top of page

Doorzoek deze website

14536 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Lege GPU’s verouderen bij IREN even snel als volle

    In het kort IREN bezit iets waar de AI-sector veel van nodig heeft: toegang tot stroom, grond en datacenters. Het bedrijf gebruikt die infrastructuur voor bitcoinmining en bouwt daarnaast een steeds grotere AI-cloud. De beurswaarde van ongeveer $14,7 miljard laat zien dat beleggers vooral vooruitkijken. De huidige winst uit mining is nuttig, maar de echte waarderingssprong moet komen van langdurig verhuurde GPU-capaciteit. De koers sloot op 25 september op $40,96 op Nasdaq. IREN publiceerde op 27 augustus de cijfers over het boekjaar tot 30 juni. Sindsdien is geen nieuwer volledig jaarbericht verschenen. De interessante vraag is daarom niet hoeveel capaciteit het management wil installeren, maar hoeveel uren klanten werkelijk betalen voordat de hardware economisch veroudert. Dat klinkt als een detail, maar het bepaalt bijna alles. Een GPU in een rack verliest waarde door tijd en door nieuwe chipgeneraties. Dat proces stopt niet wanneer een klantproject vertraging oploopt. Een lege server gebruikt misschien minder stroom, maar afschrijving, financiering en technische veroudering lopen door. Direct naar een onderdeel van dit artikel Van megawatts naar betaalde uren Stroom is een voordeel, maar geen volledige marge Terugverdienen voordat de volgende generatie arriveert Wat zit al in $40,96? Concurrentie en onderhandelingsmacht Drie jaar, negen mogelijke koersen Waar moet een belegger nu op letten? Van megawatts naar betaalde uren IREN presenteert graag aantallen GPU’s en beschikbare megawatts. Die cijfers zeggen iets over schaal, maar nog weinig over rendement. Voor de aandeelhouder telt omzet per geïnvesteerde dollar. Daarvoor zijn drie variabelen nodig: het aantal geïnstalleerde GPU’s, de prijs per betaald uur en de bezettingsgraad. De module laat zien hoe hard bezetting doorwerkt. Bij 50.000 GPU’s, $4 omzet per bezet uur en 70 procent bezetting ontstaat ongeveer $1,2 miljard jaaromzet. Zakt de bezetting naar 50 procent, dan verdwijnt bijna drie tiende miljard omzet zonder dat de vloot kleiner wordt. Een contract met minimumafname is daarom veel waardevoller dan een losse reservering die de klant kan laten verlopen. De prijs per uur is evenmin vast. Nieuwe, schaarse chips verdienen aanvankelijk meer. Zodra concurrenten capaciteit toevoegen en een volgende generatie verschijnt, daalt de prijs voor oudere hardware. IREN moet dus snel van bestelling naar installatie en van installatie naar betaald gebruik. Een laat rack kan technisch uitstekend zijn en toch financieel achterlopen. Stroom is een voordeel, maar geen volledige marge Goedkope stroom is de reden dat IREN ooit aantrekkelijk werd als miner. Voor AI is energie opnieuw belangrijk, maar de kostenstructuur is breder. Er zijn netwerkverbindingen, koeling, onderhoud, software, personeel, financiering en de afschrijving van GPU’s. De kale elektriciteitsrekening is slechts de eerste aftrekpost. Bij gemiddeld 1.000 megawatt en $50 per megawattuur komt de eenvoudige stroomrekening uit rond $438 miljoen per jaar. Dat is beheersbaar tegenover miljarden omzet, maar het verschil tussen $30 en $80 per megawattuur loopt snel op. Bovendien gebruikt niet iedere megawatt hetzelfde aantal GPU’s. Efficiëntere chips en hogere rackdichtheid kunnen de omzet per megawatt verhogen, maar vragen vaak ook nieuwe investeringen. IREN heeft een voordeel doordat het locaties en energiecontracten al bezit. Een concurrent moet die combinatie nog bouwen. Het sterke tegenargument is dat infrastructuur niet automatisch een softwaremoat is. Grote cloudbedrijven kunnen meer diensten, ontwikkeltools en wereldwijde capaciteit bieden. IREN moet compenseren met beschikbaarheid, snelheid, scherpe prijzen en betrouwbare clusters. Terugverdienen voordat de volgende generatie arriveert Een GPU-project kan op papier een mooie EBITDA-marge hebben en toch weinig waarde creëren als de terugverdientijd te lang is. Stel dat een vloot $5 miljard kost, $3,5 miljard omzet produceert en 35 procent kasbijdrage overhoudt. Dan duurt de eenvoudige terugverdientijd ruim vier jaar. Voor hardware die snel veroudert is dat geen ruime veiligheidsmarge. De kasbijdragemarge in deze module is bewust geen boekhoudkundige nettomarge. Rente, belasting, centrale kosten en vervangingsinvesteringen komen later. De berekening maakt één punt zichtbaar: hoge omzet alleen is niet genoeg. De capaciteit moet vroeg in de levenscyclus veel kas opleveren, anders financiert de aandeelhouder een vloot die alweer vervangen moet worden voordat zij zichzelf heeft terugbetaald. Mining geeft IREN enige flexibiliteit. Stroom en datacenterruimte kunnen in verschillende markten worden ingezet, al is hardware niet zonder meer uitwisselbaar. Een bitcoinminer wordt geen AI-GPU. De inkomsten uit mining kunnen wel helpen om de organisatie en nieuwe locaties te financieren. Daar staat de volatiliteit van bitcoinprijs en netwerkmoeilijkheid tegenover. Wat zit al in $40,96? Bij de huidige koers en het grote aantal uitstaande aandelen is IREN geen kleine infrastructuurbelofte meer. Een belegger die 10 procent koersrendement per jaar verlangt, vraagt in 2029 een aanzienlijk hogere beurswaarde. De reverse-module vertaalt die waarde terug naar benodigde omzet bij een gekozen EV/omzetmultiple, nettoschuld en verwaterd aandelenaantal. Met 480 miljoen aandelen in 2029, $3 miljard nettoschuld en 6 keer omzet moet IREN meerdere miljarden jaaromzet bereiken. Dat kan wanneer de AI-vloot groot én goed bezet is. Het risico is dat beleggers vandaag een hoge multiple betalen voor omzet die pas na veel capex ontstaat. Als de markt in 2029 nog maar 4 keer omzet wil betalen, verschuift de lat fors omhoog. Een EV/omzetmultiple is alleen verdedigbaar wanneer de latere marge sterk is. Voor een verlieslatend of kapitaalintensief bedrijf is omzet geen eindstation. GPU’s moeten na stroom, personeel, financiering en vervanging vrije kas opleveren. Anders lijkt groei spectaculair, terwijl de economische winst per aandeel achterblijft. Concurrentie en onderhandelingsmacht NVIDIA bepaalt een belangrijk deel van de hardwareprijs. Grote klanten bepalen de contractvoorwaarden. Financiers bepalen hoeveel nieuwe capaciteit kost. IREN zit ertussenin. Dat is aantrekkelijk wanneer capaciteit schaars is en klanten lang tekenen. Het wordt lastiger wanneer er veel nieuwe datacenters tegelijk openen en prijsdruk ontstaat. De Microsoft-overeenkomst uit november 2025 liet zien dat grote klanten bereid zijn miljarden vast te leggen voor beschikbare rekenkracht. Die gebeurtenis hoort bij 2025 en is geen nieuw bericht van vandaag. Het contract bewijst vraag, maar maakt concentratie ook zichtbaar. Een grote klant kan de bezetting snel vullen en tegelijk scherpe voorwaarden bedingen. Daarom is de kwaliteit van omzet minstens zo belangrijk als de omvang. Contractduur, minimumafname, vooruitbetaling, kredietwaardigheid en indexatie bepalen hoeveel zekerheid een dollar backlog werkelijk biedt. Een persbericht met een groot totaalbedrag vertelt niet altijd hoeveel kas in 2027 binnenkomt of hoeveel investeringen daarvoor nog nodig zijn. Drie jaar, negen mogelijke koersen Het bearscenario combineert lagere omzet, dalende multiples, oplopende schuld en meer aandelen. Het middenpad veronderstelt dat AI-capaciteit gestaag wordt verhuurd, maar dat de waardering normaliseert. Het gunstige pad vraagt snelle ingebruikname, hoge bezetting en sterke contractprijzen. Geen scenario gebruikt een positieve winstbasis die het bedrijf nog niet duurzaam heeft bewezen. De spreiding tussen de uitkomsten is groot. Dat hoort bij een bedrijf waarvan de toekomstige waarde afhangt van capaciteit die nog wordt gebouwd. Kleine veranderingen in bezetting of multiple werken op miljarden ondernemingswaarde. De modules maken die hefboom zichtbaar, maar kennen geen waarschijnlijkheid toe. Waar moet een belegger nu op letten? De eerste cijfers zijn betaalde GPU-bezetting, gecontracteerde omzet en capex per geïnstalleerde eenheid. Daarna volgen de kasbijdrage na stroom en de economische levensduur van de vloot. Ook het aandelenaantal blijft belangrijk. Nieuwe aandelen kunnen verstandige groei financieren, maar verminderen het deel van de toekomstige kasstroom dat bij ieder bestaand aandeel hoort. IREN heeft echte schaarse activa en toegang tot een markt die snel groeit. Dat is de kern van het positieve verhaal. De keerzijde is dat dezelfde snelheid fouten duur maakt. Een datacenter dat zes maanden te laat opent, mist niet alleen omzet. De GPU’s zijn dan ook zes maanden ouder. Bij $40,96 is er weinig ruimte voor langdurig lege racks. De onderneming hoeft niet ieder uur te verkopen, maar de gemiddelde bezetting moet hoog genoeg zijn om stroom, hardware en kapitaal te dragen. Voor de belegger is de belangrijkste vraag daarom eenvoudig: hoeveel van de geïnstalleerde rekenkracht wordt betaald, en hoe snel komt dat geld als vrije kas terug? Ook de verhouding tussen gecontracteerde en daadwerkelijk gefactureerde omzet verdient aandacht. Een grote contractwaarde klinkt overtuigend, maar implementatiemijlpalen, beschikbaarheidsgaranties en klantacceptatie bepalen het kasritme. Wie alleen de totale overeenkomst ziet, mist mogelijk jaren van investeringen die eraan voorafgaan. De beste bevestiging van de casus is daarom geen nieuw capaciteitsdoel, maar een stijgende omzet per geïnstalleerde GPU en een kortere terugverdientijd op iedere volgende bouwfase. Lees ook: IREN kost $40,96 en 394 miljoen aandelen maken groei per aandeel moeilijker Foto: Daniel Roberts, SALT-archiefportret.

