top of page

Doorzoek deze website

14647 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Waarom Stellantis fabrieken stilzet terwijl klanten willen kopen

    In het kort Stellantis pauzeert de productie in Sochaux en Rennes terwijl de vraag naar bepaalde elektrische uitvoeringen volgens het concern juist sterk is. Het knelpunt zit bij batterijen voor een grote actieradius, waardoor extra bestellingen niet automatisch extra leveringen worden. Voor de winst telt vervolgens hoeveel auto’s later alsnog worden afgeleverd en hoeveel kosten tijdens de onderbreking doorlopen. Een volle orderportefeuille is waardevol, maar betaalt de rekening pas wanneer productie en levering aansluiten. Stellantis bevestigde op 29 september tegenover Reuters productiepauzes in Sochaux van 23 tot en met 30 oktober en in Rennes van 22 tot en met 30 oktober. Het concern noemt onvoldoende batterijen voor uitvoeringen met grote actieradius en wil voorkomen dat voorraden ontstaan die niet bij de vraag passen. Ook Mulhouse krijgt een onderbreking, maar volgens Stellantis om andere redenen. Die fabriek onder dezelfde batterijverklaring scharen zou dus misleidend zijn. De economische vraag is niet hoeveel fabriekspoorten tijdelijk dichtgaan. Het gaat om het onderdeel dat de levering begrenst, de kosten van wachten en de mogelijkheid om achterstand later in te halen. Een korte onderbreking kan goedkoper zijn dan wekenlang de verkeerde uitvoeringen bouwen. Maar als het tekort blijft terugkomen, veranderen uitgestelde inkomsten steeds vaker in gemiste verkopen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De langzaamste schakel bepaalt hoeveel auto’s de fabriek verlaat Stilstand maakt vaste kosten per geleverde auto zwaarder Hoeveel leveringen zijn nodig om de gewenste winst te halen Drie manieren waarop het knelpunt tot 2029 kan verschuiven Tijdelijk minder bouwen kan de juiste keuze zijn De langzaamste schakel bepaalt hoeveel auto’s de fabriek verlaat Een autofabriek verkoopt geen verzameling losse onderdelen. Voor een verkoopbare auto moeten de carrosserie, aandrijving, batterij, software en afwerking bij elkaar passen. Een extra carrosserie helpt daarom weinig wanneer het geschikte batterijpakket ontbreekt. De capaciteit van de assemblagelijn kan ruim voldoende zijn en toch ligt de feitelijke productie lager. Het knelpunt bepaalt de uitkomst, niet het gemiddelde van alle capaciteiten. Dat maakt een batterijtekort specifieker dan het klinkt. Een klant die een bepaalde actieradius bestelt, hoeft niet akkoord te gaan met een andere uitvoering. Onderdelen uitwisselen kan bovendien aanpassing en goedkeuring vereisen. De keuze is dus niet vanzelfsprekend tussen vandaag produceren en morgen hetzelfde onderdeel ergens anders kopen. De vraag is welke uitvoeringen technisch leverbaar zijn en welke klanten die werkelijk willen afnemen. Batterijfabrikant ACC erkende op 16 februari 2026 in een eigen verklaring dat het opvoeren van zijn Franse productie langer duurde en meer kostte dan verwacht. Het bedrijf meldde toen ook een stijgende moduleproductie en een dalend aandeel afgekeurde productie. Dat is gedateerde informatie over de opbouw van de fabriek, geen actuele meting van het tekort in september. Wel maakt het duidelijk waarom alleen de aangekondigde fabriekscapaciteit weinig zegt over direct bruikbare leveringen. Neem een fictieve productielijn met maandelijkse bestellingen voor 7.500 auto’s, assemblagecapaciteit voor 9.000 en bruikbare batterijen voor 6.000. De verkoopbare maandproductie is het minimum van die drie aantallen: 6.000. Er ontstaan 1.500 niet direct vervulde bestellingen. Meer assemblagecapaciteit helpt in deze beginstand niet; meer geschikte batterijen wel. Pas boven 7.500 batterijen wordt in dit eenvoudige model de vraag de begrenzing. Stilstand maakt vaste kosten per geleverde auto zwaarder Tijdens een onderbreking valt een deel van de variabele kosten weg. Er worden bijvoorbeeld minder onderdelen verbruikt voor auto’s die niet worden gebouwd. Andere lasten lopen geheel of gedeeltelijk door. Denk aan afschrijvingen, onderhoudscontracten, financiering en bepaalde personeelskosten. Hoeveel werkelijk wordt bespaard, hangt af van arbeidsafspraken en de inrichting van de fabriek. Een volledige week stilstand is daarom niet hetzelfde als een volledige week omzet als verlies boeken. In een rekenvoorbeeld heeft de fictieve lijn €24 miljoen vaste kosten per maand. Per afgeleverde auto ontvangt de fabrikant €35.000 exclusief btw, terwijl €28.000 aan variabele kosten wordt gemaakt. De bijdrage aan vaste kosten en resultaat is dan €7.000. Dat heet de dekkingsbijdrage. Het is geen nettowinst per auto: de gezamenlijke vaste lasten moeten er nog vanaf. Bij 6.000 auto’s wordt de maanduitkomst 6.000 × (€35.000 − €28.000) − €24 miljoen = €18 miljoen. Per auto drukken de vaste kosten voor €4.000 op de rekening. Bij 7.500 auto’s zou het resultaat €28,5 miljoen bedragen en de vaste kosten per auto €3.200. De 1.500 ontbrekende leveringen schelen in dit voorbeeld dus €10,5 miljoen in één maand, vóór eventuele besparingen, inhaalproductie of schadevergoedingen. Deze bedragen zijn bruto bedrijfsresultaten vóór rente en belasting, geen netto aandeelhouderswinst. Als dezelfde maand twaalf keer zou terugkomen, wordt €18 miljoen per maand €216 miljoen per jaar. Dat is alleen een rekenkundige jaarvertaling. De getallen zijn aannames voor één fictieve productielijn en mogen niet als raming voor een fabriek of voor Stellantis worden gelezen. Hoeveel leveringen zijn nodig om de gewenste winst te halen De omgekeerde vraag voorkomt dat een belegger zich door een aantrekkelijk winstdoel laat geruststellen. Stel dat dezelfde fictieve lijn €30 miljoen bedrijfsresultaat per maand moet halen. Bij €24 miljoen vaste kosten en €7.000 bijdrage per auto zijn daarvoor (€30 miljoen + €24 miljoen) / €7.000 = 7.714,29 auto’s nodig. Omdat er geen fractie van een auto wordt geleverd, is de drempel 7.715 auto’s per maand. Dat doel is met de oorspronkelijke aannames op twee punten onhaalbaar: er zijn slechts 6.000 geschikte batterijen én 7.500 bestellingen per maand. Alleen het batterijtekort oplossen is dus niet genoeg voor die €30 miljoen. Er moet ook meer vraag komen, de bijdrage per auto moet stijgen of de vaste rekening moet omlaag. De uitkomst ligt wel onder de assemblagecapaciteit van 9.000, zodat die derde grens in dit geval nog ruimte biedt. Het nulpunt ligt lager: €24 miljoen gedeeld door €7.000 komt afgerond naar boven uit op 3.429 auto’s per maand. Boven die hoeveelheid worden de gemodelleerde vaste kosten gedekt. Toch bewijst een positief bedrijfsresultaat nog geen gezonde kasstroom. Voorraden en vooruitbetaalde onderdelen kunnen geld vastzetten. Ook nieuwe machines kosten direct geld, terwijl hun afschrijving over latere perioden wordt verspreid. Bij de kwartaalcijfers van 30 juli rapporteerde Stellantis over het tweede kwartaal €43,5 miljard omzet en €0,3 miljard nettowinst. De aangepaste operationele marge bedroeg 1,8 procent; in de regio Enlarged Europe was die min 0,6 procent. Dat zijn concern- en regiocijfers over een kwartaal, geen marges van de nu betrokken fabrieken. Ze laten wel zien waarom extra vraag op zichzelf onvoldoende is om over ruime winstbuffers te spreken. Drie manieren waarop het knelpunt tot 2029 kan verschuiven Voor 2027, 2028 en 2029 gebruiken we opnieuw de fictieve productielijn, met als peildatum 29 september 2026. Het beginpunt in 2026 is 6.000 bruikbare batterijen per maand, 7.500 bestellingen en assemblageruimte voor 9.000 auto’s. In alle scenario’s groeit de vraag jaarlijks met 8 procent. De bijdrage blijft €7.000 per auto en de vaste kosten €24 miljoen per maand. Geldbedragen blijven op hetzelfde prijsniveau; inflatie en wisselkoersen zijn niet gemodelleerd. In het basisscenario groeit de batterijaanvoer jaarlijks met 15 procent. Dat geeft gemiddeld 6.900 batterijen per maand in 2027 en 7.935 in 2028. In 2029 komt de aanvoer boven 9.000, maar dan beperkt de assemblagelijn de productie tot 9.000. De jaaruitkomst volgt uit twaalf maal de maandproductie maal €7.000, min twaalf maal €24 miljoen. Dat levert ongeveer €291,6 miljoen, €378,5 miljoen en €468,0 miljoen bedrijfsresultaat op. Bij sneller herstel groeit de batterijaanvoer jaarlijks met 30 procent. De levering wordt dan 7.800 auto’s per maand in 2027, 8.748 in 2028 en 9.000 in 2029. In het tweede jaar bepaalt de vraag de uitkomst, in het derde jaar de assemblagelijn. De bijbehorende jaarresultaten zijn €367,2 miljoen, €446,8 miljoen en €468,0 miljoen. Meer batterijen hebben aan het einde dus geen extra waarde zonder andere aanpassingen. In het scenario zonder herstel blijven de batterijleveringen op 6.000 per maand. De jaaruitkomst blijft dan telkens €216 miljoen en de niet vervulde vraag loopt op. Die bestellingen worden niet automatisch een blijvend orderboek: klanten kunnen annuleren of overstappen. Het model telt zulke uitgestelde bestellingen niet bij de vraag van volgende jaren op en kent aan geen van de drie scenario’s een kans toe. Tijdelijk minder bouwen kan de juiste keuze zijn Het sterkste argument vóór een productiepauze is voorraadbeheersing. Auto’s bouwen die niet overeenkomen met bestellingen legt geld vast en kan later korting nodig maken. Als het ontbrekende onderdeel binnenkort binnenkomt, kan wachten goedkoper zijn dan de fabriek koste wat kost bezet houden. Bovendien is een gemiste productiedag niet per definitie een definitief gemiste verkoop: latere inhaalproductie kan een deel van het effect herstellen. De rekening wordt intussen verschillend verdeeld. Klanten kunnen langer wachten of een andere uitvoering kiezen. Dealers moeten leverafspraken aanpassen. Werknemers kunnen minder uren werken, maar het inkomenseffect volgt uit hun concrete afspraken en valt niet uit een stilstandsbericht af te leiden. Toeleveranciers kunnen eveneens met verschoven orders zitten. Concurrenten profiteren pas als ze een passend alternatief op tijd kunnen leveren. Voor beleggers is daarom de combinatie van bruikbare batterijleveringen, voorraadontwikkeling en daadwerkelijk afgeleverde auto’s doorslaggevend. Een fabriek kan steeds meer batterijen maken terwijl haar klant nog sneller groeit. Andersom kan voldoende aanvoer samengaan met te weinig bestellingen voor een specifieke uitvoering. Het helpt niet om alle verschillen onder één verhaal over de elektrische automarkt te schuiven. Lees ook: Het perfecte moment om Fastned aandelen te kopen. Ons oordeel: een korte onderbreking kan een verstandige productieaanpassing zijn, maar sterke vraag is pas een financieel voordeel wanneer de juiste auto’s tegen een passende marge worden geleverd. Een gunstiger oordeel vereist bewijs dat de bruikbare aanvoer stijgt, leverachterstanden verdwijnen en voorraden niet alsnog oplopen. Terugkerende pauzes, meer annuleringen of grotere kortingen zouden het tegenovergestelde aantonen. De fabriek die het snelst weer draait, is niet vanzelf de fabriek die het meeste waarde toevoegt.

