welke benutting de doorslag geeft. Het zijn aannames, geen voorspellingen van gebruik of tarieven. De netto productiviteitswaarde is bespaarde uren maal € 55, minus de jaarlijkse kosten. Implementatie-uren in het eerste jaar horen daar in een echte businesscase nog vanaf. Hetzelfde geldt voor kwaliteitsverlies, uitval en extra gegevensbeheer. Een positieve uitkomst bewijst dus niet dat het model winst oplevert. Zij laat alleen zien hoeveel economische ruimte overblijft om die overige kosten op te vangen. Voor kleine teams kan de lage variant al ruim voldoende zijn wanneer de vaste kosten gering zijn. Bij eigen hardware of een omvangrijk abonnement ligt de drempel hoger en wordt bezettingsgraad doorslaggevend. Andersom kan een goedkoop API-model zo weinig kosten dat vooral foutpreventie telt. Dan is één vermeden uur herstelwerk meer waard dan een jaar aan tokens. Waar het nog mis kan gaan Een abonnement nodigt uit tot denken in “onbeperkt”, terwijl voorwaarden, tokenlimieten en fair-usegrenzen kunnen blijven gelden. Bovendien is een plan geen garantie dat een model een taak in één keer goed uitvoert. Het team moet zowel doorvoer als correctheid meten en een uitwijkroute houden voor pieken of storingen. Daarnaast blijft leveranciersrisico bestaan. Modellen verdwijnen, aliassen verschuiven en prijzen kunnen veranderen. Een goede integratie bewaart prompts en evaluaties buiten het model, houdt een alternatieve route beschikbaar en legt vast welke versie op welk moment is gebruikt. Daardoor wordt een upgrade een gecontroleerde keuze in plaats van een verrassing in productie. Privacy verdient dezelfde concrete aanpak. Cloudgebruik vraagt duidelijkheid over opslag, training en gegevenslocatie. Lokale inzet voorkomt niet automatisch alle risico’s, want logbestanden, toegangsrechten en onveilige plug-ins kunnen gegevens alsnog blootleggen. Het juiste antwoord is dus niet altijd lokaal of altijd cloud. Het is een aantoonbare keuze per datastroom. Wat dit economisch betekent Voor bedrijven is MiniMax interessant wanneer de gekozen route aantoonbaar beter past bij het werk dan een goedkoper of eenvoudiger alternatief. Dat bewijs komt uit eigen taken, niet uit één benchmark. Het minimum is een vergelijking van eerste-poging-succes, totale doorlooptijd, menselijk herstel en alle directe kosten. Pas daarna kan een groter contextvenster, een open licentie of een sterkere redeneermodus economische waarde krijgen. Voor beleggers ligt de les een niveau hoger. Lagere tokenprijzen kunnen het gebruik vergroten, maar leiden niet automatisch tot hogere winst bij de modelleverancier of chipmaker. Open modellen kunnen hardwarevraag stimuleren en tegelijk prijsdruk op API’s zetten. De waarde verschuift naar distributie, gereedschappen, datatoegang, betrouwbaarheid en capaciteit. Wie alleen naar de nieuwste modelnaam kijkt, mist precies het deel waar het verdienmodel wordt gemaakt. De nuchtere conclusie is daarom dat concurrency als economische producteigenschap naast tokenprijs de keuze moet sturen. Begin met de kleinste route die de taak aantoonbaar goed afrondt. Schaal pas op wanneer de extra kwaliteit meer waard is dan de extra kosten. Zo blijft een indrukwekkend model een productiemiddel en wordt het geen dure demonstratie. Een maandelijkse herhaling van dezelfde proef maakt prijswijzigingen en kwaliteitsverschuivingen zichtbaar voordat ze de begroting of de dienstverlening raken. Dat kleine meetritme is uiteindelijk waardevoller dan een eenmalige ranglijst.