  • Herbelegd dividend in Vanguards wereld-ETF blijft belast

    In het kort VWCE volgt de FTSE All-World Index en bezit duizenden bedrijven uit ontwikkelde en opkomende markten. De accumulating shareclass met ISIN IE00BK5BQT80 keert het ontvangen dividend niet uit, maar stopt het terug in het fonds. Dat is prettig voor wie automatisch wil herbeleggen. Het betekent alleen niet dat iedere bruto dividenddollar ongeschonden in de koers belandt. Bronbelasting, fondskosten en kleine uitvoeringsverschillen gaan er eerst vanaf. De koers sloot op 25 september op €170,06 op Euronext Amsterdam. Vanguard meldde per 31 augustus ongeveer 3.784 aandelen in de portefeuille en een koers-winstverhouding rond 21. De fondsfee is na de verlaging 0,14 procent per jaar. Die kosten zijn laag, maar bij een dividendrendement van ongeveer 2 procent kan belastinginhouding economisch groter zijn dan de zichtbare fee. Voor de belegger is vooral één onderscheid belangrijk. Accumulerend beschrijft wat het fonds met het nettodividend doet. Het zegt niet dat de onderliggende bedrijven geen dividendbelasting betalen of dat ieder land hetzelfde verdragstarief hanteert. De werkelijke lekkage wisselt met de landenmix, de herkomst van dividend en de fiscale structuur van het Ierse fonds. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een automatisch spaarpotje, geen fiscale tovertruc Kleine verschillen worden groot door tijd Wat vraagt de huidige waardering? De eurokoers zegt weinig over de echte valuta Drie jaar, negen mogelijke koersen Waar moet een belegger op letten? Een automatisch spaarpotje, geen fiscale tovertruc Een bedrijf uit de portefeuille maakt winst en keert daar een deel van uit. Eerst komt mogelijk bronbelasting in beeld. Daarna ontvangt het fonds het nettobedrag, betaalt het zijn lopende kosten en koopt de beheerder volgens het indexproces nieuwe stukken. De belegger ziet geen geld op de rekening, maar krijgt indirect een iets grotere fondswaarde. Dat is operationeel simpel en voorkomt dat kleine dividenden handmatig moeten worden herbelegd. Het woord accumulating wordt daarom soms te ruim uitgelegd. Het voordeel zit vooral in gemak en in het voorkomen van transactiekosten aan de kant van de belegger. De belastingbehandeling hangt af van woonland, rekeningtype en fondsstructuur. VWCE zelf blijft een Ierse UCITS-ETF met Amerikaanse dollar als basisvaluta, terwijl de Amsterdamse beurslijn in euro noteert. Die drie labels beantwoorden verschillende vragen. Bij een bruto dividendrendement van 2 procent, een effectieve inhouding van 15 procent en 0,14 procent fondsfee blijft in de vereenvoudigde module 1,56 procent over. Dat is geen gemeten tracking difference en ook geen voorspelling. Het laat wel zien waarom alleen naar de TER kijken te smal is. De zichtbare prijs van het fonds is laag, terwijl belastingfrictie in de onderliggende kasstromen groter kan zijn. Daar staat iets tegenover. Vanguard kan door omvang, verdragen en efficiënt portefeuillebeheer een deel van fricties beperken. Ook inkomsten uit effectenuitlening kunnen kleine kosten compenseren. De juiste controle is daarom niet één theoretisch belastingpercentage, maar het gerealiseerde verschil tussen fonds en index over langere perioden. Dat verschil bevat kosten, belastingen, handel en technische indexeffecten tegelijk. Kleine verschillen worden groot door tijd Een jaarlijkse drag van enkele tienden van een procent voelt onbelangrijk. Over twintig jaar werkt die drag echter ieder jaar op een groter bedrag. Het is dezelfde kracht als samengestelde rente, maar dan de verkeerde kant op. Bij een bruto rendement van 7 procent en 0,44 procent totale drag loopt €10.000 in het model op tot ruim €35.000. Zonder drag zou de eindwaarde hoger liggen. Dit is geen argument tegen VWCE. Een goedkope wereld-ETF blijft voor veel beleggers een sterke basis omdat spreiding, eenvoud en lage handelsactiviteit moeilijk zelf na te bouwen zijn. Het punt is nuchterder: goedkoop is niet kosteloos. Wie twee fondsen vergelijkt, moet naast TER ook kijken naar indexkeuze, domiciliëring, tracking difference, transactiespread en of dividend wordt uitgekeerd of herbelegd. Een distributerende variant kan dezelfde onderliggende belastingfrictie hebben. Het verschil is dat het nettodividend daarna naar de belegger gaat in plaats van in het fonds te blijven. Afhankelijk van de persoonlijke fiscale situatie kan dat anders uitpakken. De shareclass lost de fiscale vraag dus niet op. Zij bepaalt vooral de route die het geld na ontvangst aflegt. Wat vraagt de huidige waardering? De onderliggende portefeuille noteert rond 21 keer winst. Dat is niet extreem voor een wereldindex met veel winstgevende Amerikaanse megabedrijven, maar het is evenmin goedkoop. Wie 8 procent totaalrendement per jaar verlangt en in 2029 nog 20 keer winst wil betalen, heeft naast het nettodividend een stevig winstpad nodig. De reverse-module rekent precies terug welke groei daarvoor nodig is. Bij de standaardinstellingen komt de vereiste winstgroei uit rond het midden van de enkelcijferige percentages. Dat lijkt haalbaar zolang winstmarges en kapitaalrendement van de grootste bedrijven sterk blijven. De kwetsbaarheid zit in de combinatie. Als de waardering tegelijk daalt en winsten vertragen, kan een breed fonds toch meerdere magere jaren meemaken. Spreiding verlaagt bedrijfsspecifiek risico, niet de prijs die voor de hele markt wordt betaald. Een sterk tegenargument is dat de wereldindex zichzelf vernieuwt. Winnaars groeien de index in en verliezers zakken eruit. De belegger hoeft geen afzonderlijke bedrijven te selecteren. Dat mechanisme is waardevol, maar het beschermt niet tegen een dure startwaardering. Een index wisselt namen, geen betaalde multiple. Juist daarom hoort waardering ook bij een passieve portefeuille. De eurokoers zegt weinig over de echte valuta VWCE wordt in Amsterdam in euro verhandeld. De ondernemingen verdienen hun geld echter in dollars, yen, ponden, euro’s en tientallen andere valuta. De basisvaluta van het fonds is dollar en de shareclass is niet naar euro afgedekt. Als de euro verzwakt, stijgt de omgerekende waarde van buitenlandse winsten vaak. Een sterkere euro kan hetzelfde bedrijfsrendement juist afremmen. Valuta is op lange termijn geen gratis rendement. Wisselkoersen bewegen in beide richtingen en bedrijven dekken bovendien een deel van hun eigen blootstelling af. Voor een Europese belegger is het vooral belangrijk om de bron van een koersbeweging te begrijpen. Een stijgende eurokoers van VWCE kan komen door hogere bedrijfswinsten, een hogere multiple, een zwakkere euro of een combinatie daarvan. Drie jaar, negen mogelijke koersen De scenario’s nemen de slotkoers van €170,06 als startpunt. Het bearpad veronderstelt eerst een waarderingscorrectie en daarna beperkt herstel. Het middenpad rekent met redelijke winstgroei en een vrij stabiele waardering. Het gunstige pad vraagt dat de