  • Nieuwe box 3-plannen maken de vorm van je cryptobezit belangrijker

    In het kort Het kabinet wil vanaf 2028 koerswinsten op financiële instrumenten pas bij verkoop belasten. Voor andere bezittingen moet die overstap in 2030 volgen. Daardoor dreigt een tijdelijk verschil tussen rechtstreeks aangehouden crypto en een beursproduct dat dezelfde munt volgt. Dat verschil draait om wat je juridisch bezit, niet alleen om de plek waar je het bewaart. Voor cryptobeleggers telt vooral of zij belasting moeten betalen terwijl hun winst nog volledig in munten zit. De plannen zijn nog geen wet. Twee mensen kunnen allebei profiteren van een stijgende bitcoin, maar straks op een ander moment belasting moeten betalen. De een bezit de munt zelf. De ander koopt een beursproduct dat de koers volgt. Economisch lijken hun beleggingen sterk op elkaar. Fiscaal kunnen ze onder verschillende regels terechtkomen. Dat is de gevoelige kant van het nieuwe kabinetsaanbod. Het AD schrijft dat crypto in een eigen wallet onder een jaarlijkse heffing over papieren winst blijft vallen, terwijl crypto via een bank of beleggingsrekening kan profiteren van uitstel tot verkoop. Voor wie nu wil gaan schuiven, is één onderscheid doorslaggevend: een gewone cryptorekening is niet automatisch hetzelfde als een rekening met effecten. Direct naar een onderdeel van dit artikel De brief trekt een grens tussen soorten bezit Winst op het scherm betaalt de aanslag niet Een koersval kan de rekening zwaarder laten voelen Hoeveel bruto winst is nodig om netto iets over te houden? Drie koerspaden maken het risico zichtbaar Een beursproduct brengt eigen kosten en risico’s mee Duidelijke regels zijn belangrijker dan snel verhuizen De brief trekt een grens tussen soorten bezit In de kabinetsbrief van 29 september staat dat de vermogenswinstbelasting in 2028 wordt uitgebreid naar alle financiële instrumenten, waaronder aandelen, obligaties en opties. Daarmee zou ongeveer 90 procent van het box 3-vermogen dat in waarde kan veranderen onder die aanpak vallen. Voor de overige vermogensbestanddelen noemt het kabinet 2030. Crypto wordt in deze passage niet afzonderlijk genoemd. Daarom gaat de conclusie dat iedere munt bij iedere bank automatisch pas bij verkoop belast wordt verder dan de tekst ondersteunt. Een bitcoin die een platform voor je bewaart, wordt door die bewaring niet vanzelf een aandeel of obligatie. Wie een beursgenoteerd cryptoproduct koopt, bezit juist een ander financieel product met eigen voorwaarden. Dat verschil bestaat al in de praktijk. ABN AMRO introduceerde in april crypto-ETP’s, beursproducten waarmee klanten indirect in bitcoin en ethereum kunnen beleggen. De klant hoeft de munten daarbij niet zelf te kopen of te bewaren. Dat maakt het een bruikbaar voorbeeld van verschillende manieren om koersblootstelling te krijgen. Het persbericht is geen bevestiging van de toekomstige fiscale behandeling van ieder afzonderlijk product. De interessante vraag voor het debat is daarmee preciezer dan wie zijn eigen wallet gebruikt. Waarom zouden vergelijkbare koersrisico’s tijdelijk een verschillende belastingbehandeling krijgen? En hoe voorkomt de wetgever dat een onduidelijke grens beleggers vooral naar bepaalde productaanbieders duwt? Winst op het scherm betaalt de aanslag niet Bij een vermogensaanwasbelasting telt de waardestijging tijdens het jaar mee, ook zonder verkoop. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de koerswinst in beginsel belast zodra die wordt gerealiseerd. Het verschil is vooral het moment waarop geld naar de Belastingdienst moet. Neem een vereenvoudigd voorbeeld vanaf 2028. Iemand begint het jaar met 20.000 euro aan crypto en eindigt met 30.000 euro. Er zijn geen aankopen, opnames, opbrengsten of kosten. Bij een jaarlijks belast resultaat van 10.000 euro, een vrijstelling van 1.000 euro en 36 procent belasting bedraagt de aanslag 3.240 euro. Er is dan nog geen euro verkocht. Met 1.000 euro apart gehouden voor belasting ontbreekt in dat voorbeeld 2.240 euro. Dat geld moet uit andere inkomsten of uit een verkoop komen. De vrijstelling is hier volledig beschikbaar verondersteld. Wie daarnaast rente of ander belast box 3-resultaat heeft, kan diezelfde vrijstelling niet nog eens volledig voor zijn crypto inzetten. Dit probleem is al eerder politiek besproken. Staatssecretaris Eelco Eerenberg antwoordde op 20 april op vragen van JA21-Kamerlid Michiel Hoogeveen: “De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden te hebben om de aanslag te voldoen.” Dat antwoord ging over het toenmalige wetsvoorstel. Het laat wel zien bij wie het kabinet de verantwoordelijkheid voor beschikbaar geld legt. Een koersval kan de rekening zwaarder laten voelen Het vervelendste moment ontstaat wanneer de koers na het belastingjaar daalt. Stel dat de portefeuille uit het voorbeeld terugvalt van 30.000 naar 18.000 euro voordat de eerdere aanslag wordt betaald. De berekende belasting van 3.240 euro vertegenwoordigt dan 18 procent van de resterende portefeuille. Wordt die volledig uit de belegging betaald, dan resteert 14.760 euro. Dat is geen extra belastingtarief van 18 procent, maar dezelfde aanslag tegenover een inmiddels veel kleiner vermogen. In deze stresstest is geen belastingreserve beschikbaar. Het voorbeeld laat zien waarom een procentuele belasting over winst zich later heel anders kan laten voelen. Verliesverrekening kan zulke verschillen verzachten. Daarmee mag een verlies de belasting over winst in een ander jaar verminderen. Maar een mogelijkheid om toekomstige winsten te verrekenen is niet hetzelfde als geld terugkrijgen wanneer een rekening moet worden betaald. De precieze mogelijkheden, termijnen en voorwaarden in de uiteindelijke regeling zijn daarom minstens zo relevant als het tarief. In zijn antwoorden van april erkende Eerenberg ook dat een jaarlijks heffingsvrij resultaat verschillend kan uitpakken bij wisselende inkomsten. In een verliesjaar blijft vrijstellingsruimte mogelijk ongebruikt. Uitstel tot één verkoopjaar kent weer een ander nadeel: meerdere jaren winst kunnen samenkomen bij één jaarlijkse vrijstelling. Later betalen betekent dus niet onder alle omstandigheden minder betalen. Hoeveel bruto winst is nodig om netto iets over te houden? Een koersdoel zonder belasting zegt weinig over het bedrag dat uiteindelijk beschikbaar is. Wie op 20.000 euro vermogen 10 procent netto wil verdienen, mikt op 2.000 euro. Met de voorbeeldvrijstelling van 1.000 euro en een tarief van 36 procent is daarvoor ongeveer 2.563 euro bruto winst nodig. Dat komt neer op 12,81 procent rendement vóór belasting. De rekensom is eenvoudig. Van de bruto winst boven 1.000 euro blijft 64 procent over. Om naast die eerste 1.000 euro nog eens 1.000 euro netto te verdienen, is daarom 1.562,50 euro extra bruto winst nodig. Dit is een omgekeerde rendementsberekening, geen waardering van bitcoin en geen voorspelling van een haalbare koersstijging. Ook hier verandert de uitkomst wanneer ander vermogen de vrijstelling al benut. De rekentool laat daarom toe de beschikbare vrijstelling te verlagen. Het fiscale voordeel hangt niet uitsluitend af van de munt, maar ook van de rest van de financiële situatie. Drie koerspaden maken het risico zichtbaar Een belastingverschil kan belangrijk zijn, maar een koersbeweging blijft bij crypto vaak de grootste invloed. Met 20.000 euro als beginwaarde komt een fictief pad van jaarlijks 20 procent verlies uit op 16.000 euro eind 2028, 12.800 euro eind 2029 en 10.240 euro eind 2030. Bij jaarlijks 10 procent groei worden dat 22.000, 24.200 en 26.620 euro. Bij 30 procent groei lopen de bedragen op tot 26.000, 33.800 en 43.940 euro. Het zijn rekenpaden, geen kansen of koersverwachtingen. De namen ongunstig, basis en gunstig geven de volgorde aan; het middelste pad is geen voorspelling. Deze bedragen zijn bewust vóór belasting en kosten. Juist rond 2030 moet nog duidelijk worden hoe de overgang voor de resterende bezittingen wordt vormgegeven. Bij een jaarlijkse heffing kan bovendien geld uit de portefeuille verdwijnen, waardoor ook het bedrag dat daarna verder kan groeien lager wordt. De bruto eindwaarde op het scherm is dus niet automatisch het besteedbare eindvermogen. Een beursproduct brengt eigen kosten en risico’s mee Een mogelijk fiscaal voordeel maakt overstappen nog geen vanzelfsprekende keuze. Een beursproduct kan beheerkosten, handelskosten en een verschil tussen koop- en verkoopprijs hebben. Ook de juridische rechten verschillen van rechtstreeks bezit. VanEck beschrijft zijn Bitcoin ETN bijvoorbeeld als een beursgenoteerde note die met bitcoin is gedekt. Dat is een andere constructie dan zelf munten bezitten. Wie een product kiest, moet daarom weten welke aanspraak hij heeft, wie de onderliggende bezittingen bewaart en welke kosten jaarlijks van het rendement afgaan. Een uitstelvoordeel dat over twee jaar ontstaat, kan deels worden opgegeten door kosten die daarna ieder jaar blijven doorlopen. Omgekeerd kan professionele bewaring voor iemand aantrekkelijk zijn die zelf geen sleutels wil beheren. De keuze hoort over het geheel te gaan. Alleen munten naar een ander platform sturen, bewijst geen andere belastingbehandeling. Alleen een lagere belasting verwachten, bewijst evenmin dat het nieuwe product financieel beter uitpakt. Duidelijke regels zijn belangrijker dan snel verhuizen Premier Rob Jetten koppelde de discussie op 25 september aan zorgen van investeerders over het Nederlandse fiscale klimaat. Zij twijfelen volgens hem aan de vraag “is het zinvol om in Nederland te investeren of niet?” Voor cryptobeleggers begint voorspelbaarheid bij een heldere definitie van wat onder welke heffing valt. Tot nieuwe wetgeving ingaat, gelden de bestaande regels. De Belastingdienst rekent particulier cryptobezit nu in beginsel tot box 3. De gegevensuitwisseling door cryptodienstverleners sinds 2026 verandert die belastingregels op zichzelf niet. Het nieuwe kabinetsvoorstel staat daar los van. Wat nu al helpt, is overzicht bewaren van aankopen, verkopen, eurobedragen en verplaatsingen tussen eigen rekeningen. Een verplaatsing is economisch iets anders dan nieuwe winst. Voor de komende regeling zullen daarnaast de fiscale beginwaarde, de productindeling en verliesverrekening duidelijk moeten worden. Zonder die onderdelen is een stellige overstaptip voorbarig. De kern van het voorstel verdient daarom aandacht: gelijke koerswinst kan tijdelijk een andere kasrekening geven, terwijl 2030 alweer een volgende wijziging moet brengen. Zodra de regels definitief zijn, leggen we bij De Belegger uitgebreid uit wat dit betekent, welke praktische tips en tricks binnen de regels helpen en hoe kosten en belasting samen doorwerken. Zodat een keuze steunt op de volledige rekening. Foto: [Eelco Eerenberg](https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/eelco-eerenberg/foto), Martijn Beekman / Rijksoverheid. Officieel portret, beschikbaar voor redactioneel gebruik door nieuwsmedia.

  • Schiphol kan meer reizigers trekken zonder extra vluchten

    In het kort Schiphol kan meer reizigers verwerken zonder dat er meer vliegtuigen opstijgen of landen. Grotere toestellen en een hogere bezetting vergroten de capaciteit per vlucht, al werkt dat niet op iedere verbinding even goed. Het op 29 september besproken Luchthavenverkeerbesluit draait bovendien om meer dan een getalsgrens: geluid en lokale bescherming kunnen de beschikbare ruimte verder beperken. Voor de economische uitkomst telt daarom wat iedere vlucht oplevert, wie daarvan profiteert en waar de hinder terechtkomt. De Tweede Kamer debatteerde op 29 september 2026 over het Luchthavenverkeerbesluit. Het ontwerp waarover de Raad van State op 14 september publiceerde, bevat een uitgangspunt van maximaal 478.000 vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar en ruimte voor een voorwaardelijke terugkeer naar maximaal 500.000. Die aantallen zijn geen voorspelling van het werkelijke verkeer en evenmin een belofte dat de hogere grens daadwerkelijk beschikbaar komt. Daar zit voor reizigers, luchtvaartmaatschappijen en omwonenden de belangrijkste spanning. Een extra bestemming kan Nederland beter bereikbaar maken. Een extra vlucht op een bestaande drukke route kan vooral gemak opleveren. En een groter toestel kan meer mensen vervoeren zonder een extra start, terwijl de plaatselijke geluidsbelasting toch verandert. Alleen het vluchtaantal bekijken maakt al die verschillen onzichtbaar. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een vluchtgrens zegt nog niet hoeveel mensen kunnen reizen Wie meer capaciteit krijgt en wie de rekening draagt Hoeveel grotere toestellen zijn nodig zonder extra vluchten Drie groeipaden voor 2027 tot en met 2029 Meer reizigers is pas winst als de omgeving ook meetelt Een vluchtgrens zegt nog niet hoeveel mensen kunnen reizen Een vliegtuigbeweging is één start of één landing. Een toestel dat aankomt en later vertrekt, gebruikt dus twee bewegingen. Een passagierstelling is weer iets anders: daarin worden vervoersstromen geteld, geen unieke personen. Ook vrachtvluchten gebruiken ruimte binnen het totale vliegverkeer. Daardoor kun je de grens van 478.000 niet zomaar vermenigvuldigen met de stoelcapaciteit van een doorsnee vakantievliegtuig. Dat reizigersaantallen en vluchtaantallen verschillend kunnen groeien, bleek al bij de jaarcijfers die Schiphol op 13 februari presenteerde. In kalenderjaar 2025 telde de luchthaven 477.552 vliegtuigbewegingen, ongeveer 1 procent meer dan een jaar eerder. Het aantal reizigers steeg met 2,9 procent naar 68,8 miljoen. Dat is een waarneming over 2025; het is geen bewijs dat hetzelfde groeiverschil ieder volgend jaar haalbaar blijft. Neem een vereenvoudigd rekennetwerk met 478.000 totale bewegingen per jaar, waarvan 16.000 vrachtbewegingen. Er blijven 462.000 passagiersbewegingen over. Met gemiddeld 180 stoelen en een bezetting van 85 procent worden per passagiersbeweging 153 mensen vervoerd. De jaarcapaciteit is dan 462.000 × 180 × 0,85 = 70.686.000 passagiersbewegingen. De 16.000 vrachtbewegingen, stoelcapaciteit en bezetting zijn aannames, geen meting van Schiphol. Bij 500.000 totale bewegingen en dezelfde overige aannames wordt dat 484.000 × 153 = 74.052.000. Het verschil bedraagt 3.366.000 passagiersbewegingen per jaar, gemiddeld 280.500 per maand. Die maanduitkomst is alleen het jaartotaal gedeeld door twaalf: drukke zomermaanden en rustige wintermaanden zijn niet apart gemodelleerd. Het zijn bruto vervoersaantallen, geen netto economische baten of extra unieke vakantiegangers. Wie meer capaciteit krijgt en wie de rekening draagt Meer aanbod kan de druk op ticketprijzen verminderen wanneer luchtvaartmaatschappijen daadwerkelijk om dezelfde reizigers concurreren. Maar een extra toegestane vlucht zorgt niet vanzelf voor een lagere prijs. De maatschappij moet een toestel, bemanning en een aantrekkelijke vertrektijd beschikbaar hebben. Ook brandstof, belastingen en de vraag op een specifieke route blijven meetellen. Zonder die informatie is een bedrag aan ticketbesparing schijnzekerheid. Voor een bestaande maatschappij kunnen schaarse vertrektijden waardevol zijn: nieuwe concurrenten krijgen minder makkelijk ruimte. Voor een nieuwkomer werkt dezelfde schaarste juist als drempel. Voor zakelijke reizigers kan een extra vroege verbinding meer waard zijn dan een extra vlucht midden op de dag. Vakantiereizigers met flexibele data kunnen eerder uitwijken. Een inwoner onder een aanvliegroute kan ondertussen hinder ervaren zonder ooit gebruik te maken van de verbinding. De verdeling van vaste kosten is wel inzichtelijk te maken. Veronderstel een afzonderlijke jaarlijkse kostenpost van €100 miljoen die geheel over de 70,686 miljoen passagiersbewegingen uit ons rekennetwerk wordt verdeeld. Dat is €1,41 per beweging. Bij twee bewegingen per jaar gaat het om €2,83, bij zes om €8,49 en bij twintig om €28,29. Dit is een fictieve kostenverdeling vóór belastingeffecten, geen aangekondigde luchthavenheffing of netto bedrag op een ticket. Wordt dezelfde €100 miljoen over 74,052 miljoen bewegingen verdeeld, dan daalt de bijdrage naar €1,35. Het schaalvoordeel is dus ongeveer zes cent per beweging. Een groter netwerk kan vaste kosten verdunnen, maar die winst verdwijnt als de uitbreiding zelf genoeg nieuwe kosten veroorzaakt. Terminalruimte, bagageafhandeling en personeel groeien niet onbeperkt mee zonder extra uitgaven. Hoeveel grotere toestellen zijn nodig zonder extra vluchten Draai de vraag nu om. Hoeveel capaciteit per passagiersvlucht is nodig om de 74,052 miljoen bewegingen uit het groeivoorbeeld te halen, terwijl het totale aantal vliegtuigbewegingen op 478.000 blijft? Bij dezelfde 16.000 vrachtbewegingen zijn daarvoor 74.052.000 / 462.000 = 160,29 passagiers per passagiersbeweging nodig. Dat is 4,76 procent meer dan de oorspronkelijke 153. Bij een gelijkblijvende bezetting van 85 procent moet de gemiddelde stoelcapaciteit stijgen van 180 naar ongeveer 188,6. Anders gezegd: gemiddeld nog geen negen extra stoelen per passagiersbeweging zouden in dit model dezelfde extra vervoerscapaciteit geven als 22.000 extra vliegtuigbewegingen. Een vlootgemiddelde mag een decimaal hebben; een individueel vliegtuig heeft uiteraard een heel aantal stoelen. Het andere uiterste is de toestellen even groot houden. Met 180 stoelen moet de bezetting dan stijgen naar ongeveer 89,0 procent. Dat lijkt een beperkte stap, maar een lege stoel op dinsdagochtend is niet automatisch te verkopen aan iemand die vrijdagmiddag wil vertrekken. Bezettingswinst vereist een passende combinatie van bestemming, tijdstip en prijs. Bovendien kan een groter toestel bij een dunne route juist te veel stoelen toevoegen. Daarom is deze rekensom een toets op het groeiverhaal, geen vlootplan. Nieuwe vliegtuigen kosten geld en worden niet allemaal direct geleverd. De luchthaven moet grotere toestellen kunnen afhandelen. En minder frequente vluchten met meer stoelen kunnen overstappen lastiger maken. Capaciteit in stoelen en kwaliteit van het netwerk zijn verwant, maar niet hetzelfde. Drie groeipaden voor 2027 tot en met 2029 Voor de komende drie kalenderjaren nemen we het fictieve netwerk uit de eerste berekening als startpunt voor 2026. Het totale vluchtaantal blijft in alle scenario’s 478.000 en het aantal vrachtbewegingen 16.000. Zo wordt zichtbaar hoeveel verschil alleen de gemiddelde vervoerscapaciteit per passagiersbeweging maakt. De peildatum is 29 september 2026. Dit zijn eigen scenario’s, geen prognoses van Schiphol of een vertaling van juridische gebruiksjaren naar kalenderjaren. In het basisscenario groeit het gemiddelde aantal vervoerde passagiers per passagiersbeweging jaarlijks met 1 procent. De formule is 70,686 miljoen × 1,01 tot de macht van het aantal jaren na 2026. Dat geeft ongeveer 71,39 miljoen in 2027, 72,11 miljoen in 2028 en 72,83 miljoen in 2029. Dat kan voortkomen uit grotere toestellen, betere bezetting of een combinatie. Bij stilstand in die gemiddelde capaciteit blijft het volume alle drie de jaren 70,69 miljoen. In het snellere scenario groeit de capaciteit jaarlijks met 2 procent en worden de uitkomsten 72,10 miljoen, 73,54 miljoen en 75,01 miljoen. Zelfs zonder extra vluchten ontstaat zo een duidelijk verschil. Maar de snellere variant veronderstelt dat vraag, toestellen en afhandeling tegelijk meewerken; alleen een grotere gemiddelde vliegtuigmaat is niet genoeg. De scenario’s zeggen niets over de ontwikkeling van ticketprijzen, omzet of geluid. Daarvoor ontbreken afzonderlijke aannames over tarieven, kosten en de samenstelling en inzet van de vloot. Ook blijft het aantal vrachtbewegingen hier constant. Verschuift de verhouding tussen vracht- en passagiersvluchten, dan verandert de ruimte voor passagiers opnieuw. Meer reizigers is pas winst als de omgeving ook meetelt In zijn Kamerbrief van 25 september beschrijft minister Vincent Karremans drie begrenzingen: lokale geluidnormen, een totaal geluidsvolume en een maximumaantal vliegtuigbewegingen. Volgens de brief bepaalt de meest knellende norm hoeveel ruimte uiteindelijk bruikbaar is. Het kabinet verdedigt één besluitmoment voor drie groeistappen, met handhaafbare geluidsgrenzen. Een hogere aantalsgrens betekent daarmee nog niet dat alle bijbehorende vluchten ook passen. De Raad van State wees op 14 september op de bescherming van omwonenden en de voorwaarden voor iedere groeistap. Minder totale hinder kan samengaan met meer hinder voor een specifieke groep. Een gemiddelde verbetering over het hele gebied is daarom geen voldoende antwoord voor iemand die plaatselijk meer geluid krijgt. Evenmin kun je een procentuele afname van hinder gelijkstellen aan eenzelfde procentuele afname van vluchten. Het sterkste argument voor extra vluchten is dat grotere toestellen niet iedere verbinding kunnen vervangen. Een overstapknooppunt heeft aansluitende aankomst- en vertrekvensters nodig. Minder frequenties kunnen een bestemming voor bedrijven minder bruikbaar maken, ook wanneer het jaarlijkse stoelaanbod gelijk blijft. Dat is een serieus economisch belang, maar het moet per verbinding en tijdstip blijken. Het bestaan van een groot netwerk bewijst nog niet dat iedere extra vlucht dezelfde maatschappelijke waarde heeft. Lees ook: Schiphol koopt bouwzekerheid maar de besparing moet nog blijken. Ons oordeel: behandel extra vluchten als een mogelijkheid die zichzelf moet rechtvaardigen, niet als voorwaarde voor iedere vorm van groei. Meer capaciteit binnen het bestaande aantal bewegingen verdient eerst een concrete toets, inclusief vlootkosten, afhandeling en lokale hinder. Dat oordeel verandert als actuele routegegevens laten zien dat waardevolle verbindingen ondanks haalbare vlootvernieuwing verdwijnen, terwijl controleerbare geluidsgegevens aantonen dat uitbreiding binnen de grenzen blijft. Pas die combinatie maakt een extra vlucht economisch overtuigender dan alleen een hoger passagierstotaal. Omslagfoto: Vincent Karremans op 15 augustus 2024. Archieffoto van Frpizza via Wikimedia Commons, CC BY 4.0. Originele foto ongewijzigd.

