Doorzoek deze website
14832 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Buitenlandse fabrieken zetten de marge van TSMC op het spel
In het kort TSMC combineert een uitzonderlijk sterke vraag naar geavanceerde chips met een brutomarge die in het tweede kwartaal van 2026 opliep tot 67,7%. De onderneming bouwt tegelijk fabrieken in de Verenigde Staten, Japan en Europa. Dat maakt de productie minder afhankelijk van één regio, maar ook duurder. Bij een koers van $447,30 per ADS op 28 september draait de beleggingsvraag daarom minder om de volgende order en meer om de vraag hoeveel van de huidige marge overeind blijft als nieuwe fabrieken gaan afschrijven. De chipmaker begeleidde op 16 juli de omzet voor het derde kwartaal naar $44,6 tot $45,8 miljard en de brutomarge naar 65% tot 67%. Dat is nog steeds uitzonderlijk sterk. Toch ligt precies daar het risico: een aandeel dat al veel groei verdisconteert, reageert niet alleen op omzetgroei maar ook op ieder procentpunt marge dat tegenvalt. Direct naar een onderdeel van dit artikel AI-vraag geeft TSMC prijsmacht Buiten Taiwan is strategisch logisch en financieel lastig Afschrijving loopt voor op de omzet De Taiwanese dollar beweegt mee Wat moet de huidige koers waarmaken? Drie paden voor 2027, 2028 en 2029 AI-vraag geeft TSMC prijsmacht TSMC verdient geld met het produceren van chips die andere ondernemingen ontwerpen. NVIDIA, Apple, AMD en veel kleinere ontwerpers hoeven daardoor geen eigen fabriek te bouwen. De foundry draagt de kosten van lithografie, procesontwikkeling en productie, terwijl klanten capaciteit reserveren en betalen per wafer of verpakte chip. De kracht zit in de combinatie van schaal, productierendement en vertrouwen. Een geavanceerde chip is waardeloos als te veel exemplaren op een wafer defect zijn. Wie de hoogste opbrengst per wafer haalt, kan een hogere prijs vragen en de miljardeninvestering sneller terugverdienen. De nieuwste productienodes trekken bovendien vraag naar geavanceerde verpakking mee. Dat versterkt de relatie met klanten, omdat ontwerp, productie en verpakking steeds meer één technisch systeem worden. Bij de kwartaalcijfers over de periode tot 30 juni meldde TSMC een omzet van $40,2 miljard en een brutomarge van 67,7%. Dat resultaat kwam boven de eigen verwachtingen uit. De vraag naar krachtige AI-processors hielp, maar een sterke marge ontstaat ook door hoge bezetting en een gunstige productmix. Dat zijn precies de factoren die bij nieuwe fabrieken niet vanzelfsprekend zijn. Buiten Taiwan is strategisch logisch en financieel lastig Klanten en overheden willen minder afhankelijk zijn van productie op één eiland. TSMC investeert daarom buiten Taiwan. De strategische waarde is duidelijk: de onderneming krijgt subsidies, staat dichter bij belangrijke klanten en verkleint het risico dat een geopolitieke schok de hele keten raakt. Voor de resultatenrekening is de stap minder eenvoudig. Een fabriek in Arizona heeft andere bouwkosten, salarissen, leveranciers en vergunningstrajecten dan een vergelijkbare locatie in Taiwan. Ook ontbreekt aanvankelijk de dichtheid van gespecialiseerde toeleveranciers en ervaren technici die TSMC rond zijn thuismarkt heeft opgebouwd. Zelfs als de fabriek technisch goed draait, kan de kostprijs dus hoger liggen. De interactieve berekening laat zien dat een beperkt aandeel buitenlandse productie al zichtbaar wordt wanneer het margeverschil groot is. Dat is geen voorspelling van de werkelijke fabrieksmix. Het is een manier om te zien waarom een paar procentpunten hogere kosten belangrijk zijn bij een bedrijf dat door beleggers juist voor zijn superieure marge wordt beloond. TSMC kan een deel van die rekening doorgeven. Klanten die lokale productie eisen, kunnen bereid zijn een hogere waferprijs te betalen. Subsidies verlagen daarnaast de netto-investering. Maar hogere prijzen werken alleen zolang concurrenten geen aantrekkelijk alternatief bieden en klanten de geografische premie accepteren. Afschrijving loopt voor op de omzet Een nieuwe chipfabriek kost tientallen miljarden dollars. Zodra apparatuur gereed is voor gebruik, begint de afschrijving. De omzet komt vaak geleidelijk, omdat klanten hun ontwerp moeten kwalificeren en de bezettingsgraad eerst moet oplopen. Daardoor kan een nieuwe fabriek in de beginfase de groepsmarge drukken, zelfs wanneer de economische waarde op lange termijn goed is. In het model telt de bezettingsgraad zwaarder dan een oppervlakkige vergelijking tussen subsidie en bouwsom. Een grotendeels lege fabriek schrijft immers net zo goed af. Voor beleggers zijn daarom drie signalen belangrijk: hoeveel klanten lokaal volume vastleggen, hoe snel de productieopbrengst verbetert en of TSMC voor lokale productie een prijsopslag krijgt. Het optimistische tegenargument verdient serieuze aandacht. De onderneming heeft eerder laten zien dat zij nieuwe productienodes gedisciplineerd opschaalt. Bovendien is AI-vraag zo sterk dat klanten capaciteit ruim vooruit reserveren. Als de buitenlandse fabrieken snel vol lopen en hogere prijzen krijgen, kan de margedruk tijdelijk blijven. Dan koopt TSMC met een paar zwakkere kwartalen een beter gespreide en politiek waardevollere positie. De Taiwanese dollar beweegt mee TSMC rapporteert een groot deel van zijn omzet in Amerikaanse dollars, terwijl veel kosten in Taiwanese dollars worden gemaakt. Een sterkere Taiwanese munt maakt die lokale kosten in dollars duurder. Valuta-effecten verdwijnen op lange termijn niet volledig, al kan de onderneming prijzen aanpassen en risico's afdekken. De schuifberekening is bewust eenvoudig. Zij laat zien dat een sterkere munt niet rechtstreeks één op één doorloopt naar de winst, maar wel een tegenwind vormt als prijzen en productmix niet meebewegen. In een kwartaal met een zeer hoge brutomarge is dat goed op te vangen. Bij gelijktijdige opstartkosten in het buitenland wordt dezelfde valutabeweging relevanter. Wat moet de huidige koers waarmaken? We rekenen met de New Yorkse ADS, de verhandelbare lijn. Eén ADS vertegenwoordigt vijf gewone TSMC-aandelen. De koers van $447,30 is een momentopname van 28 september 2026. Wie vanuit die prijs 10% koersrendement per jaar verlangt en in 2029 nog 24 keer de winst wil betalen, heeft dan ongeveer $24,80 winst per ADS nodig. Dat is fors meer dan de illustratieve basis in het model. Een hoge multiple kan gerechtvaardigd blijven als TSMC zijn technologische voorsprong vasthoudt, de AI-markt sterk blijft groeien en nieuwe fabrieken snel bezet raken. Maar de waardering biedt minder bescherming wanneer één van die voorwaarden breekt. Vooral een combinatie van lagere bezetting en lagere eindmultiple is gevaarlijk: dan daalt zowel de winst als de prijs die beleggers voor iedere dollar winst betalen. Drie paden voor 2027, 2028 en 2029 De scenario's hieronder zijn geen koersdoelen. Ze combineren per jaar een mogelijke winst per ADS met een waarderingsmultiple. Dividend is buiten de koersen gehouden. Daardoor kan de lezer het koersrendement en de bescheiden dividendstroom apart beoordelen. In het middenscenario groeit de winst per ADS van $18 in 2027 naar $27 in 2029, terwijl de multiple licht terugloopt. Dat veronderstelt dat geavanceerde nodes sterk blijven groeien en dat de nieuwe fabrieken de groepsmarge slechts geleidelijk verdunnen. Het gunstige pad vraagt zowel snelle winstgroei als blijvend vertrouwen in TSMC. In het bear-scenario blijft de winst groeien, maar daalt de multiple omdat beleggers meer risico zien in kosten, geopolitiek of concurrentie. De sterkste conclusie is niet dat buitenlandse uitbreiding verkeerd is. Zij kan juist nodig zijn om de grootste klanten vast te houden en de leveringsketen te beschermen. Het punt is dat de huidige koers een soepele uitvoering beloont. De operationele meetlat verschuift daarom van alleen omzetgroei naar bezetting, afschrijving en prijsdiscipline per nieuwe fabriek. Lees ook: Waarom de waardering van ASML om meer draait dan de volgende machine
- Nieuwe aandelen van Realty Income moeten hun huur eerst waarmaken
In het kort Realty Income investeerde in de eerste helft van 2026 voor $5,3 miljard in nieuw vastgoed en behaalde daarop gemiddeld een aanvangsrendement van 7,2%. Het bedrijf verhoogde de investeringsverwachting voor heel 2026 naar ongeveer $10 miljard. Groei is dus niet het probleem. De vraag is hoeveel van dat rendement overblijft nadat rente, nieuwe aandelen en centrale kosten zijn betaald. Die vraag is actueel omdat Realty Income de groei deels met nieuw eigen vermogen financiert. Op 5 augustus stonden nog 22,5 miljoen aandelen onder forward-contracten uit, met een verwachte opbrengst van ongeveer $1,3 miljard en een gemiddelde brutoprijs van $60,34. De koers was op 28 september $55,28. Dat maakt de financiering niet per definitie verkeerd, maar ieder nieuw aandeel moet genoeg extra aangepaste kasstroom opleveren om verwatering te voorkomen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De huur is eenvoudig, de financiering niet Een aandelenuitgifte kan waarde toevoegen Het dividend heeft een buffer, geen garantie Wat moet $55,28 waarmaken? Negen scenario's voor drie jaren De huur is eenvoudig, de financiering niet Realty Income bezit duizenden panden die meestal via langlopende triple-netcontracten worden verhuurd. Bij zo'n contract betaalt de huurder naast de huur veel kosten voor onderhoud, belasting en verzekering. Voor de verhuurder blijft daardoor een relatief voorspelbare kasstroom over. Het model is aantrekkelijk zolang huurders betalen, panden bezet blijven en nieuwe aankopen tegen een voldoende rendement kunnen worden gefinancierd. De onderneming rapporteerde over het tweede kwartaal een bezettingsgraad van 98,8%. De aangepaste kasstroom, AFFO, bedroeg $1,09 per aandeel en $1,022 miljard in totaal. Voor heel 2026 verwacht het bestuur $4,44 tot $4,45 AFFO per aandeel. AFFO corrigeert de boekhoudkundige winst onder meer voor vastgoedafschrijvingen en eenmalige posten en is daardoor de gangbare maat voor dividendcapaciteit bij een vastgoedfonds. Een aankooprendement van 7,3% klinkt ruim, maar het verschil met de financieringskosten is beslissend. Als schuld 5% kost en eigen vermogen een rendement van 8% moet verdienen, blijft bij een gemengde financiering maar een beperkte spread over. Daar moeten centrale kosten, onverwachte investeringen en eventuele leegstand nog vanaf. De onderneming kan die rekensom verbeteren door goedkoop te lenen, aandelen uit te geven wanneer de koers gunstig is en portefeuilles te kopen die beter renderen dan losse panden. Schaal helpt bij toegang tot kapitaal en dealstroom. Toch verdwijnt de economische wet niet: groei creëert alleen waarde wanneer het netto rendement op nieuwe investeringen hoger is dan de kosten van het