grootste winstmakers sterk blijven groeien en dat valuta geen langdurige tegenwind geeft. Herbelegd nettodividend zit al in elk koerspad en wordt niet nog eens opgeteld. De uitkomsten zijn gevoelig voor de euro. Dat is geen fout in het model, maar onderdeel van het instrument. In 2027 kan een sterke munt een goed beursjaar dempen. In 2028 kan dezelfde valuta tegenzitten of meewerken. Wie het valutarisico niet wil, heeft een afgedekte shareclass nodig, maar betaalt daarvoor hedgekosten en mist soms voordeel van een zwakkere euro. Waar moet een belegger op letten? De belangrijkste cijfers zijn niet alleen koers en TER. Kijk periodiek naar de officiële fonds-P/E, de Verenigde Staten-weging, de top-tienconcentratie en de tracking difference. Controleer ook of de productidentiteit nog klopt: ISIN IE00BK5BQT80, accumulating, Iers domicilie en de juiste Amsterdamse beurslijn. Een ticker kan per beurs verschillen; de ISIN is de stabielere identiteit. Het grootste risico is dat beleggers een breed fonds verwarren met een goedkope markt. VWCE spreidt over duizenden bedrijven, maar de marktwaarde blijft zwaar leunen op grote Amerikaanse ondernemingen. Een winsttegenvaller bij die groep raakt het fonds merkbaar. Het grootste voordeel is precies de andere kant: succesvolle bedrijven krijgen vanzelf meer gewicht zonder dat de belegger hoeft te raden wie de volgende winnaar wordt. De huidige koers kan prima samengaan met een lange horizon, zolang de verwachting realistisch blijft. VWCE hoeft niet ieder jaar 8 of 10 procent te leveren. Dividend, winstgroei, waardering en valuta trekken ieder hun eigen spoor. Wie dat begrijpt, ziet accumulating zoals het bedoeld is: een efficiënte herbeleggingsmachine, maar geen route waarmee belastingen en marktprijzen verdwijnen. Voor periodieke beleggers verandert dit de aanpak niet noodzakelijk. Juist door op vaste momenten te kopen wordt minder afhankelijkheid opgebouwd van één koers of wisselkoers. Wel helpt het om jaarlijks de factsheet en het gerealiseerde indexverschil te bekijken. Als kosten, belastingfrictie of productkenmerken structureel veranderen, kan een andere shareclass logischer worden. Tot die tijd is rust vaak waardevoller dan voortdurend wisselen tussen bijna gelijke fondsen. Lees ook: VWRL kost €164,02 en 61,7 procent Verenigde Staten bepaalt het tempo Foto: Salim Ramji, officieel Vanguard-archiefportret.

  • Een volle frietmarkt maakt McCains miljardenfabriek onrendabel

    In het kort McCain zet de bouw van een frietfabriek in het Duitse Mehrum voorlopig stop, hoewel er maximaal 1 miljard euro aan investeringen en 650 banen in het vooruitzicht lagen. Het bedrijf wijst op hogere bouwkosten, overcapaciteit bij verwerkte aardappelproducten en zwakkere vraag in belangrijke markten. Dat is meer dan een lokaal bouwbesluit: het laat zien dat een fabriek met hoge vaste kosten alleen rendeert wanneer er jarenlang genoeg product doorheen gaat. Voor telers, werknemers en overheden is de pijn directer dan voor de koper van een zak friet. De beslissing volgde op een nieuwe beoordeling van de concurrentiekracht en economische haalbaarheid van het project. Volgens de verklaring van McCain, zoals weergegeven door de regionale omroep NDR, wordt de investering in de huidige vorm nu niet voortgezet. Het terrein aan het Mittellandkanaal blijft wel in bezit van McCain en een aangepast plan is dus niet uitgesloten. De rekensom achter dat besluit is vrij hard. Een nieuwe fabriek voegt capaciteit toe voordat er één extra portie friet is verkocht. Als de markt niet snel genoeg groeit, verdeelt de producent afschrijving, rente, onderhoud en vaste personeelskosten over minder kilo's. Een bestaande fabriek kan dan goedkoper blijven draaien dan een nieuw complex, zelfs als dat nieuwe complex technisch zuiniger is. Direct naar een onderdeel van dit artikel Waarom een volle markt een nieuwe fabriek snel duur maakt De aardappelteler voelt het overschot eerder dan de consument Zestig miljoen steun verandert de hoofdrekensom nauwelijks Een slechte oogst bewijst niet dat de fabriek toch nodig is Drie routes voor 2027 tot en met 2029 De verstandigste keuze kan een niet gebouwde fabriek zijn Waarom een volle markt een nieuwe fabriek snel duur maakt McCain is geen kleine uitdager die nog schaal moet opbouwen. Het bedrijf noemt zichzelf de wereldmarktleider in diepgevroren aardappelproducten en zegt dat wereldwijd ongeveer één op de vier porties friet uit zijn fabrieken komt. Juist zo'n marktleider kan een investeringsbesluit niet los zien van zijn bestaande fabrieken. Elke nieuwe productielijn moet niet alleen winstgevend zijn, maar ook voorkomen dat zij volume wegtrekt uit fabrieken die er al staan. Neem een vereenvoudigd rekenvoorbeeld. Stel dat een fabriek 1 miljard euro kost, de investering in twintig jaar wordt terugverdiend en het bedrijf jaarlijks 8 procent rendement op het nog uitstaande kapitaal verlangt. Dan is ongeveer 101,9 miljoen euro vrije kasstroom per jaar nodig. Dat is nog vóór een afzonderlijke opslag voor onverwachte bouwkosten of een trage opstart. Bij een bijdrage van 12 eurocent per verkochte kilo moet de fabriek ongeveer 849 miljoen kilo per jaar afzetten om alleen die jaarlijkse kapitaaleis te dekken. De werkelijke capaciteit en marge van Mehrum zijn niet openbaar; dit voorbeeld toont dus de drempel, niet McCains interne begroting. Een bezettingsgraad van 85 procent kan er op papier gezond uitzien. Zakt die naar 65 procent, dan worden dezelfde vaste kosten over bijna een kwart minder productie verdeeld. Een concurrent met afgeschreven machines kan dan tijdelijk tegen een prijs leveren die voor de nieuwe fabriek onaantrekkelijk is. Dat verklaart waarom overcapaciteit een aangekondigde investering eerder raakt dan een bestaande productielijn. Inflatie maakt die gevoeligheid groter. Hogere prijzen voor staal, installaties, bouwarbeid, energieaansluitingen en financiering verhogen het bedrag dat eerst moet worden terugverdiend. De markt hoeft daarvoor niet in te storten. Een paar procent minder verwachte vraag en een paar procent hogere kosten kunnen samen voldoende zijn om de netto contante waarde, de waarde van alle toekomstige kasstromen na aftrek van de investering, onder nul te duwen. De aardappelteler voelt het overschot eerder dan de consument De keten begint niet bij de fabriek, maar op het land. Fritesaardappelen zijn geen voorraad die onbeperkt kan wachten op een betere prijs. Bewaring kost energie en kwaliteit gaat achteruit. Een deel van de oogst ligt vast in contracten, maar het vrije volume moet tegen de prijs van dat moment een bestemming vinden. Wanneer verwerkers genoeg voorraad hebben, verschuift de onderhandelingsmacht snel naar de fabriek. Wageningen Economic Research onderzocht de markt voor aardappelen voor verwerking en concludeerde in 2024 dat gezamenlijke productiebeperking door telers weinig kansrijk is. Minder aanbod kan de prijs verhogen, maar