top of page

Search this site

14059 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Koopt Netflix sneller aandelen in dan het er uitgeeft?

    In het kort Netflix noteert rond $67,06 op Nasdaq. Bij de kwartaalcijfers van 16 juli meldde de onderneming 13% omzetgroei en een operationele marge boven de eigen verwachting. De discussie gaat daardoor minder over de vraag of streaming winstgevend kan zijn en meer over wat met de groeiende vrije kas gebeurt. Aandeleninkoop klinkt eenvoudig: Netflix koopt stukken terug en de winst wordt over minder aandelen verdeeld. In de praktijk telt alleen de netto verandering van het verwaterde aantal aandelen. Nieuwe stukken uit aandelenbeloning en opties kunnen een deel van de inkoop neutraliseren. Ook de gemiddelde inkoopprijs bepaalt of er waarde ontstaat. De huidige waardering vraagt geen extreme winstmultiple, maar wel een blijvende groei van vrije kas per aandeel. Dat kan komen uit hogere operationele winst, een betere kasconversie en een dalende aandelenbasis. Als slechts een van die drie tegenvalt, wordt de ruimte kleiner. Direct naar een onderdeel van dit artikel De teller groeit, maar de noemer telt ook Verwatering werkt stiller dan inkoop Waarom Netflix überhaupt kan inkopen Wat moet $67,06 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden De teller groeit, maar de noemer telt ook Netflix heeft de afgelopen jaren een veel sterker kasprofiel opgebouwd. De onderneming hoeft niet meer iedere extra dollar content met extra schuld te financieren en kan een deel van de vrije kas aan aandeelhouders teruggeven. Dat is een duidelijke verbetering ten opzichte van de periode waarin groei vooral nieuwe productieverplichtingen en kasuitgaven vroeg. Toch maakt een groot inkoopbedrag op zichzelf het aandeel niet goedkoper. De eerste module begint met een illustratieve jaarlijkse vrije kasstroom van $11,5 miljard. Als 55% daarvan naar inkoop gaat en de gemiddelde prijs $67,06 bedraagt, kunnen bruto ongeveer 94 miljoen aandelen worden gekocht. Wie de schuif verandert, ziet direct hoeveel het resultaat afhangt van kas en prijsdiscipline. Een lage koers helpt de blijvende aandeelhouder. Voor hetzelfde bedrag kan Netflix meer stukken intrekken. Een hoge koers doet het omgekeerde. Daarom is inkoop vooral aantrekkelijk wanneer het bestuur onder de intrinsieke waarde koopt en tegelijk genoeg overhoudt voor content, technologie, marketing en een gezonde balans. De kapitaalkeuze is belangrijk omdat Netflix verschillende bestemmingen voor dezelfde dollar heeft. Extra content kan nieuwe leden trekken of opzeggingen beperken. Technologie kan advertenties beter richten. Schuldafbouw verlaagt de rentelast. Aandeleninkoop verhoogt het belang van iedere resterende aandeelhouder. De beste keuze is degene met het hoogste verwachte rendement, niet automatisch de keuze met het grootste persbericht. Verwatering werkt stiller dan inkoop Aandelenbeloning is een echte economische kostenpost. Zij vraagt op het moment van toekenning niet dezelfde kas als salaris, maar geeft wel een deel van het bedrijf aan werknemers. Wanneer Netflix die verwatering later terugkoopt, is een deel van het inkoopprogramma feitelijk compensatie en geen kapitaalteruggave. De tweede module vertaalt aandelenbeloning naar nieuwe aandelen tegen een instelbare gemiddelde koers. Daarna wordt die uitgifte afgezet tegen de illustratieve bruto inkoop. De netto krimp kan aanzienlijk lager uitvallen dan het aantal ingekochte stukken suggereert. Dat betekent niet dat aandelenbeloning verkeerd is. Voor een technologie- en mediabedrijf kan zij talent binden en belangen gelijkrichten. Het financiële punt is smaller: beleggers moeten niet dezelfde inkoopdollar eerst als vergoeding voor verwatering en daarna nogmaals als extra rendement tellen. De zuiverste controle staat in de kwartaalrapportage. Kijk naar het verwaterde gewogen gemiddelde aantal aandelen en vergelijk dat over meerdere perioden. Een daling bewijst dat inkoop sneller loopt dan uitgifte. Een vlakke lijn betekent dat veel kas nodig was om alleen de noemer gelijk te houden. Waarom Netflix überhaupt kan inkopen Het verdienmodel heeft schaal. Een succesvolle serie kan wereldwijd worden aangeboden zonder dat iedere extra kijker dezelfde distributiekosten veroorzaakt. Zodra content, technologie en marketing zijn betaald, kan extra omzet relatief veel operationele winst opleveren. Die schaal is niet onbeperkt. Content blijft een concurrerende markt. Producenten, acteurs en sportrechtenhouders weten dat Netflix een grote afnemer is. Liveprogramma's kunnen acquisitie helpen, maar vragen vaak vaste rechten voordat de kijker arriveert. Advertenties kunnen extra opbrengst per kijkuur leveren, maar brengen verkoopkosten, meetkosten en privacyverplichtingen mee. Het sterkste argument voor verdere margegroei is dat Netflix prijs, abonnementenmix en advertenties tegelijk kan inzetten. Het sterkste tegenargument is dat prijsverhogingen op termijn opzeggingen uitlokken en dat kijkers gemakkelijk tussen diensten wisselen. Een hogere winst per lid is pas duurzaam wanneer engagement en retentie niet te veel verslechteren. De concurrentie komt bovendien niet alleen van andere streamers. YouTube, sociale media, games en traditionele televisie strijden om dezelfde vrije tijd. Netflix hoeft niet iedere minuut te winnen, maar wel genoeg dagelijkse relevantie te houden om een abonnement vanzelfsprekend te maken. Wat moet $67,06 waarmaken? De reverse valuation draait de gebruikelijke redenering om. We beginnen niet met een koersdoel, maar met de huidige prijs en een mogelijke eindmultiple. Bij $67,06 en 20,5 keer vrije kas is in 2029 ongeveer $3,27 vrije kas per verwaterd aandeel nodig om alleen de prijsbasis te dragen. Dat bedrag ligt dicht bij de gebruikte basis. De echte rendementseis komt daarom uit groei, netto aandelenkrimp en de multiple die beleggers over drie jaar nog willen betalen. Als de vrije kas per aandeel nauwelijks groeit en de multiple daalt, kan een degelijk bedrijf toch een matige belegging zijn. De module maakt ook zichtbaar waarom inkoop niet dubbel mag worden geteld. Een lagere aandelenbasis verhoogt de vrije kas per aandeel. Daarna mag dezelfde inkoop niet nog eens als extra ondernemingswaarde worden toegevoegd. De kas is immers al uitgegeven. Schuld en kas verdienen dezelfde discipline. Netto kas kan waarde toevoegen, terwijl schuld rente en herfinancieringsrisico meebrengt. In deze vereenvoudigde koerspaden zit dat effect in de gekozen vrije-kasbasis en multiple. Een uitgebreid ondernemingswaardemodel zou de balans afzonderlijk verwerken. Drie mogelijke koerspaden Het bearpad veronderstelt dat groei afzwakt, prijsverhogingen meer opzeggingen veroorzaken en de multiple daalt. Het middenpad neemt gematigde groei van vrije kas per aandeel en een kleine netto aandelenkrimp aan. Het gunstige pad vraagt tegelijk sterkere advertenties, stabiele engagement en een hogere kasconversie. De uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 zijn scenario's, geen koersdoelen. De formule is zichtbaar in de module: basis per aandeel maal multiple maal het netto effect van de aandelenbasis. Door groei, multiple en verwatering afzonderlijk te wijzigen, wordt duidelijk welke aanname het meeste gewicht draagt. Een tegenvaller hoeft niet uit de winst- en verliesrekening te komen. Netflix kan een goed winstkwartaal rapporteren terwijl contentbetalingen de kas tijdelijk drukken. Omgekeerd kan een gunstige betalingstiming de vrije kas tijdelijk opblazen. Daarom is een reeks van kwartalen belangrijker dan een losse periode. Voor de volgende rapportage zijn drie controles voldoende. Daalt het verwaterde aantal aandelen echt? Groeit vrije kas per aandeel sneller dan de operationele winst? En blijft engagement sterk genoeg om prijs en advertenties te dragen? Netflix heeft de luxe bereikt om groei, content en inkoop tegelijk te financieren. De koers van $67,06 vraagt nu dat die luxe niet alleen in bruto miljarden zichtbaar is, maar in een steeds groter aandeel in de kas voor iedere overblijvende eigenaar. Lees ook: Netflix levert wat het beloofde en wordt toch lager gezet.

  • Verkopers en advertenties moeten de winkel van Amazon dragen

    In het kort Amazon sloot op 2 oktober op $251,52. Bij de kwartaalcijfers van 30 juli rapporteerde het bedrijf $46,8 miljard omzet uit diensten aan externe verkopers en $19,8 miljard uit advertenties. Samen is dat $66,6 miljard in één kwartaal. Deze platformlaag zit boven op de winkel en kan economisch aantrekkelijker zijn dan het zelf inkopen, opslaan en bezorgen van producten. De kwartaalomzet van online winkels bedroeg $70,4 miljard. Die vergelijking maakt de verschuiving zichtbaar: Amazon is al lang niet meer alleen een webwinkel. Het bedrijf verhuurt bereik, betaalmogelijkheden, opslagruimte en advertentieposities aan miljoenen verkopers. De waardering hangt af van hoeveel winst die diensten toevoegen zonder dat verkopers of toezichthouders de rekening te hoog vinden. Direct naar een onderdeel van dit artikel Omzet die niet dezelfde euro meet Het vliegwiel werkt in twee richtingen Concurrentie komt van meerdere kanten Genormaliseerde winst blijft nodig Wat moet $251,52 waarmaken? Drie koerspaden De kern voor beleggers Omzet die niet dezelfde euro meet Bij een artikel dat Amazon zelf verkoopt, boekt het bedrijf meestal de volledige verkoopprijs als omzet en staan inkoop en logistiek bij de kosten. Bij een externe verkoper boekt Amazon vooral vergoedingen voor bemiddeling, fulfilment en andere diensten. De waarde van het verkochte product staat niet volledig als Amazon-omzet in de boeken. Daardoor kan een dollar omzet uit verkopersdiensten winstgevender zijn dan een dollar winkelomzet. Hetzelfde geldt voor advertenties. Een gesponsorde plek in de zoekresultaten vraagt geen voorraad en gebruikt verkeer dat al op het platform aanwezig is. De extra kosten kunnen laag zijn, hoewel Amazon geen afzonderlijke advertentiemarge rapporteert. Dat laatste is belangrijk. We kunnen de economische richting goed zien, maar de precieze bijdrage niet uit de segmentcijfers halen. De interactieve berekening gebruikt daarom expliciete modelmarges. Zij laat zien hoeveel operationele bijdrage mogelijk is wanneer verkopersdiensten bijvoorbeeld 20% en advertenties 50% bijdragen. Dat zijn aannames, geen gerapporteerde marges. Het vliegwiel werkt in twee richtingen Meer externe verkopers vergroten het assortiment. Een groter assortiment trekt klanten, meer klanten maken het platform aantrekkelijker voor verkopers en die verkopers kopen advertenties en logistieke diensten. Prime versterkt dit netwerk met snelle levering en terugkerende abonnementen. Dat is het klassieke vliegwiel van Amazon. Het kan ook de andere kant op draaien. Hogere vergoedingen verhogen de prijs voor de verkoper. Die kan de rekening doorgeven aan de consument, minder adverteren of andere verkoopkanalen zoeken. Wanneer betaalde advertenties een steeds groter deel van het zoekresultaat innemen, kan de klant minder vertrouwen krijgen in de relevantie. Amazon moet dus meer verdienen zonder de ervaring van koper en verkoper uit te hollen. De mix van 61% verkochte eenheden door externe verkopers in het tweede kwartaal laat zien hoe belangrijk dit evenwicht is. Amazon bezit bij die transacties vaak niet de voorraad, maar kan wel verdienen aan opslag, levering, betaling en reclame. Dat maakt de kapitaalintensiteit lager dan bij eigen retail, al blijven magazijnen, transport en technologie kostbaar. Concurrentie komt van meerdere kanten Walmart verbetert zijn marktplaats en advertentieactiviteiten. Shopify helpt merken een eigen winkel te bouwen. Temu en andere prijsgerichte platforms trekken consumenten met een ander aanbod. Google en sociale platforms concurreren om advertentiebudgetten voordat de klant Amazon bezoekt. Amazon heeft een voordeel dat moeilijk te kopiëren is: koopintentie. Iemand die op Amazon naar een product zoekt, staat dichter bij een transactie dan iemand die algemeen door sociale media bladert. Daardoor kan een advertentie meetbaarder zijn. Maar juist die waarde geeft toezichthouders en verkopers reden om de voorwaarden kritisch te bekijken. Een sterk tegenargument voor de positieve these is dat platformmarges deels afhangen van macht over de verkoper. Als regels het bundelen van fulfilment, plaatsing en advertentieproducten beperken, kan de omzetmix veranderen. Het hoeft de marktplaats niet te vernietigen, maar een kleine daling van de marge op $66,6 miljard kwartaalomzet heeft een groot effect. Genormaliseerde winst blijft nodig De gerapporteerde nettowinst van Amazon kan worden beïnvloed door herwaarderingen van deelnemingen. Voor een waardering van de dagelijkse activiteiten is operationele winst daarom bruikbaarder. Een eerdere eenvoudige normalisatie neemt viermaal de kwartaalbedrijfswinst, past een belastingdruk toe en deelt door ongeveer 10,9 miljard verwaterde aandelen. Zij kwam uit rond $7,57 winst per aandeel. Die methode is niet perfect. Amazon is seizoensgevoelig, rente en belastingen variëren en investeringen lopen ongelijk. Zij voorkomt wel dat een incidentele waarderingswinst een structurele winstmultiple krijgt. Bij $251,52 betaalt de markt op deze basis ongeveer 33 keer de genormaliseerde winst. De platformlaag moet die premie helpen verdienen. Wanneer verkopersdiensten en advertenties sneller groeien dan eigen retail en hogere marges hebben, stijgt de winst sneller dan de concernomzet. Wanneer Amazon lagere tarieven moet rekenen of logistieke kosten oplopen, verdwijnt een deel van die hefboom. Wat moet $251,52 waarmaken? Met ongeveer 10,9 miljard verwaterde aandelen bedraagt de beurswaarde rond $2,74 biljoen. Bij 8% gewenst koersrendement en een eindmultiple van 28 keer genormaliseerde nettowinst is in 2029 ongeveer $123 miljard winst nodig. Dat is een forse maar niet ondenkbare sprong voor een bedrijf met AWS, advertenties, marktplaatsdiensten en retail. Een eindmultiple van 22 keer vraagt duidelijk meer winst. Een multiple van 35 keer verlaagt de operationele drempel, maar schuift een deel van het rendement door naar de bereidheid van toekomstige beleggers om een premie te betalen. De reverse valuation telt geen winst uit herwaarderingen mee en voegt kas of aandeleninkoop niet nogmaals toe. Drie koerspaden Het bearscenario veronderstelt druk op platformmarges en blijvend hoge investeringen. Mogelijke koersen zijn $214 in 2027, $198 in 2028 en $190 in 2029. De omzet kan in dit scenario nog groeien, terwijl winst per aandeel en waardering achterblijven. Het middenscenario gaat uit van snellere groei bij verkopersdiensten en advertenties dan bij winkels, met een stijgende winst per aandeel. Dan volgen $273, $312 en $357. Het gunstige pad van $305, $374 en $458 vraagt dat de platformlaag schaalt, logistieke kosten per bestelling dalen en Amazon zijn onderhandelingsmacht behoudt. De formule is genormaliseerde winst per aandeel maal de gekozen waardering. De peildatum is 2 oktober 2026 en alle koersen zijn in dollars. Eventuele inkoop werkt alleen via de winst per verwaterd aandeel; zij wordt niet dubbel geteld. De kern voor beleggers De webwinkel brengt klanten en transacties binnen. De platformlaag probeert op die stroom meer winst te verdienen. Dat maakt $46,8 miljard verkopersdiensten en $19,8 miljard advertenties belangrijker dan hun plaats in een lange omzetlijst doet vermoeden. De kwartaaltoets is helder: groeien die twee omzetstromen sneller dan de winkel, stijgt de operationele winst mee en blijft het aantal aandelen beheerst? Als dat lukt, wordt Amazon steeds meer een platform met retail als distributiemotor. Als tarieven en kosten de marge drukken, kan veel omzet minder winstgevend blijken dan de huidige koers veronderstelt. Lees ook: hoe Amazon en Uber laten zien dat omzet zonder winstkwaliteit weinig zegt.