kapitaal. Een aandelenuitgifte kan waarde toevoegen Beleggers zien uitgifte vaak automatisch als verwatering. Dat is te simpel. Als Realty Income een nieuw aandeel voor $60 verkoopt en de opbrengst belegt in vastgoed dat structureel meer AFFO per aandeel oplevert dan het bestaande bedrijf, kan de transactie juist waarde creëren. Gebeurt de uitgifte beneden de intrinsieke waarde of tegen een te klein investeringsrendement, dan verschuift waarde naar de nieuwe belegger. De module rekent de verwachte $1,3 miljard opbrengst om naar nieuwe aandelen en vervolgens naar extra AFFO. Bij een AFFO-rendement van 6,5% produceert de investering ongeveer $3,92 per nieuw aandeel. Dat ligt onder de bedrijfsverwachting van circa $4,45 per bestaand aandeel. Op dat niveau is de transactie op zichzelf dus licht verwaterend, voordat schaalvoordelen of toekomstige huurgroei worden meegeteld. Dit is geen oordeel over de werkelijke aankopen, want aanvangsrendement en AFFO-rendement zijn niet hetzelfde. Onderhoud, financiering, valuta en timing maken verschil. De berekening laat wel zien welke informatie beleggers nodig hebben: niet alleen het volume en het bruto aanvangsrendement, maar ook het netto AFFO-effect per nieuw aandeel. Het dividend heeft een buffer, geen garantie Realty Income staat bekend om zijn maandelijkse dividend. In het tweede kwartaal lag de uitkering rond 74,5% van de AFFO. Dat geeft ruimte voor herinvestering en onverwachte tegenvallers. Een lagere koers verhoogt het dividendrendement, maar maakt nieuwe aandelen als financieringsbron juist duurder. Daar ontstaat een interessante spanning: wat aantrekkelijk is voor een koper van het aandeel, kan toekomstige groei voor het bedrijf lastiger maken. De buffer tussen AFFO en dividend financiert een deel van de groei en beschermt de uitkering. Bij een recessie kunnen huurders problemen krijgen, terwijl vastgoedverkopen minder opleveren. Een bezettingsgraad van bijna 99% is sterk, maar zegt niet alles over huurderskwaliteit of de waarde van een pand na vertrek van een specifieke gebruiker. Het overtuigende tegenargument is dat Realty Income veel cycli heeft doorstaan en zijn portefeuille breed heeft gespreid. Een supermarkt, distributiecentrum of dienstverlener reageert anders op de economie dan een bioscoop of restaurant. De schaal verlaagt bovendien de afhankelijkheid van één pand. Die voordelen rechtvaardigen een lagere risicopremie, maar niet iedere aankoopprijs. Wat moet $55,28 waarmaken? Bij een koers van $55,28 en het midden van de AFFO-verwachting noteert Realty Income rond 12,4 keer de verwachte aangepaste kasstroom. Dat is niet extreem voor een kwalitatief vastgoedfonds, maar ook geen bodemwaardering wanneer de rente lang hoog blijft. Wie 6% koersrendement per jaar verlangt en in 2029 dertien keer AFFO wil betalen, heeft dan ongeveer $5,07 AFFO per aandeel nodig. Dat betekent bescheiden groei vanaf de 2026-verwachting. Het dividend komt daar voor het totaalrendement nog bovenop. Juist daarom mag het koersmodel het dividend niet nog eens in de eindkoers stoppen. De omgekeerde waardering maakt ook duidelijk waarom rente zo belangrijk is. Een hogere risicovrije rente kan de vereiste multiple verlagen, zelfs als AFFO groeit. Dan moet de winst per aandeel harder stijgen om dezelfde koers te bereiken. Een lagere rente helpt zowel financieringskosten als de waarderingsmultiple, maar alleen wanneer kredietmarkten open blijven en de aankopen van goede kwaliteit zijn. Negen scenario's voor drie jaren De scenario's combineren een mogelijke AFFO per aandeel met een mogelijke P/AFFO-multiple voor 2027, 2028 en 2029. Het dividend is niet inbegrepen en de uitkomsten zijn geen koersdoelen. In het middenscenario groeit AFFO per aandeel van $4,50 naar $4,95 en blijft de multiple dertien. Dat vraagt dat nieuwe aankopen de verwatering minstens compenseren en dat de bezettingsgraad hoog blijft. Het gunstige pad veronderstelt sterkere groei en een multiple van vijftien, passend bij lagere financieringskosten en blijvend vertrouwen in het dividend. Het bear-scenario laat zien dat kleine AFFO-groei niet genoeg is wanneer de markt maar elf keer de kasstroom wil betalen. Voor Realty Income moeten beleggers daarom verder kijken dan het maandelijkse dividend. De belangrijkste cijfers zijn de netto investeringsspread, AFFO per aandeel en de prijs waartegen nieuw kapitaal wordt opgehaald. Een hoog aankoopvolume is pas een succes als de kasstroom per bestaand aandeel sneller groeit dan het aantal aandelen. Lees ook: Waarom rente en waardering samen bepalen wat een defensief aandeel waard is
- Een teruggaaf van importheffingen flatteert de marge van Apple
In het kort De meevaller: Apple rapporteerde over het kwartaal tot 27 juni 2026 een brutomarge van 50,1%. Ongeveer twee procentpunt kwam uit een teruggaaf van importheffingen. De onderliggende vraag: zonder die tijdelijke bijdrage ligt de winstbasis lager. Diensten, productmix en aandeleninkoop moeten dat verschil opvangen. De waardering: bij $339,84 rekent de markt op jarenlange winstgroei en een blijvend hoge multiple. De marge mag dus niet alleen door tijdelijke factoren sterk lijken. Apple boekte in het derde kwartaal van zijn gebroken boekjaar $109,4 miljard omzet, 16% meer dan een jaar eerder. De verwaterde winst per aandeel steeg naar $2,02. Dat zijn krachtige cijfers, maar in de toelichting van 30 juli zat een belangrijk detail. Een teruggaaf van importheffingen verhoogde de brutomarge met ongeveer twee procentpunt en de winst per aandeel met $0,11. Dat maakt het kwartaal niet slecht. Het betekent wel dat beleggers de gerapporteerde marge niet zonder correctie mogen doortrekken. Bij een koers van $339,84 wordt veel betaald voor de duurzame winstcapaciteit, niet voor een eenmalige terugbetaling. Direct naar een onderdeel van dit artikel Waarom twee procentpunt zoveel uitmaakt Aandeleninkoop helpt, maar maakt geen brutowinst Wat moet Apple bij $339,84 waarmaken? Tijdelijke steun scheiden van structurele kwaliteit Waarom twee procentpunt zoveel uitmaakt Apple koopt onderdelen, laat producten assembleren en verkoopt hardware met een grote opslag. De brutomarge is het verschil tussen omzet en directe product- of dienstkosten. Op $109,4 miljard omzet vertegenwoordigt twee procentpunt ongeveer $2,2 miljard brutowinst. Dat bedrag valt niet ieder kwartaal opnieuw vrij. De onderliggende brutomarge komt in dit model uit rond 48,1%. Dat blijft uitzonderlijk hoog voor een onderneming die honderden miljoenen fysieke apparaten verkoopt. De groei van diensten speelt daarbij een belangrijke rol. App Store-commissies, cloudopslag, betalingen, advertenties en licentie-inkomsten hebben doorgaans een hogere marge dan hardware. Een rijkere productmix, hogere gemiddelde verkoopprijzen en efficiëntere chips helpen eveneens. De tijdelijke bijdrage aan de winst per aandeel is overzichtelijker. Trek $0,11 af van $2,02 en de onderliggende kwartaalwinst komt op $1,91 per aandeel. De correctie is ongeveer 5,4% van de gemelde winst. Aandeleninkoop helpt, maar maakt geen brutowinst Apple koopt al jaren eigen aandelen in. Daardoor wordt dezelfde winst verdeeld over minder stukken. Bij gelijkblijvende nettowinst stijgt de winst per aandeel dus vanzelf. Stel dat de jaarwinst $116 miljard is en het aantal aandelen drie jaar lang jaarlijks 1,8% daalt. Dan groeit de winst per aandeel zonder extra operationele winst met ongeveer 5,6% over die periode. Dat is waardevol, maar niet gratis. Apple gebruikt kasgeld voor inkoop en kan dat geld niet tegelijk investeren of als dividend uitkeren. Bovendien vernietigt inkoop waarde wanneer de onderneming structureel meer betaalt dan de intrinsieke waarde per aandeel. Bij een hoge koers is de winst per ingekocht aandeel beperkt. Het sterke tegenargument is dat Apple geen gewone hardwareproducent meer is. De geïnstalleerde basis brengt terugkerende dienstenomzet voort, klanten blijven lang in het ecosysteem en eigen chips verlagen de afhankelijkheid van leveranciers. Nieuwe apparaten kunnen bovendien dienstenverbruik en vervangingsvraag stimuleren. Daardoor verdient Apple een hogere waardering dan een cyclische elektronicaproducent. Toch blijven er risico's. Importheffingen kunnen terugkeren, valuta kunnen tegenzitten en toezichthouders kunnen de verdiensten uit distributie en App Store-regels beperken. Ook is China tegelijk een belangrijke productiebasis en afzetmarkt. Een verstoring raakt dus twee kanten van de resultatenrekening. Wat moet Apple bij $339,84 waarmaken? De reverse waardering maakt de lat zichtbaar. Wie tot september 2029 jaarlijks 9% koersrendement verlangt, heeft dan een koers rond $440 nodig. Bij een eindmultiple van 29 keer de winst hoort daar ongeveer $15,20 winst per aandeel bij. Dat is bijna het dubbele van een indicatieve jaarbasis van vier keer de onderliggende kwartaal-EPS. Zo'n uitkomst vraagt meer dan alleen aandeleninkoop. Apple moet omzet per gebruiker verhogen, de dienstenmix verder verbeteren en marges vasthouden nadat de tariefteruggaaf wegvalt. Een nieuwe grote productcategorie kan helpen, maar beleggers doen er verstandig aan die pas te waarderen wanneer omzet en marge zichtbaar zijn. De scenario's combineren winst per aandeel en multiple. Ze rekenen geen afzonderlijk dividend op de koers. Dividend verhoogt wel het totaalrendement. De bedragen zijn mogelijke koersen en geen voorspellingen. Het bearscenario veronderstelt weinig winstgroei en een dalende multiple. De koers kan dan ondanks een gezond bedrijf terugvallen. In het middenscenario groeien diensten, daalt de aandelenteller en blijft de waardering royaal. Het gunstige scenario vraagt een sterke productcyclus, meer dienstenomzet en een uitzonderlijk hoge multiple. Tijdelijke steun scheiden van structurele kwaliteit Apple is operationeel sterk. De omzetgroei van 16% en de onderliggende marge tonen dat de onderneming niet afhankelijk is van één boekhoudkundige meevaller. Maar de huidige koers laat weinig ruimte om tijdelijke winst als structureel te behandelen. De komende kwartalen zijn drie cijfers belangrijk: brutomarge zonder tariefeffecten, groei van diensten per geïnstalleerd apparaat en netto daling van het aantal aandelen. Ook moet duidelijk worden hoeveel extra kosten of prijsverhogingen handelstarieven veroorzaken. Een marge rond 48% zonder meevaller kan nog steeds uitstekend zijn, maar de waardering verlangt dat die basis verder groeit. Lees ook: waarom Google miljarden aan Apple betaalt Bij $339,84 koopt een belegger een uitzonderlijk ecosysteem tegen een uitzonderlijke prijs. De teruggaaf van importheffingen verandert het bedrijf niet, maar herinnert eraan dat een paar procentpunt marge miljarden winst vertegenwoordigt. Juist daarom moet de onderliggende ontwikkeling centraal staan.