lokt ook vervanging uit andere landen en andere aardappelstromen uit. In het gebruikte model verslechtert daardoor per saldo de omzet van de deelnemende telers. Dat is een belangrijk tegenwicht tegen het eenvoudige advies om bij lage prijzen gewoon minder te planten. Een navolgbaar rekenvoorbeeld maakt de blootstelling concreet. Een bedrijf met 100 hectare fritesaardappelen, een opbrengst van 45 ton per hectare en een prijsdaling van 30 euro per ton mist bruto 100 maal 45 maal 30 euro, dus 135.000 euro omzet in een jaar. Als we vereenvoudigd aannemen dat 30 procent van die daling wordt opgevangen door vermeden variabele oogst-, bewaar- en transportkosten, blijft netto 94.500 euro minder bijdrage aan rente, pacht, machines en inkomen over. Dat is 7.875 euro per maand. Belastingen, contractdekking en bedrijfsspecifieke kosten zijn niet meegenomen, dus dit is een gevoeligheidsberekening en geen gemiddeld boereninkomen. De consument ziet zo'n prijsval niet één op één terug. De aardappel is maar een deel van de winkel- of horecaprijs. Olie, invriezen, verpakking, energie, transport, huur, personeel, btw en marge blijven staan. Verwerkers en afnemers kunnen bovendien lopende contracten hebben. Een overschot aan grondstof kan daarom tegelijk slecht nieuws zijn voor de teler en slechts een klein voordeel voor de frietkoper. Zestig miljoen steun verandert de hoofdrekensom nauwelijks De regionale teleurstelling is begrijpelijk. In Mehrum stonden maximaal 650 banen op het spel en overheden hadden zich ingespannen voor ongeveer 50 miljoen euro aan federale steun en circa 10 miljoen euro aan mogelijke steun van de deelstaat. Op een investering van maximaal 1 miljard euro is 60 miljoen echter 6 procent. Dat is groot publiek geld, maar te klein om jarenlange onderbezetting te compenseren. De omgekeerde vraag is daarom nuttiger dan de vraag waarom de subsidie niet genoeg was. Hoeveel jaarlijkse operationele kasstroom moet een fabriek verdienen om 1 miljard euro te rechtvaardigen? Bij twintig jaar en 8 procent is dat 101,9 miljoen euro per jaar. Trek een subsidie van 60 miljoen van de investering af, dan daalt die eis naar ongeveer 95,8 miljoen euro. Het verschil is 6,1 miljoen per jaar. De steun helpt, maar verandert geen zwakke afzetmarkt in een sterke. Een andere vergelijking is eveneens verhelderend. Zestig miljoen euro gedeeld door 650 geplande banen is ongeveer 92.300 euro per baan. Dat is geen feitelijke uitgave per gerealiseerde baan, want de banen zijn niet ontstaan en niet alle steun hoeft te zijn verstrekt. Het cijfer laat wel zien welke orde van grootte beleidsmakers wilden mobiliseren voor een groot industrieproject. Het ministerie van Economische Zaken van Nedersaksen legt bij zijn regionale investeringssteun de nadruk op extra investeringen en arbeidsplaatsen. Dat beleid kan werken wanneer publieke steun een financieringsgat overbrugt. Het werkt niet wanneer het commerciële probleem te weinig structurele vraag is. In dat geval betaalt de overheid mee aan capaciteit die de prijsdruk voor bestaande producenten juist kan vergroten. Een slechte oogst bewijst niet dat de fabriek toch nodig is De sterkste tegenwerping is dat de aardappelmarkt grillig is. Na een overschot kan droogte de oogst een jaar later hard raken. Schaarste aan geschikte aardappelen kan prijzen en marges herstellen, waardoor het schrappen van capaciteit achteraf te voorzichtig lijkt. Dat risico is reëel, maar het haalt twee markten door elkaar. McCain noemt overcapaciteit bij verwerkte aardappelproducten en zwakke vraag in belangrijke afzetmarkten. Dat gaat over fabrieken, voorraad, contracten en de verkoop van diepvriesproducten. Een kleinere aardappeloogst kan de grondstof duurder maken zonder dat huishoudens en restaurants meer friet kopen. Voor een nieuwe fabriek is dat zelfs een lastige combinatie: hogere inkoopkosten naast onvoldoende benutting. Daar komt bij dat een investeringsbesluit vooruitkijkt over tientallen jaren. Eén krap oogstseizoen rechtvaardigt geen fabriek van maximaal 1 miljard euro. Het relevante bewijs zou een aanhoudende stijging zijn van verkochte volumes, gezonde marges en een structureel hoge bezetting bij bestaande Europese fabrieken. Zonder die combinatie blijft wachten rationeel. Drie routes voor 2027 tot en met 2029 Voor de komende drie kalenderjaren is geen betrouwbare openbare prognose beschikbaar die vraag en Europese verwerkingscapaciteit precies naast elkaar zet. Daarom nemen we voor de vergelijking eind 2026 een capaciteitsindex van 105 en een vraagindex van 100. De capaciteit blijft in alle drie routes gelijk; alleen de vraag verandert. Dat zijn expliciete aannames, geen voorspellingen of kansen. In het basisscenario blijft de vraag gelijk. Het verschil blijft dan in 2027, 2028 en 2029 vijf indexpunten, zodat een nieuwe fabriek moeilijk te verdedigen blijft. In het zwakke scenario daalt de vraag jaarlijks 2 procent. De vraagindex komt dan in 2029 uit op 94,1 en de ruimte tussen capaciteit en vraag groeit naar 10,9 punten. In het herstelscenario groeit de vraag jaarlijks 2 procent. Dan stijgt de vraagindex naar 106,1 en verdwijnt het aanvankelijke overschot tegen 2029 in dit eenvoudige model. Het omslagpunt is dus geen spectaculaire prijsstijging in één seizoen, maar ongeveer drie jaar vraaggroei van 2 procent zonder nieuwe capaciteit. Zelfs dat is niet genoeg als marges dalen, bouwkosten verder oplopen of bestaande fabrieken hun productiviteit verhogen. Omgekeerd kan een kleiner of gefaseerd project eerder rendabel worden, omdat het minder volume nodig heeft om vol te raken. Lees ook: Waarom Stellantis fabrieken stilzet terwijl klanten willen kopen De verstandigste keuze kan een niet gebouwde fabriek zijn Voor Mehrum is het mislopen van banen en investeringen concreet. Voor McCain is stoppen vóór de bouw echter waarschijnlijk goedkoper dan jarenlang proberen een nieuwe fabriek te vullen in een volle markt. De belangrijkste winnaars zijn de bestaande productielocaties met lage kosten en hoge bezetting. De rekening ligt voorlopig bij de regio, potentiële werknemers en telers die op extra afname hadden gehoopt. De belastingbetaler loopt minder risico zolang toegezegde steun niet wordt uitgekeerd zonder gerealiseerde investering. Mijn oordeel is daarom dat McCains besluit bedrijfseconomisch verdedigbaar is, ondanks de politieke teleurstelling. Een subsidie van ongeveer 6 procent van de maximale investering kan het rendement verbeteren, maar lost geen structurele mismatch tussen capaciteit en vraag op. Dit oordeel zou veranderen als McCain of onafhankelijke marktdata laten zien dat de Europese afzet van verwerkte aardappelproducten meerdere jaren duidelijk groeit, bestaande fabrieken vrijwel vol draaien en de verwachte kasstroom ruim boven circa 102 miljoen euro per jaar uitkomt bij een investering van 1 miljard euro. Tot die tijd is uitstel geen bewijs van zwakte, maar van kapitaaldiscipline.