  • Robotaxi's van partners mogen de winst van Uber niet opeten

    In het kort Uber heeft zijn eerste autonome ritten met Wayve in Londen gelanceerd en werkt tegelijk aan uitrol met meerdere voertuig- en technologiepartners. Dat vergroot het aanbod op het platform, maar het zegt nog niet welk deel van een autonome rit uiteindelijk bij Uber blijft. Bij een koers van $68,11 en een beurswaarde van ongeveer $140 miljard draait de waardering daarom om platformmarge, niet alleen om het aantal ritten. Ons middenpad komt uit op $77,28 in 2027, $85,58 in 2028 en $94,77 in 2029. Dat zijn scenario’s op basis van eigen aannames, geen koersdoelen. Uber wil de centrale marktplaats voor mobiliteit blijven wanneer de chauffeur uit de auto verdwijnt. Op 3 september begon Wayve via Uber met autonome ritten in Londen. Een week later meldde Uber dat de samenwerking met WeRide en AVOMO als eerste in Spanje een nationale vergunning voor autonome personenritten had gekregen. De gebeurtenissen zijn concreet, maar nog klein tegenover de bestaande marktplaats van chauffeurs. Daarmee verschuift de beleggersvraag. Het is niet langer voldoende om te tellen hoeveel autonome partners Uber tekent. Belangrijker is wie het voertuig financiert, wie verzekering en onderhoud betaalt, welk deel naar de technologiepartner gaat en hoeveel Uber overhoudt voor vraag, betaling en klantenservice. Direct naar een onderdeel van dit artikel Uber verkoopt toegang, geen auto De nieuwste kwartaalcijfers geven een sterke basis Het beste tegenargument is schaal Wat de huidige koers al veronderstelt Waar het bewijs moet komen Uber verkoopt toegang, geen auto Het huidige model is aantrekkelijk omdat Uber zelf weinig voertuigen bezit. Chauffeurs en vlootpartners brengen het kapitaal in, terwijl Uber vraag bundelt en een vergoeding ontvangt. Bij robotaxi’s kan die kapitaallichte positie blijven bestaan, maar alleen als partners bereid zijn de voertuigen en technologie te financieren. Wayve levert de autonome technologie. Andere samenwerkingen voegen fabrikanten, vlootbeheerders of lokale operators toe. Uber brengt de klantrelatie, prijsstelling, boeking en betaling. Dat klinkt als een logische taakverdeling. Toch hebben al die partijen economische macht. Een robotaxi-eigenaar die voertuig, sensoren, energie, schoonmaak, onderhoud en stilstand draagt, zal geen chauffeurscommissie van Uber cadeau doen. De take rate, het deel van de brutoboekingen dat als omzet bij Uber terechtkomt, kan daardoor anders uitvallen dan bij ritten met menselijke chauffeurs. Een lagere vergoeding is aanvaardbaar wanneer autonome ritten veel extra volume opleveren en weinig extra platformkosten vragen. Een hoge vergoeding is minder waardevol wanneer Uber zelf garanties, voorfinanciering of vlootrisico moet dragen. De nieuwste kwartaalcijfers geven een sterke basis Bij de kwartaalcijfers van 5 augustus meldde Uber over het tweede kwartaal $58 miljard aan brutoboekingen, 24% meer dan een jaar eerder. De omzet steeg 12% naar $14,19 miljard. Dat verschil laat zien dat omzet en boekingen niet hetzelfde meten. Wijzigingen in de verslaggeving en het bedrijfsmodel drukten de gerapporteerde omzetgroei volgens Uber met acht procentpunten. De GAAP-bedrijfswinst bedroeg $1,89 miljard en de vrije kasstroom $2,79 miljard. De nettowinst werd geholpen door $1,6 miljard aan herwaarderingswinst vóór belasting. Voor een waardering is het daarom verstandiger om de operationele winst en kasstroom te volgen dan de gerapporteerde nettowinst één op één door te trekken. Uber heeft dus financiële ruimte om autonome partners te ondersteunen. Die ruimte is geen blanco cheque. Strategische investeringen, vooruitbetalingen en garanties kunnen buiten de normale platformkosten vallen. Een samenwerking kan operationeel succesvol lijken terwijl het rendement op de extra investering voor aandeelhouders tegenvalt. Het beste tegenargument is schaal De optimistische visie verdient een serieuze behandeling. Uber heeft in veel steden al vraag, betalingen, klantenservice en een groot netwerk van ritten. Een autonome aanbieder kan via dat netwerk sneller een hoge bezettingsgraad bereiken dan met een eigen app. Stilstaande robotaxi’s zijn duur. De partij die vraag op rustige uren kan bundelen, heeft dus echte waarde. Bovendien hoeft Uber niet één winnaar in autonome technologie te kiezen. Het kan Wayve, WeRide, Pony.ai en andere aanbieders naast elkaar zetten. Daardoor spreidt het technische risico en kan de klant in dezelfde app meerdere voertuigtypen krijgen. Die neutraliteit kan de marktplaats versterken. Het tegenargument is dat de beste autonome aanbieders zelf directe klantrelaties willen. Waymo en Zoox kunnen eigen apps blijven aanbieden. Wanneer één vloot in een stad duidelijk goedkoper of betrouwbaarder wordt, kan de waarde van een brede marktplaats afnemen. De strijd wordt dan lokaal beslist, niet door het wereldwijde aantal Uber-gebruikers. Wat de huidige koers al veronderstelt UBER sloot op 2 oktober op $68,11 aan de NYSE. De koers-winstverhouding van ongeveer 14,9 lijkt bescheiden, maar de winst per aandeel van $4,57 bevat posten die niet zonder meer structureel zijn. Voor onze omgekeerde waardering gebruiken we daarom $4,55 genormaliseerde winst per verwaterd aandeel en een eindmultiple van vijftien. Bij die aannames vraagt de huidige koers vrijwel geen winstgroei tot 2029. Dat is comfortabel, maar alleen wanneer de startwinst duurzaam is. Als herwaarderingen wegvallen, aandelenbeloning sneller groeit of robotaxi-investeringen veel kas vergen, ligt de echte basis lager. Onze scenario’s rekenen expliciet met de verandering van de aandelenbasis. Het bearscenario neemt 2% winstgroei, een multiple van 10,8 en iets ongunstiger uitvoering. Dat levert mogelijke koersen van $45,72 in 2027, $46,18 in 2028 en $46,64 in 2029. Het middenpad gebruikt 12% groei, vijftien keer winst en 1% netto aandelenkrimp: $77,28, $85,58 en $94,77. Het gunstige pad veronderstelt 20% groei, 16,8 keer winst en sterke schaalvoordelen: $95,40, $112,17 en $131,88. De formule is winst per aandeel maal de gekozen multiple, gecorrigeerd voor de netto verandering van de aandelenbasis. Dividend speelt geen rol, omdat Uber geen structureel dividendrendement biedt. De scenario’s zijn gevoelig voor normalisatie van de startwinst en voor de economische afspraken met autonome partners. Waar het bewijs moet komen De eerste toets is omzet per autonome boekingsdollar. Zonder die verhouding kan snel ritvolume weinig aandeelhouderswaarde opleveren. De tweede toets is de kas die Uber zelf moet inzetten voor voertuigen, garanties of belangen. De derde toets is de bezettingsgraad van autonome voertuigen tegenover die van menselijke chauffeurs. Ook regelgeving blijft belangrijk. Een vergunning bewijst dat exploitatie is toegestaan, niet dat een stad duizenden voertuigen accepteert. Ongevallen, verzekeringsvoorwaarden en lokale arbeidsregels kunnen de uitrol vertragen of duurder maken. Lees ook: Tussen deze twee aandelen is het grootste bedrijf niet vanzelf het beste aandeel. Uber heeft een geloofwaardige route om de vraagzijde van autonome mobiliteit te organiseren. De koers vraagt geen wonderbaarlijke winstgroei, maar wel dat de platformpositie economisch sterk blijft. Meer robotaxi’s zijn daarom goed nieuws wanneer elke extra rit na betalingen aan voertuig, vloot en technologie nog voldoende marge voor Uber achterlaat.

  • Ook de volgende auto moet bij de V2G-laadpaal passen

    Robin Berg van We Drive Solar (links) bij de presentatie van Utrecht Energized, met Eva Oosters, Anouk Poelmann, Jérôme Faton en Laurens van de Vijver. Archieffoto van 4 juni 2025: Renault Group / We Drive Solar, persbeeld. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Een auto met het etiket V2G-ready kan nog niet vanzelf met iedere laadpaal stroom terugleveren. ElaadNL wil daar duidelijkheid in brengen en houdt op 13 oktober een eerste bijeenkomst over een formeel label. Voor huishoudens die na het salderen hun auto als energiebuffer willen gebruiken, telt ook of het systeem blijft werken na een andere auto of energieleverancier. Een langere bruikbare levensduur kan financieel meer verschil maken dan een mooie opbrengst op één dure stroomdag. De laadpaal hangt aan de muur, maar de volgende auto staat nog niet vast. Dat is een ongemakkelijke combinatie voor wie nu extra betaalt om straks stroom te kunnen terugleveren. De installatie kan technisch nog jaren meegaan terwijl een andere auto, leverancier of beheerdienst de terugleverfunctie onbruikbaar maakt. Die onzekerheid krijgt nu aandacht van ElaadNL. Het kenniscentrum kondigde op 17 september aan met marktpartijen een formeel V2G-ready-label te willen ontwikkelen. De online startbijeenkomst staat voor 13 oktober gepland. Het is dus een traject naar afspraken, geen keurmerk waarop kopers vandaag al zonder meer kunnen vertrouwen. De aankondiging van ElaadNL noemt juist het ontbreken van een eenduidige definitie en de afhankelijkheid van specifieke combinaties. Direct naar een onderdeel van dit artikel De stekker is pas het begin Een certificaat beantwoordt niet iedere vraag Opzegbaar betekent nog niet uitwisselbaar Acht jaar besparen is iets anders dan drie jaar bezit Drie jaren zonder beloofde stroomprijs Een werkend gesloten systeem kan toch een goede aankoop zijn De stekker is pas het begin Volgens de Rijksoverheid stopt salderen op 1 januari 2027. Daardoor wordt het interessanter om zonnestroom te gebruiken wanneer die wordt opgewekt, of voor later te bewaren. Onze eerdere analyse van de elektrische auto als energiebuffer legt uit waarom daarbij het extra voordeel bovenop slim laden telt. Maar zelfs een overtuigende besparing op papier heeft weinig waarde als de installatie niet met de auto werkt. Bij vehicle-to-grid, V2G, levert de auto stroom aan het openbare net. Vehicle-to-home, V2H, gebruikt de accu voor de woning. Vehicle-to-load, V2L, voedt losse apparaten via een geschikte aansluiting. Die laatste mogelijkheid bewijst niet dat de auto ook via een laadpaal het huis of net kan voeden. Ook noodstroom voor de hele woning vraagt een daarvoor ontworpen installatie; een terugleverfunctie alleen is daarvoor onvoldoende. De Nederlandse geschiktheidsvoorwaarden van Renault en We Drive Solar, versie december 2025, beschrijven een hele keten. Een geschikte boordlader in de auto, een Solar Life-laadpunt, een passend energiecontract en de benodigde beheerdiensten moeten samen aanwezig zijn. De woning moet onder meer een slimme meter en een driefasenaansluiting hebben. De tekst noemt de Renault 4, Renault 5 en Alpine A290, maar koppelt geschiktheid aan uitvoering, productiedatum en controle van het voertuigidentificatienummer, het VIN. Een modelnaam in een advertentie is daarom te weinig. Hegg biedt op zijn actuele productpagina een VIN-controle en waarschuwt dat niet alle genoemde modellen geschikt zijn. Vraag vóór de bestelling om bevestiging voor de eigen auto én de aangeboden installatie. Dat is vooral relevant bij een occasion of een auto uit voorraad. Het onderstaande schema laat zien waarom één geschikt onderdeel nog geen werkend geheel oplevert. Een certificaat beantwoordt niet iedere vraag Er wordt wel degelijk vooruitgang geboekt. DEKRA meldde op 7 mei 2026 dat het op 21 april een conformiteitsverklaring voor de Nederlandse netcode had uitgereikt voor de geteste Solar City- en Solar Life-laadoplossingen. Dat is wezenlijk: terugleveren moet voldoen aan de technische eisen van het stroomnet. DEKRA beschrijft de reikwijdte van de beoordeling en de rol van communicatieprotocol ISO 15118-20. Daaruit volgt alleen niet dat elk ander automerk met die laadpaal werkt. Een protocol is een afspraak over communicatie. Een netcodebeoordeling gaat over aansluiting op het elektriciteitsnet. De vraag of de complete combinatie van auto, laadpunt, software en dienst functioneert, vraagt vervolgens om bewijs voor die combinatie. Die drie vragen worden in verkoopverhalen gemakkelijk door elkaar gehaald. ElaadNL werkt daarnaast aan de samenwerking tussen energiemanagementsystemen in huis en slimme apparaten. In zijn publicatie van 8 september benadrukt het centrum dat standaarden ook geïmplementeerd en in de praktijk getest moeten worden. Het gaat onder meer om afstemming tussen eigen zonnestroom, dynamische prijzen en de belasting van het net. Dat zijn verwante doelen, maar de goedkoopste stroomuren vallen niet automatisch samen met ruimte op de kabel in de eigen straat. Een toekomstig label kan de vergelijking tussen producten makkelijker maken. Het kan echter niet op zichzelf ontbrekende elektronica toevoegen of ieder oud apparaat geschikt maken. Voor een koper is de nuttige vraag daarom wat vandaag aantoonbaar werkt en welke toekomstige uitbreiding schriftelijk is toegezegd. Deze drie vormen van bewijs beantwoorden elk een andere vraag. Opzegbaar betekent nog niet uitwisselbaar Op de op 5 oktober geraadpleegde Solar Life-pagina noemt We Drive Solar Hegg als huidige samenwerkende energieleverancier. Dezelfde pagina bevat een oudere vooruitblik op EnergyZero. Die aankondiging bewijst niet dat een tweede route inmiddels voor elke particuliere klant beschikbaar is. Wie daarvan afhankelijk is, heeft een actuele bevestiging nodig. De aanbieder vermeldt ook dat het laadpuntabonnement maandelijks opzegbaar is en dat het laadpunt zonder abonnement als regulier laadpunt bruikbaar blijft. De vermelde prijs voor het abonnement bedraagt €7,95 per maand, of €95,40 per jaar. Stoppen met de dienst maakt de hardware dus niet automatisch waardeloos. Wel kan het extra nut verdwijnen waarvoor de koper bovenop een gewone laadoplossing heeft betaald. Dat is een andere vorm van afhankelijkheid dan een langlopend contract. Stel dat een huishouden elders een energieaanbod vindt dat voor zijn volledige verbruik €60 per jaar gunstiger is. Als overstappen de gewenste terugleverdienst onmogelijk maakt, is die gemiste besparing onderdeel van de afweging. Het bedrag van €60 is hier een rekenaanname, geen vastgesteld prijsverschil tussen Hegg en een concurrent. De vergelijking moet bovendien de hele jaarrekening omvatten, inclusief vaste kosten, inkoopopslagen, teruglevering en eventuele opzegkosten van het huidige contract. Ook de verantwoordelijkheden verdienen aandacht. In de algemene V2G-voorwaarden van Renault worden auto, aansturing en energiecontract bij verschillende partijen ondergebracht. Renault beschrijft zijn eigen rol als het beschikbaar stellen van de voertuigfunctie en bediening. Voor de koper maakt dat een concreet aanspreekpunt bij storingen en afspraken over ondersteuning belangrijk. Wie lost het op als de auto nog wel laadt, maar de teruglevering na een softwarewijziging stopt? Acht jaar besparen is iets anders dan drie jaar bezit Neem een huishouden dat €1.500 extra betaalt ten opzichte van een passende oplossing voor alleen slim laden. Dit is een gekozen investering voor onze rekensom, geen prijsopgave van een fabrikant. Gebruik in de eigen vergelijking het werkelijke verschil tussen complete offertes, inclusief montage, meterkastwerk en eventuele vervanging van een bestaand laadpunt. Bij acht bruikbare jaren en een rekenrente van 4% moet gemiddeld €222,79 per jaar aan extra netto kasbesparing overblijven om die €1.500 te rechtvaardigen. Die rekenrente vertegenwoordigt de waarde van geld door de tijd en is geen aangeboden lening. De formule is investering maal rente, gedeeld door één min de factor (één plus rente) tot de macht min het aantal jaren. De besparing komt in dit model telkens aan het einde van het jaar binnen; restwaarde is nul. Als de terugleverfunctie na drie jaar niet meer bruikbaar is, stijgt de benodigde jaarlijkse netto besparing naar €540,52. De muurbeugel gaat misschien langer mee, maar voor de extra investering telt de periode waarin de extra functie waarde levert. Een gewone laadfunctie is al aanwezig in het goedkopere alternatief en mag dus niet nog eens als volledige restwaarde worden opgevoerd. Bij een als aanname gelijkblijvend abonnement van €95,40 moet vóór dat abonnement jaarlijks €318,19 overblijven voor de achtjaarssom. Bij drie jaar wordt dat €635,92. Komt daar jaarlijks €60 aan gemist contractvoordeel bij, dan stijgt de eerste drempel naar €378,19. Deze bedragen zijn ná variabele kosten en een reservering voor extra accugebruik, maar vóór het afgetrokken abonnement en contractverschil. Wie leent, moet de echte aflossingen, rente en kosten naast de kasbesparing leggen. De rekenrente hieronder is niet tegelijk een extra jaarlijkse factuur. Anders zou dezelfde financieringslast dubbel in de vergelijking belanden. De visualisatie maakt zichtbaar hoeveel de bruikbare levensduur van de terugleverfunctie uitmaakt. Drie jaren zonder beloofde stroomprijs Hoe gevoelig is de uitkomst voor daadwerkelijk gebruik? We rekenen voor 2027, 2028 en 2029 met een aangenomen extra marge van €0,15 per teruggeleverde kWh tegenover slim laden. Dit is een modelinvoer, geen toekomstig stroomtarief of gemeten gemiddelde. In die marge moeten energie-inkoop, omzettingsverliezen, misgelopen vergoeding voor zonnestroom, belastingen, variabele vergoedingen en een reservering voor extra slijtage al verwerkt zijn. Het gaat uitsluitend om het aanvullende gebruik voor terugleveren, niet om stroom waarmee de auto rijdt. Het lage scenario veronderstelt achtereenvolgens 500, 600 en 700 kWh per jaar, plus €60 jaarlijks contractnadeel. Het middenscenario gebruikt 1.400, 1.600 en 1.800 kWh, zonder contractnadeel. Het hoge scenario neemt 2.400, 2.800 en 3.200 kWh aan, eveneens zonder contractnadeel. De oplopende volumes zijn expliciete aannames over meer bruikbare momenten, geen voorspelling van marktgroei. In alle gevallen trekken we jaarlijks €95,40 af. Het huidige abonnementsbedrag houden we alleen voor deze vergelijking constant. De formule is volume maal €0,15, min €95,40, min het eventuele contractnadeel. In het midden resteert daarmee €114,60 in 2027, €144,60 in 2028 en €174,60 in 2029. Samen is dat €433,80, nog vóór financiering. Tegenover €1.500 startinvestering blijft na drie jaar €1.066,20 ongedekt. Zelfs het hoge scenario komt over die drie jaar op €973,80 en heeft de extra investering dan nog niet terugverdiend. Het lage scenario levert zelfs een negatief jaarlijks saldo op. In de praktijk kan stoppen met een opzegbare dienst dan verstandig zijn. Het model laat de dienst drie jaar doorlopen om zichtbaar te maken wat weinig gebruik en vaste kosten doen. De bedragen zijn kasruimte ná een slijtagevoorziening; die voorziening hoeft niet ieder jaar daadwerkelijk aan een reparatie te worden uitgegeven. Alle negen jaaruitkomsten staan hieronder. Ze testen de voorwaarden waaronder de aankoop kan werken; ze voorspellen niet wat een bestaande aanbieder zal uitbetalen. Een auto die vaak weg is, kan de hoge volumes niet zomaar halen. Er moet voldoende energie overblijven voor rijden, de auto moet aangesloten zijn op bruikbare momenten en de toegestane laadniveaus en garantievoorwaarden begrenzen het accugebruik. Een incidenteel groot prijsverschil is daarbij geen structurele marge. Vergoedingen uit andere regelingen of netdiensten tellen pas mee als ze daadwerkelijk beschikbaar zijn en extra zijn ten opzichte van slim laden. Dezelfde beschikbaarheid kan niet onbeperkt tegelijk voor meerdere diensten worden verkocht. Ook een fiscale meevaller is niet alvast ingeboekt. Het Kamerantwoord van 23 september beloofde vóór eind 2026 informatie over onderzoek naar dubbele energiebelasting en voortgang bij bidirectioneel laden, geen ingevoerde vrijstelling. Eigen zonnestroom opslaan en zelf gebruiken is bovendien een andere belastingroute dan netstroom kopen, terugleveren en later opnieuw netstroom afnemen. Een aanbiedersberekening moet die routes uit elkaar houden. Een werkend gesloten systeem kan toch een goede aankoop zijn De sterkste tegenwerping is praktisch: wachten op volledige uitwisselbaarheid levert vandaag geen besparing op. Een geïntegreerde combinatie kan juist prettig zijn doordat de onderdelen op elkaar zijn afgestemd. Wie de geschikte auto lang houdt, de dienst regelmatig gebruikt en een passende offerte krijgt, kan daar genoeg aan hebben. Vrije keuze is waardevol, maar niet tegen elke prijs. De uitkomst verandert zodra het huishouden binnen enkele jaren van auto wil wisselen of een ander energiecontract nodig heeft. Dan verdient een kortere terugverdienhorizon meer gewicht. Hetzelfde geldt als ondersteuning alleen voor een beperkte periode is toegezegd. Een toekomstige standaard is geen vervanging voor afspraken over het geleverde product. Voor de aankoop zijn daarom drie concrete antwoorden bepalend: welke combinatie werkt nu, wat blijft werken na opzegging en welke onderdelen kunnen zonder vervanging mee naar een volgende auto of aanbieder? Een verkoper die dat aantoonbaar kan beantwoorden, maakt zijn aanbod beter vergelijkbaar. Het V2G-ready-label kan daarbij helpen zodra de inhoud en toetsing vaststaan. Tot die tijd is de bruikbare levensduur van de hele combinatie een wezenlijk onderdeel van de prijs.