  • Het belastingvoordeel voor werkenden valt ongelijk uit

    In het kort Het kabinet wil de grens voor het hoogste belastingtarief in 2027 verhogen naar 80.578 euro. Daartegenover staat een kleinere verhoging van de arbeidskorting. De eigen koopkrachttabel laat zien wat dat oplevert: werkenden gaan in doorsnee niet langer 0,2 procent, maar 0,1 procent achteruit. Vooral hogere inkomens profiteren van de aanpassing. Ook middeninkomens kunnen voordeel hebben doordat de algemene heffingskorting langzamer verdwijnt. Wie daarnaast spaart of belegt, moet echter de veranderingen in box 3 meewegen. Een belastingverlaging klinkt als goed nieuws voor iedereen die werkt. Maar bij het nieuwe kabinetsvoorstel maakt het nogal uit welk salaris op de loonstrook staat. Iemand met een belastbaar inkomen van 85.000 euro krijgt rechtstreeks voordeel van de hogere grens voor het toptarief. Bij 50.000 euro loopt dat voordeel via een andere regeling. En voor een lager inkomen kan de nieuwe verdeling juist minder gunstig zijn dan het eerdere plan. De verandering zit bovendien in het verschil tussen twee begrotingsvoorstellen. Een verbetering ten opzichte van Prinsjesdag betekent niet automatisch dat er volgend jaar meer te besteden is dan dit jaar. Juist dat onderscheid raakt gemakkelijk uit beeld wanneer het kabinet vertelt dat werken meer moet lonen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een hogere grens is geen lager tarief over het hele salaris De minder zichtbare winst zit in een heffingskorting Veertig euro minder extra arbeidskorting maakt verschil De eigen koopkrachttabel vertelt een bescheidener verhaal Een paar honderd euro kan snel weer opgaan Over drie jaar tellen lonen en prijzen veel zwaarder Een hogere grens is geen lager tarief over het hele salaris In de kabinetsbrief van 29 september schuift de grens van de hoogste belastingschijf van 78.426 naar 80.578 euro. Het tarief van 49,5 procent verandert daarmee niet. Wel wordt een groter gedeelte van het inkomen tegen het lagere tarief belast. Voor mensen met voldoende belastbaar inkomen gaat het om een strook van 2.152 euro. De memorie van toelichting bij het Belastingplan 2027 noemt voor de tweede schijf 38,16 procent. Het verschil met het toptarief is dus 11,34 procentpunt. Vermenigvuldig dat met 2.152 euro en het maximale voordeel van uitsluitend deze verschuiving komt uit op ongeveer 244 euro per jaar, of ruim 20 euro per maand. Dat bedrag hoort niet bij ieder inkomen boven modaal. Bij een belastbaar inkomen van 79.000 euro schuift slechts 574 euro naar de lagere schijf. Het voordeel van de schijfgrens bedraagt dan ongeveer 65 euro. Onder 78.426 euro levert deze specifieke verandering rechtstreeks niets op. Wie 150.000 euro verdient, krijgt via deze verschuiving evenmin meer dan die circa 244 euro. Ook telt het belastbare inkomen, niet zonder meer het bruto jaarsalaris in een arbeidscontract. Pensioenpremies en aftrekposten kunnen ervoor zorgen dat die bedragen verschillen. De rekensom hieronder laat daarom alleen de werking van de schijfgrens zien. De kortingen op de uiteindelijke belastingrekening volgen daarna. De minder zichtbare winst zit in een heffingskorting Bij het hogere aangrijpingspunt van het toptarief hoort een tweede verandering. De algemene heffingskorting wordt langzamer afgebouwd. Dat is een korting op de belastingrekening die afneemt wanneer het inkomen stijgt. Een hoger eindpunt betekent dat de korting over een langer inkomenstraject verdwijnt. Daarmee bereikt de maatregel ook mensen die de hoogste schijf helemaal niet halen. Dat is een belangrijk verschil met de gedachte dat alleen salarissen boven 80.000 euro profiteren. De precieze uitkomst hangt samen met het verzamelinkomen. Volgens de Belastingdienst en Rijksoverheid telt sinds 2025 ook het belastbare inkomen uit box 2 en box 3 mee bij de algemene heffingskorting. Een vereenvoudigde berekening maakt het mechanisme zichtbaar. Neem de voorlopige parameters uit het Belastingplan: maximaal 3.154 euro korting, met afbouw vanaf 30.910 euro. Bij 60.000 euro verzamelinkomen resteert, met een rechte afbouwlijn tot 78.426 euro, ongeveer 1.223 euro korting. Schuift het eindpunt naar 80.578 euro, dan wordt dat ongeveer 1.307 euro. Het verschil is ongeveer 84 euro. Dat is een benadering van één onderdeel, geen complete aanslagberekening. De uiteindelijke afbouwpercentages en afrondingen moeten in de wetstekst worden verwerkt. Het genoemde startpunt is bovendien afhankelijk van de vaststelling van het minimumloon. De uitkomst laat wel zien waarom een verandering boven in de tarieftabel ook een middeninkomen kan raken. Veertig euro minder extra arbeidskorting maakt verschil Tegenover de extra ruimte staat een kleinere verhoging van de arbeidskorting: 133 euro in plaats van 173 euro. Dat is 40 euro minder verhoging dan eerder voorgesteld. Het betekent niet dat iedere werknemer volgend jaar 40 euro minder korting krijgt dan dit jaar. De vergelijking gaat over twee plannen voor hetzelfde belastingjaar. Waar het verschil volledig doorwerkt, moet die 40 euro van het voordeel worden afgetrokken. In het voorbeeld met 60.000 euro inkomen resteert van ongeveer 84 euro extra algemene heffingskorting dan circa 44 euro. Dat is minder dan vier euro per maand. Voor een werknemer met voldoende inkomen voor het maximale schijfvoordeel, maar nog recht op arbeidskorting, kan circa 244 euro daardoor ongeveer 204 euro worden. Een hoger salaris biedt geen eindeloos oplopend voordeel. De arbeidskorting wordt bij hogere arbeidsinkomens zelf afgebouwd en verdwijnt uiteindelijk. De algemene heffingskorting is boven haar eindpunt ook weg. Daarom hoort bij iedere concrete loonstrook een berekening van het geheel. Een vlak bedrag voor alle werkenden zou de verschillen verhullen. De politieke keuze is duidelijker dan de naam van de maatregel. Het kabinet verschuift steun van een extra arbeidskorting naar een hogere tariefgrens en een ruimere algemene heffingskorting. In de brief noemt het daarbij expliciet de wens van SGP en ChristenUnie om niet steeds verder op de arbeidskorting te leunen. Een belastingkorting die uitsluitend bij arbeidsinkomen hoort, bereikt immers een andere groep dan een algemene korting. De eigen koopkrachttabel vertelt een bescheidener verhaal Minister Eelco Heinen zei op Prinsjesdag dat het kabinet onder meer wilde helpen om “werkende middeninkomens meer ruimte te geven”. De nieuwe invulling brengt dat doel iets dichterbij. Maar de koopkrachttabel in de brief laat voor werkenden nog steeds een min zien: de mediaan verbetert van min 0,2 naar min 0,1 procent. De laagste inkomensgroep beweegt juist van plus 0,2 naar plus 0,1 procent. Voor alle huishoudens samen blijft de mediaan min 0,1 procent. Het extra pakket kost in 2027 volgens de brief 436 miljoen euro ten opzichte van de eerdere technische invulling. Meer geld voor koopkracht betekent dus niet dat iedere groep meer overhoudt. Een mediaan is de middelste uitkomst, geen belofte aan ieder huishouden. Het Centraal Planbureau houdt bij zulke statische berekeningen persoonlijke omstandigheden gelijk. Een baan verliezen, promotie maken of gaan samenwonen kan de eigen uitkomst veel sterker veranderen. Ook betekent een onveranderde, afgeronde groepsmediaan niet dat binnen die groep niets gebeurt. Een paar honderd euro kan snel weer opgaan Voor een huishouden is de relevante vraag hoeveel van het voordeel na alle andere veranderingen overblijft. Een werknemer kan tegelijk een spaarder zijn. Extra belasting in box 3 kan een lager bedrag in box 1 gedeeltelijk of helemaal tenietdoen. De politiek verdeelt mensen graag over categorieën; op de bankrekening komen die categorieën weer samen. Een voordeel van 204 euro per jaar staat bij jaarlijkse uitgaven van 40.000 euro gelijk aan ongeveer 0,51 procent extra prijsstijging die kan worden opgevangen. Een vaste last die met 17 euro per maand stijgt, gebruikt hetzelfde bedrag. Daarmee is de verlichting niet waardeloos. Het maakt vooral duidelijk hoe beperkt de ruimte is om tegenvallers op te vangen. De volgende rekentool draait de vraag om: hoeveel extra prijsstijging kan een aangenomen belastingvoordeel betalen? Het bedrag is zelf aanpasbaar. Het is geen voorspelling van de eigen loonstrook, maar een manier om een Haagse maatregel in verhouding tot de huishoudelijke uitgaven te zien. Over drie jaar tellen lonen en prijzen veel zwaarder Voor de langere termijn is de verhouding tussen inkomensgroei en inflatie doorslaggevend. Als het netto inkomen nauwelijks groeit terwijl prijzen blijven stijgen, kan een eenmalige fiscale verbetering dat niet blijven goedmaken. Groeit het inkomen sneller dan de kosten van levensonderhoud, dan verbetert de situatie ook zonder jaarlijks een nieuw koopkrachtpakket. In de scenario’s hieronder beginnen we met 40.000 euro besteedbaar jaarinkomen en veronderstellen we dat een voordeel van ongeveer 204 euro jaarlijks behouden blijft. In het ongunstige pad groeit het inkomen niet en stijgen prijzen 3 procent per jaar. In het middenscenario stijgen beide 2,5 procent. In het gunstige pad groeit het netto inkomen 4 procent en de prijzen 2 procent. De uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 staan in euro’s met de koopkracht van 2026. Dat zijn eigen rekenaannames, geen kabinetsramingen. Het belastingvoordeel houden we bewust gelijk om de invloed van loon en prijzen zichtbaar te maken. Toekomstige belastingbesluiten en veranderingen in de gezinssituatie zitten er niet in. De hogere schijfgrens verlicht de belastingdruk voor een deel van de werkenden. De langzamere afbouw van de algemene heffingskorting maakt de groep breder. Maar een kleinere arbeidskorting, hogere prijzen en veranderingen in de belasting op vermogen kunnen daar weer tegenover staan. De uitkomst verdient daarom een concretere omschrijving dan dat werkenden erop vooruitgaan: het kabinet beperkt voor hen in doorsnee de eerder voorziene achteruitgang. De voorstellen moeten nog door het parlement. Zodra de regels definitief zijn, leggen we bij De Belegger uitgebreid uit wat ze betekenen voor verschillende inkomens en huishoudens, met praktische tips en de keuzes waarop je kunt letten. Daarbij nemen we de volledige rekening mee, zodat een voordeel op de loonstrook niet los komt te staan van wat er elders verandert. Foto: [Eelco Heinen](https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/eelco-heinen/foto), Martijn Beekman / Rijksoverheid. Officieel portret, beschikbaar voor redactioneel gebruik door nieuwsmedia.