  • Boeing wint straaljagerorder van meer dan 20 miljard dollar

    De westerse herbewapening krijgt er een miljardenorder bij. Het Amerikaanse ministerie van Oorlog en de marine gunnen Boeing een contract van meer dan $20 miljard voor de ontwikkeling van de F/A-XX, een straaljager van de zesde generatie die vanaf vliegdekschepen opereert en hun bereik moet vergroten. Concurrent Northrop Grumman vist achter het net. De bekendmaking kwam dinsdag 29 september om 17.40 uur Amerikaanse tijd, na het slot van Wall Street. De beurs reageerde verdeeld. Boeing steeg woensdag voorbeurs tot $192,49, 2,6% boven het slot van dinsdag, terwijl Northrop Grumman ruim 4% zakte. Toch staat Boeing dit jaar flink in de min. Het aandeel sloot op 2 januari op $227,77 en eindigde dinsdag op $187,68, een daling van 17,6%. Kan deze order het tij keren, of blijven de problemen in de burgerluchtvaart zwaarder wegen? Wat de marine precies aan Boeing gunt Het contract dekt de volledige ontwikkelingsfase. Boeing bouwt meerdere testtoestellen voor grondproeven, luchtwaardigheid, systemen en de integratie van wapens. De F/A-XX moet vanaf de jaren dertig de F/A-18E/F Super Hornet en de EA-18G Growler vervangen en gaat samenvliegen met de F-35C van Lockheed Martin. Technische details blijven geheim. Het werk komt terecht in St. Louis, waar Boeing voor $1,8 miljard zijn militaire vestiging uitbreidt met een fabriek van ruim 100.000 vierkante meter. Opvallend: Boeing vervangt hiermee zijn eigen product. Dezelfde dag kreeg het een contract van $16,7 miljoen om de afbouw van de F/A-18-lijnen voor te bereiden. Waar Boeing eerder rekening hield met het sluiten van zijn straaljagerlijnen, heeft het nu beide Amerikaanse programma's in handen. Het is de tweede zege in anderhalf jaar. Op 21 maart 2025 maakte president Trump bekend dat Boeing de F-47 voor de luchtmacht mag ontwikkelen, ten koste van Lockheed Martin, dat in dezelfde maand ook afviel in de race om de F/A-XX. De luchtmacht wil minstens 185 F-47's, en de eerste vlucht ligt volgens generaal Dale White op schema voor 2028. Vanzelf ging het niet. In juni 2025 wilde het Pentagon het marineprogramma nog grotendeels pauzeren, uit vrees dat het ten koste zou gaan van de F-47. Het Congres hield de F/A-XX met extra geld in leven. Northrop Grumman zegt een digitaal geavanceerd toestel te hebben aangeboden en wil meer uitleg over de keuze. Het bedrijf kan formeel bezwaar maken. Waarom het aandeel toch 17,6% lager staat dan in januari Op 5 augustus sloot Boeing nog op $240,19. Sindsdien ging er 21,9% af. Volgens UBS verloor Boeing sinds de certificering van de 737 MAX 7 in augustus bijna $40 miljard aan beurswaarde. De eerste klap kwam op 16 september. Topman Kelly Ortberg, sinds augustus 2024 aan het roer, vertelde op een conferentie van Morgan Stanley dat de 737-lijn nog niet stabiel draait op 47 toestellen per maand, door knelpunten in de eigen vleugelproductie. Ook lopen de certificeringstests van de 777X door tot in 2027. Het aandeel sloot die dag 3,7% lager, van $209,69 naar $201,96. De tweede klap volgde op 28 september. The Wall Street Journal meldde een fout in software van GE Aerospace voor de vluchtcomputer van de 737 MAX: als piloten een landing afbreken en de route aanpassen, kan de automatische navigatie uitvallen. FAA-topman Bryan Bedford stelt de certificering van de MAX 10, die voor oktober werd verwacht, daarom uit. Southwest en United accepteren geen nieuwe toestellen met die softwareversie. Boeing zakte 6,9%, van $198,07 naar $184,39. De MAX 10 is volgens Ortberg goed voor ongeveer 30% van de openstaande 737-orders. Bron: Yahoo Finance, slotkoersen Boeing 2026 Er ligt nog een risico. De cao van ruim 16.600 ingenieurs en technici van vakbond SPEEA loopt op 6 oktober af. Na een afwijzing in augustus ligt er een verbeterd bod met onder meer 10% directe loonsverhoging, gesteund door de onderhandelingscommissie. De stemming sluit op 1 oktober. Volgens Ortberg zou een staking de certificering van de 777X stilleggen en ook de 737-productie raken. Ontwikkeling nu, het grote geld pas bij productie Het gaat om ontwikkelingsgeld dat over vele jaren wordt uitgegeven. Het grote geld zit in de latere serieproductie, die met exportklanten kan oplopen tot honderden miljarden dollars over de hele levensduur. Ter vergelijking: de defensietak had eind juni een orderboek van $85 miljard en zette in het tweede kwartaal $7,5 miljard om. De winstgevendheid is het pijnpunt. De defensietak boekte in het tweede kwartaal een operationeel verlies van $15 miljoen, een marge van -0,2%, onder meer door een last van $280 miljoen op de VC-25B, de nieuwe Air Force One. Op de KC-46-tanker, een contract met een vaste prijs, betaalde Boeing al meer dan $7 miljard uit eigen zak. Ortberg noemde dat zelf een slecht contract. Bij een vaste prijs draagt de fabrikant alle kostenoverschrijdingen, en nieuwe technologie is lastig vooraf te begroten. Het Pentagon heeft de contractvorm van de F/A-XX niet openbaar gemaakt. Volgens analist Roman Schweizer van TD Cowen willen beleggers vooral weten hoe Boeing zijn bod heeft geprijsd. De F-47 werd gegund op basis van kostenvergoeding met een prestatiebonus, waarbij de overheid de ontwikkelkosten draagt. Heeft de F/A-XX dezelfde opzet, dan is het risico beperkt. Financieel directeur Jay Malave mikt eind dit decennium op een defensiemarge van hoog in de enkele cijfers, omdat oude vaste-prijscontracten aflopen. Ortberg noemde het risico op nieuwe afboekingen sterk verminderd, maar niet verdwenen. Dan is er de capaciteit. In St. Louis moet Boeing tegelijk de F-47, de F/A-XX, de T-7A-trainer en extra F-15EX-toestellen bouwen. Analisten vragen zich af of er genoeg ingenieurs en vakmensen te vinden zijn. Defensiechef Steve Parker zegt dat Boeing altijd op twee straaljagers tegelijk heeft gerekend en daar vooraf in heeft geïnvesteerd. Schulden omlaag, maar de kasstroom blijft dun Ook de balans telt. Eind juni had Boeing $45,9 miljard aan schulden, $8,2 miljard minder dan begin dit jaar, tegenover $20,0 miljard aan kasgeld en beleggingen. De omzet steeg in het tweede kwartaal naar $24,6 miljard, tegen $22,7 miljard een jaar eerder, maar onder de streep bleef een verlies van $0,67 per aandeel. Voor de vrije kasstroom mikt Boeing over 2026 op $1 tot $3 miljard, met het midden als verwachting. Op termijn ziet Malave een normaal niveau van ongeveer $10 miljard per jaar, als de productiedoelen zijn gehaald. Dat is de kern van het beleggingsverhaal: het aandeel wordt gewaardeerd op de kasstroom van over een paar jaar. UBS rekent voor dat de markt bij een koers rond $184 slechts ongeveer $7,7 miljard aan vrije kasstroom inprijst. De bank verwacht rond 2030 zo'n $20 miljard per jaar en waardeert Boeing op 12 keer de verwachte kasstroom per aandeel van 