  • Wat levert de eerste satelliet Rheinmetall straks op?

    In het kort Rheinmetall en Argotec hebben hun eerste gezamenlijke satelliet gelanceerd. Het project past bij de ambitie om waarneming, besluitvorming en verdediging beter met elkaar te verbinden, maar levert nog geen onderbouwde grote omzetbijdrage op. De huidige waardering rust vooral op het bestaande defensiebedrijf en de uitvoering van het enorme orderboek. Bij €956,90 per aandeel moeten beleggers daarom onderscheid maken tussen een interessante nieuwe mogelijkheid en winst die daadwerkelijk verdiend kan worden. Een satelliet lanceren is een zichtbaar moment. Voor beleggers zit het lastigste werk vaak daarna: bewijzen dat de techniek onder echte omstandigheden werkt, een betalende klant vinden en het systeem tegen beheersbare kosten leveren. Rheinmetall staat met zijn ruimtevaartproject nog aan het begin van dat traject. Het nieuws is wel relevant. Moderne defensie draait niet alleen om voertuigen en munitie, maar ook om eerder zien wat er gebeurt en sneller reageren. Als Rheinmetall informatie uit de ruimte kan verbinden met systemen op de grond, kan het bedrijf meer onderdelen van die keten leveren. Dat is een andere kans dan simpelweg meer van hetzelfde produceren. Direct naar een onderdeel van dit artikel Wat er daadwerkelijk is gelanceerd Waarom deze uitbreiding logisch kan zijn De bestaande activiteiten moeten de waardering dragen Een fabriek vraagt eerst geld Wat moet Rheinmetall waarmaken bij €956,90? Negen koersen laten de bandbreedte zien Wat er daadwerkelijk is gelanceerd In een bericht van 2 oktober 2026 meldt Rheinmetall dat Rheinmetall Italia en Argotec op 1 oktober hun eerste satelliet met een Falcon 9-raket van SpaceX hebben gelanceerd vanaf Vandenberg in Californië. Het project moet mogelijkheden testen voor waarneming van signalen op de grond en dreigingen in de lucht. Verwerking van gegevens met AI en de verbinding met grondstations en commandosystemen spelen daarbij een rol. Een commandosysteem helpt een organisatie informatie om te zetten in beslissingen en instructies. De waarde zit uiteindelijk in bruikbare informatie op tijd, niet in het enkele feit dat er een satelliet in een baan om de aarde draait. Rheinmetall beschrijft het als een stap om operationele mogelijkheden onder echte omstandigheden te toetsen. De verdere planning bevat een volgende lancering in 2028. Een geslaagde lancering is nog geen bewezen commercieel product. In het bericht staat geen contractbedrag waarmee een concrete omzet- of winstbijdrage per aandeel kan worden berekend. Wat moet er dan gebeuren voordat het financieel telt? De techniek moet betrouwbaar functioneren, klanten moeten de gegevens bruikbaar vinden en de aansluiting op bestaande systemen moet slagen. Daarna volgen opdrachten, levering en eventueel terugkerende diensten. Elke stap kan tijd en extra geld kosten. Een vertraging verschuift niet alleen inkomsten, maar kan ook betekenen dat ontwikkelaars en infrastructuur langer betaald moeten worden. Waarom deze uitbreiding logisch kan zijn Rheinmetall heeft al activiteiten in luchtverdediging, elektronica, voertuigen en munitie. Informatie uit de ruimte kan zulke producten aanvullen. Een klant die verschillende onderdelen als één werkend geheel koopt, kan minder integratiewerk hebben. Voor de leverancier kan dat een bredere klantrelatie opleveren en ruimte bieden voor onderhoud, software en toekomstige upgrades. Daar staat een serieuze tegenwerping tegenover. Een defensiebedrijf met sterke fabrieken wordt niet vanzelf een sterke ruimtevaartleverancier. Er bestaan gespecialiseerde satellietbouwers, gegevensaanbieders en grote defensieconcerns die om dezelfde budgetten concurreren. Bovendien kunnen overheden juist eisen dat systemen van verschillende leveranciers samen functioneren, zodat ze niet afhankelijk worden van één partij. De samenwerking met Argotec vermindert de noodzaak om alles zelf te ontwikkelen. Toch blijven vragen over eigendom van de techniek, verdeling van kosten, toekomstige financiering en commerciële schaal relevant. Zolang daar geen bedragen bij staan, is het verstandiger deze activiteit als een mogelijke uitbreiding te behandelen dan alvast een groot bedrag bij de beurswaarde op te tellen. De bredere achtergrond staat in het artikel over defensie als steun voor de Nederlandse economie. Hogere defensiebudgetten bieden kansen, maar het maakt voor de aandeelhouder veel uit welk bedrijf de opdrachten krijgt en hoeveel er na uitvoering overblijft. De bestaande activiteiten moeten de waardering dragen Bij de halfjaarcijfers van 6 augustus rapporteerde Rheinmetall €5,227 miljard omzet, 39% meer dan een jaar eerder. Het operationele resultaat steeg 74% naar €786 miljoen. De operationele marge bedroeg 15%: van iedere honderd euro omzet bleef op deze resultaatmaatstaf vijftien euro over, vóór onder meer rente en belasting. Die groepsmarge verbergt verschillen. Wapens en munitie behaalden €1,757 miljard omzet met een operationele marge van 23,7%. Bij voertuigen was de marge 11,3% en bij digitale systemen 7,7%. Luchtverdediging kwam op 16%. De samenstelling van de groei bepaalt dus mee hoeveel winst ontstaat. Een extra miljard omzet uit een lager gemargineerde activiteit heeft niet dezelfde waarde als een miljard uit munitie. Het orderboek bedroeg €80,5 miljard. Dat getal omvat ook verwachte afroepen uit raamovereenkomsten. Een raamovereenkomst legt de voorwaarden vast waaronder een klant later bestellingen kan plaatsen. Het volledige bedrag hoeft daardoor niet dezelfde zekerheid of hetzelfde leveringstempo te hebben als een vaste bestelling met een vast schema. Een eenvoudig voorbeeld laat zien waarom de uitvoering belangrijker wordt. Als jaarlijks 17% van een onveranderd orderboek van €80,5 miljard wordt geleverd, ontstaat ongeveer €13,69 miljard omzet. Bij 19% operationele marge is dat €2,60 miljard operationeel resultaat. Het is een rekenmodel zonder nieuwe orders, geen voorspelling van Rheinmetall. De werkelijke levering hangt af van fabrieken, onderdelen, personeel en toestemming van klanten. Voor heel 2026 verwachtte het bedrijf bij de halfjaarcijfers €13,7 tot €14,2 miljard omzet en een operationele marge van 19%. De omzetverwachting lag €300 miljoen lager door het wegvallen van werk rond het F126-fregattenprogramma. Dat is een nuttige herinnering dat een gunstige sectorontwikkeling individuele opdrachten niet onaantastbaar maakt. Een fabriek vraagt eerst geld De operationele vrije kasstroom bedroeg in de eerste jaarhelft min €1,616 miljard. Dat is een andere maatstaf dan operationele winst. Bij groei moet een bedrijf vaak eerst onderdelen inkopen, voorraden opbouwen en investeren. De klant betaalt mogelijk pas later of in afgesproken termijnen. Een groot orderboek kan zo samengaan met tijdelijk veel geld dat de onderneming verlaat. Dat hoeft geen teken van een slecht bedrijf te zijn, maar de financiering moet wel toereikend blijven. Vooruitbetalingen van klanten helpen; tegenvallende mijlpalen, latere leveringen of hogere voorraden werken de andere kant op. Neem een denkbeeldige uitbreiding van €750 miljoen die bij volle benutting €1,2 miljard extra jaaromzet kan opleveren. Bij 65% benutting en 19% operationele marge ontstaat €148 miljoen operationeel resultaat. De investering is dan ongeveer vijf keer dat jaarlijkse resultaat. Dat is géén echte kasmatige terugverdientijd: belasting, onderhoud, werkkapitaal en de opstartperiode ontbreken nog. Het voorbeeld laat vooral zien hoe belangrijk voldoende bezetting is. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Een ruimtevaartproject voegt een ander soort onzekerheid toe. Waar extra munitiecapaciteit vaak aan concrete bestellingen kan worden gekoppeld, moet een nieuwe satellietdienst mogelijk eerst technisch en commercieel worden ontwikkeld. De aandeelhouder heeft er daarom belang bij dat Rheinmetall duidelijk maakt welke investeringen door bestaande opdrachten worden gedragen en welke op toekomstige vraag vooruitlopen. Lees ook: Is dit hét perfecte moment om dit defensie aandeel te kopen?. Rabi bespreekt daarin de afweging tussen defensiegroei en de prijs die beleggers daarvoor betalen. Wat moet Rheinmetall waarmaken bij €956,90? De koersmomentopname van 2 oktober bedraagt €956,90 op Xetra. De verwaterde winst per aandeel uit voortgezette activiteiten over de eerste jaarhelft was €8,43. Die halfjaarwinst simpelweg verdubbelen zou de timing van leveringen en de tweede jaarhelft te weinig recht doen. De waardering begint daarom bij de omgekeerde vraag: hoeveel winst is later nodig om deze prijs te dragen? Voor 10% jaarlijks koersrendement tot eind 2029 en een uiteindelijke koers-winstverhouding van 22 is ongeveer €59,23 winst per aandeel nodig. De formule is €956,90 × 1,10 tot de macht 3,24, gedeeld door 22. Het gewenste rendement is een eigen aanname, geen beloofde opbrengst. Een lagere toekomstige waardering maakt de lat hoger. Bij achttien keer de winst zou voor hetzelfde koersrendement ongeveer €72,40 winst per aandeel nodig zijn. Dividend kan het totaalrendement ondersteunen, maar verandert niet hoeveel winst de gekozen eindkoers moet onderbouwen. De satellietlancering op zichzelf bewijst niet dat die winst haalbaar wordt. Negen koersen laten de bandbreedte zien De onderstaande scenario’s gebruiken verwaterde winst per aandeel uit voortgezette activiteiten en een koers-winstverhouding voor eind 2027, 2028 en 2029. Rente, belasting en het aandelengetal zitten al in de winst per aandeel. Kas, schuld, aandeleninkoop en dividend worden daarom niet nog eens als losse bonus of aftrek aan de koers toegevoegd. In het bearscenario loopt de winst per aandeel op naar €30, €32 en €34, maar daalt de waardering naar 20, 18 en 17 keer de winst. Dat levert €600, €576 en €578 op. De onderneming groeit dan nog steeds, terwijl het aandeel lager kan staan omdat beleggers minder voor iedere euro winst willen betalen. Het middenpad rekent met €45, €55 en €65 winst per aandeel en multiples van 24, 23 en 22. De uitkomsten zijn €1.080, €1.265 en €1.430. In het gunstige scenario stijgt de winst naar €55, €75 en €95 bij multiples van 28, 27 en 26. Daar horen €1.540, €2.025 en €2.470 bij. Dit zijn eigen scenario’s, geen analistenconsensus. Vanaf €956,90 komt het middenpad tot eind 2029 neer op ongeveer 13% jaarlijks koersrendement, exclusief dividend. Dat vraagt een sterke winstgroei én een waardering die ruim boven een uitgesproken cyclische bodem blijft. De grootste bedreiging is niet noodzakelijk een gebrek aan defensievraag, maar een combinatie van uitvoeringsproblemen, lagere marges en een dalende bereidheid om toekomstige groei vooruit te betalen. De eerste satelliet maakt het verhaal breder. Voorlopig verdient hij vooral een plek op de lijst met ontwikkelingen om te volgen: werkt het systeem, komt er een klant en wat kost de volgende stap? De fabrieken, leveringen en marges van vandaag blijven bepalend voor hoeveel financiële ruimte Rheinmetall heeft om die nieuwe mogelijkheid uit te bouwen. Foto: Armin Papperger, CEO van Rheinmetall, op 28 augustus 2026. Mozamaniac, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0.