  • Goedkoper dividend uit de bv verandert de rekensom

    In het kort Het kabinet wil de grens voor excessief lenen uit de eigen bv vanaf 2027 in vijf jaarlijkse stappen verlagen van €500.000 naar €100.000. Tegelijk moet het hoge box 2-tarief in 2027 tot en met 2030 dalen van 31% naar 29,2%. Daarmee worden ondernemers aangemoedigd eerder belasting te betalen over opgepotte winsten. Voor de aandeelhouder ontstaat een lastige afweging tussen aflossen, dividend uitkeren en geld in het bedrijf houden. De aangekondigde korting is overzichtelijk, maar de gevolgen voor financiering en toekomstige belasting kunnen veel groter zijn. De voorstellen zijn nog geen definitieve wet. Een ondernemer met €450.000 schuld aan zijn eigen bv kan vandaag onder de gebruikelijke grens voor excessief lenen blijven. Als de nieuwe plannen doorgaan, verandert dat geleidelijk. Zonder aflossingen komt in 2027 €30.000 boven de voorgestelde basisgrens uit. In 2031 bedraagt het verschil met die basisgrens €350.000. Dat laatste is geen aanslag van €350.000 en evenmin een bedrag dat ieder jaar opnieuw wordt belast. Het maakt wel duidelijk hoeveel financieringsruimte fiscaal anders behandeld kan worden. Het kabinet biedt tegelijkertijd een zachtere landing voor dividend. Volgens de Kamerbrief van 29 september moet een lager tarief geld uit bv’s losmaken. Het politieke idee is begrijpelijk: de schatkist krijgt eerder inkomsten binnen. Voor de ondernemer telt een andere vraag. Blijft er over een paar jaar méér geld over wanneer hij op die uitnodiging ingaat? Direct naar een onderdeel van dit artikel De grens gaat ieder jaar een stukje omlaag Een dividendkorting is geen lagere winstbelasting De schatkist haalt inkomsten naar voren Welk rendement maakt privé aantrekkelijker? Eerst de eindwaarde, daarna de fiscale verleiding De grens gaat ieder jaar een stukje omlaag De brief noemt vijf stappen van €80.000 vanaf 2027. Uitgaande van de huidige basisgrens van €500.000 betekent dat €420.000 in 2027, €340.000 in 2028, €260.000 in 2029 en €180.000 in 2030. De grens van €100.000 wordt dan in 2031 bereikt. Dat verschil in timing is belangrijk voor iemand die een lening heeft gebruikt voor een tweede woning of een andere langlopende investering. Er staat geen plotselinge afbouw naar een ton voor volgend jaar in de brief. Ook de term leengrens verdient uitleg. De bestaande regeling verbiedt een hogere lening niet. Volgens de Belastingdienst wordt het bovenmatige deel als inkomen in box 2 behandeld. De schuld blijft bestaan, inclusief rente en aflossingsafspraken. Eerder belaste fictieve voordelen verhogen bovendien de persoonlijke drempel. Bij aflossing kan een negatief fictief voordeel ontstaan. Daardoor wordt hetzelfde bovenmatige bedrag niet simpelweg ieder jaar opnieuw belast. De eenvoudige rekentool toont daarom alleen de afstand tussen een schuld en de voorgestelde basisgrens. Bij €450.000 schuld is die afstand in 2028 €110.000. Dat is zonder aflossingen €80.000 meer dan een jaar eerder. Hoeveel daarvan uiteindelijk in een aangifte terechtkomt, hangt mede af van eerdere heffing en de uiteindelijke overgangsregels. Wie €80.000 wil aflossen met een dividenduitkering, moet bovendien bruto en netto uit elkaar houden. Als die hele uitkering tegen het voorgestelde hoge tarief van 29,2% wordt belast, is ongeveer €112.994 bruto dividend nodig om €80.000 netto over te houden. Het verschil van bijna €33.000 gaat naar belasting. Aflossen met dividend vergt daardoor meer uitkeerbare reserves dan het gewenste aflossingsbedrag. Een lagere leendrempel kan dus een liquiditeitsvraag oproepen die groter is dan de jaarlijkse stap van €80.000. De kabinetsbrief laat kwalificerende eigenwoningleningen buiten de afbouw. Een lening voor een vakantiehuis is daarmee niet automatisch vrijgesteld. In de huidige regeling gelden voor de eigenwoninguitzondering voorwaarden, waaronder in beginsel een hypotheekrecht voor de bv. Voor eigenwoningschulden die al op 31 december 2022 bestonden geldt op dat punt een uitzondering. Ook gezamenlijke schulden van fiscale partners en schulden aan meerdere eigen bv’s kunnen meetellen. Een dividendkorting is geen lagere winstbelasting De tweede helft van het plan is een tijdelijke verlaging van het hoge box 2-tarief met 1,8 procentpunt. Jetten, Heinen en Eerenberg schrijven in hun brief: “Dit stimuleert ondernemers om tegen een lager tarief vastzittend vermogen uit hun onderneming te halen.” De beoogde periode loopt vier jaar vanaf 2027. Box 2 is inkomstenbelasting van de aandeelhouder. De bv betaalt daarnaast vennootschapsbelasting over haar belastbare winst. Die twee belastingen mogen niet op één hoop worden gegooid. Wie hoort dat een ondernemer 29,2% betaalt, ziet daarmee doorgaans alleen de laatste belastinglaag. Bij bijvoorbeeld 19% vennootschapsbelasting en daarna 29,2% box 2 blijft van €100 winst vóór die belastingen €57,35 over. De gezamenlijke druk is dan 42,65%, niet 48,2%, want de percentages worden na elkaar toegepast. De huidige box 2-tarieven zijn in 2026 24,5% over de eerste €68.843 belastbaar inkomen en 31% over het meerdere. De genoemde €68.843 is dus een grens voor 2026. Die mag niet zonder meer als definitieve grens voor de tijdelijke regeling worden gebruikt. De brief kondigt een verlaging van de tweede schijf aan, geen korting van 1,8 procentpunt op ieder dividendbedrag. Voor €100.000 dividend dat volledig in de hoge schijf valt, scheelt 31% naar 29,2% precies €1.800. Het nettobedrag stijgt van €69.000 naar €70.800. Die 2,61% extra nettobestedingsruimte is prettig, maar moet worden afgewogen tegen de gevolgen van het naar privé halen van het hele bedrag. De ingehouden dividendbelasting wordt normaal verrekend met de inkomstenbelasting. De gebruikelijke inhouding van 15% is daarom geen extra belasting bovenop de volledige box 2-heffing. Bij het vergelijken van bruto en netto bedragen voorkomt dat een flinke rekenfout. De schatkist haalt inkomsten naar voren De combinatie is slim gekozen vanuit het perspectief van de overheid. Een lagere leendrempel verkleint de ruimte om privé over ondernemingsgeld te beschikken zonder een uitkering. Een lager dividendtarief maakt zo’n uitkering vervolgens aantrekkelijker. Het kabinet duwt en trekt daarmee tegelijk aan dezelfde geldstroom. Maar eerder ontvangen belasting is niet automatisch blijvend hogere belastingopbrengst. Als een ondernemer volgend jaar dividend uitkeert dat hij anders vijf jaar later had uitgekeerd, is een deel van de opbrengst naar voren gehaald. Wordt dat toekomstige dividend bovendien tegen een lager tarief belast, dan kan een tijdelijke meevaller samengaan met een latere tegenvaller. Dat is precies waarom een tariefkorting de begroting tijdelijk kan helpen, hoewel het percentage daalt. Voor de ondernemer werkt die tijdsverschuiving andersom. Een euro belasting die nu wordt betaald, kan niet meer in de bv renderen. Daar staat tegenover dat het overblijvende privégeld ook rendement kan opleveren. De juiste vergelijking gebruikt daarom aan beide kanten netto eindbedragen. Alleen kijken naar een hoog saldo op de zakelijke rekening of een lagere dividendheffing geeft een onvolledig beeld. Welk rendement maakt privé aantrekkelijker? Neem als vereenvoudigd voorbeeld geld dat in de bv jaarlijks 4% belastbare rente oplevert. Bij een aangenomen vennootschapsbelasting van 19% blijft daarvan 3,24% over om te herbeleggen. De tarieven van de vennootschapsbelasting zijn in 2026 19% tot en met €200.000 belastbare winst en 25,8% daarboven. Welke marginale schijf voor extra rente geldt, hangt dus ook af van de overige bedrijfswinst. Als bij direct uitkeren en later uitkeren hetzelfde box 2-tarief geldt, moet het privégeld in dit voorbeeld netto eveneens 3,24% verdienen om financieel gelijk te eindigen. Wordt iedere extra euro particuliere rente tegen 36% belast en is de vrijstelling al gebruikt, dan vraagt dat om ongeveer 5,06% bruto rente. Dat is een rekensom met vaste aannames, geen beschikbare bankaanbieding of persoonlijke belastingberekening. Bij aandelen ligt het anders. Uitgestelde belasting over koerswinsten, jaarlijkse dividenden, kosten en verliesverrekening veranderen de uitkomst. Wie de rekenrente van 4% vervangt door een verwacht aandelenrendement van 8%, heeft daarmee nog geen betrouwbare vergelijking tussen privé en de bv gemaakt. Het moment waarop de winst belast wordt, moet dan mee veranderen. Eerst de eindwaarde, daarna de fiscale verleiding Onze driejaarstool begint met €200.000 bestaande winstreserves na reeds betaalde vennootschapsbelasting. We veronderstellen dat alle uiteindelijke dividenduitkeringen in de hoge box 2-schijf vallen. Bij 4% jaarlijks rendement, 19% belasting over positieve jaarlijkse opbrengsten en 29,2% box 2 bij uitkering blijft eind 2027 ongeveer €146.188 privé beschikbaar. Eind 2028 is dat €150.924 en eind 2029 €155.814. Elke jaaruitkomst is een afzonderlijk moment waarop alles wordt uitgekeerd. Het aanvankelijke bruto bedrag wordt dus niet verward met vrij besteedbaar privévermogen. Bij een jaarlijks verlies van 5% resteert na drie jaar in dit vereenvoudigde model ongeveer €121.404. Bij 8% positieve jaaropbrengst is dat circa €170.949. Een belastingkorting beschermt geen portefeuille tegen verliezen. Verliesverrekening, kosten en vrijstellingen zijn hier buiten beschouwing gelaten; de tool laat zien hoe gevoelig de uiteindelijke rekening voor het rendement is. En zelfs die eindwaarde is maar één kant van de beslissing. Een bedrijf kan reserves nodig hebben voor salarissen, belastingaanslagen en investeringen. Volgens het Ondernemersplein moet bij een uitkering worden getoetst of de bv haar schulden kan blijven betalen. Geld dat nodig is om het bedrijf gezond te houden, is niet opeens overtollig doordat Den Haag dividend goedkoper wil maken. De voorgestelde vijfjarige afbouw geeft ondernemers tijd om hun financiering te bekijken. De vierjarige tariefkorting maakt dat gesprek urgenter, maar niet eenvoudiger. Wie alleen de €1.800 korting op een ton hoogbelast dividend ziet, kan een veel grotere beslissing over rendement, schuld en bedrijfsbuffer onderschatten. Zodra de regels definitief zijn, leggen we bij De Belegger de praktische keuzes en tips uitgebreid uit, met voorbeelden waarin ook aflossing, partnerverdeling en het vermogen na alle belastingen worden meegenomen. Foto: [Eelco Eerenberg](https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/eelco-eerenberg/foto), Martijn Beekman / Rijksoverheid. Officieel portret, beschikbaar voor redactioneel gebruik door nieuwsmedia.