- Uber koopt Delivery Hero met 14 miljard euro geleend geld
In het kort De stap: Uber wil Delivery Hero overnemen en veertien markten doorverkopen aan investeerder SSW. Na correctie voor bestaande belangen en die verkoop blijft een forse rekening over. De financiële kern: de deal wordt grotendeels met nieuwe schuld gefinancierd. Daardoor moet de extra winst niet alleen de koopsom rechtvaardigen, maar ook rente, aflossing en integratiekosten dragen. De waardering: bij $68,58 veronderstelt de beurs dat Uber zijn autonome groei vasthoudt en de overname uiterlijk in het derde jaar zichtbaar laat bijdragen aan de winst per aandeel. Uber heeft de laatste jaren laten zien dat een digitaal platform wel degelijk veel vrije kasstroom kan maken. De vraag is nu wat er gebeurt als het bedrijf die kasstroom gebruikt voor een klassieke, kapitaalintensieve overname. Op 16 juli 2026 bood Uber €41,50 per aandeel op Delivery Hero. Het Amerikaanse bedrijf sprak over een aandelenwaarde van $14,8 miljard, of $13,7 miljard na correctie voor belangen die Uber al bezit. Tegelijk wil investeerder SSW veertien markten overnemen voor ongeveer $1,6 miljard. De resterende activiteiten liggen in vijftig landen en waren in 2025 goed voor $42 miljard aan bruto boekingen. Dat klinkt als schaal, maar schaal is alleen waardevol als de marge en kasstroom per extra bestelling voldoende zijn. Het belangrijkste cijfer is daarom niet het aantal landen of bestellingen, maar de winst die overblijft nadat de financiering is betaald. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een platform krijgt ineens een balansvraagstuk De belofte van winstgroei moet concreet worden Wat moet Uber bij $68,58 waarmaken? Waar het oordeel vanaf hangt Een platform krijgt ineens een balansvraagstuk Uber verdient aan een percentage van de rit- en bezorgwaarde die via zijn platform loopt. Extra volume kan aantrekkelijk zijn omdat technologie, betalingen, advertenties en klantenservice over een grotere basis worden verdeeld. Delivery Hero voegt lokale posities, restaurants en consumenten toe. Dat kan de bezettingsgraad verbeteren en de advertentie-inkomsten verhogen. De keerzijde is dat de overname niet uit overtollige kas alleen kan worden betaald. Uber heeft een gecommitteerde brugfaciliteit van ongeveer €14 miljard geregeld. Het bedrijf verwacht bij afronding een bruto schuldgraad van minder dan twee keer de aangepaste EBITDA. Dat klinkt beheersbaar, maar een ratio is geen kasstroom. Bij 4,5% rente kost €14 miljard schuld in het eerste jaar ongeveer €630 miljoen aan rente. Als Uber daarnaast jaarlijks €2 miljard wil aflossen, loopt de totale kasvraag op tot ruim €2,6 miljard. Uber had eind juni $5,4 miljard aan liquide middelen. In het tweede kwartaal genereerde het $2,8 miljard vrije kasstroom. Dat geeft ruimte, maar de kasstroom blijft gevoelig voor verzekeringskosten, regelgeving, prijsprikkels voor chauffeurs en concurrentie. Een scherpe recessie of een agressieve prijsronde kan precies in de integratieperiode op de vrije kasstroom drukken. De belofte van winstgroei moet concreet worden Het management verwacht dat de transactie bij afronding al winstverhogend is en in het derde jaar een hoge enkelcijferige procentuele bijdrage aan de winst per aandeel levert. Neem als illustratie $13 miljard autonome nettowinst in dat derde jaar. Een bijdrage van 8% vraagt dan ruim $1 miljard extra nettowinst. Bij ongeveer 2,05 miljard verwaterde aandelen komt dat neer op circa $0,51 extra winst per aandeel. Die berekening maakt duidelijk waarom synergieën belangrijk zijn. De extra winst kan komen uit lagere bezorgkosten, minder dubbele marketing, een hogere advertentiebijdrage en gedeelde technologie. Maar kosten besparen in vijftig markten vraagt tijd. Ook kan Uber omzet verliezen als het merken samenvoegt, bezorgersvoorwaarden wijzigt of restaurants hogere tarieven oplegt. Een sterk tegenargument is dat Delivery Hero de concurrentiepositie van Uber structureel verbetert. De gecombineerde onderneming zou op pro-formabasis $236 miljard bruto boekingen hebben. Een groter netwerk kan consumenten meer keuze geven en restaurants een groter bereik. De operationele hefboom kan daardoor sterker zijn dan de rente. Daar staat tegenover dat toezichthouders lokale concessies kunnen eisen en dat veel bezorgmarkten nog steeds lage marges kennen. Wat moet Uber bij $68,58 waarmaken? Bij een koers van $68,58 is de onderneming niet extreem gewaardeerd als de winst snel blijft stijgen. De reverse waardering draait de vraag om. Stel dat een aandeelhouder tot september 2029 jaarlijks 10% koersrendement verlangt en de markt dan 18 keer de winst betaalt. De benodigde koers is dan ongeveer $91. Daar hoort een winst per aandeel van iets meer dan $5 bij. Dat is haalbaar wanneer mobiliteit en bezorging blijven groeien, de advertentietak opschaalt en Delivery Hero de beloofde bijdrage levert. Het is minder comfortabel als de schuld langer hoog blijft of Uber extra aandelen uitgeeft. Aandeleninkoop verlaagt de teller, maar telt alleen als waardecreatie wanneer aandelen onder hun intrinsieke waarde worden gekocht. Geld dat naar inkoop gaat, kan bovendien niet tegelijk naar schuldafbouw. De scenario's hieronder combineren winst per aandeel met een passende waarderingsmultiple. Dividend is niet meegerekend. De bedragen zijn mogelijke koersen, geen koersdoelen of voorspellingen. In het bearscenario blijft de integratie duur en zakt de waardering doordat beleggers meer schuld- en uitvoeringsrisico zien. In het middenscenario groeit de winst gestaag en levert Delivery Hero vanaf 2028 zichtbaar bij. In het gunstige scenario ontstaat echte platformhefboom: meer transacties, hogere advertentie-inkomsten en een snelle schuldafbouw. Waar het oordeel vanaf hangt De overname kan rationeel zijn, maar de bewijslast ligt bij Uber. De kwartaalcijfers van 5 augustus 2026 waren sterk: $14,2 miljard omzet, $58,0 miljard bruto boekingen en $2,1 miljard aangepast operationeel resultaat. Dat is de winstmachine die de deal moet financieren. Beleggers moeten de komende kwartalen vooral letten op netto schuld, rente, vrije kasstroom per aandeel en concrete synergieën. Alleen groei van bruto boekingen is niet genoeg. Lees ook: Amazon en Uber vergeleken Uber koopt met Delivery Hero bereik, maar ook complexiteit. Rond $68,58 kan de rekensom werken als de extra winst de rente ruim overstijgt en de schuld binnen enkele jaren daalt. Als dat niet gebeurt, verandert een schaalvoordeel in een dure balanspost.
- Gemeenten moeten kiezen tussen parkeergeld en vrije ruimte
In het kort Meer betaald parkeren kan de gemeentekas helpen, maar de extra opbrengst is geen gratis winst. Automobilisten betalen, de uitvoering kost geld en wie uitwijkt of minder lang blijft staan, verlaagt de inkomsten. Tegelijk kan een beter beschikbare parkeerplaats waarde hebben voor bewoners en winkels. De beslissende vraag is daarom of een gemeente vooral ruimte wil vrijmaken of een vast bedrag wil binnenhalen, en wat er gebeurt wanneer die doelen botsen. De uitbreiding van betaald parkeren raakt een dagelijkse kostenpost, maar daarachter zit een lastige begrotingskeuze. Een gemeente kan bezoekers laten bijdragen aan de stad die zij gebruiken. Alleen moet zij dan wel onderscheid maken tussen wat de parkeerautomaat ontvangt, wat daarvan na kosten overblijft en wat bewoners en ondernemers er samen mee opschieten. Bij de publicatie van 5 februari begrootte het CBS voor Nederlandse gemeenten samen € 1,605 miljard aan parkeerheffingen in 2026, tegenover € 1,475 miljard in 2025. Dat is € 130 miljoen meer, of 8,8 procent. Het gaat om verwachtingen uit begrotingen die vóór 15 november 2025 waren opgesteld, niet om inmiddels ontvangen geld. De stijging bewijst evenmin dat iedere uitbreiding alleen door geldgebrek wordt ingegeven. CBS over de gemeentebegrotingen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een parkeerplaats kan geld en ruimte opleveren Van twee miljoen bruto blijft in dit voorbeeld minder over De bewoner en de bezoeker betalen een andere rekening Hoeveel betaalde uren zijn nodig voor een miljoen netto Drie routes voor de parkeeropbrengst tot en met 2029 Beoordeel de straat én de kas voordat het tarief stijgt Een parkeerplaats kan geld en ruimte opleveren Op een drukke straat verdeelt gratis parkeren de beschikbare plekken op volgorde van aankomst. Een automobilist die er de hele dag staat, betaalt dan geen extra bedrag voor het bezet houden van die schaarse ruimte. Een uurtarief maakt lang blijven staan duurder. Dat kan mensen aanzetten tot een korter bezoek, een andere vervoerwijze of een andere parkeerplek. Welke reactie overheerst, hangt af van de alternatieven. Utrecht laat zien dat betaald parkeren niet overal hetzelfde betekent. De gemeente wil de invoering stapsgewijs tot 2034 uitbreiden; een volgende reeks buurten begint in het najaar van 2026. Voor nieuwe gebieden geldt als uitgangspunt betalen op werkdagen van 6.00 tot 11.00 uur, met uitzonderingen. Dat verschilt sterk van de hele dag een centrumtarief betalen. Het plan is bovendien eerder vastgesteld: het is geen nieuw besluit van 28 september. De Utrechtse planning. Haarlem koppelt uitbreiding aan gemeten parkeerdruk. Op de op 22 september bijgewerkte gemeentepagina staat een grens van gemiddeld minstens 95 procent bezetting over drie metingen. Voor Ter Kleefkwartier ligt nog een ontwerpverkeersbesluit ter inzage, met reacties mogelijk tot 2 november. Dat is een ander stadium dan een al ingevoerde heffing. Zulke verschillen verdwijnen gemakkelijk wanneer alle plannen als één landelijke tariefverhoging worden besproken. Het Haarlemse parkeerplan. Een lagere bezetting is ondertussen niet automatisch een lagere opbrengst. Als gratis uren betaalde uren worden, kan de gemeente geld ontvangen terwijl er minder auto's staan. Pas bij verdere prijsverhogingen wordt de reactie van automobilisten echt bepalend voor de extra inkomsten. Wie het tarief met tien procent verhoogt, kan bij ongeveer 9,1 procent minder betaalde uren dezelfde bruto-opbrengst houden: 1,10 × 0,909 is ongeveer 1. Van twee miljoen bruto blijft in dit voorbeeld minder over Neem een fictief gebied met duizend parkeerplaatsen en één miljoen afgerekende bezoekersuren per jaar. Bij een verondersteld gemiddeld tarief van € 2 per uur is de bruto-opbrengst € 2 miljoen. Trek daar tien procent variabele uitvoeringskosten en € 400.000 vaste jaarlijkse kosten vanaf. Dan resteert € 2.000.000 − € 200.000 − € 400.000 = € 1.400.000 netto per jaar, gemiddeld ongeveer € 116.667 per maand. Dit rekenvoorbeeld gaat uitsluitend over betaald parkeren per uur. Vergunningen, naheffingen en andere opbrengsten ontbreken. De vaste post omvat hier de aangenomen jaarlijkse lasten voor inrichting, systemen, personeel en toezicht; er komt geen losse investering bovenop. De tien procent is een modelaanname, geen gemeten gemeentelijke kostenquote. Netto betekent hier na deze uitvoeringskosten, niet een volledige