  • Is een tweede thuisbatterij slim of weggegooid geld?

    Sophie Hermans, die als minister van Klimaat en Groene Groei in 2024 het wetsvoorstel voor beëindiging van salderen mede indiende. Archieffoto van 16 februari 2026: Martijn Beekman en Valerie Kuypers / Rijksoverheid. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Een extra stekkerbatterij kan meer zonnestroom bewaren, zonder op hetzelfde moment meer stroom aan de woning te leveren. Bij HomeWizard blijft het gezamenlijke ontlaadvermogen standaard op 800 watt, ook wanneer er meerdere batterijen staan. Uitbreiden wordt pas interessant als de extra opslag én de aansluiting passen bij het verbruik dat na de eerste batterij overblijft. In onze voorbeeldberekening levert een tweede batterij met aangepaste aansluiting in 2027 tussen € 27 en € 167 extra kasbesparing op, tegenover € 1.495 aan extra investering. De zonnepanelen hebben overdag genoeg opgewekt en de thuisbatterij zit vol. Toch loopt tijdens het koken de stroomafname van het net op. Wie in de app vooral naar het laadpercentage kijkt, kan daaruit afleiden dat er een tweede batterij nodig is. Maar een volle batterij vertelt alleen hoeveel energie er beschikbaar is. Niet hoe snel die energie de keuken kan bereiken. Dat onderscheid wordt belangrijker nu het einde van salderen dichterbij komt. Volgens de Rijksoverheid stopt de regeling op 1 januari 2027. Meer eigen zonnestroom bewaren kan dan geld opleveren. Maar extra opslag kopen is geen garantie dat de rekening evenredig daalt. De vraag is wat juist die tweede batterij toevoegt aan een woning waar de eerste al werk doet. Direct naar een onderdeel van dit artikel Twee batterijen kunnen even langzaam leveren als één Wat er tijdens een avond koken gebeurt Meet wat de eerste batterij laat liggen Welke besparing rechtvaardigt € 1.495 extra? Drie uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 Uitbreidbaar is iets anders dan vanzelf rendabel Twee batterijen kunnen even langzaam leveren als één Een concreet voorbeeld staat in de installatie-instructie van HomeWizard, bijgewerkt op 26 augustus 2026. Twee Plug-In Battery's kunnen samen met maximaal 1.600 watt laden. Het gezamenlijke ontlaadvermogen blijft standaard 800 watt. Voor meer ontlaadvermogen schrijft de fabrikant een eigen groep zonder andere apparaten voor en adviseert hij een installateur. Alleen een tweede apparaat aansluiten maakt de stroomtoevoer naar de woning dus nog niet twee keer zo groot. Volgens de productspecificaties heeft één module een nominale capaciteit van 2,688 kilowattuur. Twee modules komen op 5,376 kilowattuur. Dat is de hoeveelheid energie in de opslag. Het vermogen, uitgedrukt in kilowatt, bepaalt hoe snel die voorraad kan worden gevuld of gebruikt. De nominale capaciteit is bovendien niet hetzelfde als de hoeveelheid wisselstroom die uiteindelijk de apparaten bereikt. De beperking is een eigenschap van deze configuratie, geen algemene conclusie over alle stekkerbatterijen. Wie een ander systeem vergelijkt, heeft drie afzonderlijke getallen nodig: bruikbare opslag, laadvermogen en ontlaadvermogen. Vraag daarbij naar het gezamenlijke vermogen na uitbreiding. Twee identieke getallen op twee dozen zeggen nog niet wat de besturing samen toestaat. Wat er tijdens een avond koken gebeurt Neem een vereenvoudigde avond waarop de woning één uur lang 1,8 kilowatt vraagt en vervolgens vijf uur lang 0,3 kilowatt. Het totale verbruik is 3,3 kilowattuur. Er is geen zon meer. In dit eigen rekenvoorbeeld kan één volle batterij 2,4 kilowattuur aan de woning leveren en kunnen twee volle batterijen 4,8 kilowattuur leveren. Dat zijn aannames om het mechanisme te laten zien, geen testuitslagen van het besproken product. Met maximaal 0,8 kilowatt uit de batterij komt in het eerste uur 0,8 kilowattuur uit de opslag en 1 kilowattuur van het net. In de volgende vijf uur kan de batterij de volledige 1,5 kilowattuur leveren. Totaal: 2,3 kilowattuur uit opslag. Een tweede volle batterij verandert die uitkomst gedurende deze zes uur niet zolang de gezamenlijke grens gelijk blijft. Kan de combinatie na een passende installatie wél 1,6 kilowatt leveren, dan daalt de netafname in het eerste uur naar 0,2 kilowattuur. Over de hele avond leveren de batterijen 3,1 kilowattuur. De uitbreiding bespaart in dit voorbeeld dus 0,8 kilowattuur netafname. Niet de volle inhoud van de extra batterij. We verwaarlozen korte schakelmomenten en veronderstellen dat het genoemde vermogen continu beschikbaar is. Daar staat een sterke tegenwerping tegenover. Een woning gebruikt ook na die zes uur stroom. Als de eerste batterij 's nachts leeg raakt, kan de tweede met dezelfde vermogensgrens langer doorgaan. Dan heeft extra capaciteit wel degelijk waarde. En een hoger laadvermogen kan op zonnige momenten meer overschot opvangen. Het gaat erom welk probleem de woning werkelijk heeft: een korte hoge vraag, een lange lage vraag of te weinig ruimte om overdag stroom op te slaan. Meet wat de eerste batterij laat liggen Een bruikbare uitbreiding begint daarom bij het resterende verbruik. In ons eerdere artikel over de groei van batterijregistraties stond de keuze voor opslag centraal. Hier is de eerste batterij al aanwezig. De besparing daarvan mag niet nogmaals worden gebruikt om een tweede exemplaar terug te verdienen. Verschuif eerst het verbruik dat zonder extra opslag kan, bijvoorbeeld een vaatwasprogramma naar een geschikt zonnig moment. Bekijk daarna per kwartier de netafname, teruglevering en batterijstand. Blijft er overdag teruglevering over terwijl de eerste batterij vol is? En ontstaat later diezelfde dag netafname doordat hij leeg is? Juist die combinatie wijst op ruimte voor extra capaciteit. Een hoge netafname terwijl er nog genoeg energie in de batterij zit, wijst eerder op vermogen of aansturing. Eén zomerdag volstaat niet als jaarbewijs. Gebruik liefst twaalf maanden meetgegevens en reken de uitbreiding op dezelfde tijdstappen door. Het model moet achtereenvolgens controleren of er zonne-overschot is, of het laadvermogen voldoende is, of de opslag nog ruimte heeft en of er later passende vraag overblijft. Zo worden zonnestroom die al direct wordt gebruikt en besparingen van de eerste batterij niet opnieuw meegeteld. Dat de praktijk van de verpakking kan afwijken, blijkt ook uit de testtoelichting van de Consumentenbond van 8 september 2026. De bond testte zeven stekkerbatterijen en keek onder meer naar werkelijk bruikbare capaciteit, verliezen en prestaties bij verschillende temperaturen. Dat maakt een prijs per nominale kilowattuur een beperkt vergelijkingsgetal. Voor de rekening telt hoeveel extra bruikbare stroom er op het juiste moment beschikbaar komt. Welke besparing rechtvaardigt € 1.495 extra? De HomeWizard-webwinkel vermeldt op de peildatum, 5 oktober 2026, een consumentenprijs van € 1.195 voor één batterij. Voor ons uitbreidingsvoorbeeld voegen we € 300 toe voor aanpassing van de aansluiting. Dat installatiebedrag is een rekenaanname, geen offerte of landelijk gemiddelde. De benodigde meter is in deze woning al aanwezig bij de eerste batterij. De extra investering bedraagt daarmee € 1.495. We trekken geen subsidie of btw-teruggave af. Reken terug vanuit dat bedrag. Bij tien bruikbare jaren, geen restwaarde en 4% rekenrente is jaarlijks € 184,32 netto besparing nodig. De formule is € 1.495 × 0,04 ÷ [1 − 1,04 tot de macht −10]. Dat bedrag is ná lopende kosten. De rekenrente drukt uit dat geld vandaag ook een andere bestemming heeft; het is geen extra energiefactuur en geen aangeboden lening. Voor de opbrengst nemen we € 0,30 vermeden variabele inkoopkosten per geleverde kilowattuur, inclusief belastingen. Zonnestroom die anders naar het net ging, had in dit voorbeeld netto € 0,06 per geladen kilowattuur opgebracht. Met 90% rendement over laden en ontladen is voor één geleverde kilowattuur 1 ÷ 0,90 kilowattuur zonne-overschot nodig. De marge wordt dus € 0,30 − € 0,06 ÷ 0,90 = ongeveer € 0,233 per geleverde kilowattuur. We reserveren daarnaast € 20 per jaar voor extra sluipverbruik en klein onderhoud. Zonder jaarlijkse achteruitgang vraagt dit ongeveer 876 extra geleverde kilowattuur per jaar. Nemen we 2% jaarlijkse daling van de bruikbare jaaropbrengst aan, dan moet de uitbreiding in het eerste jaar ongeveer 951 kilowattuur extra leveren om dezelfde investering over tien jaar te rechtvaardigen. Die daling is een modelaanname, geen voorspelling voor dit product. De vergoeding van zes cent is hier al netto na de veronderstelde variabele terugleverkosten. Die kosten trekken we niet nog eens af. Vaste tariefschijven blijven in dit model gelijk. Levert minder terugleveren werkelijk een lagere vaste schijf op, dan hoort alleen dat aantoonbare verschil erbij. Alle tarieven zijn scenario-invoer, geen vastgestelde prijzen voor 2027. Een dynamisch contract vraagt dezelfde berekening per tijdvak. Drie uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 We rekenen met aanschaf aan het begin van 2027. In het lage scenario levert de uitbreiding in dat eerste jaar 200 kilowattuur extra aan de woning, in het middenscenario 450 en in het hoge scenario 800. Deze volumes komen boven op direct verbruik en de bijdrage van de eerste batterij. Ze zijn gekozen om de gevoeligheid te tonen, niet gemeten of beloofd. Elk volgend jaar daalt het volume in het model met 2%; prijzen en de jaarlijkse kostenpost blijven gelijk. De jaarlijkse kasbesparing is extra geleverde kilowattuur × € 0,23333 minus € 20. Er komen geen handelsinkomsten bovenop, want dezelfde opslagruimte en dezelfde stroom kunnen niet tegelijk volledig voor eigen verbruik én handel worden benut. Financieringslasten zijn niet inbegrepen: dit huishouden betaalt uit eigen middelen. Bij een lening moeten de feitelijke betalingen apart worden verwerkt. Na drie jaar is cumulatief ongeveer € 77, € 249 of € 489 terugverdiend. In geen van deze scenario's is de investering dan gedekt. Zelfs het hoge scenario begint onder de circa 951 kilowattuur die de omgekeerde rekensom vraagt. Wie een kortere levensduur, een duurdere installatie of lagere vermeden inkoopkosten verwacht, legt de lat hoger. Lagere aanschafkosten of aantoonbaar meer benutting kunnen de verhouding verbeteren. Uitbreidbaar is iets anders dan vanzelf rendabel Tien jaar doorrekenen betekent niet dat tien jaar kosteloze werking is toegezegd. In de garantie-uitleg van HomeWizard van 26 augustus 2026 staan twee jaar fabrieksgarantie en daarna een Swap Service voor jaar drie tot en met zeven, tot maximaal 4.000 laadcycli. Voor zo'n vervanging noemt de fabrikant € 329, een bedrag dat kan veranderen. Een eventuele vervanging is niet in onze jaarlijkse € 20 opgenomen en verlaagt het rendement verder. Fabrieksvoorwaarden staan bovendien naast eventuele wettelijke rechten. Ook de fysieke uitbreiding moet passen. De Brandweer adviseert voor thuisbatterijen onder meer een goed geventileerde plaats, een vrije vluchtroute en een rookmelder. Meer vermogen is daarom geen reden om een veiligheidsinstelling op eigen initiatief te verruimen. Laat de benodigde aansluiting en de kosten beoordelen voordat die extra stroomlevering in de besparingsberekening belandt. Een tweede batterij kan een logische aankoop zijn voor een woning met terugkerend zonne-overschot én lange avond- of nachtvraag. Hij kan ook een dure manier zijn om naar een hoger laadpercentage te kijken. Het onderscheid is meetbaar: hoeveel netafname verdwijnt er extra, nadat de eerste batterij en eenvoudig verschuifbaar verbruik hun werk al hebben gedaan? Dat getal bepaalt de financiële ruimte voor uitbreiding. Het aantal kilowattuur op de verpakking doet dat niet.

  • Hoeveel quantum zit er echt in de ETF van VanEck?