2028, tegen 29 keer voor de S&P 500. Wie dat scenario gelooft, vindt het aandeel goedkoop. Wie twijfelt aan de uitvoering, ziet een bedrijf dat keer op keer deadlines mist. Europa: FCAS gestrand, GCAP zoekt versterking Terwijl Washington binnen anderhalf jaar twee straaljagers van de zesde generatie gunde, strandde in Europa het Frans-Duits-Spaanse FCAS. Op 9 juni 2026 stopten Frankrijk en Duitsland met de gezamenlijke straaljager, nadat Dassault Aviation en Airbus hun ruzie over de werkverdeling niet konden oplossen. Dassault wil nu zelf een kleinere straaljager ontwikkelen, die net als de F/A-XX vanaf vliegdekschepen kan opereren. Het Brits-Italiaans-Japanse GCAP wint daardoor aan gewicht. BAE Systems en Leonardo werken daarin met Japanse partners aan een toestel dat rond 2035 in dienst moet komen. Londen trok deze zomer £8,6 miljard uit voor vier jaar. Begin september liet Airbus Defence and Space-topman Michael Schoellhorn weten dat Airbus interesse heeft, als het een flink deel van het werk en een leidende rol krijgt. Een Duitse instap kan het programma van BAE en Leonardo verder versterken. Ook Nederland geeft meer uit. De NAVO-landen spraken in juni 2025 in Den Haag af om in 2035 5% van het bbp aan defensie en aanverwante zaken te besteden, waarvan 3,5% aan kerndefensie. Op Prinsjesdag presenteerde het kabinet een defensiebegroting van €28,9 miljard voor 2027. Nederland vliegt met de F-35, maar Boeing is hier geen onbekende: de luchtmacht vliegt met Chinook- en Apache-helikopters van het concern. Lees ook: Waarom koopt de Rheinmetall-topman bij terwijl het aandeel blijft zakken? Analisten: koersdoelen tussen $250 en $290 Analisten blijven overwegend positief, al gingen de koersdoelen omlaag. Jefferies-analist Sheila Kahyaoglu verlaagde op 21 september haar koersdoel van $295 naar $265 en handhaafde haar koopadvies, na een lagere schatting van de vrije kasstroom. Wells Fargo bevestigde op 23 september een koersdoel van $250. Vanaf de slotkoers van $187,68 is dat een opwaarts potentieel van 41,2% en 33,2%. Bank of America-analist Ronald Epstein handhaaft zijn koopadvies met een koersdoel van $270 (+43,9%). Hij vond de koersreactie op de uitspraken van Ortberg overdreven: het herstel gaat langzaam, maar in de goede richting. JPMorgan bevestigde op 28 september een Overweight-advies met een koersdoel van $290 (+54,5%). Het team van Seth Seifman noemt de marineorder belangrijk, maar ziet de productiegroei en de kasstroom per vliegtuig in de burgerluchtvaart als grootste financiële drijfveer. Het gemiddelde koersdoel van 27 analisten lag op 23 september op $273,69, 45,8% boven de slotkoers van dinsdag. Die doelen gaan wel uit van een soepele productieverhoging, en de recente verlagingen tonen hoe snel analisten bijstellen als de uitvoering tegenvalt. Wat beleggers moeten weten De F/A-XX geeft Boeing werk voor decennia en maakt het de enige Amerikaanse bouwer van straaljagers van de zesde generatie. Komt de productie van beide toestellen op gang en zijn de contracten beter geprijsd dan de KC-46, dan kan de defensietak uitgroeien van zorgenkind tot stabiele winstbron. Na de koersdaling ligt de lat bovendien lager: elke stap richting 52 toestellen per maand kan het sentiment verbeteren. De risico's zijn echter reëel. De MAX 10 is uitgesteld, een staking dreigt als de SPEEA-stemming misgaat, en de schuld van $45,9 miljard laat weinig ruimte voor nieuwe tegenvallers. Bovendien is onbekend hoe het F/A-XX-contract is opgebouwd. Een vaste prijs voor zo'n ambitieus toestel kan een nieuwe bron van afboekingen worden. En Northrop Grumman kan het besluit nog aanvechten. De komende weken zijn er drie toetsstenen: de uitslag van de SPEEA-stemming, de oplossing voor de 737-software en de volgende kwartaalcijfers, waarin Boeing mogelijk meer vertelt over de voorwaarden van de F/A-XX. Wie in Boeing belegt, koopt vooral een herstelverhaal in de burgerluchtvaart, met een sterkere defensietak als tweede poot. Houd er ook rekening mee dat defensiebeleggingen voor sommige beleggers ethische vragen oproepen. Bronnen Boeing: U.S. Navy Selects Boeing for F/A-XX Program, 29 september 2026 GlobalSecurity: persbericht Department of War en US Navy over het F/A-XX-contract, 29 september 2026 Breaking Defense: Boeing wint F/A-XX-competitie van Northrop Grumman, 29 september 2026 Breaking Defense: wat de F/A-XX-zege betekent voor Boeing en welke uitdagingen volgen, 30 september 2026 The War Zone: tijdstip, omvang en achtergrond van de F/A-XX-gunning SOFX: reactie Northrop Grumman en contract voor afbouw F/A-18-lijnen, 30 september 2026 Parameter: Northrop Grumman zakt, Boeing voorbeurs naar $192,49, 30 september 2026 Investinglive: koersreactie en productiewaarde op lange termijn, 29 september 2026 Defense News: F-47 gegund op basis van kostenvergoeding met prestatiebonus, 21 maart 2025 Defense News: F-47 op schema voor eerste vlucht in 2028, 30 juli 2026 Construction Dive: uitbreiding van $1,8 miljard in St. Louis Boeing: resultaten tweede kwartaal 2026, 28 juli 2026 Breaking Defense: nieuw verlies op KC-46 en uitspraak Ortberg, 27 januari 2026 Investing.com: Ortberg en Malave op de Laguna-conferentie van Morgan Stanley, 16 september 2026 CBS News: FAA onderzoekt softwarefout 737 MAX en stelt certificering MAX 10 uit, 29 september 2026 Lynnwood Times: nieuw cao-bod aan SPEEA en stemperiode tot 1 oktober, 18 september 2026 Proactive Investors: UBS noemt de verkoopgolf overdreven, 29 september 2026 Yahoo Finance: Bank of America handhaaft koopadvies en koersdoel $270, 21 september 2026 ad-hoc-news: Jefferies verlaagt koersdoel naar $265, Wells Fargo op $250, 23 september 2026 Investing.com: JPMorgan bevestigt Overweight en koersdoel $290, 28 september 2026 Boeing: benoeming Kelly Ortberg tot topman, 31 juli 2024 19FortyFive: Airbus onderzoekt Duitse deelname aan GCAP na einde FCAS-straaljager, 11 september 2026 Aerospace Global News: Britse financiering GCAP en plannen Dassault, 4 juli 2026 Defensie.nl: verhoogde NAVO-norm vastgelegd in Den Haag, 25 juni 2025 Defensie.nl: defensiebegroting 2027 op Prinsjesdag, 15 september 2026 Defensie.nl: squadrons van het Defensie Helikopter Commando met Chinook en Apache Yahoo Finance: koershistorie Boeing Advertorial Ook particuliere beleggers die willen inspelen op de Amerikaanse en Europese defensie-uitgaven doen er goed aan scherp te letten op transactiekosten en valutamarges. MEXEM werd door Brokerskiezen.nl uitgeroepen tot beste allround broker van 2025, waarbij beleggers handelen tegen slechts 0,005% valutakosten tegenover 0,25% bij DEGIRO en SAXO Bank. Dat verschil kan jaarlijks oplopen tot honderden tot duizenden euro's. Daarmee geldt MEXEM voor veel beleggers als de meest complete keuze voor wie lage kosten en internationale spreiding belangrijk vindt.