maatschappelijke winst of een officiële gemeentelijke resultaatdefinitie. Daalt het aantal betaalde uren met twintig procent en blijft het tarief gelijk, dan zakt de bruto-opbrengst naar € 1,6 miljoen. Na € 160.000 variabele en € 400.000 vaste kosten blijft € 1,04 miljoen over. De ontvangsten dalen twintig procent, maar het nettoresultaat ruim een kwart. Dat komt doordat het vaste deel niet vanzelf meebeweegt wanneer minder mensen afrekenen. Voor een gemeentebegroting is dat verschil belangrijk. Een terugkerende uitgave, bijvoorbeeld voor onderhoud, vraagt om terugkerende dekking. Als een parkeerplan alleen uitkomt wanneer bezoekers nauwelijks op de prijs reageren, is de opbrengst kwetsbaar. Invoering over meer buurten kan dat tijdelijk verhullen: het totale bedrag groeit dan door een groter gebied, terwijl de opbrengst per bestaande plek terugloopt. De bewoner en de bezoeker betalen een andere rekening De Utrechtse tarieventabel voor 2026 maakt het verschil concreet. Een eerste bewonersvergunning in zone BC kost € 42,27 per drie maanden. Vier gelijke kwartalen kosten dus € 169,08 per jaar, gemiddeld € 14,09 per maand. Het gewone uurtarief in die zone bedraagt € 5,34. Wie zonder vergunning twintig betaalde uren per maand parkeert, komt daarmee op € 106,80 per maand en € 1.281,60 per jaar bij twaalf gelijke maanden. Utrechtse parkeertarieven 2026. Dat zijn uitgaven uit het huishoudbudget, zonder veronderstelde vergoeding of belastingaftrek. De vergelijking geeft geen recht op een vergunning: daarvoor gelden afzonderlijke voorwaarden. Dagkaarten en bezoekkortingen zijn buiten deze berekening gehouden, en alleen uren binnen de betaalperiode tellen mee. Voor een bezoeker die kort blijft, een bewoner met een vergunning en iemand die dagelijks voor werk komt, ontstaat dus een heel andere rekening. Een vaste extra uitgave drukt bij een laag besteedbaar inkomen zwaarder op het budget. Daar staat tegenover dat een huishouden zonder auto geen bewonersvergunning nodig heeft en mogelijk wel profiteert van extra ruimte of voorzieningen. Wie op eigen terrein kan parkeren, heeft opnieuw een andere uitgangspositie. De verdeling loopt daardoor niet simpelweg tussen automobilisten en niet-automobilisten, maar ook tussen inkomens, woningen en werksituaties. Voor winkels is het effect evenmin vanzelfsprekend. Meer wisseling op een beperkt aantal plekken kan extra klanten toelaten. Een hoge bezoekprijs kan juist reden zijn om elders te winkelen. Alleen naar parkeerontvangsten kijken mist beide effecten. Omzet, bezoekersaantallen en bereikbaarheid moeten naast elkaar worden gelegd. Voor beleggers in winkelvastgoed is vooral relevant of de aantrekkelijkheid van de locatie verandert, niet of de gemeente een hogere opbrengst boekt. Lees ook: hoe olie, belastingen en de euro samen de benzineprijs bepalen Hoeveel betaalde uren zijn nodig voor een miljoen netto Draai de vraag om. Stel dat een gemeente in het fictieve gebied jaarlijks € 1 miljoen netto wil overhouden. Hoeveel parkeeruren moeten bezoekers dan daadwerkelijk betalen? Met € 400.000 vaste kosten, tien procent variabele kosten en € 2 per uur luidt de formule: (€ 1.000.000 + € 400.000) / (€ 2 × 0,90). Dat levert ongeveer 777.778 betaalde uren per jaar op. Verdeel dat over duizend plekken en 260 betaalde dagen, dan is gemiddeld 2,99 afgerekend uur per plek per dag nodig. Bij vijf betaalde uren per dag is dat bijna zestig procent van de theoretisch beschikbare tijd. Het is geen voorspelling van de bezettingsgraad: ook vergunninghouders kunnen ruimte innemen zonder per uur af te rekenen. Een volle straat kan dus toch minder bezoekersinkomsten opleveren dan het model verlangt. Zijn er maar 500.000 betaalde uren beschikbaar, dan moet het gemiddelde tarief voor hetzelfde nettodoel stijgen naar € 1,4 miljoen / (500.000 × 0,90) = ongeveer € 3,11 per uur. Dat is ruim 55 procent boven de oorspronkelijke € 2. De berekening houdt het volume op dat moment constant. Zodra die hogere prijs opnieuw mensen laat uitwijken, is ook € 3,11 niet genoeg. Dit is de zwakke plek van een opbrengstdoel dat vooraf vaststaat. Een gemeente kan een hoger tarief verdedigen als middel tegen drukte, maar moet bij succes accepteren dat de belastinggrondslag kleiner wordt. Wie ieder gat vervolgens met een nieuwe verhoging probeert te dichten, loopt het risico de bereikbaarheid steeds duurder te maken zonder de begroting duurzaam te verbeteren. Drie routes voor de parkeeropbrengst tot en met 2029 Voor 2027, 2028 en 2029 zijn drie samenhangende scenario's door te rekenen, met 28 september 2026 als peildatum. In alle drie blijft het fictieve gebied even groot. Het nominale uurtarief bedraagt achtereenvolgens € 2, € 2,10 en € 2,20; de vaste kosten groeien jaarlijks twee procent, van € 400.000 naar € 408.000 en € 416.160. De variabele kosten blijven tien procent van de bruto-opbrengst. Dit zijn aannames, geen aangekondigde tarieven of gemeentelijke ramingen. In het basisscenario nemen de betaalde uren geleidelijk af van één miljoen naar 970.000 en 940.000. Met de formule uren × tarief × 0,90 − vaste kosten resulteert jaarlijks € 1.400.000, € 1.425.300 en € 1.445.040 netto. Over drie jaar is dat afgerond € 4,27 miljoen. De hogere prijs vangt de beperkte volumedaling in nominale euro's op. Dat betekent nog niet dat de koopkracht van de opbrengst even sterk stijgt. Bij een sterkere gedragsreactie, bijvoorbeeld doordat bezoekers gemakkelijker kunnen uitwijken, dalen de betaalde uren naar 800.000, 720.000 en 650.000. Met dezelfde tarieven en kosten resteert ongeveer € 1,04 miljoen, € 953.000 en € 871.000 netto per jaar, samen € 2,86 miljoen. In het alternatief met weinig uitwijkmogelijkheden blijven jaarlijks één miljoen uren betaald. Dan loopt het nettoresultaat van € 1,40 miljoen via € 1,48 miljoen naar € 1,56 miljoen, samen € 4,45 miljoen. Geen van deze routes heeft hier een toegekende kans. Ze laten zien welke aanname de uitkomst draagt: de reactie op de rekening. Het scenario met de hoogste opbrengst kan juist betekenen dat mensen nauwelijks een alternatief hebben. En het scenario met lagere ontvangsten kan samengaan met minder zoekverkeer. Een financiële tegenvaller is daarom niet automatisch een mislukte verkeersmaatregel, net zoals een volle kas niet bewijst dat de straat beter functioneert. Beoordeel de straat én de kas voordat het tarief stijgt Het sterkste argument vóór betaald parkeren is dat gratis straatruimte ook een prijs heeft. De ruimte kan niet tegelijk een parkeerplek, een boomvak of een bredere stoep zijn. Op drukke locaties is een bedrag voor gebruik daarom goed te verdedigen. Bezoekers kunnen bovendien bijdragen aan voorzieningen die anders vooral door inwoners worden betaald. Zonder zo'n heffing kan de rekening via andere belastingen of minder voorzieningen alsnog terugkomen. Maar die redenering rechtvaardigt niet iedere uitbreiding of ieder tarief. Een betaling van de automobilist aan de gemeente verschuift geld; zij maakt de samenleving op zichzelf niet rijker. De echte winst moet komen uit beter gebruikte ruimte, bespaarde zoektijd en zinvolle besteding van de ontvangsten. Daartegenover staan uitvoeringskosten, eventuele omrijtijd en bezoeken die door de prijs niet meer doorgaan. Betaald parkeren is daarmee een verdedigbaar middel om schaarse ruimte te verdelen, maar een onzekere oplossing voor een vast begrotingsgat. Een gemeente zou het opbrengstdoel moeten kunnen aanpassen wanneer de parkeerdruk aantoonbaar afneemt. Overtuigend nieuw bewijs bestaat uit metingen vóór en na invoering van bezetting, betaalde uren, netto-uitvoeringskosten en verkeer in omliggende buurten. Blijven de netto-inkomsten stabiel, wordt een plek aantoonbaar beter bereikbaar en verplaatst het probleem zich niet naar de buurstraat, dan wordt de zaak voor uitbreiding sterker. Blijft vooral de rekening groeien, dan moet het tarief of het gebied opnieuw worden bekeken. Omslag: Matthijs Sienot, Utrechts wethouder met mobiliteit in zijn portefeuille. Foto uit 2026: Bas van Setten / gemeente Utrecht. De gemeente staat publicatie van deze foto toe.
- Bij dsm-firmenich draagt parfum bijna de halve kernwinst
In het kort Perfumery & Beauty leverde in de eerste helft van 2026 €424 miljoen aangepaste EBITDA, ongeveer 45% van de som van de drie operationele segmenten. Taste, Texture & Health kwam op €321 miljoen en Health, Nutrition & Care op €206 miljoen. Na de aangekondigde verkoop van Animal Nutrition & Health is dsm-firmenich meer gericht op consumentenproducten, maar ook afhankelijker van innovatie en prijszetting in geur, smaak en gezondheid. Bij €97,78 vraagt de koers dat groei en rendement op het grote kapitaalbeslag samen verbeteren. dsm-firmenich is na de fusie en de verkoop van Animal Nutrition & Health geen breed chemieconcern meer. De doorgaande activiteiten draaien om geuren en beauty, smaak en textuur, en ingrediënten voor gezondheid en voeding. Dat maakt het bedrijf eenvoudiger te begrijpen, maar de winstverdeling is niet gelijk. Bij de halfjaarcijfers van 30 juli rapporteerde Perfumery & Beauty €1,95 miljard omzet en €424 miljoen aangepaste EBITDA. Taste, Texture & Health leverde €1,63 miljard omzet en €321 miljoen EBITDA. Health, Nutrition & Care boekte €1,04 miljard omzet en €206 miljoen EBITDA. Corporate kosten waren €51 miljoen negatief. Direct naar een onderdeel van dit artikel Geur is de grootste winstmotor Groei zonder volume-illusie Kapitaalrendement blijft bescheiden De verkoop van ANH verandert de vergelijking Wat vraagt €97,78? Het sterkste tegenargument Conclusie Geur is de grootste winstmotor Perfumery & Beauty combineert creatieve parfumerie met ingrediënten. Het segment verdient aan luxegeuren, persoonlijke verzorging en producten die in dagelijkse consumentenartikelen terechtkomen. De marge van 21,8% lag boven de 19,6% bij Taste, Texture & Health en 19,9% bij Health, Nutrition & Care. Dat verschil maakt de omzetmix belangrijk. Een procentpunt extra groei bij het hoogst renderende segment kan meer groepswinst opleveren dan dezelfde groei elders. De verschillen zijn niet enorm, maar op ruim €9 miljard jaaromzet telt een kleine verschuiving. De sterke positie komt uit kennis, klantrelaties en een bibliotheek van formules en ingrediënten. Een geur of smaak vormt vaak maar een klein deel van de kostprijs van een eindproduct, terwijl zij belangrijk is voor de merkervaring. Dat geeft prijszettingsmacht. Tegelijk zijn grote consumentenproducenten professioneel en schaalrijk. Zij vragen voortdurende innovatie en kunnen meerdere leveranciers laten concurreren. Groei zonder volume-illusie De groepsomzet uit doorgaande activiteiten bedroeg in het eerste halfjaar €4,66 miljard, vrijwel gelijk aan een jaar eerder. Like-for-like groeide zij 5%, wat betekent dat valuta en portefeuilleeffecten de gerapporteerde groei drukten. In het tweede kwartaal versnelde de vergelijkbare groei naar 6%. De aangepaste EBITDA bedroeg €900 miljoen, tegen €906 miljoen een jaar eerder. Op vergelijkbare