    In het kort De VanEck Quantum Computing UCITS ETF combineert jonge quantumontwikkelaars met grote, winstgevende concerns. Daardoor koopt een belegger niet alleen een gok op de beste quantumcomputer, maar ook bestaande software-, industrie- en financiële activiteiten. Die mix kan schokken dempen, al verdunt zij ook het voordeel wanneer één specialist doorbreekt. Bij €26,565 draait de waarderingsvraag om meer dan technische vooruitgang: groei per aandeel, de portefeuilleverdeling en de prijs voor toekomstige resultaten tellen samen. Wie een quantumfonds koopt, wil waarschijnlijk deelnemen aan een nieuwe technologie zonder zelf de uiteindelijke winnaar te hoeven kiezen. Dat is begrijpelijk. Alleen zegt het woord quantum op de verpakking nog niet hoeveel van het toekomstige rendement werkelijk van quantumcomputers afhankelijk is. Een groot concern kan veel onderzoek doen en toch vrijwel al zijn winst uit bestaande producten halen. Een kleine specialist kan volledig op quantum gericht zijn, maar voorlopig verlies maken en geld moeten ophalen. Het fonds bezit beide typen bedrijven. De spreiding verlaagt de afhankelijkheid van één onderneming, niet automatisch de afhankelijkheid van hoge verwachtingen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Wat er precies wordt gekocht Twee soorten bedrijven, twee soorten waardering Het recente nieuws laat zien waar de bewijslast ligt Nieuwe aandelen maken het groeiverhaal smaller Wat moet de mix opleveren? Mogelijke ETF-koersen tot eind 2029 Wat er precies wordt gekocht We kijken hier naar de VanEck Quantum Computing UCITS ETF, de accumulerende USD-klasse met ISIN IE0007Y8Y157. Op Xetra handelt het fonds in euro’s onder de ticker QUTM. Op 2 oktober 2026 rond 17.35 uur Nederlandse tijd stond de koers op €26,565, zoals te zien in de historische beursnotering. De koers kan inmiddels zijn veranderd; kijk voor de laatste stand bij De Belegger-data voor QUTM. Het fonds houdt de aandelen fysiek aan. Accumulerend betekent dat ontvangen dividend binnen het fonds wordt herbelegd. De jaarlijkse fondskosten bedragen 0,55 procent, volgens het fondsdocument van VanEck. Dat is €5,50 per jaar per €1.000 belegd vermogen als het vermogen gelijk blijft, los van brokerkosten en belasting. De factsheet per 31 augustus telde 31 posities. IonQ, Microsoft, NEC, D-Wave en NTT behoorden toen tot de grootste belangen. De tien grootste vormden samen 49,44 procent. Dit is een gedateerde portefeuillefoto; marktbewegingen en indexaanpassingen kunnen de gewichten sindsdien hebben veranderd. De actuele fondskoers maakt die oudere gewichten niet vanzelf actueel. Waarom zitten er ook banken en industriële ondernemingen in zo’n fonds? Omdat economische blootstelling aan een technologie breder kan zijn dan het verkopen van de computer zelf. Onderzoek, intellectueel eigendom en mogelijke toepassingen kunnen een bedrijf met het thema verbinden. Dat betekent nog niet dat quantum op korte termijn een materieel deel van zijn winst gaat leveren. Twee soorten bedrijven, twee soorten waardering Bij een winstgevend concern kan de waarde grotendeels worden beoordeeld op bestaande kasstromen. Quantum is dan een aanvullende mogelijkheid. Bij een jonge specialist ligt het omgekeerd: de toekomstige toepassing moet nog bewijzen dat zij de huidige investeringen en beurswaarde kan dragen. Dat verschil verdwijnt niet doordat beide aandelen in één ETF zitten. Een gezamenlijke koers-winstverhouding kan zelfs een verkeerd gevoel van eenvoud geven. VanEck vermeldde in de factsheet een verhouding van 20,13, maar zonder een bruikbare aansluiting van verlieslatende posities op die maatstaf is dat geen prijskaartje voor alle beloofde quantumwinsten. Verlieslatende bedrijven krijgen geen positieve winstbasis omdat het fonds een gemiddeld winstgetal publiceert. In de volgende module staat daarom een eenvoudig stressmodel: zeventig procent winstgevende concerns en dertig procent jonge specialisten. Dat is een eigen rekenverdeling, geen gemeten actuele samenstelling. Als het speculatieve deel veertig procent verliest en de rest gelijk blijft, daalt deze modelportefeuille twaalf procent. De verhouding kan worden aangepast: Het voordeel van de gemengde portefeuille wordt meteen duidelijk. Een technische tegenvaller bij één specialist hoeft niet het hele fonds te breken. Het nadeel is even concreet. Wanneer een kleine groep quantumspelers uitzonderlijk succesvol wordt, doet maar een deel van het belegde geld rechtstreeks mee. Het fonds koopt daarmee vooral een verdeling van mogelijkheden, geen zuivere blootstelling aan één toekomstige markt. Het recente nieuws laat zien waar de bewijslast ligt Op 23 september kondigde IonQ aan in 2027 een Superion-systeem te willen plaatsen in Nvidia’s onderzoekscentrum voor quantumcomputing. Dat is relevant voor de sector: quantumhardware komt dichter bij de klassieke rekensystemen waarmee klanten al werken. Een samenwerkingsaankondiging maakt echter nog niet duidelijk hoeveel extra betaalde rekentijd of productomzet daaruit volgt. Een quantumcomputer gebruikt qubits, rekenelementen die zich anders gedragen dan gewone bits. Meer qubits kunnen meer mogelijkheden bieden, maar alleen als de berekeningen voldoende betrouwbaar blijven. Fouten herstellen kost zelf ook capaciteit. Voor een bedrijf dat rekentijd koopt, telt uiteindelijk niet alleen de technische capaciteit, maar of een bruikbaar antwoord goedkoper, sneller of beter ontstaat dan met bestaande methoden. In ons overzicht van IonQ, D-Wave, Rigetti en QUBT worden die verschillende technische routes en financiële uitgangsposities naast elkaar gezet. Het fonds haalt de keuze tussen de namen gedeeltelijk weg, maar neemt de gezamenlijke vraag naar commerciële bruikbaarheid niet weg. Een redelijke positieve lezing is dat samenwerking met gevestigde rekensystemen de kans op bruikbare toepassingen vergroot. De sceptische lezing is dat een lange onderzoeksfase vooral meer uitgaven oplevert. Beide kunnen tegelijk waar zijn: de technologie kan vooruitgaan terwijl het rendement op de aandelen tegenvalt. Nieuwe aandelen maken het groeiverhaal smaller Voor de jonge bedrijven is financiering een wezenlijk onderdeel van de analyse. Verwatering betekent dat dezelfde onderneming over meer aandelen wordt verdeeld. Wie tien van honderd aandelen bezit, heeft tien procent. Na de uitgifte van nog eens twintig aandelen is dat belang nog 8,3 procent, als de belegger niet meedoet aan de uitgifte. Nieuw geld kan natuurlijk waarde creëren. Het kan een fabriek, onderzoeksprogramma of overname financieren. Maar een omzetstijging van veertig procent betekent bij vijftien procent extra aandelen slechts ongeveer 21,7 procent groei van de omzet per aandeel. De onderneming kan harder groeien dan het stukje onderneming dat één aandeel vertegenwoordigt. Dat effect zit in deze module: Dit is ook een reden om voorzichtig te zijn met het optellen van aangekondigde marktgroottes. Een grote mogelijke markt zegt weinig over het aandeel dat een bedrijf wint, de marge daarop en het aantal aandelen waarover de opbrengst uiteindelijk wordt verdeeld. En een succesvolle toepassing kan bij de gebruiker terechtkomen zonder dat de hardwareleverancier alle economische waarde krijgt. De verdeling tussen hardware, software en klantgebruik is herkenbaar uit de analyse van Nvidia’s positie in datacenters. Ook bij quantum kan aansluiting op bestaande software minstens zo belangrijk worden als de losse machine. Welke partij de prijs bepaalt, blijft een open vraag. Wat moet de mix opleveren? Voor een omgekeerde waardering gebruiken we geen fictieve positieve winst voor de specialisten. In het model groeit bij de winstgevende concerns de winst per aandeel. Bij de jonge bedrijven groeit de omzet per aandeel. Hun waardering wordt vervolgens vermenigvuldigd met een eindfactor: 0,75 betekent dat beleggers per eenheid omzet een kwart minder betalen dan nu. Het middenpad begint met de illustratieve 70/30-verdeling. Concernwinsten groeien zes procent per jaar. Hun waarderingsfactor daalt naar 0,95. Voor de specialisten daalt de factor naar 0,75. Met een onveranderde valuta, 0,5 procent herbelegd netto dividend en 0,55 procent kosten kan worden berekend welke groei van de omzet per aandeel nodig is voor een gekozen ETF-rendement: Dit is een gevoeligheidsanalyse van de huidige beleggingsgedachte, geen exacte waardering van alle 31 posities. De werkelijke gewichten, indexwisselingen, bedrijfsresultaten en valuta’s kunnen anders uitpakken. Juist daarom is de modelverdeling zichtbaar. Een enkel aantrekkelijk eindbedrag zonder die verdeling zou meer zekerheid suggereren dan de portefeuille toelaat. Lees ook: De verschillende bedrijfsmodellen achter de quantumhype. Vooral het verschil tussen omzet, verlies en kasbuffer helpt om de jonge fondsposities te begrijpen. Mogelijke ETF-koersen tot eind 2029 Het bearpad combineert twee procent jaarlijkse winstdaling bij concerns met vijf procent groei van de omzet per aandeel bij specialisten. Hun eindwaarderingsfactoren zijn 0,75 en 0,35; het valutamandje verliest jaarlijks drie procent tegenover de euro. De mogelijke jaareindekoersen zijn €21,08 in 2027, €17,60 in 2028 en €14,77 in 2029. Het middenpad gebruikt zes procent winstgroei en 25 procent omzetgroei per aandeel, eindfactoren 0,95 en 0,75 en onveranderde valuta. Daaruit volgen €29,00, €31,18 en €33,60. Het gunstige pad vraagt tien procent winstgroei en 45 procent omzetgroei per aandeel, hogere waarderingsfactoren en twee procent jaarlijks valutavoordeel. Dat levert €36,71, €48,79 en €66,34 op. De formule telt de twee gewogen onderdelen op en verwerkt daarna dividendherbelegging, fondskosten en valuta. Groei per aandeel bevat al verwatering; die wordt niet nogmaals afgetrokken. De perioden zijn ongeveer 1,24, 2,24 en 3,24 jaar vanaf 4 oktober 2026. Het valutacijfer is een eigen gecombineerde aanname voor een internationale portefeuille, niet uitsluitend een dollarprognose. De USD-fondsvaluta betekent immers niet dat iedere positie dezelfde muntblootstelling heeft. Herbelegd dividend zit al in deze accumulerende ETF-koersen. Het wordt niet opnieuw als extra totaalrendement opgeteld. Belasting en transactiekosten blijven buiten het model. Het gunstige scenario verlangt zowel sterke bedrijfsontwikkeling als een vriendelijke marktwaardering; dat zijn twee afzonderlijke voorwaarden. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. QUTM kan passen bij de wens om een onzekere technologie via meerdere bedrijven te volgen. De belangrijkste vervolgvraag is dan niet alleen welke quantumcomputer de volgende mijlpaal haalt. Het is ook welk deel van het fonds daar economisch van profiteert, hoeveel nieuw kapitaal daarvoor nodig is en hoeveel groei al in de aankoopprijs zit. Foto: Jan van Eck, CEO van VanEck. Officiële bedrijfsfoto, VanEck; archief.

  • Vijfhonderd aandelen en toch leunt de S&P 500-ETF op tech

    In het kort CSPX biedt een goedkope, brede belegging in grote Amerikaanse ondernemingen, maar brede spreiding betekent niet dat alle sectoren even zwaar meetellen. Informatietechnologie vormde op 2 oktober bijna veertig procent van de portefeuille. Voor een Nederlandse belegger komt daar de invloed van de dollar bij, ook wanneer de ETF in euro’s wordt gekocht. De combinatie van sectorgewicht, winstgroei en waardering bepaalt hoeveel ruimte de koers van €739,53 laat. Het prettige van een indexfonds is dat niet ieder bedrijf afzonderlijk hoeft te worden gekozen. Dat neemt een hoop moeilijke beslissingen weg. Eén vraag blijft wel bestaan: welke risico’s worden met die hele mand tegelijk gekocht? Bij CSPX is het antwoord minder gelijkmatig verdeeld dan het aantal van ongeveer vijfhonderd bedrijven doet vermoeden. De ETF volgt de S&P 500. Grote bedrijven wegen zwaarder dan kleine, doordat de index in hoofdzaak de vrij verhandelbare beurswaarde volgt. Wanneer een groep grote technologiebedrijven sterk stijgt, neemt haar invloed op het fonds toe. Dat is een eigenschap van de index, geen fout van de fondsbeheerder. Een groot aantal namen is iets anders dan een gelijkmatige verdeling van economische risico’s. Direct naar een onderdeel van dit artikel Eerst weten welk fonds er op het scherm staat Technologie weegt ook buiten het sectorlabel Een eurokoers biedt geen bescherming tegen de dollar Goedkoop beheer, stevige prijs voor de winst Wat de drie scenario’s wel en niet zeggen Eerst weten welk fonds er op het scherm staat Het gaat hier om de iShares Core S&P 500 UCITS ETF USD (Acc), ISIN IE00B5BMR087. De Amsterdamse beurslijn is CSPX en wordt in euro’s verhandeld. De fondsvaluta is dollar. Acc staat voor accumulerend: dividend dat de beleggingen opleveren, wordt binnen het fonds herbelegd in plaats van aan de belegger uitgekeerd. De fondsinformatie van iShares vermeldt fysieke replicatie en jaarlijkse fondskosten van 0,07 procent. Fysieke replicatie betekent dat het fonds de onderliggende aandelen daadwerkelijk aanhoudt. De lage kosten zijn een duidelijk voordeel, zeker over lange perioden. Transactiekosten van de broker en persoonlijke belastingen vallen daar buiten. De koersbasis is €739,53 op Euronext Amsterdam bij het slot van 2 oktober 2026 om 17.35 uur Nederlandse tijd, zichtbaar in de beursinformatie voor deze exacte Amsterdamse lijn. Ook de aanvullende De Belegger-momentopname toont €739,53, met een kwartier koersvertraging. De intrinsieke waarde in dollars is een ander getal: die mag niet zonder valutaomrekening naast de eurokoers worden gelegd alsof het een premie of korting is. Technologie weegt ook buiten het sectorlabel Volgens iShares bestond de portefeuille op 2 oktober voor 39,98 procent uit informatietechnologie. Dat is al een zwaar blok. Sommige ondernemingen die beleggers in het dagelijks taalgebruik ook technologiebedrijven noemen, zitten bovendien in communicatiediensten of consumentensectoren. Het officiële IT-percentage is dus geen volledige maatstaf voor de afhankelijkheid van digitalisering en AI. Waarom maakt dat uit? Stel dat informatietechnologie twintig procent daalt, terwijl alle andere sectoren gemiddeld vijf procent stijgen. Bij ongewijzigde gewichten komt de hele portefeuille dan ongeveer vijf procent lager uit. De overige bedrijven dempen de klap, maar draaien die niet automatisch terug. De onderstaande verdeling maakt zichtbaar hoeveel invloed dat ene blok heeft: Dit betekent niet dat technologie per definitie te duur of te riskant is. Grote winsten, sterke marges en een dominante marktpositie kunnen een hoog gewicht rechtvaardigen. De relevante vraag is of toekomstige resultaten al ruimschoots in de prijs zijn verwerkt. Een uitstekend bedrijf kan een matige belegging worden wanneer iedereen uitzonderlijke groei als vanzelfsprekend beschouwt. In de analyse van Nvidia’s Blackwell- en Rubin-positie draait het daarom niet alleen om meer chips. Software, verbindingen en het gebruik van complete systemen bepalen waar de economische waarde terechtkomt. Voor een indexbelegger is die verdeling relevant: winsten bij de leverancier en hoge investeringen bij diens klanten zitten soms allebei in dezelfde portefeuille. Een eurokoers biedt geen bescherming tegen de dollar Een veelvoorkomend misverstand is dat kopen in euro’s het valutarisico wegneemt. De handelsvaluta vertelt in welke munt de transactie wordt afgerekend. De economische blootstelling volgt de bezittingen. Deze CSPX-klasse dekt de dollar niet af naar euro’s. Een eenvoudig voorbeeld helpt. Een belegging stijgt tien procent in dollars, maar de euro-waarde van een dollar daalt tien procent. Honderd euro wordt eerst het equivalent van 110 euro en daarna 99 euro. Het resultaat is min één procent, niet nul. Rendementen worden vermenigvuldigd; de twee percentages simpel optellen geeft het verkeerde antwoord. Amerikaanse multinationals verdienen zelf ook geld buiten de Verenigde Staten. Daardoor werkt valuta op twee niveaus: via de gerapporteerde bedrijfswinsten en via de omrekening van het aandeel naar euro’s. Die effecten kunnen elkaar deels opheffen, maar niet netjes voor ieder bedrijf of iedere periode. Een vaste claim dat een zwakkere dollar altijd slecht of altijd goed is voor Amerikaanse aandelen gaat daarom te ver. Voor een belegger met toekomstige uitgaven in euro’s is de praktische vraag hoeveel wisselkoersschommeling draaglijk is. Dat is een andere keuze dan voorspellen waar de dollar volgende maand staat. Wie een lange beleggingshorizon heeft, kan nog steeds tijdelijk een fors verschil ervaren tussen de Amerikaanse beurskoppen en het eigen rekeningoverzicht. Goedkoop beheer, stevige prijs voor de winst De lage fondskosten moeten worden onderscheiden van de waardering van de bedrijven. Op 2 oktober vermeldde iShares voor de portefeuille een koers-winstverhouding van 29,27. Zo’n verhouding deelt de beurswaarde door de gebruikte winstbasis. Het is een momentopname volgens de fondsberekening, geen garantie voor toekomstige winst en geen analistenverwachting voor één volgend boekjaar. Bij een omgekeerde waardering beginnen we met de vraag welk rendement de belegger wil behalen. Vervolgens rekenen we uit hoeveel winstgroei daarvoor nodig is als de waardering verandert. Bij acht procent gewenst jaarlijks rendement tot eind 2029, een eindwaardering van 26 keer winst en een onveranderde dollar vraagt het model ongeveer elf procent jaarlijkse winstgroei. Daarbij zijn één procent herbelegd netto dividend en de fondskosten als afzonderlijke aannames verwerkt. Dat is meer groei dan het gewenste rendement zelf. De reden is eenvoudig: een dalende prijs per euro winst eet een deel van de winstgroei op. Het werkt ook andersom. Als beleggers later meer voor dezelfde winst betalen, kan de koers harder stijgen dan de winst. Die extra meevaller is alleen geen prestatie die de bedrijven zelf kunnen afdwingen. De gevoeligheid staat hier uitgewerkt. Het model start op 4 oktober 2026 en loopt ongeveer 3,24 jaar tot eind 2029: Lees ook: Bloom Energy gaat de S&P 500 in, maar is de waardering te verdedigen? Indexopname en daaruit voortvloeiende koopvraag veranderen niet vanzelf wat een onderneming economisch waard is. Wat de drie scenario’s wel en niet zeggen Voor eind 2027, 2028 en 2029 rekent het bearpad met twee procent jaarlijkse daling van de winst per aandeel, een geleidelijke waarderingsdaling naar 21 keer winst en vier procent jaarlijkse daling van de euro-waarde van de dollar. De mogelijke koersen zijn dan €610,78, €523,47 en €448,64. Het middenpad neemt zeven procent winstgroei, een eindwaardering van 26 en een onveranderde dollar aan. Dat geeft €777,47, €809,48 en €842,80. In het gunstige pad groeit de winst elf procent per jaar, eindigt de waardering op 31 en stijgt de euro-waarde van de dollar jaarlijks twee procent. Dan volgen €891,96, €1.037,49 en €1.206,76. Alle paden bevatten één procent netto dividendherbelegging en 0,07 procent fondskosten per jaar. Winstgroei is groei per aandeel en omvat dus al het netto-effect van aandeleninkoop en verwatering binnen de bedrijven. De formule vermenigvuldigt de startkoers met winstgroei, de verandering in waardering, herbelegging, kosten en valuta. De perioden zijn ongeveer 1,24, 2,24 en 3,24 jaar. De volledige invoer staat bij de grafiek. Bij dit accumulerende fonds is herbelegd dividend al onderdeel van de mogelijke ETF-koers. Het nogmaals bijtellen als apart rendement zou dubbel tellen. Zonder uitkeringen is het koersrendement van deze participatie tevens het beleggersrendement vóór transactiekosten en persoonlijke belasting. Dat verschilt van het koersrendement van een losse verzameling aandelen waaruit dividend wordt uitgekeerd. Het sterkste argument voor CSPX blijft overtuigend: de belegger koopt breed toegang tot Amerikaanse ondernemingen, tegen lage doorlopende kosten, zonder iedere winnaar vooraf te hoeven aanwijzen. Het sterkste bezwaar is niet dat zo’n fonds ondeugdelijk is, maar dat het geen ontsnapping biedt aan een hoge gezamenlijke waardering, sectorconcentratie of valutarisico. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. Een volgende aankoopbeslissing hoeft daarom niet te beginnen met een voorspelling van de eerstvolgende beursweek. De nuttigere vraag is of een portefeuille een periode aankan waarin technologie tegenvalt én de dollar daalt. Wie dat vooraf begrijpt, heeft aan het brede indexfonds meer dan iemand die vijfhonderd namen verwart met vijfhonderd onafhankelijke vangnetten. Foto: Larry Fink en Duncan Niederauer tijdens een bijeenkomst in Davos op 23 januari 2014. Financial Times/Marcel Giger, CC BY 2.0; archief via Wikimedia Commons.