  • Sociale zekerheid ontzien maar de rekening verhuist

    In het kort Het kabinet haalt de resterende plannen voor de WW, de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten en de IVA uit de begroting van Sociale Zaken. Dat geeft werknemers en uitkeringsgerechtigden meer zekerheid. De besparingsopgave verdwijnt echter niet: voorlopig wordt zij opgevangen via geld voor prijsstijgingen bij andere begrotingen. Voor huishoudens draait het om inkomensbescherming; voor de overheid begint het lastige gesprek over de financiering pas. Wie ziek wordt of zijn baan verliest, heeft weinig aan de belofte dat de overheidsbegroting er over vijf jaar keurig uitziet. De hypotheek, huur en boodschappen moeten ondertussen wel worden betaald. Daarom is het terugdraaien van aangekondigde ingrepen in de sociale zekerheid voor veel mensen meer dan een politieke overwinning. Het gaat om de vraag hoeveel tijd en financiële ruimte er overblijven wanneer werken tijdelijk of blijvend niet lukt. Maar dezelfde Nederlander kan ook docent, belastingbetaler of spaarder zijn. Wat voor zijn uitkering een opluchting is, kan via een andere begroting alsnog gevolgen krijgen. Dat maakt het aanbod van het kabinet ingewikkelder dan de boodschap dat alle bezuinigingen verdwenen zijn. Op 29 september ligt er een voorstel waarmee het minderheidskabinet steun zoekt. De rekening wordt opnieuw verdeeld. Direct naar een onderdeel van dit artikel Klaver krijgt zijn belangrijkste toezegging Bij de AOW was de belangrijkste stap al gezet De miljarden verdwijnen niet uit de rekening Waarom onderwijs opnieuw kwetsbaar kan worden Voor werknemers telt hoeveel inkomen werkelijk overblijft De WIA is meer dan één uitkeringspercentage Wat zekerheid voor een eigen buffer betekent Klaver krijgt zijn belangrijkste toezegging “Ze zijn van tafel en komen daar ook niet terug”, zei PRO-leider Jesse Klaver dinsdag, zo tekent het AD op. Voor hem was het schrappen van de ingrepen in de sociale zekerheid een belangrijke voorwaarde in het begrotingsoverleg. Vakcentrales FNV, CNV en VCP hebben hun protestacties opgeschort en willen opnieuw praten, meldt ANP. De kabinetsbrief van 29 september noemt concreet de WW, de tegemoetkoming arbeidsongeschikten en de IVA, de regeling voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De maatregelen verdwijnen uit de begroting van Sociale Zaken. Het kabinet wil werkgevers en werknemers zo ruimte geven voor een sociaal akkoord. De stellige woorden van Klaver zijn een politieke toezegging, geen garantie dat sociale zekerheid nooit meer verandert. Het kabinet blijft hervormingen nodig vinden. Dat verschil doet ertoe: een bestaande besparingsmaatregel schrappen en afspreken dat elk onderdeel van het stelsel voor altijd gelijk blijft, zijn twee heel verschillende besluiten. Bij de AOW was de belangrijkste stap al gezet De AOW wordt vaak samen met de WW en WIA genoemd, maar hier helpt de volgorde. Al op Prinsjesdag maakte het kabinet bekend af te zien van de voorgenomen een-op-eenkoppeling tussen de AOW-leeftijd en de levensverwachting. Ook de geplande verlaging van het maximumdagloon, dat meetelt bij de hoogte van verschillende uitkeringen, werd toen geschrapt. Andere ingrepen waren op Prinsjesdag vooral uitgesteld. De verkorting van de WW en de daaraan gekoppelde hogere uitkering in de eerste twee maanden stonden bijvoorbeeld nog voor 2029 gepland. Het aanvullende aanbod haalt de genoemde WW-maatregelen nu uit de begroting. Dat is een verdere stap dan alleen een ingangsdatum opschuiven. Een streep door een snellere stijging van de AOW-leeftijd betekent overigens niet dat de AOW-leeftijd voortaan voor iedereen vaststaat. Ook ontstaat er hierdoor geen extra pensioenuitkering bovenop een bestaande aanspraak. Het kabinet trekt een aangekondigde versobering terug. Voor iemand die zijn pensioen plant, blijft het onderscheid tussen bestaande regels en een ingetrokken voorstel belangrijk. De miljarden verdwijnen niet uit de rekening In de politieke berichtgeving circuleren bedragen van €6,5 miljard voor het oorspronkelijke pakket en circa €3 miljard voor de resterende opgave. Die bedragen zijn geen extra uitgaven die allemaal volgend jaar ingaan. De tijdlijn in de nieuwe brief is concreter: €305 miljoen in 2029, €1,399 miljard in 2030 en €2,414 miljard in 2031 komen terug bij Sociale Zaken. Daartegenover staan even grote besparingen op de aanvullende post voor prijsbijstelling. Prijsbijstelling klinkt technisch. Het gaat om geld waarmee begrotingen worden aangepast aan hogere prijzen. Wanneer de kosten van ingekochte diensten of materialen stijgen, moet een organisatie meer betalen om hetzelfde te blijven doen. Als de compensatie wordt beperkt, ontstaat er druk om minder in te kopen, investeringen uit te stellen of elders ruimte te zoeken. De eerste rekentool laat zien hoeveel van de opgave in 2031 elders overblijft als een sociaal akkoord besparingen oplevert. Bij €1 miljard opbrengst resteert van €2,414 miljard nog €1,414 miljard. Dat is een rekenscenario, geen verwachting van de uitkomst van de onderhandelingen. Waarom onderwijs opnieuw kwetsbaar kan worden De brief zondert Defensie, Justitie en Veiligheid, het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds uit. Als hervormingen onvoldoende opleveren, bekijkt het kabinet in het voorjaar hoe de resterende besparing binnen de uitgaven wordt gevonden. Onderwijs is dus niet op dezelfde manier beschermd. Een vast bedrag aan nieuwe onderwijsbezuinigingen ligt hiermee nog niet vast. Dat onderscheid voorkomt twee misverstanden. Het is te vroeg om te zeggen hoeveel een school of universiteit precies verliest. Tegelijk is het redelijk om te verwachten dat bescherming van sommige begrotingen de druk op andere vergroot. De politieke keuze is niet opgelost door het bedrag voorlopig op een andere post te zetten. Ook economisch is er een spanning. Minder uitval en betere begeleiding naar werk kunnen de economie helpen. Bezuinigen op scholing kan juist mogelijkheden beperken om mensen aan ander werk te helpen. Dat bewijst niet dat elke onderwijsuitgave productief is. Het betekent wel dat een bezuiniging beoordeeld moet worden op haar gevolgen, en niet alleen op de besparing in het eerste jaar. Voor werknemers telt hoeveel inkomen werkelijk overblijft Het sociale vangnet is ook relevant voor mensen die nooit een uitkering hebben aangevraagd. Een deel van het risico op ziekte en werkloosheid wordt gezamenlijk gedragen. Daardoor hoeft een huishouden niet elke denkbare tegenslag volledig uit eigen vermogen te betalen. Dat vangnet vervangt het oude inkomen niet automatisch. De huidige WW kent een maximale duur van 24 maanden, maar de werkelijke duur hangt onder meer af van het arbeidsverleden. Een korter arbeidsverleden levert doorgaans minder maanden op, legt de Rijksoverheid uit. Een nieuwsbericht over het behoud van de WW geeft iemand dus niet vanzelf recht op twee jaar uitkering. Een eenvoudig huishoudvoorbeeld maakt de resterende kwetsbaarheid zichtbaar. Stel dat noodzakelijke uitgaven €3.000 per maand zijn en het netto-inkomen tijdens uitval €2.000 bedraagt. Dan moet maandelijks €1.000 uit reserves komen. Een buffer van €12.000 overbrugt twaalf maanden, zolang inkomsten en uitgaven gelijk blijven. De bedragen zijn eigen rekenaannames, geen berekening van een persoonlijke WW- of WIA-uitkering. Een aandelenportefeuille kan dat tekort opvangen, maar de waarde kan juist zijn gedaald wanneer het geld nodig is. Het verdwijnen van een aangekondigde bezuiniging neemt dat risico niet weg. Voor een huishouden is daarom vooral van belang welk deel van het vermogen beschikbaar moet blijven voor lopende rekeningen. De WIA is meer dan één uitkeringspercentage Binnen de WIA bestaat onderscheid tussen de WGA en de IVA. Volgens UWV is de IVA bedoeld voor mensen die hooguit 20 procent van hun oude loon kunnen verdienen en bij wie dat vrijwel zeker zo blijft. De uitkering bedraagt 75 procent van het WIA-maandloon. Het gaat om bruto-bedragen en om een wettelijk bepaalde grondslag, niet simpelweg om 75 procent van elk eerder ontvangen nettosalaris. Daarom heeft het terugnemen van het voornemen om de IVA af te schaffen een andere betekenis dan een algemene belastingverlaging. Het raakt de inrichting van de bescherming voor mensen met zeer beperkte vooruitzichten op herstel. Hun financiële planning loopt vaak veel langer dan een paar maanden werkloosheid. Tegelijk blijft de discussie over uitvoering en preventie bestaan. Een regeling toegankelijk houden en zorgen dat mensen sneller passende hulp krijgen, kunnen elkaar versterken. Het lastige deel is aantonen dat een hervorming daadwerkelijk minder langdurige uitval veroorzaakt. Een lagere uitkering boeken levert op papier een besparing op, maar maakt iemand nog niet gezonder of beter inzetbaar. Wat zekerheid voor een eigen buffer betekent Een bruikbare vraag is hoeveel reserve nodig is om een gekozen periode te overbruggen. Met hetzelfde maandtekort van €1.000 vraagt twaalf maanden om €12.000. Wie al €6.000 heeft en twee jaar de tijd neemt om het verschil op te bouwen, moet daarvoor €250 per maand opzijzetten. De volgende tool rekent terug vanuit die gewenste ruimte. Voor de komende drie jaar maken we daarnaast drie fictieve kaspaden. Het startbedrag is €12.000, het mogelijke maandtekort €1.000 en de maandelijkse toevoeging zolang het inkomen op peil blijft €250. Bij twaalf maanden uitval in het eerste jaar is de buffer eind 2027 volledig aangesproken. Bij zes maanden resteert €7.500. Zonder uitval groeit hij naar €15.000. Daarna veronderstellen we in alle paden herstel van de maandelijkse toevoeging. Dit zijn geen voorspellingen van werkloosheid of toekomstige uitkeringen. Het zijn kasberekeningen zonder rente, inflatie of belasting. Ze laten zien waarom de duur van inkomensverlies veel meer kan uitmaken dan een kleine wijziging van het belastingtarief. Het kabinet heeft een belangrijke zorg weggenomen door de genoemde maatregelen terug te trekken. Voor een oordeel over het hele pakket blijft de vervolgvraag wie de resterende rekening betaalt en of hervormingen werkelijk uitvoerbaar zijn. Zodra de regels definitief zijn, leggen we bij De Belegger uitgebreid uit wat verandert, welke praktische keuzes relevant zijn en welke tips daadwerkelijk helpen. Tot die tijd verdient het behoud van bescherming erkenning, zonder de verschoven rekening uit het oog te verliezen. Foto: [Hans Vijlbrief](https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/hans-vijlbrief/foto), Martijn Beekman / Rijksoverheid. Officieel portret, beschikbaar voor redactioneel gebruik door nieuwsmedia.

  • Meer LNG-vraag is voor Shell nog geen hogere kasstroom

    In het kort Shell verwacht dat de wereldwijde vraag naar vloeibaar aardgas stijgt van 422 miljoen ton in 2025 naar 650 tot 710 miljoen ton in 2040. De onderkant van die bandbreedte betekent al 54 procent volumegroei. Shell wil de eigen LNG-verkoop tot 2030 met 4 tot 5 procent per jaar laten groeien. Bij een koers van 42,05 euro is de beleggersvraag niet alleen hoeveel ton het bedrijf verkoopt, maar hoeveel kasstroom per aandeel na investeringen en handelsrisico overblijft. Shell is één van de grootste geïntegreerde spelers in vloeibaar aardgas. Het bedrijf produceert gas, laat het afkoelen tot LNG, regelt schepen en contracten en verhandelt volumes tussen regio’s. Daardoor verdient Shell niet alleen aan productie. De onderneming kan ook waarde halen uit prijsverschillen, logistiek en flexibiliteit in langlopende contracten. Die keten maakt het LNG-bedrijf aantrekkelijk, maar minder eenvoudig dan een rechtstreekse koppeling tussen meer wereldvraag en meer winst. Nieuwe capaciteit kost miljarden, contractprijzen lopen uiteen en spotmarges kunnen snel dalen wanneer het aanbod ruimer wordt. De analyse begint daarom bij het groeitempo en eindigt bij de kasbijdrage per aandeel. Direct naar een onderdeel van dit artikel 54 procent meer vraag klinkt groter dan 3 procent per jaar Azië bepaalt veel, maar is geen uniforme markt Meer volume kan eerst kas kosten De energietransitie verandert de looptijd van het risico Wat moet €42,05 aan kasstroom opleveren? Drie koerspaden tot en met 2029 54 procent meer vraag klinkt groter dan 3 procent per jaar In de strategische presentatie van 16 maart 2026 zette Shell de LNG-vraag in 2025 op 422 miljoen ton. Voor 2040 rekent het bedrijf op 650 tot 710 miljoen ton. Over vijftien jaar komt de onderkant neer op ongeveer 2,9 procent jaarlijkse groei en de bovenkant op circa 3,5 procent. Dat verschil is belangrijk. Een markt kan over een lange periode sterk groeien zonder ieder jaar spectaculair te zijn. Shell wil zijn eigen verkoop met 4 tot 5 procent per jaar laten stijgen, dus sneller dan de markt. Daarvoor moet het bedrijf nieuwe volumes vastleggen, projecten op tijd opleveren of marktaandeel winnen via handel en optimalisatie. De vraaggroei komt volgens Shell onder meer uit Azië, waar gas kolen kan vervangen, elektriciteitsvraag stijgt en binnenlandse productie niet overal meegroeit. LNG kan bovendien pieken opvangen wanneer hernieuwbare productie schommelt. Het tegenargument is dat hoge prijzen de betaalbaarheid aantasten en investeringen in hernieuwbare energie, opslag en lokale gasproductie versnellen. Azië bepaalt veel, maar is geen uniforme markt Ongeveer 65 procent van de wereldwijde LNG-import ging in 2025 naar Azië. Dat maakt de regio bepalend voor contracten en spotprijzen. Toch verschillen Japan, China, India en Zuidoost-Azië sterk in koopkracht, energiebeleid en infrastructuur. Rijke importeurs kunnen leveringszekerheid via langlopende contracten inkopen. Prijsgevoelige landen verminderen soms hun spotinkopen wanneer LNG duur wordt. Daardoor kan dezelfde hoge prijs voor Shell op korte termijn gunstig zijn, maar op langere termijn vraag vernietigen. Een brede portefeuille helpt om ladingen te verplaatsen naar de markt waar de waarde het hoogst is. Daar zit een belangrijk concurrentievoordeel. Shell heeft productie, contracten, schepen, terminals en handelskennis. Een los LNG-project verkoopt vooral zijn eigen volume. Shell kan een portfolio optimaliseren. Die flexibiliteit levert alleen waarde als operationele betrouwbaarheid, kredietrisico en handelsposities goed worden beheerd. Een verkeerd afgedekte positie of onverwachte storing kan de marge net zo snel raken. Meer volume kan eerst kas kosten De ambitie om LNG-verkoop jaarlijks met 4 tot 5 procent te laten groeien is geen garantie dat de vrije kasstroom hetzelfde tempo volgt. Nieuwe volumes vragen investeringen en soms langlopende afnameverplichtingen. Het verschil tussen verkoopprijs, inkoopprijs, transport en operationele kosten bepaalt de bijdrage per ton. De module combineert volume, groei, kasbijdrage per ton en extra investeringen. Bij 80 miljoen ton verkoop, 4,5 procent groei en 35 dollar kasbijdrage per extra ton ontstaat ongeveer 126 miljoen dollar extra kasbijdrage vóór de ingevoerde 1,5 miljard dollar extra investeringen. In dat jaar is de netto uitkomst negatief. Dat betekent niet dat het project slecht is, want investeringen leveren meerdere jaren opbrengst. Het maakt wel duidelijk waarom volume en kasstroom niet in hetzelfde jaar gelijk oplopen. Voor aandeelhouders is de discipline van Shell daarom belangrijker dan het hoogste groeipercentage. Een project met een bescheiden volume, sterke contracten en een hoog rendement kan meer waarde creëren dan een groot project dat alleen bij optimistische prijzen rendeert. De onderneming moet concurreren met Qatar, Amerikaanse exporteurs en andere geïntegreerde energiebedrijven, terwijl bouwkosten en financiering stijgen. De energietransitie verandert de looptijd van het risico LNG wordt vaak neergezet als overgangsbrandstof, omdat moderne gascentrales bij elektriciteitsproductie minder koolstof uitstoten dan kolencentrales. Methaanlekken, transport en vloeibaarmaking verkleinen dat voordeel. Strengere emissieregels kunnen kosten verhogen of vraag verschuiven. Tegelijk kan de overgang langer duren dan critici verwachten. Industrie, verwarming en flexibele elektriciteitsproductie zijn niet overal snel te elektrificeren. Voor Shell is het risico niet dat LNG morgen verdwijnt. Het risico is dat projecten met een looptijd van tientallen jaren later minder draaien of lagere marges behalen dan bij de investeringsbeslissing werd aangenomen. Het sterke tegenargument is de waarde van de bestaande infrastructuur. Wie al over productie, contracten en logistiek beschikt, hoeft niet voor iedere extra ton een volledig nieuwe keten te bouwen. Daardoor kan Shell ook in een gematigder groeimarkt aantrekkelijke kasstromen verdienen. De kwaliteit van de portefeuille bepaalt dan meer dan de totale marktgroei. Wat moet €42,05 aan kasstroom opleveren? De reverse waardering rekent vanaf de slotkoers van 42,05 euro op Euronext Amsterdam op 29 september 2026. Bij een gewenst jaarlijks koersrendement van 8 procent en een eindmultiple van negen keer kasstroom moet de kasstroom per aandeel in 2029 rond 5,9 euro liggen. Vanaf een genormaliseerde basis van 4,70 euro vraagt dat een beheerste jaarlijkse groei. Dividend staat buiten deze koersberekening. Dat is bewust, omdat koersrendement en totaalrendement anders door elkaar lopen. Voor een aandeel als Shell is dividend een belangrijk deel van de opbrengst. Een belegger die het dividend meeneemt, kan bij dezelfde gewenste totaalopbrengst een lagere eindkoers accepteren. Belastingen en wisselkoersen verschillen per belegger en blijven buiten het model. De multiple is minstens zo belangrijk als de kasstroom. Als beleggers fossiele kasstromen in 2029 lager waarderen, moet Shell meer per aandeel verdienen om dezelfde koers te dragen. Een hogere olie- of gasprijs kan de kasstroom tijdelijk verhogen, maar bewijst niet dat de structurele multiple omhoog moet. Drie koerspaden tot en met 2029 De scenario’s vermenigvuldigen per jaar een kasstroombasis per aandeel met een waarderingsmultiple. Het zijn geen koersdoelen. Ze maken zichtbaar hoe operationele prestaties en marktsentiment samen de koers kunnen bepalen. In het bearscenario daalt de kasstroom per aandeel van 3,80 euro in 2027 naar 3,60 euro in 2029 en zakt de multiple naar acht. Dat past bij lagere energieprijzen, zwakke handelsmarges of kostbare projecten. Het middenscenario gaat uit van 5,30 euro kasstroom per aandeel in 2029 en een multiple van 9,5. Het gunstige scenario vereist 6,60 euro kasstroom per aandeel en een multiple van 10,5, geholpen door sterke LNG-marges, discipline en inkoop van aandelen. Aandeleninkoop ondersteunt de kasstroom per aandeel alleen als Shell werkelijk minder aandelen overhoudt en niet te veel betaalt. De gebruikte kas kan dan niet nogmaals als aparte waardebonus worden toegevoegd. Ook nettoschuld hoort niet te worden vergeten: een bedrijf kan de kasstroom per aandeel tijdelijk verhogen door meer risico op de balans te zetten. De LNG-these voor Shell is dus minder spectaculair dan de kop over 54 procent vraaggroei. De markt groeit waarschijnlijk gestaag, terwijl waarde ontstaat uit contracten, flexibiliteit, kosten en kapitaaldiscipline. De komende jaren moet Shell bewijzen dat 4 tot 5 procent verkoopgroei ook een hogere kasstroom per aandeel oplevert. Zonder die omzetting is meer volume vooral een groter bedrijf. Met die omzetting kan LNG een duurzame steunpilaar onder dividend, inkoop en waardering blijven. Lees ook: Waarom olie onder de piek van 2008 staat terwijl benzine bijna €2,50 kost Benieuwd hoe andere beleggers naar Shell kijken? Praat mee in de community voor leden. Foto: Wael Sawan, CEO van Shell. Officiële foto van Shell.