basis groeide zij wel 7%. De gerapporteerde marge kwam uit op 19,3%. dsm-firmenich mikt voor heel 2026 op ongeveer 20%. Valuta is dus geen voetnoot. De onderneming verkoopt wereldwijd en rapporteert in euro’s. Een sterkere euro kan buitenlandse omzet en winst na omrekening verlagen, ook wanneer volumes en lokale prijzen stijgen. In het tweede kwartaal drukten valuta-effecten de marge volgens het bedrijf met 70 basispunten. Kapitaalrendement blijft bescheiden Het gemiddelde kernkapitaal bedroeg €11,48 miljard. De core aangepaste ROCE, het rendement op het ingezette kapitaal, was 11,6%. Dat is een kleine verbetering ten opzichte van 11,4% een jaar eerder, maar geen uitzonderlijk niveau voor een bedrijf met sterke merken, technologie en klantrelaties. Een onderneming creëert pas duidelijk waarde wanneer haar rendement duurzaam boven de kapitaalkosten ligt. De onderstaande module berekent hoeveel operationele winst nodig is voor een hogere ROCE. Bij 14% rendement en 25% modelbelasting is ongeveer €2,14 miljard EBIT nodig op de gekozen kapitaalbasis. De nettoschuld bedroeg eind juni €4,42 miljard, tegen €2,46 miljard in de vergelijkingsbasis. De onderneming koopt tegelijk aandelen in en betaalt dividend. Dat kan aantrekkelijk zijn, maar verhoogt de noodzaak dat kasstroom en kapitaalrendement verbeteren. Een stabiel dividend van €2,50 per aandeel is geen vervanging voor een goede ROCE. Lees ook: Bij Goldman vertelt boekwaarde een strenger verhaal dan één sterk beursjaar. De verkoop van ANH verandert de vergelijking Animal Nutrition & Health is als aangehouden voor verkoop en beëindigde activiteit verwerkt. Daardoor moeten historische omzet en winst zorgvuldig worden vergeleken. Het overblijvende bedrijf heeft minder blootstelling aan volatiele vitamine- en diervoedingsmarkten, maar mist straks ook de diversificatie van die activiteiten. De verkoopopbrengst kan de balans versterken of naar aandeelhouders terugvloeien. De economische uitkomst hangt af van de definitieve nettokas, belastingen, achterblijvende kosten en de prijs waartegen eventuele aandelen worden ingekocht. Wie alleen naar de verkoopprijs kijkt, mist die brug. De nieuwe groep is sterker gericht op innovatie. Dat kan een hogere multiple rechtvaardigen wanneer groei, marge en ROCE aantoonbaar stijgen. Het kan ook teleurstellen als kostenbesparingen vooral nodig zijn om inflatie en valuta te compenseren. Wat vraagt €97,78? Bij een koers van €97,78 en een gekozen genormaliseerde winstbasis van €4,20 per aandeel noteert dsm-firmenich ruim 23 keer de winst. Wie 8% jaarlijks koersrendement verlangt en in 2029 negentien keer de winst wil betalen, heeft ongeveer €6,48 winst per aandeel nodig. Dat is circa 16% groei per jaar vanaf de gekozen basis. De onderneming kan die groei ondersteunen met omzetgroei, margestijging en een lager aandelenaantal. In de eerste helft daalde het gemiddelde aantal aandelen van 263,5 miljoen naar 250,2 miljoen. Dat helpt de winst per aandeel, maar duurzame waarde vraagt ook hogere groepswinst. De jaarlijkse scenario’s combineren winst per aandeel en een multiple. Het bear-scenario veronderstelt zwakke consumentenvraag en valutadruk. Het middenscenario vraagt gestage like-for-like groei en een marge rond 20%. Het gunstige scenario rekent op sterke innovatie, mixverbetering en meer kapitaaldiscipline. Het sterkste tegenargument Het beste argument vóór dsm-firmenich is de kwaliteit van terugkerende klantrelaties. Geuren, smaken en gezondheidsingrediënten zitten in producten die consumenten dagelijks kopen. De individuele component is vaak klein in de kostprijs, maar belangrijk voor de beleving. Dat kan volumes en prijzen weerbaar maken. Het sterkste tegenargument is dat kwaliteit al royaal wordt gewaardeerd. De marge ligt nog rond 20%, de ROCE op 11,6% en de nettoschuld is niet verdwenen. Als kostenbesparingen en synergie vooral tegenwind compenseren, blijft de winstgroei achter bij wat de koers vraagt. Conclusie dsm-firmenich is na de ANH-verkoop duidelijker en consumentgerichter. Perfumery & Beauty is de grootste winstmotor en geeft de groep een aantrekkelijke positie in categorieën met innovatie en prijszetting. De concentratie verhoogt tegelijk de druk op dat segment om te blijven leveren. Bij €97,78 is een hogere marge alleen niet genoeg. De belegger moet ook stijgende kasstroom en een beter rendement op het ingezette kapitaal zien. Pas dan verdient de nieuwe, slankere groep haar premie.
- Besi verwacht een winsthefboom terwijl de brutomarge daalt
In het kort Besi verwacht in het derde kwartaal 10% tot 15% meer omzet dan de €249,9 miljoen van het tweede kwartaal. De operationele kosten stijgen naar verwachting hooguit 5%, waardoor winsthefboom mogelijk is. Daar staat tegenover dat de brutomarge door een minder gunstige productmix daalt van 65,7% naar 63% tot 65%. Bij €185,70 vraagt het aandeel dat de omzetgroei niet alleen groot oogt, maar ook in winst per aandeel terechtkomt. Bij chipmachinebouwers kan een kleine omzetverandering een grote winstbeweging veroorzaken. De fabriek, engineers en verkooporganisatie kosten ook geld wanneer er minder machines worden geleverd. Zodra de omzet stijgt, hoeft een deel van die vaste kosten niet even snel mee te groeien. Dat is operationele hefboom. Besi staat nu precies op zo’n meetpunt. In het tweede kwartaal groeide de omzet naar €249,9 miljoen en de nettowinst naar €89,0 miljoen. De orderinstroom bedroeg €292,9 miljoen. Voor het derde kwartaal verwacht het bedrijf nog eens 10% tot 15% omzetgroei. Operationele kosten worden gelijk tot 5% hoger voorzien. De verhouding tussen die twee bandbreedtes bepaalt hoeveel van de groei bij de aandeelhouder belandt. Direct naar een onderdeel van dit artikel De brutomarge remt het feest Orders zijn nog geen omzet Concurrentie en uitvoering Wat vraagt €185,70? Het sterkste tegenargument Conclusie De brutomarge remt het feest De hefboom is niet automatisch. Besi verwacht een brutomarge van 63% tot 65%, tegen 65,7% in het tweede kwartaal. Dat verschil lijkt klein, maar één procentpunt op €280 miljoen omzet is €2,8 miljoen brutowinst. Bij een gevoelige waardering telt ieder procentpunt. De lagere marge komt volgens Besi door een minder gunstige productmix. Geavanceerde systemen voor hybrid bonding en andere high-end toepassingen kunnen meer marge leveren dan traditionele machines. De omzet kan dus stijgen terwijl de gemiddelde winst per euro omzet daalt. De tweede module maakt dit verband zichtbaar. Voor beleggers is dat belangrijk omdat de waardering vaak steunt op de veronderstelling dat advanced packaging structureel winstgevender wordt. Chiplets en 2,5D- of 3D-verpakking vragen nauwkeurige verbindingen tussen meerdere chips. Besi heeft daarin een sterke technologische positie. Maar de overgang verloopt niet in een rechte lijn. Klanten testen systemen, bouwen capaciteit en kunnen investeringen tussen kwartalen verschuiven. Orders zijn nog geen omzet In de eerste helft van 2026 ontving Besi voor €562,6 miljoen orders, 116,5% meer dan een jaar eerder. Dat toont sterke vraag. De omzet in dezelfde periode bedroeg €434,7 miljoen. Het verschil kan toekomstige groei voeden, maar het is niet hetzelfde als gegarandeerde kasstroom. Een order moet worden geproduceerd, geleverd en vaak door de klant worden geaccepteerd. De timing hangt af van fabrieksgereedheid, klantlocaties en de planning van nieuwe chipplatforms. Annuleringen zijn bij een sterke cyclus niet het basisscenario, maar vertragingen kunnen winst wel naar een later kwartaal schuiven. De orderkwaliteit telt daarom meer dan alleen het bedrag. Herhaalorders van bestaande hybrid-bondingklanten geven meer bewijs dan één eerste evaluatiesysteem. Ook spreiding over meerdere klanten en toepassingen verlaagt het risico dat één programma de omzet bepaalt. Lees ook: Arm en ASML zijn beide AI-poortwachters, maar de waardering verschilt sterk. Concurrentie en uitvoering Besi concurreert niet alleen op machinesnelheid. Nauwkeurigheid, opbrengst in de fabriek en integratie met het proces van de klant zijn minstens zo belangrijk. Ontstaat eenmaal een gevalideerde productielijn, dan zijn wisselkosten hoog. Dat is gunstig. Tegelijk investeren concurrenten en grote chipfabrikanten zelf in proceskennis. De grootste kans is dat hybrid bonding breder doorbreekt in logic, geheugen en geavanceerde packaging. Dan groeit de markt niet alleen door meer chips, maar ook door meer bewerkingsstappen per chip. De grootste bedreiging is dat klanten de uitrol uitstellen of met alternatieve verpakkingsmethoden langer vooruit kunnen. Besi heeft een relatief lichte balans en kan daardoor investeren zonder grote rentelast. De onderneming koopt ook aandelen in. Inkoop helpt de winst per aandeel als de onderliggende winst standhoudt en de betaalde prijs redelijk is. Bij een hoge multiple is het effect minder vanzelfsprekend. Een euro die tegen 40 keer de winst wordt ingekocht, moet lang renderen voordat de waardecreatie duidelijk is. Wat vraagt €185,70? Bij een koers van €185,70 is de kernvraag hoeveel winst Besi in 2029 moet verdienen. Wie 10% jaarlijks koersrendement verlangt en aan het einde 28 keer de winst wil betalen, heeft ongeveer €8,83 winst per aandeel nodig. Vanaf een genormaliseerde basis van €4 is dat ongeveer 30% jaarlijkse groei. De uitkomst is gevoelig voor de gekozen basis. Een cyclisch piekjaar mag niet zonder meer worden doorgetrokken. Ook de multiple kan dalen wanneer groei normaliseert. De reverse module laat zien hoe snel de vereiste winst verandert. In het bear-scenario daalt de winst eerst en wordt de multiple kleiner. In het middenscenario groeit advanced packaging gestaag en loopt de winst per aandeel op. Het gunstige scenario veronderstelt brede adoptie, sterke marges en een blijvende premie. Geen van deze paden is een voorspelling; ze maken de afhankelijkheden zichtbaar. Het sterkste tegenargument Het beste argument vóór Besi is dat de huidige ordergroei juist bewijst dat de volgende investeringsgolf al begonnen is. Wie wacht tot alle omzet en winst zichtbaar zijn, koopt mogelijk pas nadat de markt het succes volledig heeft ingeprijsd. Het sterkste tegenargument is dat dit aandeel al veel succes veronderstelt. Een korte vertraging in klantacceptatie, een lagere productmix of een cyclische pauze kan de winst hard raken. Bij een hoge multiple reageert de koers dan niet alleen op lagere winst, maar vaak ook op een lagere waardering van die winst. Conclusie Besi heeft voor het derde kwartaal een aantrekkelijke combinatie afgegeven: dubbelcijferige omzetgroei en veel langzamer stijgende operationele kosten. Nu moet blijken hoeveel daarvan overblijft na de lagere brutomarge. De cijfers kunnen een duidelijke winsthefboom tonen, maar alleen als de productmix niet verder verslechtert en orders op tijd in omzet veranderen. Bij €185,70 is groei nodig, geen luxe. De volgende kwartaalrapportage moet daarom vooral bewijzen dat de fabriek de sterke vraag winstgevend kan verwerken.