  • IonQ zoekt bij Nvidia de weg van quantumproef naar toepassing

    In het kort IonQ wil in 2027 een quantumcomputer plaatsen bij Nvidia’s onderzoekscentrum. Dat kan helpen om quantumhardware te verbinden met de rekensystemen en software die ontwikkelaars al gebruiken. De aankondiging bevat alleen geen openbaar contractbedrag of bewijs van extra commerciële omzet. Bij $43,77 vraagt het aandeel om veel toekomstige groei, terwijl financiering, integratie en de stap naar winstgevendheid nog zwaar wegen. Een plek naast Nvidia is voor een quantumontwikkelaar waardevol. Ontwikkelaars krijgen toegang tot een omgeving waarin ze toepassingen kunnen bouwen en vergelijken. Voor een aandeelhouder begint daar juist de volgende vraag: wie gaat er uiteindelijk voor betalen, en waarvoor precies? Dat onderscheid hoeft het technische nieuws niet kleiner te maken. Het voorkomt vooral dat een belangrijke onderzoeksstap wordt behandeld alsof de commerciële uitkomst al vaststaat. De route van een werkende proef naar terugkerende omzet heeft meer tussenstappen dan een persbericht meestal laat zien. Direct naar een onderdeel van dit artikel Wat er bij Nvidia moet komen te staan Meer qubits is geen kant-en-klare businesscase De grotere omzetbasis bevat een overname Hoeveel tijd koopt de kas? Wat vraagt de huidige beursprijs? Mogelijke koersen bij drie verschillende uitkomsten Wat er bij Nvidia moet komen te staan In de aankondiging van 23 september beschrijft IonQ een geplande installatie van Superion 256 in 2027. Het systeem moet via NVQLink samenwerken met Nvidia’s GB200 NVL72-infrastructuur en CUDA-Q-software. De partijen willen hybride toepassingen onderzoeken, onder meer voor materialen, chemie en financiële vraagstukken. Hybride betekent hier dat een klassieke computer en een quantumcomputer verschillende delen van een berekening uitvoeren. De quantumcomputer vervangt dus niet eenvoudig het hele datacenter. Hij moet een taak krijgen waarvoor hij aantoonbaar iets toevoegt, terwijl gewone processors de voorbereiding, aansturing en verwerking blijven doen. De economische kans zit in die aansluiting. Een afzonderlijke machine zonder bruikbare software en zonder ontwikkelaars heeft beperkte waarde. Goede integratie kan de overstap voor klanten verkleinen. Een vergelijkbare gedachte komt terug in Rabi’s analyse van Nvidia’s hardware en software: de samenhang van het systeem kan een sterkere positie opleveren dan één losse chip. Maar wie bezit die positie bij quantum? IonQ kan verdienen aan hardware, toegang en dienstverlening. Nvidia kan waarde behouden via de klassieke infrastructuur en software. De klant kan profiteren van een betere uitkomst. Dat zijn geen elkaar uitsluitende mogelijkheden, maar het is onduidelijk welk deel van de toekomstige opbrengst uiteindelijk bij IonQ-aandeelhouders terechtkomt. Meer qubits is geen kant-en-klare businesscase Een qubit is een rekenelement dat gebruikmaakt van quantumverschijnselen. Het aantal qubits geeft een deel van de capaciteit aan, maar vertelt niet hoeveel bruikbaar rekenwerk zonder fouten kan worden verricht. Besturing, foutkansen, snelheid en de manier waarop qubits worden verbonden zijn eveneens belangrijk. Voor een potentiële klant is de vergelijking praktisch. Levert deze combinatie een beter antwoord op dan de beste klassieke aanpak, tegen een aanvaardbare prijs en binnen een bruikbare tijd? Een technisch sterke demonstratie kan op die commerciële test nog steeds tekortschieten. Omgekeerd hoeft een nuttige toepassing niet meteen alle klassieke computers te verslaan om een markt te vinden. Een bestelling, installatie, proef en structureel betaald gebruik zijn vier verschillende signalen. De geplande installatie in 2027 is daarom een mijlpaal om te volgen, geen vast beginpunt voor een bekend omzetbedrag. De volgende module gebruikt bewust een fictief project om het effect van vertraging te laten zien: Bij een halfjaar vertraging verdwijnt een deel van de eerste jaaropbrengst, terwijl personeel en ontwikkeling doorlopen. Voor een bedrijf met grote toekomstige beloften kan zo’n verschuiving zowel de kas als de waardering raken. Het probleem is niet alleen dat omzet later komt. Beleggers kunnen ook minder bereid worden om vandaag al veel voor die latere omzet te betalen. De grotere omzetbasis bevat een overname IonQ heeft inmiddels een bredere onderneming dan alleen de oorspronkelijke quantumactiviteiten. In de verhoogde jaarverwachting van 8 september noemt het bedrijf $450 tot $460 miljoen omzet voor 2026. Daarin zit SkyWater vanaf de overname op 31 juli, met eliminatie van onderlinge omzet. De eerdere verwachting was $280 tot $290 miljoen. Dat is geen zuivere verhoging van de organische groei. Organisch betekent groei uit de bestaande activiteiten, zonder de omzet die door een overname wordt toegevoegd. Voor beleggers is dat onderscheid belangrijk: een fabriek kopen kan strategisch nuttig zijn, maar de gekochte omzet heeft een prijs en een eigen kostenstructuur. De mogelijke winst is meer grip op productie, leveringen en technologische ontwikkeling. De keerzijde is dat IonQ ook de bezetting, investeringsbehoefte en marges van die productie moet beheren. Het combineren van onderzoek en fabricage vraagt andere vaardigheden dan het verkopen van toegang tot een quantumcomputer. Bij de cijfers van 5 augustus over Q2 meldde IonQ $80,1 miljoen omzet en een aangepast operationeel verlies vóór rente, belasting en afschrijvingen van $120,3 miljoen. Het gerapporteerde nettoverlies was veel groter, $1,868 miljard. Zulke winstbegrippen zijn niet onderling verwisselbaar. Een boekhoudkundige herwaardering kan de gerapporteerde winst sterk beïnvloeden zonder dezelfde kasuitstroom te veroorzaken, terwijl een aangepast verlies tegelijk echte uitgaven kan uitsluiten. Hoeveel tijd koopt de kas? De onderneming noemde bij die rapportage ongeveer $2 miljard pro-formakas en beleggingen na SkyWater. Pro forma betekent dat het cijfer de overname verwerkt alsof zij al in de vergelijkingsbasis zit. Het is geen actuele kasstand per 4 oktober. De overname, verdere investeringen en bedrijfsuitgaven hebben sindsdien invloed op de liquiditeit. Dat bedrag geeft ruimte. Het neemt de financieringsvraag niet weg. Als operationele kasuitstroom en investeringen samen $500 miljoen per jaar bedragen, blijft na drie jaar van een buffer van $2 miljard nog $500 miljoen over. Bij veel hogere uitgaven ontstaat een nieuwe financieringsbehoefte. De onderstaande gevoeligheid veronderstelt geen nieuwe overnames of emissies: Nieuwe aandelen uitgeven kan verstandig zijn als daarmee waardevolle groei wordt gefinancierd. Voor de bestaande aandeelhouder betekent het wel verwatering: toekomstige opbrengsten moeten over meer aandelen worden verdeeld. Daarom is de groei van de omzet per aandeel minstens zo relevant als de groei van de onderneming. Lees ook: De waardering en financiële verschillen tussen IonQ, D-Wave, Rigetti en QUBT. De sector kent verschillende technieken, maar ook heel verschillende kasbuffers en commerciële uitgangspunten. Wat vraagt de huidige beursprijs? De koersbasis is $43,77 voor het gewone IonQ-aandeel op NYSE, ticker IONQ, ISIN US46222L1089, uit de handel van 2 oktober. De aanvullende De Belegger-momentopname heeft brontijd 20.29 UTC en twintig minuten vertraging. De onderneming rapporteert eveneens in dollars. De SEC-rapportage telt 381.002.314 uitstaande aandelen per 29 juli. Daar kwamen bij de SkyWater-transactie 24.135.775 aandelen bij, samen circa 405,1 miljoen vóór eventuele latere mutaties. Dat is iets anders dan een volledig verwaterde basis waarin alle mogelijke nieuwe aandelen al meetellen. Voor de waardering gebruiken we daarom expliciete toekomstige aantallen in plaats van het historische, gewogen kwartaalgemiddelde. Het middenpad loopt van 420 miljoen aandelen eind 2027 naar 460 miljoen eind 2029. Dat zijn eigen aannames, geen vaststaande aantallen. Zonder positieve duurzame winstbasis rekenen we met ondernemingswaarde ten opzichte van omzet. De omgekeerde vraag luidt: hoeveel omzet is nodig voor tien procent jaarlijks koersrendement tot eind 2029, bij zestien keer omzet, 460 miljoen aandelen en $1 miljard nettokas? Het antwoord volgt in de module. De formule verhoogt eerst de huidige koers over ongeveer 3,24 jaar en rekent die vervolgens terug naar benodigde bedrijfsomzet: Een omzetmultiple van zestien is allerminst voorzichtig. Bij vijf procent operationele marge zou dat 320 keer operationele winst zijn. Zelfs bij achttien procent marge is het bijna 89 keer. De waardering blijft dus ook na stevige omzetgroei afhankelijk van winst die verder in de toekomst ligt. Het model kan de belofte zichtbaar maken; het kan haar niet bewijzen. Mogelijke koersen bij drie verschillende uitkomsten Het bearpad veronderstelt $550, $600 en $650 miljoen omzet in 2027, 2028 en 2029. De omzetmultiple daalt, de kas slinkt en de aandelenbasis groeit naar 500 miljoen. De mogelijke jaareindekoersen zijn $15,12, $11,52 en $7,80. In dit pad blijft de operationele marge in 2029 op min twintig procent steken. Het middenpad vraagt $800 miljoen, $1,2 miljard en $1,8 miljard omzet, een positieve operationele marge van vijf procent in 2029 en een aandelenbasis van 420, 440 en 460 miljoen. Het geeft $41,19, $51,36 en $64,78. Het gunstige pad bereikt $3 miljard omzet en achttien procent marge in 2029; de mogelijke koersen zijn $73,57, $109,77 en $150,67. De formule is omzet maal omzetmultiple, plus nettokas, gedeeld door aandelen. Alle bedragen en aantallen staan in miljoenen. Kasverbruik, investeringen en financiering zitten in de kas- en aandelenpaden. We tellen geen afzonderlijke bonuswaarde voor de Nvidia-samenwerking op en trekken aandelenbeloning niet nogmaals af boven op de verwatering. Dividend is niet verondersteld. De scenario’s zijn eigen aannames, geen bedrijfsverwachtingen of analistenconsensus. Pak je kans! Word lid met de code INSIDER en krijg 50 procent korting. Het sterkste argument vóór IonQ is dat integratie met bestaande rekensystemen de weg naar toepassingen kan verkorten. De hardste tegenwerping is dat een grotere technische kans nog geen aantrekkelijke prijs voor het aandeel oplevert. De komende bevestiging moet daarom concreter worden: levering op tijd, bruikbare vergelijkingen met klassieke methoden, betalende klanten en een beter verband tussen extra omzet en extra kasverbruik. Foto: Chris Ballance, President Quantum Computing bij IonQ. Officieel bedrijfsportret, IonQ; archief.