  • The Trade Desk koopt aandelen in terwijl de GAAP-winst daalt

    In het kort The Trade Desk boekte in het tweede kwartaal van 2026 715 miljoen dollar omzet, 3 procent meer dan een jaar eerder. De GAAP-nettowinst daalde naar 64 miljoen dollar en de aangepaste EBITDA naar 241 miljoen dollar. In hetzelfde kwartaal kocht het bedrijf voor ongeveer 78 miljoen dollar eigen aandelen in. Bij een koers van 12,05 dollar draait de analyse daarom om het verschil tussen aangepaste prestaties, echte winst en de netto aandelenbasis. The Trade Desk verkoopt software waarmee adverteerders programmatisch advertentieruimte inkopen buiten de gesloten ecosystemen van grote platforms. Het bedrijf verdient een percentage op mediabestedingen die via zijn platform lopen. Dat model vraagt weinig fysieke activa en kan bij voldoende schaal hoge marges opleveren. De waarde zit in data, optimalisatie, bereik en de koppeling met uitgevers. De kwartaalcijfers van 6 augustus 2026 lieten echter zien dat schaal niet ieder kostenverschil oplost. De omzet groeide 3 procent, terwijl de GAAP-nettowinst daalde van 90 naar 64 miljoen dollar. De aangepaste EBITDA-marge zakte van 39 naar 34 procent. Dat hoeft geen structurele breuk te zijn, maar het maakt de brug tussen aangepaste en gerapporteerde winst belangrijker. Direct naar een onderdeel van dit artikel Aangepaste EBITDA is geen kas in de zak De inkoop van $78 miljoen moet netto worden gemeten Klantretentie boven 95 procent vertelt maar de helft Q3 laat zien hoeveel marge er werkelijk overblijft Wat vraagt een koers van $12,05? Drie koersscenario’s tot en met 2029 Aangepaste EBITDA is geen kas in de zak De aangepaste EBITDA van 241 miljoen dollar komt neer op ongeveer 34 procent van de omzet. De GAAP-nettomarge bedroeg circa 9 procent. Dat verschil van ongeveer 25 procentpunt ontstaat onder meer doordat aangepaste cijfers aandelenbeloning, afschrijvingen en bepaalde andere kosten uitsluiten. Aangepaste winst kan nuttig zijn om operationele trends te volgen. Het probleem ontstaat wanneer beleggers de aanpassing behandelen alsof de uitgesloten kosten nooit economisch terugkomen. Aandelenbeloning vraagt misschien geen directe kasbetaling, maar vergroot wel het aantal aanspraken op toekomstige winst. Een inkoopprogramma dat alleen deze verwatering compenseert, creëert minder waarde dan het bruto inkoopbedrag suggereert. Hetzelfde geldt voor EBITDA. Rente, belasting en investeringen zijn echte onderdelen van de aandeelhoudersuitkomst. Bij een softwarebedrijf zijn fysieke investeringen vaak beperkt, maar productontwikkeling wordt via personeel betaald. Een deel daarvan verschijnt juist in de kosten die aangepaste maatstaven buiten beeld laten. De inkoop van $78 miljoen moet netto worden gemeten The Trade Desk kocht in het kwartaal voor ongeveer 78 miljoen dollar aandelen in. Bij een koers rond 12,05 dollar staat dat gelijk aan circa 6,5 miljoen aandelen. Op een veronderstelde verwaterde basis van 470 miljoen aandelen is dat bruto ongeveer 1,4 procent. Dat klinkt aanzienlijk, maar de gemiddelde inkoopprijs kan afwijken en nieuw toegekende aandelen kunnen de daling neutraliseren. De juiste controle is daarom niet hoeveel dollars aan inkoop worden aangekondigd, maar of het verwaterde aantal aandelen per saldo daalt. Daarbij telt ook wat het bedrijf voor de aandelen betaalt. Inkopen onder de intrinsieke waarde kan waarde toevoegen. Inkopen tegen een te hoge prijs verschuift waarde van blijvende aandeelhouders naar verkopers. Na het kwartaal resteerde ongeveer 269 miljoen dollar onder de bestaande machtiging. Dat biedt ruimte voor meer inkoop, maar een machtiging is geen verplichting. De balans, vrije kasstroom en alternatieve investeringen bepalen of bestuurders die ruimte verstandig kunnen benutten. Klantretentie boven 95 procent vertelt maar de helft The Trade Desk meldt al jaren een klantretentie van meer dan 95 procent. Dat is sterk, omdat adverteerders en bureaus kennelijk weinig reden zien om het platform volledig te verlaten. Toch zegt retentie niet hoeveel dezelfde klanten besteden. Een klant kan blijven en zijn budget verlagen, of een groter deel naar andere kanalen sturen. De module combineert daarom retentie met de groei van bestedingen bij blijvende klanten. Op een omzetbasis van 3 miljard dollar, 95 procent retentie en 8 procent groei per behouden klant komt de behouden omzet uit rond 3,08 miljard dollar. Bij nul bestedingsgroei zou alleen al de verloren omzet moeten worden aangevuld door nieuwe klanten. De economische waarde van retentie hangt dus af van wallet share, niet alleen van het logo op de klantenlijst. De concurrentie is stevig. Google, Amazon en Meta combineren advertentievraag met eigen gebruikersdata en voorraad. The Trade Desk positioneert zich juist als onafhankelijke partij voor het open internet, connected television en retailmedia. Die onafhankelijkheid is aantrekkelijk voor adverteerders die niet volledig afhankelijk willen zijn van één gesloten platform. Tegelijk kunnen grote platformen hun data, bundels en prijzen inzetten om budget binnen hun eigen omgeving te houden. Q3 laat zien hoeveel marge er werkelijk overblijft Voor het derde kwartaal verwacht het bedrijf minimaal 650 miljoen dollar omzet en ongeveer 160 miljoen dollar aangepaste EBITDA. Dat impliceert een aangepaste marge rond 24,6 procent, duidelijk onder het tweede kwartaal. Seizoenseffecten spelen mee, maar de guidance onderstreept dat de hoge marge niet ieder kwartaal vanzelfsprekend is. Een positief scenario is dat productinvesteringen nu drukken en later de omzetgroei versnellen. Nieuwe tools kunnen de advertentieprestatie verbeteren en zo meer budget naar het platform trekken. Een kritisch scenario is dat meer uitgaven nodig blijven om ongeveer dezelfde marktpositie te verdedigen. Dan is de lagere marge geen tijdelijke investering, maar de nieuwe prijs van concurrentie. Wat vraagt een koers van $12,05? De reverse waardering gebruikt een genormaliseerde winst per aandeel van 0,84 dollar, zodat één uitzonderlijk kwartaal niet de volledige analyse draagt. Bij een gewenst jaarlijks koersrendement van 10 procent en een eindmultiple van 20 moet de winst per aandeel tot 2029 slechts beperkt groeien. De uitkomst verandert echter snel als de genormaliseerde basis te hoog blijkt of de markt een lagere multiple hanteert. De module houdt dezelfde winstdefinitie door alle jaren aan. Dat voorkomt dat de start op GAAP-winst wordt gezet en de eindwaarde op aangepaste winst. Inkoop zit in de winst per aandeel, terwijl verwatering het tegenovergestelde doet. Beide nog eens apart toevoegen zou dubbel tellen. Drie koersscenario’s tot en met 2029 De scenario’s vermenigvuldigen de winst per aandeel met een koers-winstverhouding voor 2027, 2028 en 2029. Ze laten vooral zien dat een lage koers alleen aantrekkelijk is als de winstbasis overeind blijft. In het bearscenario daalt de relevante winst naar 0,55 dollar per aandeel in 2027 en herstelt deze slechts naar 0,62 dollar in 2029. Tegelijk daalt de multiple naar 14. Het middenscenario vraagt 1,08 dollar winst per aandeel in 2029 bij een multiple van 19. Het gunstige scenario veronderstelt 1,50 dollar winst en een multiple van 23. Daarvoor moet de omzetgroei duidelijk aantrekken, de aangepaste marge herstellen en de kloof met GAAP kleiner worden. Het sterkste argument voor het aandeel is dat The Trade Desk een winstgevend, onafhankelijk platform blijft in een groeiende markt voor digitale advertenties. De waardering is veel lager dan in eerdere jaren. Het sterkste tegenargument is dat een lagere koers niet automatisch goedkoop is als winst, marge en groeitempo tegelijk dalen. De komende rapportages moeten daarom drie dingen bewijzen. De omzetgroei moet weer boven de kostenstijging uitkomen, het verwaterde aantal aandelen moet na inkoop werkelijk dalen en de GAAP-winst moet dichter bij de aangepaste prestatie komen. Pas dan wordt duidelijk of 12,05 dollar een te sombere prijs is of een redelijke korting voor een bedrijfsmodel dat opnieuw zijn hefboom moet vinden. Lees ook: Meta en de kracht van de advertentiemachine Benieuwd hoe andere beleggers naar The Trade Desk kijken? Praat mee in de community voor leden. Foto: Jeff Green, medeoprichter en CEO van The Trade Desk. Officiële archieffoto van The Trade Desk.