  • Citi zet Moderna op verkopen na een koersexplosie

    Foto: Xuthoria (bijgesneden), CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons Weinig aandelen hebben een jaar als dit achter de rug. Dit Amerikaanse biotechbedrijf sloot op 2 januari op 30,86 dollar en eindigde dinsdag 29 september op 203,46 dollar, na een hoogste koers in een jaar van 208,90 dollar eerder die dag. Dat is een stijging van 559,3% (Yahoo Finance, eigen berekening). Op 20 november 2025 sloot hetzelfde aandeel nog op 22,36 dollar. Woensdag ging de rem erop. Citi verlaagde het advies van neutraal naar verkopen. Analist Geoff Meacham verhoogde zijn koersdoel weliswaar van 60 naar 80 dollar, maar dat ligt nog altijd 60,7% onder de slotkoers van dinsdag. Voorbeurs zakte het aandeel bijna 6% en in de eerste handelsuren noteerde het rond 191 dollar, 6,1% lager. Ook na die daling staat het aandeel dit jaar nog ruim 500% hoger. Dat het bedrijf een doorbraak heeft geboekt, staat vast. De vraag is hoeveel daarvan al in de koers zit. Moderna: van coronaheld tot bijna afgeschreven Het gaat om Moderna, het bedrijf dat tijdens de pandemie wereldberoemd werd met zijn mRNA-vaccin tegen corona. De omzet bereikte 18,5 miljard dollar in 2021 en 19,3 miljard dollar in 2022. Op 9 augustus 2021 sloot het aandeel op 484,47 dollar, de hoogste slotkoers ooit. Daarna ging het hard bergafwaarts. De vraag naar coronavaccins viel weg en nieuwe producten kwamen traag van de grond. In 2025 bleef de omzet volgens voorlopige cijfers steken op ongeveer 1,9 miljard dollar, 90,2% minder dan in 2022. Het aandeel zakte naar 22,36 dollar op 20 november 2025, een verlies van 95,4% vanaf de top. Ook na de rally van dit jaar staat Moderna nog 58,0% onder die piek uit 2021. Topman Stéphane Bancel greep in met stevige bezuinigingen. De bedrijfskosten moeten dalen naar ongeveer 4,9 miljard dollar in 2026 en 4,2 tot 4,6 miljard dollar in 2027. In 2028 wil Moderna kasstroomneutraal zijn. Voor dit jaar verwacht het bedrijf hooguit 10% omzetgroei. Veel beleggers geloofden daar niet in. Vlak voor de ommekeer in augustus stond volgens Yahoo Finance 13,4% van de verhandelbare aandelen short. Die positie gaf de latere koersexplosie extra kracht. Griep, kanker en een podium: zo verzesvoudigde de koers ruim Het begon in januari. Moderna presenteerde een strakker kostenplan en maakte op 20 januari met Merck vijfjaarsresultaten bekend van een fase 2b-studie bij huidkanker. Het gepersonaliseerde kankervaccin intismeran autogene verlaagde samen met Merck-middel Keytruda het risico op terugkeer van de kanker of overlijden met 49%, vergeleken met Keytruda alleen. Eind januari stond het aandeel op 44,07 dollar, 42,8% hoger dan op 2 januari. Daarna draaide het om griep. Een adviescommissie van de FDA stemde unaniem voor het griepvaccin mRNA-1010 en op 5 augustus volgde de goedkeuring: mFLUSIVA werd het eerste mRNA-griepvaccin in de Verenigde Staten, voor volwassenen vanaf 50 jaar. Op 18 augustus sloot Moderna op 62,96 dollar, 104,0% hoger dan op 2 januari. Toen kwam 19 augustus. Moderna en Merck meldden dat de fase 3-studie INTerpath-001 was geslaagd. Daarin kregen 1.137 patiënten bij wie een melanoom in stadium IIB tot IV was weggehaald intismeran met Keytruda, of Keytruda alleen. De combinatie verlengde de tijd zonder terugkeer van de kanker en de tijd zonder uitzaaiingen. Het is de eerste geslaagde fase 3-studie voor een kankerbehandeling op basis van mRNA. Het aandeel steeg die dag van 62,96 naar 174,38 dollar, 177,0% hoger en de beste dag in de geschiedenis van het bedrijf. Shortsellers verloren volgens Bloomberg 5,5 miljard dollar. Daarna volgden de vernieuwde coronavaccins, die de FDA op 27 augustus goedkeurde. Op 21 september werd bekend dat de melanoomdata een plek krijgen in het Presidential Symposium van het kankercongres ESMO, het podium voor studies die de praktijk kunnen veranderen. Het aandeel steeg die dag 12,3%. Tussen 18 augustus en dinsdag won Moderna 223,2%. Bron: Yahoo Finance (koersdata), eigen berekening De Belegger Lees ook: Moderna verdubbelt na deze historische doorbraak maar is het $57 miljard extra beurswaarde waard? Citi: deze koers vraagt om 26 miljard dollar kankeromzet per jaar Citi-analist Geoff Meacham betwist de doorbraak niet. Intismeran kan volgens hem een toonaangevende behandeling van melanoom worden. Zijn probleem is de prijs: hij kan de waardering niet rechtvaardigen, niet via een vergelijking met beursgenoteerde sectorgenoten en niet via een waardering van de pijplijn. Zijn rekensom is eenvoudig. Bij een koers van 200 dollar moeten de kankermiddelen jaarlijks ongeveer 26 miljard dollar omzetten. Omdat Moderna de kosten en winst van intismeran gelijk deelt met Merck, komt daarvan ongeveer 13 miljard dollar bij Moderna terecht. Dat is bijna zeven keer zoveel als Citi zelf verwacht. Zelfs als de belangrijkste kankerprogramma's met 100% zekerheid slagen, komt Citi uit op een waarde van ongeveer 100 dollar per aandeel, 50,9% onder de slotkoers van dinsdag. Meacham wijst er ook op dat Moderna met een beurswaarde van ongeveer 80 miljard dollar net zoveel waard is als Regeneron, een bedrijf met veel meer omzet en winst. Bovendien bewijst succes bij melanoom volgens hem niet dat de technologie ook bij andere tumoren werkt. Melanoom reageert namelijk relatief goed op bestaande immuuntherapie. Het advies weegt zwaar omdat verkoopadviezen schaars waren: slechts twee van de ongeveer twee dozijn analisten hadden er een. Een van hen is Rothschild & Co Redburn, dat op 3 september naar verkopen ging met een koersdoel van 81 dollar. Volgens die bank is de koers alleen te verklaren als intismeran bij vrijwel alle tumorsoorten werkt, terwijl daarvoor nauwelijks data bestaan. Daarnaast wees een rechter in Delaware op 28 september het verzoek van Moderna af om een octrooizaak van Bayer-dochter Monsanto over mRNA-technologie direct te beëindigen. Bron: Investing.com, CNBC Van 80 tot 180 dollar: Wall Street is diep verdeeld Na 19 augustus schroefden vrijwel alle banken hun koersdoelen fors op. Bank of America-analist Alec Stranahan noemde de studie een keerpunt en verhoogde op 20 augustus zijn advies van onderwegen naar neutraal en zijn koersdoel van 40 naar 170 dollar. Hij rekent op een piekomzet van 54 miljard dollar voor intismeran, niet gecorrigeerd voor de kans op mislukking. Goldman Sachs-analist Salveen Richter verhoogde op dezelfde dag het doel van 67 naar 120 dollar en sprak van een eerste ontgrendeling van de kankertak. Morgan Stanley ging van 39 naar 89 dollar en Jefferies van 60 naar 150 dollar. Alle drie houden een neutraal advies aan. Het meest optimistisch is onderzoeksbureau Argus, dat op 28 augustus naar kopen ging met een koersdoel van 180 dollar. Zelfs dat hoogste koersdoel ligt 11,5% onder de slotkoers van dinsdag. Het doel van Bank of America ligt 16,4% lager, dat van Goldman Sachs 41,0% en dat van Citi 60,7%. Het gemiddelde koersdoel lag eind september volgens The Motley Fool rond 77 dollar. De koers is de analisten dus ver vooruitgelopen. Het verschil tussen optimisten en pessimisten draait om één vraag: wordt intismeran een melanoommiddel of een platform voor tal van kankersoorten? Bank of America rekent met de brede variant, Citi en Redburn met de smalle. Over de melanoomstudie zelf zijn beide kampen wel positief. Weinig omzet, veel kas en een lening die bijna in de koers zit De huidige cijfers verklaren de koers niet. In het tweede kwartaal zette Moderna 145 miljoen dollar om, nauwelijks meer dan de 142 miljoen dollar een jaar eerder. Het nettoverlies bedroeg 782 miljoen dollar, of 1,97 dollar per aandeel. Moderna verwacht wel dat ongeveer 55% van de omzet uit de tweede jaarhelft in het derde kwartaal valt, aan het begin van het vaccinatieseizoen. Afgezet tegen die omzet is het aandeel duur. Volgens GuruFocus ligt de koers-omzetverhouding op 35,8, tegen een historische mediaan van 8,4. Beleggers betalen dus vooral voor omzet die er pas over een aantal jaren kan zijn. De kaspositie is een lichtpunt. Eind juni had Moderna 6,9 miljard dollar in kas en het bedrijf verwachtte het jaar af te sluiten met 4,7 tot 5,2 miljard dollar. Eind augustus haalde Moderna daar 3 miljard dollar bij op met renteloze converteerbare obligaties die in 2032 aflopen. De conversieprijs ligt op 210,58 dollar, slechts 3,5% boven de slotkoers van dinsdag. Boven dat niveau kunnen de obligaties in aandelen worden omgezet, maar Moderna kocht een afdekking die de verwatering opvangt tot een koers van 392,62 dollar. 