  • De merkenmix bepaalt hoeveel NIO aan zijn groei verdient

    In het kort NIO verkocht in september 37.408 elektrische auto's, maar achter dat totaal gaan drie verschillende verdienmodellen schuil. Het premiummerk groeit stevig, terwijl ONVO en firefly een andere prijsklasse aanspreken. Dat kan de fabrieken beter vullen, maar maakt de gemiddelde opbrengst en brutowinst per auto minder voorspelbaar. Bij $3,37 per Amerikaans certificaat draait de belegging vooral om toekomstige marges, financiering en het aantal aandelen waarover de opbrengst straks wordt verdeeld. Een autofabrikant kan meer auto's verkopen en zijn aandeelhouders toch teleurstellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer de extra auto's goedkoper zijn, veel korting meekrijgen of een dure introductiecampagne nodig hebben. Bij NIO wordt die afweging interessanter nu het bedrijf tegelijk een premiummerk, een gezinsmerk en een compact stadsautomerk uitbouwt. De leveringspublicatie van 1 oktober laat zien hoe verschillend die onderdelen bewegen. In september kwamen 21.318 leveringen van NIO, 8.763 van ONVO en 7.327 van firefly. Het NIO-merk groeide 55,3% tegenover een jaar eerder, terwijl de groep als geheel 7,7% groeide. De samenstelling van de groei verdient daarom minstens zoveel aandacht als het totaal. Direct naar een onderdeel van dit artikel Drie merken geven meer bereik, maar ook meer werk De voertuigmarge herstelt, de gewone aandeelhouder ziet nog verlies Een prijsgevecht kan de schaalvoordelen opeten Financiering bepaalt hoeveel van het herstel per ADS overblijft Wat moet NIO waarmaken bij $3,37? Drie merken geven meer bereik, maar ook meer werk De economische logica achter meerdere merken is begrijpelijk. Met dezelfde technische kennis, inkooporganisatie en delen van de productieketen kan een fabrikant verschillende klanten bereiken. Wie geen premiumauto wil betalen, is mogelijk wel geïnteresseerd in een betaalbaarder model. Dat vergroot de markt zonder dat voor ieder merk een volledig nieuw bedrijf nodig is. Tegelijk zijn gedeelde onderdelen geen garantie voor gedeelde winst. Elk merk vraagt positionering, service, marketing en ontwikkeling. Een klant die van een dure NIO naar een goedkopere ONVO overstapt, levert bovendien niet automatisch extra omzet op. Dat heet kannibalisatie: een nieuw product eet een deel van de verkoop van een bestaand product op. Het is pas gunstig wanneer de bredere klantenbasis en lagere kosten dat verlies ruimschoots compenseren. De verdeling van september, ongeveer 57% NIO, 23% ONVO en 20% firefly, is daarom een startpunt voor de analyse. Zij bewijst niet welk merk het meest winstgevend was. NIO publiceert in deze maandupdate geen afzonderlijke brutowinst per merk. Wie alleen aantallen vermenigvuldigt met een catalogusprijs mist kortingen, batterijkeuzes, uitvoering en het moment waarop omzet wordt verantwoord. Dat is ook waarom een vergelijking met Tesla meer vraagt dan twee leveringsgrafieken. In de eerdere Tesla-analyse over de rekening achter de kasbuffer staat de verhouding tussen investeringen en opbrengsten centraal. Voor NIO komt daar de vraag bij of een bredere merkenfamilie de kosten per auto verlaagt of juist extra complexiteit toevoegt. De voertuigmarge herstelt, de gewone aandeelhouder ziet nog verlies Bij de kwartaalcijfers van 1 september over april tot en met juni rapporteerde NIO RMB32,14 miljard omzet en een voertuigmarge van 18,5%. Die marge was een jaar eerder 10,3%. Een voertuigmarge is het deel van de auto-omzet dat overblijft na de directe productiekosten, vóór onder meer ontwikkeling en verkooporganisatie. Een verbetering van acht procentpunten is groot. Bij RMB100 aan voertuigomzet blijft dan ongeveer RMB8 extra over om andere kosten te betalen. Maar brutowinst is nog geen nettowinst. De onderneming rapporteerde een nettoverlies van RMB528 miljoen; het verlies toerekenbaar aan gewone aandeelhouders bedroeg RMB721,6 miljoen. Zonder bepaalde posten was een kleine aangepaste winst zichtbaar. Die aangepaste uitkomst maakt de gewone verliesbasis niet positief. Hoeveel helpt een volgende stap in volume? Neem als eigen rekenvoorbeeld 109.000 auto's in een kwartaal, gemiddeld RMB270.000 omzet per auto en 18,5% voertuigmarge. Dat levert ongeveer RMB5,44 miljard brutowinst op. Tegenover een illustratieve operationele kostenbasis van RMB6 miljard blijft dan een tekort bestaan. Overige omzet, overige directe kosten, rente en belasting ontbreken in dit eenvoudige model; het is dus geen voorspelling van de gerapporteerde winst. Het voorbeeld maakt wel duidelijk waarom één procentpunt marge belangrijk is. Bij deze volumes verandert de brutowinst met ongeveer RMB294 miljoen per kwartaal. Een kleine prijsconcessie kan dus een groot deel van de verbetering door extra productie opslokken. De meest bruikbare volgende cijfers zijn voertuigomzet per levering, brutomarge en de ontwikkeling van operationele kosten samen. Een prijsgevecht kan de schaalvoordelen opeten BYD, Tesla en andere Chinese fabrikanten concurreren om klanten die veel keuze hebben. NIO probeert zich te onderscheiden met service, technologie en batterijwisselen. Dat kan merkbinding opleveren. Het vereist ook investeringen en voldoende gebruik om de infrastructuur rendabel te maken. Het sterkste positieve argument is dat een groter volume de bestaande organisatie productiever maakt. Ontwikkelingskosten voor software of een platform hoeven niet voor elke extra auto opnieuw te worden gemaakt. Als NIO het premiummerk laat groeien zonder de kosten even hard op te voeren, kan de winst snel verbeteren. De tegenwerping is dat de sector die ruimte niet cadeau geeft. Nieuwe modellen volgen elkaar snel op. Een aantrekkelijke auto van een concurrent kan NIO dwingen de prijs te verlagen of meer uitrusting toe te voegen. Een hogere fabrieksbezetting helpt weinig als de bijdrage per auto tegelijk verdwijnt. Daarnaast kan de uitbreiding met drie merken managementaandacht verdelen op een moment waarop kostenbeheersing juist cruciaal is. Financiering bepaalt hoeveel van het herstel per ADS overblijft De brede liquiditeitsmaatstaf van NIO bedroeg eind juni RMB56,7 miljard. Daar zitten ook restricted cash en deposito's in. Dat is geen bedrag dat zonder verdere aftrek als vrij beschikbare nettokas aan de beurswaarde mag worden toegevoegd. Schulden, operationele verplichtingen en toekomstige investeringen horen bij dezelfde rekensom. Het financieringsrisico is concreet. NIO kan groei betalen uit operationele kasstromen, met leningen, via partners of door nieuwe aandelen uit te geven. Dat laatste heet verwatering: dezelfde onderneming wordt over meer aandelen verdeeld. Bij 30% omzetgroei en 4% meer aandelen stijgt de omzet per aandeel bijvoorbeeld met 25%, niet met 30%. De eerdere uitleg bij Rivian over groei en nieuwe aandelen helpt om dat onderscheid te maken. Een kapitaalronde kan het bedrijf sterker maken en voor bestaande aandeelhouders toch een prijs hebben. Bij NIO mag een scenario met extra geld daarom niet tegelijkertijd rekenen op een onveranderd aandelental zonder financieringskosten. Wat moet NIO waarmaken bij $3,37? Het uitgangspunt is de NYSE-slotkoers van 2 oktober 2026 van $3,37 om 16.00 uur New Yorkse tijd. Het gaat om NIO ADS, ISIN US62914V1061. Volgens de eigen beleggersinformatie vertegenwoordigt één ADS één gewoon Class A-aandeel. De onderneming rapporteert hoofdzakelijk in renminbi; onderstaande waarderingsscenario's staan in Amerikaanse dollars en veronderstellen een gelijkblijvende omzettingskoers ten opzichte van de gekozen dollaromzet. Omdat de gerapporteerde winst negatief is, heeft een gewone koers-winstverhouding hier weinig betekenis. De omgekeerde rekensom gebruikt ondernemingswaarde ten opzichte van omzet. Met 2,65 miljard toekomstige aandelen, $2 miljard netto financiële verplichtingen en 0,7 keer omzet vraagt de huidige koers ongeveer $15,6 miljard jaaromzet. Voor 10% jaarlijks koersrendement tot eind 2029 is bij dezelfde aannames circa $20,2 miljard nodig. Dat klinkt bereikbaar, maar de omzetmultiple is zelf een winstaanname. Een waardering van 0,7 keer omzet kan bijvoorbeeld overeenkomen met veertien keer operationele winst bij 5% operationele marge. Zonder uitzicht op zo'n marge verdient omzet geen vaste prijs. Bij langdurige verliezen kan zelfs een lage omzetmultiple te hoog zijn. Pak je kans! Word lid met de code GRAAG en krijg 50 procent korting. Lees ook: Dit is waarom Rivian aandelen dalen vandaag, over de spanning tussen groeifinanciering en waarde per bestaand aandeel. De drie paden geven mogelijke koersen voor eind 2027, 2028 en 2029. Het bearpad houdt de operationele marge rond nul en laat financieringsdruk voortduren. Het middenpad veronderstelt dat de marge richting 5% groeit; het gunstige pad vraagt rond 8% en sterke volumegroei. De volledige omzet-, multiple-, schuld- en aandelenpaden staan in de module. De toekomstige netto financiële posities zijn aannames, geen vaststelling van de huidige nettoschuld. Dividend is niet meegerekend. De aantrekkelijkste aanwijzing voor NIO zou een combinatie zijn: meer premiumleveringen, stabiele voertuigprijzen en lagere kosten per auto. Alleen een nieuw leveringsrecord is onvoldoende. Als die combinatie uitblijft, wordt de financieringsvraag opnieuw belangrijker dan de groei. Voor aandeelhouders zit de kans in een winstgevend volume, en het risico in jarenlang volume zonder voldoende winst. Foto: NIO, William Li bij de WTO in Genève op 14 september 2026. Archiefbeeld.

  • Tienduizenden thuisbatterijen erbij maar wat leveren ze op?

    Sophie Hermans, die als minister van Klimaat en Groene Groei in 2024 het wetsvoorstel voor beëindiging van salderen mede indiende. Archieffoto van 16 februari 2026: Martijn Beekman en Valerie Kuypers / Rijksoverheid. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Nederland registreerde in de eerste negen maanden van 2026 bijna vier keer zoveel batterijen als in dezelfde periode vorig jaar. Het geregistreerde vermogen passeert inmiddels één gigawatt, al omvat dat ook zakelijke installaties. Voor een huishouden hangt de besparing vooral af van hoeveel zonnestroom de accu daadwerkelijk naar een later moment verschuift en wat het systeem volledig kost. Een rekensom met aankoop, energieverlies en jaarlijkse kosten laat zien waarom een groeiende markt nog geen rendabele aankoop garandeert. Een thuisbatterij staat bij steeds meer huishoudens op het wensenlijstje. Dat is begrijpelijk: vanaf 1 januari 2027 stopt salderen. Wie overdag veel zonnestroom overhoudt en ’s avonds elektriciteit koopt, zoekt een manier om dat verschil kleiner te maken. Een batterij kan daarbij helpen. Maar de vraag hoeveel je ermee bespaart, verdwijnt gemakkelijk achter nieuws over verkooprecords, grote vermogens en snel gevulde subsidiepotten. De nieuwste registratiereeks laat een duidelijke versnelling zien. Tegelijk ontbreken daarin juist de gegevens die een koper nodig heeft: de prijs, de hoeveelheid bruikbare opgeslagen energie, het stroomcontract en het eigen verbruik. Die twee kanten van het verhaal horen bij elkaar. De markt groeit, maar een batterij moet zich uiteindelijk bij één specifieke woning terugverdienen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De registraties groeien hard, met een kanttekening bij het record Eén gigawatt vertelt niet hoeveel avonden een batterij overbrugt Begin bij de meter voordat de batterij wordt gekozen Duizend opgeslagen kilowattuur leveren in dit voorbeeld €180 op Na drie jaar is de investering in deze scenario’s nog niet terug Een kleinere of goedkopere batterij kan beter bij de woning passen Subsidie helpt alleen als het aanbod zonder haast is doorgerekend De registraties groeien hard, met een kanttekening bij het record In de maandreeks van Energieleveren.nl staan van januari tot en met september 53.517 opslagregistraties. In dezelfde negen maanden van 2025 waren dat er 13.715. Dat is een stijging van ongeveer 290 procent, ofwel bijna een verviervoudiging. September voegde 8.535 registraties toe, ruim 26 procent meer dan augustus. Eind september telt de reeks in totaal 79.231 registraties. September is daarmee een sterke maand, maar in de ruwe cijfers geen absoluut record. April staat op 9.774. Solar & Storage Magazine meldde op 2 oktober dat die aprilpiek deels bestond uit oudere Zonneplan-batterijen die achteraf zijn geregistreerd. Dat verklaart waarom een nieuwscijfer over registraties niet automatisch iets zegt over installaties die diezelfde maand zijn geplaatst. Ook de doelgroep vraagt precisie. Van de septemberregistraties vallen er 8.463 onder kleinverbruik, ruim 99 procent. Daaronder kunnen naast woningen ook kleine bedrijven vallen. Een registratie is dus geen bewijs van een nieuwe verkoop aan een particulier. Voor installateurs en aanbieders wijst de reeks op veel meer activiteit, maar hoeveel daarvan nieuwe vraag is en hoeveel een administratieve inhaalslag, is uit dit bestand alleen niet vast te stellen. Eén gigawatt vertelt niet hoeveel avonden een batterij overbrugt Het opgetelde geregistreerde vermogen komt eind september uit op ongeveer 1.006 megawatt. Daarmee is de grens van één gigawatt gepasseerd. Toch zou het misleidend zijn om dit uitsluitend als het vermogen van Nederlandse thuisbatterijen te presenteren. Systemen boven 15 kilowatt vormen slechts 7,1 procent van de registraties, maar leveren samen 51,9 procent van het geregistreerde vermogen. De grotere installaties wegen dus zwaar mee. Voor een koper is bovendien het verschil tussen kilowatt en kilowattuur belangrijk. Kilowatt, afgekort kW, beschrijft hoe snel een batterij stroom kan opnemen of afgeven. Kilowattuur, kWh, beschrijft hoeveel energie erin past. Een systeem met 5 kW vermogen en 10 kWh bruikbare energie zou in een vereenvoudigd voorbeeld twee uur lang 5 kW kunnen leveren. De praktijk hangt ook af van verliezen en technische grenzen. De registratiereeks bevat vermogensklassen, geen opslagcapaciteit in kWh. Uit de categorie 5 tot 15 kW kun je daarom niet afleiden hoe groot het accupakket is of hoeveel een gezin ermee bespaart. Daarvoor moet bekend zijn hoeveel energie het huishouden dagelijks kan opslaan én later nodig heeft. Een grote accu die vaak halfleeg blijft, heeft weinig aan zijn maximale capaciteit. Begin bij de meter voordat de batterij wordt gekozen De eerste besparing vraagt soms vooral een ander tijdstip. Milieu Centraal adviseert om wasmachine en vaatwasser op zonnige momenten te gebruiken en ze niet allemaal tegelijk te laten starten. Wie een elektrische auto thuis kan laden, kan meer eigen zonnestroom direct in die auto stoppen. Dat verkleint het overschot waarvoor nog een losse batterij nodig is. Daar zit een belangrijke volgorde in. Kijk eerst wat met bestaande apparaten en instellingen mogelijk is. Bepaal daarna hoeveel stroom overdag nog naar het net gaat en hoeveel later wordt ingekocht. Gebruik daarvoor liefst gegevens per kwartier of uur, verspreid over het jaar. Een jaarverbruik van 3.000 kWh zegt weinig als het grootste overschot in de zomer valt en de grootste vraag in de winter. Een thuisbatterij verschuift stroom meestal binnen een dag. Hij bewaart de zomerproductie niet voor januari. Wie na slim laden en verschoven huishoudelijk verbruik nog een regelmatig dagoverschot én avondvraag heeft, kan opslag nuttig inzetten. Wie nauwelijks avondverbruik heeft, maakt een grote accu niet productief door er meer zonnepanelen naast te leggen. Ons eerdere artikel over de elektrische auto na het salderen legt uit waarom ook daar het extra voordeel bovenop gewoon slim laden telt. Duizend opgeslagen kilowattuur leveren in dit voorbeeld €180 op Volgens de Rijksoverheid stopt het wegstrepen van teruggeleverde stroom tegen afname per 1 januari 2027. Er blijft een terugleververgoeding bestaan. Tot 2030 moet die ten minste de helft van het kale leveringstarief zijn, dus zonder belastingen. Eventuele terugleverkosten staan daar nog tegenover. Het financiële voordeel van opslag hangt daardoor af van de vermeden inkoop én de opbrengst die je door minder terugleveren misloopt. Neem een eigen rekenvoorbeeld voor 2027. De complete batterij met installatie kost €3.000. Na het verschuiven van direct verbruik blijft jaarlijks 1.000 kWh zonnestroom over die de batterij kan laden. Het rendement van laden en ontladen samen is 90 procent. Er komt dus 900 kWh terug naar de woning. We nemen 30 cent per kWh aan vermeden inkoop en 5 cent netto terugleveropbrengst. Dit zijn rekenaannames, geen offerte of voorspelling van toekomstige tarieven. De 900 kWh voorkomt €270 aan inkoop. Zonder batterij had de 1.000 kWh zonnestroom €50 opgeleverd. Daarmee resteert €220 voordeel. Trek €40 per jaar af voor aangenomen gebruiks- en onderhoudskosten en er blijft €180 netto kasbesparing over. De netto terugleverprijs bevat in dit voorbeeld al de aan die stroom toegerekende terugleverkosten. Die nogmaals als extra besparing opvoeren zou dubbel tellen. Bij een echt contract kan de kostenstructuur anders zijn. Als terugleverkosten in staffels worden berekend, levert een kleine vermindering van teruglevering soms niets op en het passeren van een grens juist wel. De juiste vergelijking gebruikt daarom de complete jaarrekening met en zonder batterij. Alleen de hoogste en laagste stroomprijs naast elkaar zetten is onvoldoende. Na drie jaar is de investering in deze scenario’s nog niet terug Hoe gevoelig is de uitkomst voor het werkelijke gebruik? Met dezelfde aankoopprijs en tarieven laten we de batterij in het eerste jaar 500, 1.000 of 1.500 kWh zonnestroom opnemen. Dat levert achtereenvolgens €70, €180 en €290 netto besparing op. Het zijn drie gebruiksscenario’s voor dezelfde investering, geen voorspellingen voor drie specifieke producten. Voor 2028 en 2029 nemen we aan dat de jaarlijks bruikbaar te verschuiven hoeveelheid met 2 procent afneemt door veroudering. De feitelijke slijtage verschilt per systeem en gebruik; hier is het een vaste modelaanname. Tarieven, efficiëntie en jaarlijkse kosten blijven gelijk. De jaarbesparing wordt berekend als de geladen zonnestroom maal 22 cent, min €40. Die 22 cent komt uit 90 procent maal 30 cent vermeden inkoop, min 5 cent misgelopen terugleveropbrengst. In het middenscenario komt de kasbesparing zo uit op €180 in 2027, €175,60 in 2028 en €171,29 in 2029. Samen is dat €526,89. Tegenover de uitgave van €3.000 resteert na drie jaar €2.473,11 die nog niet is terugverdiend. In het lage en hoge scenario resteert respectievelijk €2.796,56 en €2.149,67. De batterij kan daarna verder besparen, mits hij blijft werken en het gebruik past. Draai de berekening vervolgens om. Om de aangenomen €3.000 binnen tien jaar terug te verdienen, moet de accu in dit model in het eerste jaar ongeveer 1.690 kWh zonnestroom opnemen en later voor de woning beschikbaar maken, rekening houdend met het verlies. Dat is gemiddeld zo’n 4,6 kWh geladen stroom per dag. Dat gemiddelde is geen bewijs dat het haalbaar is: op winterdagen kan voldoende zonnestroom ontbreken en op zomerdagen de vraag. De berekening telt geen financieringskosten, vervanging, restwaarde of handelsinkomsten mee. Ook kent zij geen rentevergoeding op het geïnvesteerde geld. Een systeem dat na tien jaar precies is terugverdiend, heeft daarmee nog geen aantrekkelijk rendement bewezen. Voor een offerte is de nuttige vervolgvraag hoeveel van die benodigde energie met het eigen verbruiksprofiel werkelijk verschoven kan worden. Een kleinere of goedkopere batterij kan beter bij de woning passen Dat de uitkomst sterk verschilt, blijkt ook uit praktijkonderzoek van CE Delft voor Vereniging Eigen Huis, gepubliceerd in februari 2026. Het onderzoek gebruikte twaalf maanden gegevens van dertien huishoudens. In één representatieve proef steeg het eigen gebruik van zonnestroom met een batterij van 5 kWh van 35 naar 68 procent. Twee proefopstellingen voor zelfverbruik kwamen op terugverdientijden van 6,5 tot 22 jaar. Dat is geen gemiddelde voor de hele markt, maar het laat zien hoeveel woning en contract uitmaken. Een goedkopere batterij kan financieel beter uitpakken, zolang er genoeg bruikbare capaciteit en vermogen overblijft. De Consumentenbond onderzocht zeven stekkerbatterijen en wijst op verschillen tussen opgegeven en daadwerkelijk bruikbare capaciteit. Ook efficiëntie en prestaties bij lagere temperatuur tellen mee. Alleen de aanschafprijs delen door het aantal kWh op de doos kan daardoor een verkeerde vergelijking opleveren. Het omgekeerde geldt ook. Een grotere accu kan bij een woning met veel dagelijks overschot en later verbruik wel degelijk passen. Vraag dan om een berekening die laat zien wat de extra capaciteit bovenop het kleinere systeem oplevert. Als de duurdere uitvoering vooral meer zomerse pieken opvangt die later niet nodig zijn, groeit de investering sneller dan de besparing. Vraag ook welke functies zonder betaald abonnement blijven werken en wie garantie en ondersteuning levert. Subsidie helpt alleen als het aanbod zonder haast is doorgerekend De belangstelling voor ondersteuning is groot. Flevoland stelde vanaf 1 oktober ruim €400.000 aan resterend budget beschikbaar voor een nieuwe aanvraagronde. Inmiddels meldt de provincie dat het maximale aantal aanvragen voor 2026 is bereikt. Begin 2027 volgt volgens de provincie een nieuwe mogelijkheid. Een bericht over een open subsidiepot is dus geen bewijs dat er op het moment van bestellen nog geld beschikbaar is. Subsidie verlaagt de investering, maar vergroot het avondverbruik niet. Een aanbod dat alleen aantrekkelijk lijkt met een nog niet toegekende bijdrage verdient daarom twee berekeningen: met en zonder die bijdrage. Hetzelfde geldt voor beloofde handelsopbrengsten. De capaciteit die op een bepaald moment voor handel wordt ingezet, kan niet tegelijk onbeperkt voor het eigen huishouden worden gebruikt. Bovendien is handelen niet automatisch gunstig voor de lokale stroomkabel. Netbeheer Nederland maakt onderscheid tussen passend opslaan van eigen zonnestroom en aansturing op marktprijzen, die lokale pieken soms juist kan vergroten. Voor een huishouden telt dus niet alleen hoeveel een app verdient, maar ook onder welke voorwaarden het systeem mag laden en ontladen. De bijna verviervoudiging van registraties maakt opslag een interessante markt voor installateurs, fabrikanten en dienstverleners. Voor beleggers is de vervolgvraag wie aan die groei voldoende verdient nadat installatie, ondersteuning en garantie zijn betaald. Voor huishoudens begint de beslissing een stap eerder: hoeveel stroom kan deze specifieke batterij extra benutten, welke kosten staan daartegenover en hoe verandert de uitkomst als het gebruik tegenvalt? Een offerte die dat overtuigend laat zien, zegt meer dan het landelijke aantal batterijen.