  • De brutomarge van Nvidia legt de lat hoog

    In het kort NVIDIA verdubbelde de omzet in het tweede kwartaal van boekjaar 2027 naar 96,2 miljard dollar. De brutomarge bleef 75,0 procent en de operationele winst kwam uit op 63,7 miljard dollar. Data Center leverde 89,0 miljard dollar omzet en is daarmee veruit de motor. Bij een koers van 227,21 dollar hangt de waardering niet alleen aan verdere omzetgroei, maar vooral aan het vasthouden van een uitzonderlijk hoge marge. De cijfers die NVIDIA op 26 augustus 2026 publiceerde zijn op zichzelf al moeilijk te bevatten. In één kwartaal kwam er 96,2 miljard dollar omzet binnen, 106 procent meer dan een jaar eerder. De nettowinst bedroeg 59,7 miljard dollar en de verwaterde winst per aandeel 2,46 dollar. Voor het lopende kwartaal rekent het bedrijf op ongeveer 108 miljard dollar omzet. De beurs weet inmiddels dat de vraag naar AI-rekenkracht groot is. De scherpere vraag is hoeveel van iedere extra omzetdollar structureel bij NVIDIA blijft. Een brutomarge van 75 procent hoort eerder bij software dan bij een onderneming die complexe chips, systemen en netwerkproducten verkoopt. Juist daarom is de marge het kwetsbaarste onderdeel van de beleggingscasus. Direct naar een onderdeel van dit artikel Eén margepunt is bijna $1 miljard per kwartaal De omzet is bijna volledig een datacenterverhaal China staat op nul in de officiële guidance Wat moet NVIDIA bij $227,21 waarmaken? Drie mogelijke koerspaden Eén margepunt is bijna $1 miljard per kwartaal Op 96,2 miljard dollar kwartaalomzet vertegenwoordigt één procentpunt brutomarge ongeveer 962 miljoen dollar brutowinst. Dat maakt kleine veranderingen materieel. Bij een brutomarge van 75 procent ontstaat ruim 72 miljard dollar brutowinst. Trek je de operationele kosten af, dan blijft in een vereenvoudigde rekensom meer dan 63 miljard dollar over, dicht bij de gerapporteerde operationele winst. Die operationele hefboom verklaart waarom de winst sneller kan groeien dan de omzet. Het omgekeerde geldt ook. Als de productmix verschuift naar complete systemen met meer ingekochte componenten, klanten sterker onderhandelen of concurrentie prijzen drukt, kan een paar margepunten verdwijnen. Bij de huidige omzetbasis gaat het dan direct om miljarden. NVIDIA heeft stevige verdediging. CUDA, de softwarebibliotheken, netwerktechnologie en het ontwikkelaarsecosysteem maken een overstap kostbaar. Klanten kopen bovendien steeds vaker een compleet rekplatform in plaats van een losse chip. Dat vergroot de waarde per bestelling. Toch zijn hyperscalers tegelijk de grootste klanten én ontwikkelaars van eigen versnellers. Hun doel hoeft niet te zijn NVIDIA volledig te vervangen. Een geloofwaardig alternatief is al voldoende om betere voorwaarden af te dwingen. De omzet is bijna volledig een datacenterverhaal Data Center leverde in het kwartaal 89,0 miljard dollar omzet, 117 procent meer dan een jaar eerder. Dat is ruim 92 procent van de groepsomzet. Gaming, professionele visualisatie en automotive zijn nuttige activiteiten, maar veranderen de concentratie niet wezenlijk. Concentratie is niet automatisch slecht. De datacentermarkt groeit snel en NVIDIA heeft daarin een sterke positie. Wel betekent het dat dezelfde investeringscyclus bijna alle resultaten tegelijk beïnvloedt. Als cloudbedrijven hun kapitaaluitgaven vertragen, nieuwe datacenters langer op stroomaansluitingen wachten of AI-toepassingen minder snel omzet opleveren, is er weinig diversificatie die de klap opvangt. Ook de keten telt. NVIDIA ontwerpt chips, maar is afhankelijk van foundrycapaciteit, geavanceerde verpakking, geheugen en netwerkinfrastructuur. Een tekort kan omzet uitstellen. Een ruimere capaciteit kan later juist voor prijsdruk zorgen als klanten hun bestellingen normaliseren. De huidige vraag is zo sterk dat dit risico klein lijkt, maar cyclische markten draaien vaak wanneer de capaciteit de piekvraag begint in te halen. China staat op nul in de officiële guidance Voor het derde kwartaal verwacht NVIDIA 108 miljard dollar omzet, plus of min 2 procent. Daarbij neemt het bedrijf geen omzet uit Data Center compute in China aan. Dat is belangrijk omdat China voorheen een relevante afzetmarkt was, terwijl exportbeperkingen de productkeuze en leveringen steeds complexer maken. De module laat zien wat eventuele extra China-omzet bij een brutomarge van 74 procent zou bijdragen. Vijf miljard dollar extra omzet levert theoretisch 3,7 miljard dollar extra brutowinst op. Dat is aantrekkelijk, maar geen basisverwachting. Toestemming, productaanpassingen en geopolitieke besluiten kunnen snel veranderen. Een waardering die China alvast volledig meeneemt, betaalt vandaag voor opbrengsten die het bedrijf zelf niet in de guidance zet. Het positieve tegenargument is dat een nulaanname ruimte laat voor meevallers. Bovendien groeit de vraag buiten China hard genoeg om de officiële omzetverwachting te dragen. Dat klopt. De keerzijde is dat de markt bij zo’n hoge waardering een meevaller snel als nieuwe ondergrens behandelt. Een eenmalige verkoop wordt dan ten onrechte een structurele groeivoet. Wat moet NVIDIA bij $227,21 waarmaken? De reverse waardering rekent vanaf de koers op 29 september 2026 terug naar de winst per aandeel die in 2029 nodig is. Bij een gewenst jaarlijks koersrendement van 10 procent en een eindwaardering van 26 keer de winst moet de koers in 2029 ongeveer 302 dollar bedragen. Daarvoor is een winst per aandeel van circa 11,6 dollar nodig. Vanaf een winstbasis van 7,97 dollar per aandeel vraagt dat ongeveer 13 procent groei per jaar. Dat lijkt bescheiden tegenover de huidige omzetverdubbeling, maar de winstbasis is inmiddels enorm. Bovendien veronderstelt de berekening dat de multiple in 2029 nog 26 blijft. Daalt die naar 21, dan moet de winst veel harder groeien om hetzelfde rendement te leveren. De modelkeuze voorkomt dubbel tellen. Aandeleninkoop kan de winst per aandeel ondersteunen, maar de kas die daarvoor wordt gebruikt is dan niet nogmaals een aparte bonus. Aandelenbeloning werkt via de verwaterde aandelenbasis. Nettokas of schuld zit niet rechtstreeks in een koers-winstmodel, waardoor een belegger de balans apart moet blijven volgen. Drie mogelijke koerspaden De scenario’s gebruiken per jaar een winst per aandeel en een bijbehorende koers-winstverhouding. De formule is eenvoudig: mogelijke koers = winst per aandeel maal multiple. Het zijn geen voorspellingen, maar een manier om zichtbaar te maken hoeveel winst en waardering samen moeten doen. In het bearscenario stijgt de winst per aandeel naar 9,00 dollar in 2029, terwijl de multiple daalt naar 21. Dat levert een veel lagere koers op dan wanneer de huidige groei en waardering standhouden. Het middenscenario komt uit op 12,70 dollar winst per aandeel en 27 keer de winst. Het gunstige scenario vereist 16,50 dollar winst per aandeel en een multiple van 31. Daarvoor moeten de AI-investeringen breed renderen, de brutomarge hoog blijven en concurrenten de prijszettingsmacht niet breken. Het sterkste argument vóór NVIDIA is dat het bedrijf een steeds groter deel van de volledige AI-infrastructuur levert. Daardoor kan omzet per datacenter blijven stijgen, terwijl software en netwerken de klantbinding versterken. Het sterkste tegenargument is dat 75 procent brutomarge en een verdubbeling van de omzet geen normale uitgangspositie zijn. Zelfs een uitstekend bedrijf kan tegenvallen wanneer de markt uitzonderlijke prestaties als vanzelfsprekend beschouwt. Voor de komende kwartalen zijn drie cijfers doorslaggevend: de brutomarge, de groei van Data Center en het verschil tussen omzetgroei en operationele kostengroei. Zolang omzet veel sneller groeit dan kosten en de marge rond 75 procent blijft, loopt de winstmachine door. Zodra één van die twee pijlers verzwakt, wordt duidelijk hoeveel optimisme al in 227,21 dollar zat. Lees ook: NVIDIA-aandeel na Blackwell en Rubin Benieuwd hoe andere beleggers naar NVIDIA kijken? Praat mee in de community voor leden. Foto: Jensen Huang, oprichter en CEO van NVIDIA. Officiële archieffoto van NVIDIA.

  • Kan Apple zijn dikke dienstenmarge nog jarenlang laten groeien?

    In het kort Apple boekte in het derde kwartaal van boekjaar 2026 een omzet van 109,4 miljard dollar, 16 procent meer dan een jaar eerder. Services leverde 30,7 miljard dollar omzet en een berekende brutomarge van 75,6 procent, tegenover ongeveer 40,1 procent bij producten. Die winstlaag en de aandeleninkoop verklaren waarom de winst per aandeel sneller kan groeien dan de omzet. Bij 329,40 dollar verlangt de koers dat Apple de dienstenmix, marge en winst per aandeel jarenlang tegelijk laat stijgen. Op 29 september om 20.45 uur UTC stond Apple op 329,40 dollar aan de Nasdaq. De iPhone blijft het grootste product, maar voor de waarde van het aandeel telt steeds meer wat er na de verkoop van het apparaat gebeurt. Abonnementen, App Store-inkomsten, cloudopslag, betalingen en garanties keren terug en vragen relatief weinig extra kostprijs. Bij de kwartaalcijfers van 30 juli meldde Apple 109,417 miljard dollar omzet en 29,789 miljard dollar nettowinst. De winst per verwaterd aandeel steeg met 29 procent naar 2,02 dollar. Daarbij hielpen tariefteruggaven de groepsmarge met ongeveer 2 procentpunt en de winst per aandeel met 0,11 dollar. Dat voordeel hoort dus niet automatisch in elk volgend kwartaal. Direct naar een onderdeel van dit artikel Services leveren bijna twee keer zoveel marge als producten Een hogere dienstenmix is krachtig maar niet gratis Aandeleninkoop helpt alleen als de prijs klopt De huidige prijs verlangt dubbelcijferige winstgroei De scenario’s maken de waarderingsruimte zichtbaar Services leveren bijna twee keer zoveel marge als producten De officiële financiële staten splitsen omzet en kostprijs in producten en Services. Producten brachten 78,678 miljard dollar op en kostten 47,153 miljard dollar. Dat geeft 31,525 miljard dollar brutowinst, of circa 40,1 procent marge. Services bracht 30,739 miljard dollar op bij 7,494 miljard dollar kostprijs, goed voor 23,245 miljard dollar brutowinst en ongeveer 75,6 procent marge. Dat betekent dat Services met 28 procent van de omzet ruim 42 procent van de brutowinst leverde. Iedere dollar omzet die van hardware naar een dienst verschuift, heeft daardoor een groot effect op de groepsmarge. De economische kracht komt uit het geïnstalleerde apparaatbestand, de betaalrelatie en de koppeling tussen hardware, software en account. De zwakke plek zit in dezelfde concentratie. Regelgevers kunnen de vergoeding in de App Store beperken en concurrenten kunnen gebruikers naar eigen betalingsroutes sturen. Bovendien komt een deel van de dienstenomzet uit afspraken waarvan Apple de precieze winstbijdrage niet per onderdeel publiceert. De onderstaande module houdt omzet en kostprijs uit elkaar en laat zien hoe gevoelig het verschil is. Een hogere dienstenmix is krachtig maar niet gratis Een stijging van het dienstenaandeel van 28 naar 35 procent zou bij gelijkblijvende segmentmarges de gemengde brutomarge duidelijk verhogen. Toch is die rekensom geen automatisme. Snellere groei kan juist uit diensten komen met hogere infrastructuurkosten, lagere commissie of meer marketing. Ook de introductie van AI-functies vraagt datacentercapaciteit en onderzoek. Apple besteedde in het kwartaal 11,729 miljard dollar aan onderzoek en ontwikkeling, tegenover 8,866 miljard dollar een jaar eerder. Dat is een stijging van 32 procent, sneller dan de omzet. Die uitgaven kunnen later nieuwe producten en diensten opleveren, maar drukken nu al op het operationele resultaat. Een belegger moet daarom twee zaken tegelijk volgen: brutomarge aan de bovenkant en kostenbeheersing daaronder. Voor Europese aandeelhouders komt daar valuta bij. Apples omzet en koers luiden in dollars. Een sterkere euro kan een stijgende dollarwinst deels tenietdoen wanneer het rendement in euro’s wordt gemeten. Aandeleninkoop helpt alleen als de prijs klopt Over de eerste negen maanden van het boekjaar besteedde Apple 62,094 miljard dollar aan aandeleninkoop en 11,778 miljard dollar aan dividend. Het verwaterde aandelenbestand voor de winstberekening daalde van 15,052 miljard naar 14,750 miljard aandelen, ongeveer 2 procent. Daardoor wordt dezelfde totale winst over minder stukken verdeeld. Dat mechanisme ondersteunt de winst per aandeel, maar het is geen gratis groei. Apple betaalt de marktprijs. Hoe hoger de koers, hoe minder aandelen met hetzelfde bedrag verdwijnen. Aandelenbeloning werkt bovendien de andere kant op. Apple boekte in negen maanden 10,523 miljard dollar aan aandelenbeloning. De nette uitkomst moet dus uit de werkelijke verwaterde aandelenbasis blijken. De kaspositie maakt grote inkoop mogelijk, maar Apple heeft ook schuld. Op 27 juni stonden 39,544 miljard dollar cash, 106,973 miljard dollar verhandelbare effecten en 84,344 miljard dollar aan korte en lange schuld op de balans. Alleen naar de cash kijken overschat de financiële ruimte; alleen naar de schuld kijken onderschat haar. Lees ook: Onze waarderingsanalyse van ASML op recordhoogte De huidige prijs verlangt dubbelcijferige winstgroei De marktdata op 29 september tonen circa 8,71 dollar winst per aandeel over de laatste twaalf maanden. Bij 329,40 dollar betaalt een belegger ongeveer 38 keer die winst. Voor een bedrijf met Apples kasstroom, merk en ecosysteem is een premie verdedigbaar, maar de multiple laat weinig ruimte voor jaren van stilstand. De omgekeerde som gebruikt een rendementseis van 8 procent en een eindwaardering van 30 keer de winst. Dan moet de winst per aandeel in september 2029 naar ongeveer 13,83 dollar. Vanaf 8,71 dollar is dat circa 16,7 procent groei per jaar. Een deel kan uit omzetgroei komen, een deel uit een hogere dienstenmix en een deel uit inkoop. Geen van die bronnen mag dubbel worden geteld. Een lagere eindmultiple verandert de uitkomst hard. Bij 24 keer de winst is ongeveer 17,29 dollar winst per aandeel nodig om hetzelfde rendement te halen. Dan moet vrijwel alles meezitten: iPhone-vraag, dienstenmarge, kosten, regelgeving en inkoopprijs. De scenario’s maken de waarderingsruimte zichtbaar Het ongunstige scenario veronderstelt dat de winst per aandeel nauwelijks groeit en de waardering terugvalt. Het middenscenario combineert een stijgende dienstenmix met beheerste kosten en netto-inkoop. In het gunstige scenario versnelt de winst door nieuwe producten en diensten, terwijl beleggers een hoge multiple blijven betalen. De mogelijke koersen gelden voor 29 september 2027, 2028 en 2029, exclusief dividend. Apple beschikt over een uitzonderlijke winstlaag in Services en een bewezen vermogen om kas terug te geven. Dat maakt het bedrijf sterk, maar niet iedere prijs aantrekkelijk. Zolang de dienstenmarge rond het huidige niveau blijft en de winst per aandeel dubbelcijferig groeit, kan de waardering standhouden. Zakt de marge of vertraagt de winstgroei, dan wordt vooral de hoge multiple het probleem. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER. Foto: Apple Newsroom.