- Broadcom torst na VMware nog 59 miljard dollar schuld
In het kort Broadcom had begin augustus ongeveer $59,4 miljard rentedragende schuld, waarvan $2,25 miljard kortlopend en $57,17 miljard langlopend. De schuld is gedaald, maar de rente kostte in de eerste negen maanden van het boekjaar $2,36 miljard. De vrije kasstroom is sterk genoeg om sneller af te lossen. Alleen concurreert schuldreductie met dividend, aandeleninkoop en nieuwe investeringen. Bij $351,99 blijft de waardering bovendien afhankelijk van stevige winstgroei uit AI en VMware. Broadcom wordt op de beurs vaak behandeld als twee bedrijven tegelijk. Het ene verkoopt chips en netwerkcomponenten voor kunstmatige intelligentie. Het andere verkoopt infrastructuursoftware, met VMware als belangrijkste overname. Die combinatie levert hoge marges en veel kas op. Zij bracht ook een grote financieringsrekening mee. Bij de kwartaalcijfers van 2 september rapporteerde Broadcom $57,17 miljard langlopende schuld en $2,25 miljard kortlopende schuld. Een jaar eerder stond respectievelijk $61,98 miljard en $3,15 miljard op de balans. De richting is goed. Toch is bijna $60 miljard nog altijd een echte claim op toekomstige kasstromen, ook bij een beurswaarde van ongeveer $1,68 biljoen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Rente is geen boekhoudkundige voetnoot VMware moet de financiering verdienen AI helpt, maar verhoogt ook de lat Wat vraagt $351,99? Het sterkste tegenargument Conclusie Rente is geen boekhoudkundige voetnoot De rentelast bedroeg $778 miljoen in het derde kwartaal en $2,36 miljard over de eerste negen maanden. Dat geld kan niet tegelijk naar onderzoek, dividend, inkoop of aflossing. De gemiddelde rente lijkt beheersbaar, maar herfinanciering kan duurder worden wanneer een groter deel van de schuld tegen hogere marktrentes moet worden verlengd. De eerste rekentool toont het mechanisme. Als 30% van $59,4 miljard tegen één procentpunt extra wordt geherfinancierd, stijgt de jaarlast met bijna $180 miljoen. Dat is klein naast Broadcoms winst, maar structureel. Bij twee of drie procentpunten wordt de afwijking snel relevanter. Het bedrijf heeft ruimte om dit risico te verkleinen. De operationele kasstroom bedroeg in het derde kwartaal $14,2 miljard. Na $532 miljoen investeringen bleef circa $13,7 miljard vrije kasstroom over. Op jaarbasis kan Broadcom dus tientallen miljarden genereren. Het echte besluit is hoeveel daarvan naar de balans gaat. VMware moet de financiering verdienen Schuld is niet automatisch negatief. Zij kan waarde creëren wanneer de overgenomen activa structureel meer opleveren dan rente en aflossing kosten. Broadcom heeft VMware sterker op abonnementen, grotere klanten en een compacter productaanbod gericht. Dat kan kasstromen voorspelbaarder maken, maar brengt ook risico op klantverlies en prijsweerstand. De balans laat zien hoeveel vertrouwen in overnames zit. Goodwill bedroeg $97,8 miljard en andere immateriële activa $26,3 miljard. Goodwill is het bedrag boven de afzonderlijk herkenbare netto-activa dat bij overnames is betaald. Het wordt niet jaarlijks afgeschreven, maar wel getest op waardevermindering. Een afschrijving is op dat moment geen kasuitgave. Zij is wel een signaal dat de verwachte opbrengst van een overname lager ligt. Dit maakt de softwareontwikkeling belangrijker dan alleen de omzetgroei. Als VMware-klanten blijven, contracten verlengen en meer producten afnemen, is de grote goodwill beter verdedigbaar. Als klanten alternatieven zoeken of Broadcom concessies moet doen, daalt de kwaliteit van de kasstroom waarop de financiering rust. AI helpt, maar verhoogt ook de lat Broadcom boekte in het derde kwartaal $29,59 miljard omzet. De vraag naar custom AI-accelerators en netwerkproducten groeit uitzonderlijk hard. Daardoor kan de nettoschuld snel kleiner worden, zelfs terwijl Broadcom dividend betaalt. De markt waardeert het bedrijf echter al alsof een groot deel van die groei jaren aanhoudt. Daar zit een tweede concentratierisico. Custom chips worden voor een beperkt aantal zeer grote klanten ontworpen. Een gewonnen programma kan miljarden omzet opleveren, maar de klant heeft ook onderhandelingsmacht en kan eigen ontwerpteams opbouwen. Bij standaardproducten wordt risico over veel afnemers gespreid. Bij maatwerk is de economische relatie dieper, maar ook moeilijker te vervangen. Broadcom rapporteerde over de eerste negen maanden $35,31 miljard GAAP-operationele winst. De aangepaste operationele winst lag hoger, mede doordat amortisatie van overnameactiva en aandelenbeloning worden teruggeteld. Voor de kasanalyse is dat nuttig, maar aandeelhouders moeten de verwatering en de prijs van eerdere overnames niet vergeten. Lees ook: Hoeveel perfectie zit er na de cijferexplosie al in AI-aandeel Broadcom?. Wat vraagt $351,99? Een reverse waardering begint niet met een koersdoel, maar met de vraag welke winst nodig is om de huidige koers te dragen. Bij 10% gewenst jaarlijks rendement en een eindmultiple van 28 keer de winst moet Broadcom in september 2029 ongeveer $16,73 winst per aandeel verdienen. Vanaf een gekozen genormaliseerde basis van $11 is dat ongeveer 15% groei per jaar. Dat is haalbaar wanneer AI-omzet, softwaremarges en inkoop per aandeel samenwerken. Het is veeleisend wanneer AI-investeringen bij klanten vertragen of VMware meer churn kent. De rekentool laat zien hoeveel de uitkomst verandert bij een andere multiple of rendementseis. De jaarlijkse scenario’s leggen de winst en de multiple apart vast. Zo wordt zichtbaar dat een sterk bedrijf toch een matig aandeel kan zijn als de multiple daalt. Omgekeerd kan een hoge waardering langer standhouden wanneer de winst uitzonderlijk hard groeit. Het sterkste tegenargument Het beste argument tegen zorgen over de schuld is Broadcoms kasstroom. Een onderneming die per kwartaal meer dan $13 miljard vrije kas genereert, kan $59 miljard schuld in enkele jaren fors terugbrengen. Bovendien is het grootste deel langlopend en is er geen acute liquiditeitscrisis. Dat argument klopt, maar is niet volledig. Dezelfde kasstroom vormt de basis voor dividend, inkoop en de waardering. Iedere dollar die naar schuld gaat, kan niet tegelijk het aandelenaantal verlagen. Wie de huidige koers betaalt, rekent dus op genoeg kas voor alle doelen. Juist daarom blijft de kapitaalverdeling belangrijk. Conclusie Broadcom heeft de financiële slagkracht om zijn schuld beheerst af te bouwen. De rentelast is geen bedreiging voor het voortbestaan, maar wel een vaste claim die het rendement op VMware en AI minder vrijblijvend maakt. Bij $351,99 betaalt de belegger voor snelle winstgroei én een succesvolle financieringsdiscipline. De aantrekkelijkste ontwikkeling zou zijn dat Broadcom de schuld verder verlaagt zonder de noodzakelijke investeringen in chips en software te verwaarlozen. Dan wordt niet alleen de winst groter, maar ook de kwaliteit ervan.
- Dezelfde boodschappenmand kan bij Ahold Delhaize twee keer verdienen
In het kort Ahold Delhaize noteerde op 28 september om 09:26 uur op €32,13 in Amsterdam. Bij de kwartaalcijfers van 5 augustus meldde het concern 8,6% online omzetgroei tegen constante wisselkoersen en handhaafde het een onderliggende operationele marge rond 4% voor 2026. Tegelijk bouwt het bedrijf met Edge aan een wereldwijd retailmediaplatform. Advertenties kunnen veel winstgevender zijn dan boodschappen, maar Ahold rapporteert nog geen afzonderlijke winst-en-verliesrekening voor dit onderdeel. Retail media gebruikt de digitale schappen, zoekresultaten, apps en klantdata van de supermarkt om leveranciers gericht advertentieruimte te verkopen. Een merk kan betalen voor een prominente plaats wanneer een klant naar koffie of wasmiddel zoekt. Ahold bezit het aankoopmoment en kan het effect van een campagne beter meten dan een algemeen mediaplatform. Daardoor is de dienst waardevol. De economische winst hangt af van technologie, verkoopkosten, promoties en privacyregels. Direct naar een onderdeel van dit artikel Dezelfde boodschappenmand kan twee keer verdienen Personalisatie moet meer doen dan korting uitdelen Technologie is eerst een kostenpost Wat moet €32,13 waarmaken? Drie paden voor 2027, 2028 en 2029 Dezelfde boodschappenmand kan twee keer verdienen Een supermarkt verdient normaal aan het verschil tussen verkoopprijs en inkoop-, personeels- en logistieke kosten. Retail media voegt een tweede inkomstenlaag toe zonder dat daarvoor een extra winkelmand nodig is. Op €90 miljard modelomzet en 1% media-omzet ontstaat €0,9 miljard advertentie-omzet. Bij 55% EBITDA-marge is dat bijna €0,5 miljard bijdrage. Vergeleken met een supermarktmarche van enkele procenten is dat materieel. Dit is geen Ahold-prognose. Het laat zien waarom beleggers belangstelling hebben voor het onderwerp. Een klein percentage van een zeer grote omzetbasis kan de groepsmarge zichtbaar verbeteren. Daarvoor moeten leveranciers de advertenties wel als aanvullend budget zien. Wanneer het mediabudget alleen wordt verschoven uit bestaande handelskortingen, is een deel van de winst cosmetisch. Personalisatie moet meer doen dan korting uitdelen Loyaliteitsdata kunnen advertenties relevanter maken en de gemiddelde mand verhogen. De rekensom is verleidelijk: tien miljoen actieve klanten, veertig bezoeken per jaar, een mand van €50 en 1% uplift leveren €200 miljoen extra omzet. Maar uplift is moeilijk te bewijzen. Een klant die toch al hetzelfde product wilde kopen, is geen nieuwe verkoop. Een korting kan bovendien omzet verschuiven tussen merken zonder dat de totale mand groeit. Daarom telt incrementele winst, niet gemeten klikken. Ahold kan experimenten gebruiken met controlegroepen om het verschil te schatten. Voor leveranciers is die meetbaarheid een belangrijk voordeel. Voor beleggers is de vraag hoeveel van de gemeten meerverkoop na korting, technologie en datakosten werkelijk overblijft. Een sterk tegenargument is dat retail media de klantbeleving kan verslechteren. Wie overal gesponsorde resultaten ziet, kan minder vertrouwen krijgen in de aanbevelingen van de supermarkt. Ook privacyregels beperken hoe data mogen worden gecombineerd. Ahold moet dus tegelijk de leverancier, klant en toezichthouder tevreden houden. De commerciële waarde van data stijgt alleen wanneer het gebruik ervan zorgvuldig blijft. Technologie is eerst een kostenpost Een wereldwijd platform klinkt schaalbaar, maar de merken van Ahold werken in verschillende landen, apps en winkelketens. Integratie kost geld. Verkoopteams moeten campagnes binnenhalen, data moet schoon zijn en resultaten moeten worden gerapporteerd. Daarnaast kunnen leveranciers hogere advertentie-uitgaven terugvragen via scherpere inkoopvoorwaarden. De nettowinst kan daardoor lager zijn dan de hoge digitale brutomarge suggereert. De derde tool begint met €500 miljoen brutowinst, €150 miljoen technologie en €100 miljoen extra promotiekosten. Dan resteert €250 miljoen. Bij lagere schaal kan de vaste technologie zwaarder drukken. Bij hogere schaal werkt dezelfde vaste basis juist als margehefboom. De ontwikkeling van digitale omzet alleen is dus onvoldoende; Ahold moet laten zien dat de operationele winst sneller groeit dan de platformkosten. Wat moet €32,13 waarmaken? Bij 8% gewenst koersrendement en een eindmultiple van veertien keer winst vraagt de huidige koers in 2029 ongeveer €2,89 winst per aandeel. Vanaf een genormaliseerde basis van €2,60 is dat circa 3,6% groei per jaar. Dividend komt daar als totaalrendement bovenop en verlaagt de vereiste koersgroei, maar is in deze eenvoudige reverse berekening niet meegenomen. De aandeleninkoop helpt de winst per aandeel wanneer stukken onder hun intrinsieke waarde worden gekocht. Retail media hoeft de hele winstgroei niet alleen te leveren. Bestaande winkels, online efficiëntie, kostenbesparing en inkoopkracht dragen eveneens bij. Juist doordat het vereiste groeipercentage niet extreem is, kan een paar honderd miljoen extra digitale bijdrage relevant zijn. Het risico zit in verwachtingen: wanneer de markt al een zeer winstgevend platform inrekent, wordt een gewone advertentiedienst teleurstellend. Drie paden voor 2027, 2028 en 2029 In het ongunstige pad daalt de winst per aandeel door margedruk en neemt de waardering af. Het middenpad gebruikt geleidelijke winstgroei en een constante multiple van veertien. Het gunstige pad veronderstelt dat retail media, online efficiëntie en inkoop de winst per aandeel naar €3,30 brengen. De koers is steeds winst per aandeel maal de multiple. Dividend is apart en wordt niet dubbel geteld. De beste voortgangsmaatstaf is een combinatie van digitale omzet, groepsmarge en vrije kasstroom. Stijgt online verkoop terwijl de marge gelijk blijft of verbetert, dan begint de digitale laag economisch te werken. Stijgen advertenties maar blijven technologie en promoties even hard oplopen, dan heeft Edge vooral omzet verplaatst. Voor een supermarkt met dunne marges is dat verschil groter dan het woord platform doet vermoeden. Lees ook: Tussen deze twee aandelen is het grootste bedrijf niet vanzelf het beste aandeel Foto: Frans Muller, CEO van Ahold Delhaize. Officiële archieffoto; weergave kan zijn bijgesneden.