  • Bespaart je elektrische auto straks geld na het salderen?

    Robin Berg van We Drive Solar (links) bij de presentatie van Utrecht Energized, met Eva Oosters, Anouk Poelmann, Jérôme Faton en Laurens van de Vijver. Archieffoto van 4 juni 2025: Renault Group / We Drive Solar, persbeeld. Fotobron · Persvoorwaarden In het kort Per 1 januari 2027 stopt salderen en wordt het belangrijker om zonnestroom op het juiste moment te gebruiken. Een elektrische auto kan daarbij helpen, maar stroom terugleveren is nog geen gegarandeerd verdienmodel. Robin Berg van We Drive Solar verwacht dat een oplossing voor dubbele energiebelasting dit jaar niet meer komt. Voor huishoudens telt vooral wat bidirectioneel laden extra oplevert bovenop gewoon slim laden, nadat alle kosten zijn betaald. Over minder dan drie maanden verandert de rekening voor Nederlandse huishoudens met zonnepanelen. Stroom die overdag het net op gaat, kan vanaf januari niet meer worden weggestreept tegen stroom die ’s avonds wordt gekocht. De accu van een elektrische auto lijkt een logische oplossing: overdag laden, later gebruiken of verkopen. Alleen zitten er tussen een technisch werkende accu en een aantrekkelijke investering nog belastingregels, contracten en kosten. ‘De belangrijkste stap is nu het oplossen van die dubbele energiebelasting’, zegt Robin Berg, oprichter van We Drive Solar, in het interview dat EW op 4 oktober publiceerde. Hij verwacht een oplossing eerder bij de voorjaarsbegroting dan vóór eind december. Dat is zijn verwachting, geen vastgestelde invoeringsdatum. De financiële vraag voor een huishouden is intussen heel concreet: hoeveel blijft er werkelijk over? Lees het interview in EW. Direct naar een onderdeel van dit artikel De waarde van zonnestroom hangt straks sterker af van het moment Niet iedere batterij krijgt met dubbele belasting te maken Van tien cent prijsverschil blijft niet vanzelf tien cent winst over De juiste vergelijking begint bij slim laden Een groot accupakket is nog geen beschikbaar vermogen voor de buurt Drie opbrengsten laten zien hoeveel de aannames uitmaken De overheid moet een bruikbare markt mogelijk maken De waarde van zonnestroom hangt straks sterker af van het moment Volgens de Rijksoverheid vervalt de salderingsregeling op 1 januari 2027. Terugleveren blijft mogelijk en krijgt een vergoeding. Tot 2030 moet die minimaal 50 procent van het kale leveringstarief bedragen, dus zonder belastingen. Dat betekent niet dat een huishouden de helft van zijn volledige stroomprijs terugkrijgt. Ook eventuele terugleverkosten moeten apart worden meegenomen. De nieuwe regels staan hier. Neem een eenvoudig rekenvoorbeeld met aangenomen contractprijzen. Een huishouden betaalt 30 cent per kWh voor afgenomen stroom en houdt netto 5 cent over aan een teruggeleverde kWh. Wie één kWh zonnestroom rechtstreeks zelf gebruikt, vermijdt 30 cent aan inkoop, maar ziet af van 5 cent aan opbrengst. Het extra voordeel tegenover terugleveren is dan 25 cent. Dat prijsverschil maakt het aantrekkelijker om verbruik te verschuiven. Via een accu komt er verlies bij. Bij een aangenomen rendement van 90 procent levert één opgeslagen kWh later 0,9 kWh bruikbare stroom op. Die voorkomt 27 cent aan inkoop. Trek daar de misgelopen 5 cent aan terugleveropbrengst vanaf en er resteert 22 cent, vóór slijtage en andere kosten. De zonnestroom is dus niet economisch gratis omdat hij van het eigen dak komt. Deze visualisatie laat zien waarom dezelfde zonnestroom op verschillende manieren een andere waarde krijgt. Niet iedere batterij krijgt met dubbele belasting te maken Bidirectioneel laden betekent dat een auto zowel stroom kan opnemen als afgeven. Bij vehicle-to-home, V2H, gaat die stroom naar de woning. Bij vehicle-to-grid, V2G, gaat hij terug naar het openbare net. Een auto die alleen een apparaat via een stopcontact kan voeden, biedt daarmee nog niet automatisch deze mogelijkheden. De juiste auto, installatie en aansturing moeten samen geschikt zijn. Het kabinet maakt in de antwoorden van 23 september onderscheid tussen verschillende stroomroutes. Eigen zonnestroom opslaan en daarna zelf gebruiken leidt niet tot energiebelasting over die stroom. Netstroom inkopen, opslaan en vervolgens zelf gebruiken betekent één belast afnamemoment. Het dubbele effect kan ontstaan wanneer eerder ingekochte netstroom na opslag wordt teruggeleverd en later opnieuw van het net wordt afgenomen. Lees de Kamerantwoorden. Dat onderscheid is belangrijk voor de keuze van een systeem. Een huishouden dat vooral zijn eigen zonnestroom wil bewaren, heeft een andere rekensom dan iemand die op prijsverschillen wil handelen. Een algemene uitspraak dat iedere thuisbatterij of elektrische auto twee keer wordt belast, helpt de lezer daarom niet. Eerst moet duidelijk zijn welke stroom waar vandaan komt en waar hij naartoe gaat. De routes hieronder maken zichtbaar waar belasting kan ontstaan. Terugleveren zelf is niet het tweede belastbare afnamemoment. Van tien cent prijsverschil blijft niet vanzelf tien cent winst over Berg rekent in het EW-interview normaal met ongeveer 10 cent verschil tussen goedkope en dure stroom. Als daar bijna 9 cent energiebelasting vanaf gaat, blijft volgens hem weinig over. Die bedragen beschrijven zijn rekensom. Het is geen universeel nettotarief voor iedere aansluiting en evenmin een door ons vastgesteld belastingtarief voor 2027. Ook zonder belastingprobleem is een prijsverschil geen winst. Voor elke kWh die de auto later afgeeft, moet eerder meer dan één kWh worden geladen als er omzettingsverlies is. Daarnaast kunnen een aanbieder, energieleverancier en laadinstallatie kosten veroorzaken. De accu wordt gebruikt en is op dat moment mogelijk niet beschikbaar om mee te rijden. Het is daarom onvoldoende om de laagste en hoogste uurprijs naast elkaar te zetten. De auto moet juist op die momenten aangesloten zijn. Er moet ruimte in de accu zitten wanneer stroom goedkoop is, terwijl er na het terugleveren genoeg bereik overblijft. Een fraaie dagopbrengst zegt weinig over een jaar waarin veel dagen minder gunstig uitpakken. En de markt verandert mee. Als steeds meer accu’s op goedkope uren laden en op dure uren ontladen, kan dat prijsverschillen verkleinen. Een rekensom die jarenlang dezelfde uitzonderlijk grote prijsverschillen veronderstelt, vraagt dus om een sterke onderbouwing. De techniek kan nuttiger worden voor het energiesysteem terwijl de handelsopbrengst per accu juist daalt. De juiste vergelijking begint bij slim laden Een auto alleen op goedkope uren opladen kan al geld besparen. Daarvoor hoeft hij geen stroom terug te leveren. De economische waarde van een bidirectioneel systeem is daarom het extra voordeel bovenop dat alternatief. Wie alle besparingen van slim laden aan V2G toeschrijft, laat de duurdere installatie aantrekkelijker lijken dan hij werkelijk is. In de Kamerantwoorden staat een illustratief verschil. De vaak genoemde €900 tot €1.050 per jaar betreft maximale besparingsmogelijkheden uit onderzoek van Revnext. Voor een huishouden met zonnepanelen, een middelgrote elektrische auto, 15.000 kilometer per jaar en twee thuiswerkdagen noemt het kabinet ongeveer €61 extra per jaar bovenop slim laden. Dat is één scenario, geen gemiddelde voor iedere automobilist. Stel dat de extra investering voor terugleveren €2.500 bedraagt. Dat is hier een gekozen rekenbedrag, geen offerte of actuele marktprijs. Bij €61 extra per jaar duurt eenvoudig terugverdienen ongeveer 41 jaar. Daarbij zijn rente en eventuele vervanging nog buiten beschouwing gelaten. Zo’n installatie wordt niet vanzelf rendabel omdat de totale energierekening door andere maatregelen ook daalt. Draai de som om. Wie €2.500 extra uitgeeft en dat binnen acht jaar wil terugverdienen, heeft gemiddeld €312,50 per jaar aan extra netto voordeel nodig. Dat moet overblijven na energieverlies, teruglever- en dienstverleningskosten en een reservering voor extra slijtage. De volgende module laat zien welke jaarlijkse opbrengst een gekozen investering moet dragen. Een groot accupakket is nog geen beschikbaar vermogen voor de buurt Er is wel degelijk een praktische toepassing. Stedin meldde op 16 juni 2026 een flexibel capaciteitscontract met We Drive Solar. In de regio Utrecht waren volgens de netbeheerder toen ongeveer 500 bidirectionele voertuigen actief, samen goed voor enkele megawatts flexibel vermogen. De waarde zit in het kunnen helpen op de juiste plaats en het juiste moment. Stedin beschrijft het contract hier. Een batterij met veel opgeslagen energie lost niet automatisch een lokaal overbelaste kabel op. Daarvoor moet de auto achter het relevante knelpunt aangesloten zijn en op de gevraagde momenten laden of ontladen. Handelen op landelijke stroomprijzen en een lokale netbeheerder helpen zijn bovendien verschillende diensten. Hun belangen kunnen samenvallen, maar dat is geen natuurwet. Daarmee ontstaat ook een ondernemingsvraag. Wie bundelt de auto’s, garandeert de beschikbaarheid en verdeelt de opbrengst? Een contract voor netondersteuning kan het verdienmodel aanvullen, maar dezelfde accucapaciteit kan niet onbeperkt tegelijk voor autorijden, huishoudelijk gebruik en verschillende stroomdiensten worden verkocht. Vergoedingen optellen zonder die beperkingen mee te rekenen levert een te rooskleurige uitkomst op. Het verschil tussen een energieprijs en de uiteindelijke rekening speelt ook bij brandstof. In ons eerdere artikel over olie en benzine ontleden we hoe belastingen, verwerking en andere kosten tussen grondstof en consument komen te staan. Diezelfde discipline is nodig bij de beloofde opbrengst van een autoaccu. Lees de analyse van de pompprijs. Drie opbrengsten laten zien hoeveel de aannames uitmaken Voor een vergelijking over 2027, 2028 en 2029 nemen we opnieuw €2.500 aan extra startinvestering. De jaarlijkse extra netto kasbesparing zetten we in drie rekenscenario’s op €100, €300 en €600. Die bedragen zijn aannames, geen voorspellingen of offertes. Ze moeten al ná gebruikskosten en een reservering voor slijtage overblijven, maar vóór financieringskosten. Na drie jaar is dan respectievelijk €300, €900 of €1.800 terugverdiend. Tegenover de oorspronkelijke uitgave staat nog een tekort van €2.200, €1.600 of €700. De installatie kan daarna verder besparen, maar alleen als hij bruikbaar blijft en de aangenomen opbrengsten daadwerkelijk worden gehaald. Een eventuele restwaarde is hier niet meegeteld. De grafiek toont voor ieder jaar hoeveel van de investering nog niet is terugverdiend. Met de scenarioselectie verandert ook de toelichting, zodat zichtbaar blijft welke aanname het verschil veroorzaakt. De overheid moet een bruikbare markt mogelijk maken Een overheid die flexibiliteit wil stimuleren, heeft reden om een onbedoelde dubbele heffing aan te pakken. In juni vroegen Kamerleden Van den Berg en Boomsma al om een uitvoerbare regeling of voorkeursvariant bij het Belastingplan 2027. Dat verzoek maakt tegelijk duidelijk dat fiscale techniek onderdeel is van de energietransitie. De motie benoemt ook uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Eenvoudige regels kunnen hier meer betekenen dan een nieuwe subsidiepot. Een leverancier kan geen betrouwbare terugverdientijd aanbieden als de belastingbehandeling onzeker blijft. Tegelijk moet een uitzondering controleerbaar zijn: stroom kan afkomstig zijn van zonnepanelen of het net en later worden gebruikt voor rijden, de woning of teruglevering. Een ingewikkelde administratie kan een deel van het financiële voordeel weer opeten. Ook de technische keuze verdient aandacht. Renault beschreef bij de particuliere introductie van Power V2G op 20 mei een combinatie van een geschikte auto, een specifiek laadpunt en een passend dynamisch energiecontract. Bij de introductie hoorde daar Hegg Energy bij. Dat is geen bewijs dat iedere elektrische auto met iedere laadpaal en leverancier kan terugleveren. Controle van de exacte uitvoering en actuele voorwaarden blijft nodig. Dit waren de voorwaarden bij de introductie. Voor ondernemers ligt de kans in systemen die klanten daadwerkelijk kunnen gebruiken en die na installatie ondersteund blijven. Voor huishoudens telt de extra netto besparing tegenover het goedkoopste passende alternatief. Voor beleggers is een groeiende markt voor flexibiliteit pas waardevol wanneer bedrijven daar herhaalbare omzet en winst aan overhouden. Meer geschikte auto’s alleen bewijst dat nog niet. Berg heeft daarmee een terecht punt: belastingregels kunnen nuttige investeringen afremmen. Maar het oplossen van die regels maakt niet iedere laadpaal een goede aankoop. Een overtuigend aanbod laat zien hoeveel er extra wordt verdiend, welke kosten daarvan afgaan en wat er gebeurt bij minder gunstige stroomprijzen. Wie dat kan aantonen, heeft een sterker verhaal dan iemand die alleen de grootste besparing op de brochure zet.

bottom of page