  • Uber houdt 24 cent per boekingsdollar en dat moet omhoog

    In het kort Uber verwerkte in het tweede kwartaal 58,0 miljard dollar aan boekingen en zette daarvan 14,2 miljard dollar om. De boekingswaarde groeide met 24 procent, terwijl de omzet 12 procent steeg doordat de verslaglegging van sommige activiteiten veranderde. Belangrijker is dat de aangepaste EBITDA met 33 procent naar 2,8 miljard dollar opliep en de vrije kasstroom 2,8 miljard dollar bedroeg. Bij 69,36 dollar vraagt de koers niet om een wonder, maar wel om een platform dat per boekingsdollar steeds meer winst en kasstroom maakt. Op 29 september om 20.30 uur UTC stond Uber op 69,36 dollar aan de New York Stock Exchange. Dat is een veel nuchterder vertrekpunt dan het aantal robotaxi’s dat het bedrijf ooit kan inzetten. Uber is in de eerste plaats een marktplaats die reizigers, bezorgklanten, chauffeurs, koeriers en bedrijven bij elkaar brengt. De waarde ontstaat als elke extra transactie weinig centrale kosten toevoegt. Bij de kwartaalcijfers van 5 augustus meldde Uber 3,867 miljard ritten, 18 procent meer dan een jaar eerder. Het aantal actieve platformgebruikers steeg met 16 procent naar 208 miljoen en het aantal ritten per gebruiker met 2 procent. Die combinatie is gezond: groei komt zowel van meer klanten als van iets intensiever gebruik. Direct naar een onderdeel van dit artikel De omzetlaag zegt meer dan één groeipercentage Iedere rit moet meer waarde leveren zonder de markt te verstoren Kasstroom maakt het verschil tussen platformwinst en boekhoudwinst De koers vraagt beheerste winstgroei en geen stilstand Drie jaar laat zien hoeveel marge voor fouten resteert De omzetlaag zegt meer dan één groeipercentage Brutoboekingen zijn de totale waarde die door het platform loopt. Daaruit gaan betalingen naar chauffeurs, restaurants en andere aanbieders. Omzet is alleen het deel dat Uber zelf verantwoordt. In het tweede kwartaal kwam 58,022 miljard dollar boekingswaarde uit bij 14,191 miljard dollar omzet. Dat is ongeveer 24,5 cent omzet per boekingsdollar. Die verhouding is geen simpele prijs die Uber vrij kan verhogen. De mix tussen Mobility, Delivery en Freight verschilt, net als de vraag of Uber als bemiddelaar of als hoofdverantwoordelijke partij boekt. In het kwartaal drukten veranderingen in het bedrijfsmodel de gerapporteerde omzetgroei volgens Uber met 8 procentpunt. Daarom is het gevaarlijk om 12 procent omzetgroei naast 24 procent boekingsgroei te zetten en meteen te besluiten dat de prijszetting verslechtert. Wat wel telt, is dat de aangepaste EBITDA-marge op boekingswaarde steeg van 4,5 naar 4,9 procent. Vier tiende procentpunt klinkt klein, maar op 58 miljard dollar boekingen vertegenwoordigt dat ruim 230 miljoen dollar per kwartaal. De eerste module laat zien hoe omzet en aangepaste winst op dezelfde boekingsbasis reageren. Iedere rit moet meer waarde leveren zonder de markt te verstoren De gemiddelde boeking bedroeg in het kwartaal ongeveer 15 dollar per rit. Daarvan werd circa 3,67 dollar omzet. Dit gemiddelde mengt een autorit in New York met een maaltijd in Amsterdam en een vrachtboeking in de Verenigde Staten. Het is dus geen tariefkaart, maar wel een bruikbare controle op de economie van het platform. De sterkste tegenwerping tegen het schaalverhaal is dat Uber niet alleen software verkoopt. Chauffeurs en koeriers moeten genoeg verdienen, klanten vergelijken prijzen en steden stellen regels. Een hogere commissie kan op korte termijn de marge helpen, maar tegelijk het aanbod verzwakken of klanten naar concurrenten duwen. In Europa komen daar arbeidsregels en lokale vergunningen bij. Voor Nederlandse beleggers speelt bovendien de euro-dollarbeweging mee, omdat koers en resultaten in dollars luiden. De juiste vraag is daarom niet hoeveel Uber maximaal kan afromen. Het gaat erom of betere routeplanning, advertenties, lidmaatschappen en een hogere ritdichtheid de waarde per transactie verhogen zonder dat één partij de rekening niet meer wil betalen. Kasstroom maakt het verschil tussen platformwinst en boekhoudwinst Uber rapporteerde 1,9 miljard dollar GAAP-operationele winst, 30 procent meer dan een jaar eerder. De nettowinst van 2,4 miljard dollar zag er nog sterker uit, maar daarin zat een positieve herwaardering van 1,6 miljard dollar vóór belasting op aandelenbelangen. Dat is geen opbrengst uit een extra rit en daarom geen goede basis voor een structurele waardering. De vrije kasstroom biedt een schoner anker. Uber genereerde 2,862 miljard dollar operationele kasstroom en hield na investeringen 2,792 miljard dollar over. Over de laatste twaalf maanden kwam de vrije kasstroom voor het eerst boven 10 miljard dollar. Dat geeft ruimte voor productontwikkeling, overnames en aandeleninkoop, maar het geld kan maar één keer worden uitgegeven. Robotaxi-investeringen veranderen deze rekensom zodra Uber voertuigen, depots of andere zware activa zelf moet financieren. Dan daalt de kasconversie, ook als de aangepaste EBITDA mooi blijft. Met de module hieronder is zichtbaar hoeveel extra jaarlijkse investering de huidige kasstroomkwaliteit kan dragen. Lees ook: Airbnb bewijst dat het meer is dan een pandemie winnaar De koers vraagt beheerste winstgroei en geen stilstand Bij 69,36 dollar en een gerapporteerde winst van 4,57 dollar per aandeel oogt Uber op ongeveer 15 keer de winst goedkoop. Dat getal bevat echter de positieve herwaardering van belangen. Voor de omgekeerde waardering gebruiken we daarom 3,60 dollar genormaliseerde winst per aandeel als modelaanname. Wie over drie jaar 8 procent koersrendement per jaar wil en dan 20 keer de winst betaalt, heeft in september 2029 ongeveer 4,37 dollar winst per aandeel nodig. Dat komt neer op circa 6,7 procent groei per jaar vanaf de gekozen basis. De eis lijkt haalbaar naast 33 procent groei van aangepaste EBITDA, maar het verschil tussen beide maatstaven is belangrijk. Aandelenbeloning, belastingen, rente en herwaarderingen verdwijnen niet omdat de operationele trend goed is. Ook netto-inkoop moet werkelijk het verwaterde aandelenbestand verlagen. De module rekent de vereiste winst opnieuw uit als de rendementseis of eindwaardering verandert. Een eindmultiple van 16 in plaats van 20 tilt de benodigde winst flink op. Dat is precies het risico van een bedrijf waarvan de operationele kwaliteit verbetert terwijl de markt minder voor toekomstige winst wil betalen. Drie jaar laat zien hoeveel marge voor fouten resteert De scenario’s zijn geen koersdoelen en ook geen kansen. Ze verbinden een mogelijke winst per aandeel aan een mogelijke waardering op 29 september 2027, 2028 en 2029. In het ongunstige pad blijft de winst vrijwel vlak en zakt de multiple geleidelijk. In het middenscenario groeit de winst door schaal en kasdiscipline. Het gunstige pad veronderstelt dat Mobility en Delivery tegelijk groeien, advertenties bijdragen en nieuwe vervoersvormen weinig kapitaal vragen. Het tegenargument is sterk: Uber heeft al laten zien dat boekingsgroei sneller in aangepaste winst kan landen. Toch blijft de kwaliteit van die hefboom belangrijker dan de snelheid alleen. Zolang vrije kasstroom per boekingsdollar stijgt en het verwaterde aandelenbestand daalt, verdient Uber een gezonde waardering. Als investeringen structureel sneller groeien dan de kasstroom, verdwijnt juist het voordeel van het kapitaallichte platform. Even tussendoor: als je dit interessant vindt, dit is precies wat we dagelijks doen om jou en andere beleggers te helpen. Word nu lid en krijg 50 procent korting met de code INSIDER. Foto: Uber, officiële archieffoto.

  • AST SpaceMobile koopt met 3,7 miljard dollar vooral tijd

    In het kort AST SpaceMobile meldde bij de halfjaarcijfers van 10 augustus 2026 ruim 3,7 miljard dollar aan pro-formaliquiditeit. Een converteerbare lening van 1,15 miljard dollar verlengt de financiële adem, maar brengt rente, aflossingsrisico en mogelijke verwatering mee. De onderneming heeft ongeveer 1,3 miljard dollar aan gecontracteerde backlog, terwijl de omzet in het tweede kwartaal nog 31,5 miljoen dollar bedroeg. Bij een koers van 59,40 dollar moet de commerciële uitrol daarom niet alleen technisch slagen, maar ook snel genoeg omzet en kasstroom opleveren. AST SpaceMobile bouwt een mobiel breedbandnetwerk in de ruimte dat gewone smartphones rechtstreeks met satellieten moet verbinden. Dat klinkt eenvoudig, maar financieel is het een kapitaalintensieve keten van satellietbouw, lanceringen, spectrumafspraken, grondinfrastructuur en commerciële contracten. De onderneming heeft inmiddels dertien satellieten en werkt met meer dan zestig mobiele netwerkpartners die samen ruim drie miljard abonnees bedienen. Dat bereik is groot, maar bereik is nog geen betalende klant. De relevante vraag voor beleggers is daarom niet alleen hoeveel satellieten de lucht in gaan. Belangrijker is hoeveel netwerkwaarde na alle financieringsrondes per aandeel overblijft. Bij AST SpaceMobile lopen technische voortgang, contractwaarde en financieringsbehoefte voortdurend door elkaar. Wie alleen naar de kaspositie kijkt, mist de toekomstige investeringen. Wie alleen naar de marktpotentie kijkt, mist schuld en verwatering. Direct naar een onderdeel van dit artikel De kasbuffer koopt tijd, geen zekerheid De converteerbare lening is goedkoper dan gewone schuld, maar niet gratis Een backlog van $1,3 miljard moet nog door de resultatenrekening Welke omzet is bij $59,40 al nodig? Drie koerspaden tot en met 2029 De kasbuffer koopt tijd, geen zekerheid In de cijfers over het tweede kwartaal meldde AST SpaceMobile meer dan 3,7 miljard dollar aan pro-formaliquiditeit, inclusief transacties die na de verslagdatum zijn afgerond. Dat is een grote buffer ten opzichte van de huidige omzet. Toch zegt een kasbedrag zonder investeringsritme weinig. Satellieten moeten worden gebouwd, gelanceerd, verzekerd en operationeel gehouden. Daarnaast vraagt de commerciële uitrol om grondstations, software, personeel en werkkapitaal. De interactieve berekening hierboven zet de liquiditeit daarom af tegen jaarlijkse satellietinvesteringen, operationele kasuitgaven en kasontvangsten. Bij 1,3 miljard dollar aan jaarlijkse investeringen, 550 miljoen dollar aan operationele uitgaven en 200 miljoen dollar aan kasontvangsten is de financieringsruimte ongeveer twee jaar. Dat is geen voorspelling, maar wel een nuttige stresstest. Een snellere omzetgroei verlengt de runway. Uitgestelde lanceringen of hogere bouwkosten doen het tegenovergestelde. De aangekondigde Japanse J-LEO-selectie kan maximaal ongeveer 1 miljard dollar aan niet-verwaterend en niet-schuldvormend overheidskapitaal opleveren. Dat verlaagt de druk op aandeelhouders als de mijlpalen daadwerkelijk worden gehaald. De formulering "maximaal" verdient aandacht: timing, voorwaarden en technische prestaties bepalen hoeveel geld werkelijk beschikbaar komt. De converteerbare lening is goedkoper dan gewone schuld, maar niet gratis In juli haalde de onderneming bruto 1,15 miljard dollar op via converteerbare obligaties met een coupon van 1,625 procent. De effectieve conversieprijs kwam door aanvullende afdekkingsconstructies uit op 149,20 dollar per aandeel. Het bedrijf stelde dat de effectieve verwatering daardoor onder 2 procent blijft. Dat is gunstiger dan aandelen uitgeven rond 59,40 dollar, maar de lening blijft een verplichting. Als de koers onder de conversieprijs blijft, moet AST SpaceMobile rente betalen en uiteindelijk herfinancieren of aflossen. Stijgt de koers ruim boven de conversieprijs, dan kan conversie nieuwe aandelen opleveren. Capped-callconstructies beperken dit effect slechts binnen hun voorwaarden. De module rekent de bruto verwatering uit zonder te doen alsof de afdekking alle economische kosten wegneemt. Bij 1,15 miljard dollar en 149,20 dollar per aandeel vertegenwoordigt de lening ongeveer 7,7 miljoen aandelen. Tegen een economische basis van 350 miljoen aandelen is dat iets meer dan 2 procent. Een andere aandelenbasis, extra financiering of gewijzigde voorwaarden kan die uitkomst veranderen. Op 30 juni bedroeg de netto schuld volgens de kwartaalinformatie ongeveer 2,96 miljard dollar. Daar staat veel liquiditeit tegenover, maar kas en schuld mogen niet selectief worden gebruikt. Voor de waardering telt het netto effect nadat investeringen, rente en eventuele nieuwe emissies zijn verwerkt. Een backlog van $1,3 miljard moet nog door de resultatenrekening AST SpaceMobile meldde een gecontracteerde backlog van ongeveer 1,3 miljard dollar. Dat geeft meer zicht op toekomstige omzet dan vrijblijvende samenwerkingen, maar backlog is geen geld op de bank. Contracten kunnen prestatiemijlpalen, leveringsvoorwaarden en een lange looptijd bevatten. Daardoor kan de omzet jaren later vallen dan de beurs vandaag veronderstelt. Als 1,3 miljard dollar in vier jaar wordt omgezet, komt dat gemiddeld neer op 325 miljoen dollar per jaar. Bij een brutomarge van 55 procent resteert ongeveer 179 miljoen dollar brutowinst voordat onderzoek, verkoopkosten, satellietafschrijving, rente en belastingen zijn betaald. Dat is een duidelijke stap boven de omzetverwachting van 150 tot 200 miljoen dollar voor heel 2026, maar nog geen onderbouwing voor een volwassen miljardenwaardering. De sterke kant van het model is de distributie via bestaande telecomoperators. AST SpaceMobile hoeft niet in ieder land zelf een consumentenmerk op te bouwen. De partners hebben spectrum, facturering en klantrelaties. Daar staat tegenover dat de economische opbrengst wordt gedeeld. De uiteindelijke marge hangt af van contracten, netwerkcapaciteit en de prijs die consumenten of overheden voor dekking willen betalen. Concurrentie komt niet alleen van andere satellietnetwerken. Ook verbeterde dekking op de grond, alternatieve noodcommunicatie en directe satellietdiensten van grote technologiebedrijven kunnen de betalingsbereidheid beperken. Het bedrijf kan technisch slagen en toch minder prijszettingsmacht hebben dan optimistische modellen aannemen. Welke omzet is bij $59,40 al nodig? Een verlieslatend groeibedrijf waardeer je niet verstandig met een koers-winstverhouding. Een reverse waardering begint bij de huidige koers en rekent terug hoeveel omzet, marge en financiering in 2029 nodig zijn. De module gebruikt het aantal verwaterde aandelen, de nettoschuld en een omzetmultiple. Zo komt verwatering niet pas achteraf als voetnoot in beeld. Bij 390 miljoen aandelen in 2029, 1 miljard dollar nettoschuld, een omzetmultiple van 10 en een gewenst jaarlijks koersrendement van 12 procent is ongeveer 3,6 miljard dollar omzet nodig. Dat is vele malen de omzetbasis van 2026. Een hogere multiple verlaagt de vereiste omzet, maar vergroot de afhankelijkheid van blijvend marktenthausiasme. Meer schuld of meer aandelen legt de lat juist hoger. De belangrijkste tegenwerping is dat satellietnetwerken na de uitrol sterke schaalvoordelen kunnen hebben. Extra verkeer over een bestaand netwerk kan een hoge bijdrage leveren en de markt voor gebieden zonder goede dekking is groot. Dat argument is valide. Alleen staat de onderneming nog vóór de fase waarin operationele schaal de kapitaalrekening overtuigend overtreft. Drie koerspaden tot en met 2029 De scenario’s hieronder zijn mogelijke uitkomsten, geen koersdoelen. Voor elk jaar wordt ondernemingswaarde berekend als omzet maal omzetmultiple, minus nettoschuld, gedeeld door het verwaterde aantal aandelen. Daardoor bewegen commerciële voortgang, waardering, financiering en verwatering zichtbaar samen. In het bearscenario stijgt de omzet van 180 miljoen dollar in 2027 naar 450 miljoen dollar in 2029, terwijl de multiple daalt en de aandelenbasis groeit. Het middenscenario veronderstelt 950 miljoen dollar omzet in 2029 en een multiple van acht. Het gunstige scenario vraagt 1,6 miljard dollar omzet, een lagere schuldpositie en beperkte verwatering. Zelfs dan blijft de uitkomst gevoelig voor het tempo waarin het netwerk capaciteit en betalende gebruikers toevoegt. De kern is helder. De huidige financiering verkleint het risico op een onmiddellijke emissie, maar maakt het bedrijfsmodel niet automatisch zelfvoorzienend. De volgende bewijsstukken zijn omzetconversie uit backlog, betrouwbare lanceringen, bruikbare capaciteit en zicht op de kasstroom per satelliet. Tot die tijd blijft AST SpaceMobile een technisch ambitieus bedrijf waarvan de waarde per aandeel vooral wordt bepaald door de afstand tussen kasverbruik en commerciële schaal. Lees ook: Is AST SpaceMobile een ruimtevaart-hype of een serieuze belegging? Benieuwd hoe andere beleggers naar AST SpaceMobile kijken? Praat mee in de community voor leden. Foto: Abel Avellan, oprichter en CEO van AST SpaceMobile. Archiefportret van de Broadband Commission.

bottom of page