- Alfen heeft met 5 GWh sodium-ion nog geen rendabel orderboek
In het kort Alfen en CATL willen 5 GWh aan sodium-ionopslagsystemen in Europa inzetten. De eerste uitrol wordt vanaf de tweede helft van 2027 verwacht. Sodium-ion kan de afhankelijkheid van lithium verkleinen, maar Alfen heeft geen contractwaarde of winstmarge voor de volledige 5 GWh bekendgemaakt. De belegging draait daarom niet om de technische belofte alleen. De beslissende vragen zijn hoeveel van de pijplijn in orders verandert, welk deel van de systeemwaarde bij Alfen blijft en hoeveel werkkapitaal daarvoor nodig is. Sodium-ion gebruikt natrium in plaats van lithium als belangrijk materiaal. Natrium is ruim beschikbaar en kan de blootstelling aan lithiumprijzen verminderen. De technologie heeft ook nadelen, zoals een lagere energiedichtheid bij sommige toepassingen. Voor stationaire opslag is gewicht minder kritisch dan bij elektrische auto’s. Daardoor kan sodium-ion juist voor netopslag interessant worden. Alfen meldde op 18 september dat de samenwerking met CATL 5 GWh Europese uitrol beoogt. De eerste toepassing wordt vanaf de tweede helft van 2027 verwacht. Dat is relevant nieuws, maar 5 GWh is een volume, geen omzet. De prijs per kWh, het aandeel van de batterijleverancier en de werkzaamheden van Alfen bepalen de economische waarde. Direct naar een onderdeel van dit artikel Alfen verkoopt een systeem, niet alleen cellen De kasrekening komt vóór de winst China levert schaal, Europa de integratie Wat vraagt €12,29? Het sterkste tegenargument Conclusie Alfen verkoopt een systeem, niet alleen cellen De kernrol van Alfen ligt in Europese engineering, systeemintegratie, software en kennis van lokale netvereisten. CATL levert batterijtechnologie. De totale contractwaarde kan dus veel hoger zijn dan het deel dat als omzet bij Alfen wordt geboekt. Ook kan een groot deel van de inkoopwaarde meteen naar de batterijleverancier gaan. Dat maakt de brutomarge belangrijker dan de headline van 5 GWh. Bij een projectomzet van €440 miljoen, 65% batterij- en inkoopkosten en 12% overige projectkosten resteert in het model €101 miljoen brutobijdrage. Centrale kosten, garantie, financiering en belasting komen daar nog na. In de eerste helft van 2026 groeide Alfen sterk door Energy Storage Systems en Smart Grid Solutions. De groepsomzet steeg 23,6% naar €261,5 miljoen. De brutomarge daalde echter van 29,1% naar 26,1%, vooral doordat Energy Storage een groter deel van de mix werd. Groei met een lagere marge kan waarde creëren, maar alleen als de extra brutowinst hoger is dan de extra vaste en financieringskosten. De kasrekening komt vóór de winst Grote opslagprojecten vragen vaak voorraad, vooruitbetalingen aan leveranciers en tijd tussen levering en betaling door de klant. Daardoor kan een winstgevend project tijdelijk veel kas vastleggen. Voor een relatief kleine onderneming als Alfen is dat geen detail. De module hieronder berekent de kas die bij verschillende werkkapitaaldagen en vooruitbetalingen nodig is. Een jaaromzet van €250 miljoen, zestig netto werkkapitaaldagen en 10% vooruitbetaling leggen in dit model ruim €66 miljoen vast. Contractuele voorschotten van klanten kunnen die druk verlagen, maar dat moet per project blijken. Alfen heeft in eerdere kwartalen laten zien dat omzet en kasstroom sterk kunnen verschillen. Juist bij snelle groei kunnen voorraden en vorderingen oplopen. De belegger moet daarom letten op ordervoorwaarden, mijlpaalbetalingen en garanties, niet alleen op de omzet bij oplevering. China levert schaal, Europa de integratie De samenwerking met CATL geeft Alfen toegang tot industriële schaal die Europa zelf nog niet heeft. CEO Michael Colijn zei dat Europa veel onderzoek en technische kennis bezit, maar moeite heeft om die op concurrerende schaal te produceren. Dat is een nuchtere constatering. Het voordeel is snelheid. Alfen hoeft geen celproducent te worden en kan zich richten op systeemontwerp, software en aansluiting op het net. Het risico is afhankelijkheid van één grote Aziatische leverancier, plus handels- en geopolitieke onzekerheid. Nieuwe importregels of lokale-inhoudseisen kunnen kosten verhogen of levering vertragen. Sodium-ion is bovendien geen oplossing voor ieder project. Lithium-ion heeft een volwassen toeleveringsketen en hoge energiedichtheid. Andere technologieën, waaronder flowbatterijen en warmteopslag, mikken eveneens op stationaire toepassingen. Alfen moet dus niet alleen een nieuw product aanbieden, maar per klant bewijzen dat totale kosten, veiligheid en levensduur beter passen. Lees ook: Tesla heeft miljarden op de bank, maar de echte rekening komt nog. Wat vraagt €12,29? Alfen is na de koersdaling veel kleiner gewaardeerd dan tijdens de energietransitiehype. Dat maakt het aandeel niet automatisch goedkoop. De winstbasis is nog kwetsbaar en de onderneming moet opnieuw aantonen dat omzetgroei in duurzame marge en kasstroom verandert. Wie 12% jaarlijks koersrendement verlangt en in september 2029 twintig keer de winst wil betalen, heeft ongeveer €0,86 winst per aandeel nodig. Vanaf een gekozen genormaliseerde basis van €0,35 is dat ongeveer 35% groei per jaar. Een hogere basis verlaagt de eis, een lagere eindmultiple verhoogt haar. In het bear-scenario komt sodium-ion later op gang en blijft de groepsmarge zwak. Het middenscenario veronderstelt dat opslagorders vanaf 2027 bijdragen en Smart Grid stabiel groeit. Het gunstige scenario vraagt een snelle omzetconversie, herstel bij laden en betere schaalvoordelen. Het sterkste tegenargument Het beste argument vóór Alfen is dat 5 GWh een groot commercieel kader is voor een onderneming van deze omvang. Zelfs een bescheiden aandeel in de totale systeemwaarde kan de omzetbasis zichtbaar vergroten. De combinatie met CATL verlaagt bovendien technologische en inkoopdrempels. Het sterkste tegenargument is dat het volume nog geen gegarandeerde bestelling is. De eerste uitrol start pas in de tweede helft van 2027. Tot die tijd kunnen technologie, prijzen, regelgeving en concurrentie veranderen. Een meerjarige pijplijn hoort daarom tegen kans, marge en kasbehoefte te worden gewogen. Conclusie Sodium-ion kan Alfen een onderscheidende positie geven in Europese opslag. De samenwerking past bij de rol als systeemintegrator en vermijdt de kapitaalintensiteit van eigen celproductie. Voor aandeelhouders begint de echte bewijslast echter bij getekende orders, bruto marge en kasvoorwaarden. Bij €12,29 biedt het aandeel herstelpotentieel, maar de waardering vraagt nog altijd aanzienlijke winstgroei. De 5 GWh is een interessante opening, geen afgeronde businesscase.
- Houd de raffinagemarge van Shell niet te snel voor winst
In het kort Shell meldde voor het tweede kwartaal een indicatieve raffinagemarge van $24 per vat, tegen $17 in het eerste kwartaal. De onderneming waarschuwde tegelijk dat gerealiseerde marges lager lagen dan die indicator. Raffinagebenutting kwam uit op 102%, maar onderhoud en handelsresultaten kunnen de winst van kwartaal tot kwartaal sterk bewegen. Bij €42,87 moet de belegger onderscheid maken tussen een gunstige marktindicator en de kasstroom die werkelijk aan aandeelhouders beschikbaar komt. Een raffinagemarge klinkt eenvoudig: koop ruwe olie, verwerk die tot benzine, diesel, kerosine en andere producten, en verkoop het resultaat voor meer. In de praktijk is het verschil tussen een marktindicator en de winst van een raffinaderij groot. De kwaliteit van de ruwe olie, productmix, energieprijzen, logistiek, onderhoud en handelsposities bepalen wat Shell daadwerkelijk realiseert. Bij de kwartaalcijfers van 30 juli rapporteerde Shell een mondiale indicatieve raffinagemarge van $24 per vat. Dat was duidelijk hoger dan $17 in het eerste kwartaal. Shell schreef er nadrukkelijk bij dat de gerealiseerde marges door marktverstoringen lager waren en dat daarvoor in de kwartaalupdate is gecorrigeerd. Die zin voorkomt dat de indicator rechtstreeks met verwerkte vaten wordt vermenigvuldigd en vervolgens als winst wordt gepresenteerd. Direct naar een onderdeel van dit artikel 102% benutting betekent niet dat machines de natuurwetten breken Handel kan een kwartaal groter maken De groep is breder dan raffinage Wat vraagt €42,87? Het sterkste tegenargument Conclusie 102% benutting betekent niet dat machines de natuurwetten breken Shell rapporteerde een raffinagebenutting van 102%. Dat kan boven 100% uitkomen omdat nominale capaciteit een referentie is en installaties tijdelijk boven die naamplaatcapaciteit kunnen draaien. Het zegt wel dat de raffinaderijen hard werkten. De inname bedroeg 1,267 miljoen vaten per dag. Een hoge benutting vergroot de operationele hefboom wanneer de marge goed is. De vaste kosten worden over meer vaten verdeeld. Het omgekeerde geldt ook. Bij onderhoud of uitval daalt het volume, terwijl een groot deel van de kosten blijft. Voor het derde kwartaal verwachtte Shell 93% tot 101% benutting, een bandbreedte die meer onderhoud kan weerspiegelen. De marge per vat is zelf ook beweeglijk. Een hogere olieprijs is niet automatisch gunstig of ongunstig voor raffinage. Doorslaggevend is het verschil tussen de productopbrengst en de kosten van ruwe olie, energie en verwerking. De onderstaande module splitst dat verschil uit. Handel kan een kwartaal groter maken Shell combineert fysieke raffinage met handel en optimalisatie. Dat netwerk kan waarde toevoegen door producten naar de markt met de hoogste prijs te sturen, opslag te gebruiken en prijsverschillen tussen regio’s te benutten. In het tweede kwartaal droeg handel en optimalisatie sterker bij dan in het eerste kwartaal. Die activiteit is een concurrentievoordeel, maar zij maakt winst minder mechanisch. Een externe raffinagemarge is geen volledige voorspeller van Shells segmentwinst. Ook een sterk handelskwartaal moet niet automatisch als een vaste jaarlijkse bijdrage worden gewaardeerd. Chemicals & Products boekte volgens Shell de beste aangepaste winst voor chemicals sinds het derde kwartaal van 2021. De chemische indicatieve marge steeg naar $270 per ton, tegen $139 een kwartaal eerder. Dat hielp het segment, maar chemische cycli kunnen snel omslaan wanneer nieuwe capaciteit op de markt komt of industriële vraag verzwakt. De groep is breder dan raffinage Shell verdiende in het tweede kwartaal ook aan hogere gerealiseerde olie- en gasprijzen. Upstream realiseerde $89 per vat voor vloeistoffen, tegen $72 in het eerste kwartaal. Integrated Gas realiseerde $80 per vat en $7,2 per duizend kubieke voet gas. Die cijfers laten zien dat de winstbronnen tegelijk kunnen meebewegen met grondstoffenmarkten. De groep genereerde $21,4 miljard kasstroom uit bedrijfsactiviteiten. Daarin zat $3,4 miljard positieve werkkapitaalbeweging. De vrije kasstroom van $17,5 miljard oogt daardoor uitzonderlijk sterk. Werkkapitaal kan later terugdraaien; het is geen structurele raffinagemarge. De nettoschuld daalde van $52,6 miljard eind maart naar $41,8 miljard eind juni. Dat is een duidelijke verbetering. Tegelijk gebruikt Shell miljarden voor investeringen, dividend en aandeleninkoop. De economische waarde van inkoop hangt af van de prijs en van de kasstroom die na onderhoud van productie en raffinaderijen duurzaam overblijft. Lees ook: Waarom de Straat van Hormuz cruciaal blijft voor olie en aandelen. Wat vraagt €42,87? Voor Shell is vrije kasstroom per aandeel een bruikbare, maar cyclische waarderingsmaatstaf. Wie 9% jaarlijks koersrendement verlangt en in 2029 acht keer de vrije kasstroom wil betalen, heeft ongeveer €6,97 vrije kasstroom per aandeel nodig. Vanaf een gekozen genormaliseerde basis van €5 is dat ruim 11% groei per jaar. Die groei kan komen uit betere marktprijzen, operationele verbetering en een lager aandelenaantal. Zij kan ook verdwijnen door lagere marges, hogere investeringen of belastingen. Het model telt dividend niet mee; dat moet bij een totaalrendement afzonderlijk worden toegevoegd. De drie jaarlijkse scenario’s gebruiken vrije kasstroom per aandeel en een eindmultiple. In het bear-scenario normaliseren olie- en raffinagemarges. Het middenscenario veronderstelt een evenwichtiger markt en voortgaande inkoop. Het gunstige scenario combineert sterke marges met discipline in investeringen. Het sterkste tegenargument Het beste argument vóór Shell is dat de geïntegreerde keten schokken kan opvangen. Als upstream minder verdient, kunnen raffinage of handel soms compenseren. De schaal, logistiek en balans geven bovendien ruimte om door cycli heen te investeren. Het sterkste tegenargument is dat diezelfde breedte de winst moeilijker voorspelbaar maakt. Een belegger kan de raffinagemarge, olieprijs en LNG-volumes volgen en toch worden verrast door handel, onderhoud, belasting of werkkapitaal. Een hoge kwartaalvrije kasstroom verdient daarom geen hoge vaste multiple zonder normalisatie. Conclusie Shell profiteerde in het tweede kwartaal van betere raffinage- en chemische omstandigheden. De indicatieve $24 per vat is een nuttig marktsignaal, maar geen rechtstreekse winstmaatstaf. De gerealiseerde marge lag lager en het segment werd mede geholpen door handel. Bij €42,87 is het aandeel niet afhankelijk van één perfect kwartaal. Wel moet Shell aantonen dat sterke kasstromen na onderhoud, investeringen en normalisatie voldoende blijven voor dividend, inkoop en schuldreductie. Dat is de winst die telt.
- Live sport levert Netflix weinig kijktijd maar wel nieuwe leden
In het kort Netflix besteedt in 2026 iets meer dan 5% van zijn contentbudget aan live programmering, terwijl live naar verwachting ongeveer 1% van de kijktijd levert. Dat lijkt inefficiënt, maar kijktijd is niet de enige meetlat. Zes van de tien beste inschrijfdagen van Netflix in de afgelopen vijf jaar vielen samen met een live-evenement. De investering kan dus renderen via nieuwe leden, minder opzeggingen en advertentieprijzen. Bij $70,18 vraagt het aandeel tegelijk dat de winst per aandeel nog stevig groeit. De live-strategie is daarom interessant, maar nog geen gratis bonus. Netflix is allang niet meer alleen de plek waar een serie in één weekend wordt uitgekeken. Het bedrijf koopt rechten voor bokswedstrijden, honkbal en American football, bouwt aan WWE en zet live-evenementen in om adverteerders te trekken. Dat verandert de economische vraag. Een dramaserie kan jarenlang in de catalogus blijven staan. Een sportwedstrijd is na het laatste fluitsignaal grotendeels verbruikt. Daar staat tegenover dat juist zo’n eenmalig moment miljoenen mensen tegelijk naar hetzelfde scherm kan trekken. Bij de kwartaalcijfers van 16 juli meldde Netflix dat leden in de eerste helft van 2026 ruim 97 miljard uur keken, 2% meer dan een jaar eerder. Live programmering was goed voor slechts circa 1% van de kijktijd, maar ruim 5% van de contentuitgaven. Wie alleen kosten per kijkuur berekent, komt dan uit op een ongunstig beeld. De eerste rekentool laat zien hoe groot dat verschil kan worden. Direct naar een onderdeel van dit artikel De functie van live is acquisitie Reclame maakt hetzelfde evenement meer waard De financiële basis is sterk Wat zit in $70,18? Het sterkste tegenargument Conclusie De functie van live is acquisitie Netflix zegt zelf dat niet ieder kijkuur dezelfde waarde heeft. Sommige titels houden bestaande leden vast, andere trekken nieuwe huishoudens binnen en weer andere maken het abonnement belangrijker. Live-evenementen horen vooral in die laatste twee categorieën. Dat zes van de tien beste inschrijfdagen aan live gekoppeld waren, is daarom relevanter dan het lage aandeel in de totale kijktijd. De rekensom blijft streng. Stel dat een livebudget van $2 miljard twaalf miljoen extra leden oplevert. Bij $13 gemiddelde maandelijkse omzet en een bijdrage van 45% ontstaat ongeveer $842 miljoen jaarlijkse bijdrage. Dan duurt de eenvoudige terugverdientijd nog ruim twee jaar. Dat kan aantrekkelijk zijn als die leden blijven, maar duur wanneer veel mensen na het evenement meteen weer opzeggen. Daarmee komt churn centraal te staan. Churn is het percentage leden dat opzegt. Een daling van slechts 0,7 procentpunt op een basis van 320 miljoen betalende leden houdt in het model 2,24 miljoen leden binnen. Bij dezelfde omzet en marge is dat ongeveer $157 miljoen extra jaarbijdrage. Het effect is niet spectaculair naast een miljardenbudget, maar samen met acquisitie en reclame kan het de economische puzzel wel sluitend maken. Reclame maakt hetzelfde evenement meer waard Een live-evenement heeft een voordeel dat een catalogustitel minder sterk bezit: gelijktijdigheid. Voor een adverteerder is een groot publiek op één moment schaars. Netflix verwacht in 2026 ongeveer $3 miljard advertentieomzet, ruwweg een verdubbeling. Live inventaris kan daar een hogere prijs per duizend vertoningen ondersteunen, zeker bij sport en andere evenementen waar uitgesteld kijken minder aantrekkelijk is. De keerzijde is dat sportrechten duur kunnen oplopen. Concurrenten zoals Amazon, Disney, Comcast en traditionele zenders bieden mee. Netflix heeft voorlopig gekozen voor losse evenementen en beperkte pakketten, geen volledige overstap naar dure seizoensrechten. Dat beperkt de vaste verplichting en maakt experimenteren mogelijk. Het is een verstandige positie zolang het bedrijf kan meten welke evenementen daadwerkelijk leden en reclamegeld toevoegen. Een tweede risico is technische uitvoering. Een serie kan vooraf op servers worden klaargezet. Een live-evenement moet op hetzelfde moment voor miljoenen huishoudens werken. Storingen schaden niet alleen dat evenement, maar ook het vertrouwen van adverteerders en leden. Netflix heeft schaal en technologie, maar live maakt de foutmarge kleiner. De financiële basis is sterk Netflix rapporteerde in het tweede kwartaal $12,56 miljard omzet, 13,4% meer dan een jaar eerder. De operationele marge bedroeg 33,4%. Voor heel 2026 verwacht het bedrijf $51,0 miljard tot $51,4 miljard omzet en een marge van 31,5%. De vrije kasstroom moet ongeveer $12,5 miljard worden. Daarmee kan Netflix experimenten financieren zonder de balans onder druk te zetten. De kasstroom in het tweede kwartaal daalde wel naar $1,5 miljard, tegen $2,3 miljard een jaar eerder. Een deel kwam door hogere belastingbetalingen. Het bedrijf kocht voor $4,7 miljard eigen aandelen in en had eind juni nog $27,1 miljard aan inkoopruimte. Inkoop creëert alleen waarde als de prijs onder de toekomstige bedrijfswaarde ligt. Bij een te hoge koers verplaatst zij vooral geld van blijvende aandeelhouders naar verkopers. De winst per aandeel wordt bovendien geholpen door een dalend aandelenaantal. Het verwaterde aantal aandelen kwam uit op 4,261 miljard, tegen 4,349 miljard een jaar eerder. Dat is positief, maar mag niet worden verward met operationele groei. De omzet, marge en kasstroom moeten het grootste deel van de waardestijging blijven dragen. Wat zit in $70,18? Na de aandelensplitsing lijkt de koers optisch laag. Economisch verandert een splitsing niets: iedere belegger bezit meer stukken, maar ieder stuk vertegenwoordigt een kleiner deel van Netflix. Bij een koers van $70,18 en een winstbasis van $3,26 per aandeel noteert het aandeel rond 21,5 keer de winst. Wie 10% jaarlijks koersrendement verlangt en in september 2029 nog 24 keer de winst wil betalen, heeft ongeveer $3,89 winst per aandeel nodig. Dat is circa 6% jaarlijkse groei vanaf de gekozen basis. Een lagere eindmultiple verhoogt de bewijslast snel. De reverse waardering hieronder maakt die gevoeligheid zichtbaar. De scenario’s zijn geen koersdoelen, maar combinaties van winst en waardering. In het bear-scenario blijft de winstgroei beperkt en daalt de multiple. In het middenscenario groeit Netflix door met prijs, reclame en een beheerst contentbudget. In het gunstige scenario leveren live, reclame en internationale schaal samen een hogere winstgroei op. Het sterkste tegenargument Het beste argument vóór live is dat Netflix niet probeert de meeste uren tegen de laagste prijs te kopen. Het bedrijf gebruikt schaarse evenementen om nieuwe leden te bereiken, reclame-inventaris te verkopen en het abonnement relevanter te maken. Als die drie effecten tegelijk optreden, is 1% van de kijktijd geen probleem. Het sterkste tegenargument is even eenvoudig: rechtenhouders kennen die waarde ook. Zodra de biedingen stijgen, kan een groot deel van de economische winst bij sportbonden en organisatoren belanden. Netflix moet daarom discipline houden en niet van succesvolle losse evenementen afleiden dat ieder groot rechtenpakket automatisch rendabel is. Lees ook: Tussen Amazon en Uber is het grootste bedrijf niet vanzelf het beste aandeel. Conclusie Netflix heeft laten zien dat live-evenementen buitenproportioneel veel inschrijvingen kunnen opleveren. Dat maakt de strategie rationeler dan de lage kijktijd doet vermoeden. De belegger moet echter niet alleen vragen hoeveel mensen kijken, maar hoeveel nieuwe leden blijven, hoeveel reclamegeld het evenement aantrekt en hoeveel rechtenkosten daarvoor nodig zijn. Bij $70,18 is de waardering niet buitensporig, maar zij rekent wel op verdere winstgroei. Live sport verdient pas een hogere waardering als het aantoonbaar meer oplevert dan het kost.