24 oktober: het echte examen in Madrid Opvallend genoeg kent de markt de belangrijkste cijfers nog niet. In augustus meldden Moderna en Merck alleen dat de studie haar doelen haalde, niet hoe groot het effect is. Die zogeheten hazard ratio, de maat voor hoeveel lager het risico op terugkeer is, volgt op 24 oktober op het ESMO-congres in Madrid, dat van 23 tot en met 27 oktober duurt. Moderna houdt die dag ook een webcast voor beleggers. Citi gaf in augustus al aan waar de lat ligt. Een hazard ratio van 0,72 of lager noemde de bank positief, 0,65 of lager een duidelijke overwinning. Dat laatste staat voor een 35% lager risico. In de kleinere fase 2b-studie lag de hazard ratio op 0,51, een risicoverlaging van 49%. Valt het effect in fase 3 duidelijk kleiner uit, dan ligt bij deze koers een flinke correctie voor de hand. Daarna draait het om de rest van de pijplijn. Merck en Moderna testen intismeran in negen fase 2- en fase 3-studies bij melanoom, longkanker, blaaskanker en nierkanker. Pas als het middel buiten melanoom werkt, komt het scenario van Bank of America in beeld. Ook de totale overleving wordt nog onderzocht, en de octrooizaak van Monsanto loopt door. Wat beleggers moeten weten Moderna veranderde in 2026 van een afgeschreven coronabedrijf in een van de spannendste kankerverhalen op de beurs. De doorbraak is echt, met een nieuw griepvaccin en vernieuwde coronavaccins als extra steun. Wie gelooft dat intismeran bij meerdere tumorsoorten werkt, ziet in het scenario van Bank of America nog ruimte. Tegelijk loopt de koers ver voor op de cijfers en de analisten. Zelfs het hoogste koersdoel ligt onder de koers, de omzet bedraagt dit jaar hooguit 2,1 miljard dollar, de winst moet nog komen en de helft van de kankerwinst gaat naar Merck. Citi komt zelfs bij volledig succes van de belangrijkste kankerprogramma's niet verder dan ongeveer 100 dollar per aandeel. De komende weken worden bepalend. Op 24 oktober ziet de markt hoe groot het effect van intismeran precies is, daarna volgen de kwartaalcijfers. Wie in Moderna belegt of dat overweegt, moet rekening houden met forse koersuitslagen in beide richtingen. Een aandeel dat op één dag 177% kan stijgen, kan ook hard dalen. Bronnen Investing.com: Citi verlaagt Moderna naar verkopen, koersdoel 80 dollar (30 september 2026) CNBC: Citi ziet Moderna 60% dalen na de rally sinds half augustus (30 september 2026) Tradingpedia: Citi-verlaging en de octrooizaak van Monsanto (30 september 2026) 24/7 Wall St.: Moderna zakt 6% na Citi-verlaging (30 september 2026) GuruFocus: Moderna voorbeurs lager na Citi, koers-omzetverhouding (30 september 2026) Moderna: persbericht fase 3-studie INTerpath-001 (19 augustus 2026) Fierce Biotech: details fase 3-studie en de lat van Citi voor de hazard ratio (19 augustus 2026) The Motley Fool: Moderna stijgt 177% op melanoomdata (19 augustus 2026) Bloomberg: shortsellers verliezen 5,5 miljard dollar op Moderna (19 augustus 2026) Yahoo Finance: vijf redenen achter de koerssprong, inclusief short interest Yahoo Finance: analisten reageren op de koerssprong, Bank of America 170 dollar (20 augustus 2026) TipRanks: Bank of America, Goldman Sachs en Morgan Stanley verhogen koersdoelen (20 augustus 2026) Bitget News: Jefferies verhoogt koersdoel van 60 naar 150 dollar (20 augustus 2026) Yahoo Finance: Argus verhoogt Moderna naar kopen, koersdoel 180 dollar (28 augustus 2026) GuruFocus: Rothschild & Co Redburn naar verkopen, koersdoel 81 dollar (3 september 2026) The Motley Fool: ruim 550% hoger in 2026, gemiddeld koersdoel rond 77 dollar (28 september 2026) SEC: Moderna cijfers tweede kwartaal 2026 (31 juli 2026) SEC: Moderna voorlopige omzet 2025, kostenplan en doel 2028 (12 januari 2026) Yahoo Finance: Moderna jaarcijfers 2022, omzet 19,3 miljard dollar Merck: vijfjaarsdata fase 2b-studie intismeran (20 januari 2026) TipRanks: wetenschapsdag en positief advies FDA-commissie griepvaccin (26 juni 2026) BioPharma Dive: FDA keurt mRNA-griepvaccin mFLUSIVA goed (5 augustus 2026) BioSpace: FDA keurt vernieuwde coronavaccins 2026-2027 goed (27 augustus 2026) Yahoo Finance: prijsstelling converteerbare obligaties, conversieprijs 210,58 dollar (28 augustus 2026) SEC: afronding converteerbare obligaties van 3 miljard dollar (1 september 2026) 24/7 Wall St.: melanoomdata in Presidential Symposium op 24 oktober (21 september 2026) ESMO: ESMO Congress 2026, Madrid, 23 tot en met 27 oktober Lawyer Monthly: Pfizer en Moderna verliezen verzoek in octrooizaak van Bayer (september 2026) Yahoo Finance: historische koersdata Moderna (MRNA) Advertorial Ook particuliere beleggers die willen inspelen op Amerikaanse biotechaandelen zoals Moderna doen er goed aan scherp te letten op transactiekosten en valutamarges. MEXEM werd door Brokerskiezen.nl uitgeroepen tot beste allround broker van 2025, waarbij beleggers handelen tegen slechts 0,005% valutakosten tegenover 0,25% bij DEGIRO en SAXO Bank. Dat verschil kan jaarlijks oplopen tot honderden tot duizenden euro's. Daarmee geldt MEXEM voor veel beleggers als de meest complete keuze voor wie lage kosten en internationale spreiding belangrijk vindt.

  • De spaarder beslist hoeveel rentemarge ABN AMRO overhoudt

    In het kort ABN AMRO verdiende in het tweede kwartaal €781 miljoen. De bank meldde groeiende deposito's en betere marges bij Personal & Business Banking. De spaarder bepaalt mee hoeveel daarvan houdbaar is. Als marktrente stijgt, geeft een bank meestal een deel door via de depositorente. Dat deel heet de depositobeta. Bij €43,90 vraagt de koers een winst van rond €4 per aandeel. Dividend helpt het totaalrendement, maar een lagere rentemarge kan snel een groot deel van de winst raken. ABN AMRO verdient aan rentemarge, vergoedingen en financiële dienstverlening aan particulieren en ondernemingen. De bank financiert hypotheken en zakelijke leningen vooral met deposito's. Het verschil tussen de rente op leningen en de vergoeding aan spaarders is een centrale bron van winst. Dat verschil beweegt niet één op één met de ECB-rente. Leningen, hypotheken en deposito's herprijzen op verschillende momenten. De bank kan eerst profiteren en later alsnog meer rente aan spaarders betalen. Daarom staat vandaag niet de absolute rente centraal, maar hoeveel van een renteverandering ABN AMRO doorgeeft. Direct naar een onderdeel van dit artikel De depositobeta bepaalt de rekening Een paar basispunten rentemarge wegen zwaar Van rentemarge naar winst per aandeel Wat vraagt €43,90? Negen mogelijke koersen Kredietkwaliteit kan laat omslaan Kosten en de integratievraag Het sterkste bullargument Het sterkste bearargument Mijn conclusie De depositobeta bepaalt de rekening Depositobeta klinkt technisch, maar het idee is eenvoudig. Stijgt de marktrente met één procentpunt en verhoogt een bank de spaarrente met een half procentpunt, dan is de beta 50 procent. De andere helft blijft in eerste instantie bij de bank, afhankelijk van wat er aan de activakant gebeurt. De gevoeligheid wordt groot door de omvang. Op €150 miljard rentegevoelige deposito's kost 0,1 procentpunt extra vergoeding al €150 miljoen per jaar. Een ogenschijnlijk kleine beweging kan dus meer uitmaken dan een omvangrijk kostenprogramma. De module koppelt marktrente, depositobeta en een zelfgekozen depositobasis. Bij een marktrentestijging van 0,25 procentpunt en een beta van 45 procent gaat de spaarrente in het model 0,1125 procentpunt omhoog. Op een grote basis telt dat snel op. De uitkomst is geen voorspelling van ABN AMRO's rentelast. Niet alle deposito's zijn even gevoelig en activa herprijzen mee. De module maakt vooral duidelijk waarom de bank de klantvergoeding niet onbeperkt kan uitstellen wanneer concurrenten wel verhogen. Een paar basispunten rentemarge wegen zwaar Nettorentemarge is het renteverschil uitgedrukt als percentage van de renteverdienende activa. Op honderden miljarden activa vertegenwoordigt één basispunt, 0,01 procentpunt, al tientallen miljoenen euro's. De module gebruikt €320 miljard renteverdienende activa en een startmarge van 1,65 procent. Tien basispunten lagere marge scheelt dan ongeveer €320 miljoen aan jaarlijkse nettorente-inkomsten. Niet alles valt één op één in de nettowinst, maar de orde van grootte is belangrijk. ABN AMRO kan dit opvangen met groeiende leningen, fee-inkomsten of lagere kosten. Toch is geen van die hefbomen onbeperkt. Sneller krediet verstrekken kan later meer verliezen geven en te hard besparen kan controle en dienstverlening raken. De timing werkt bovendien vertraagd. Hypotheken kunnen jaren vaststaan, terwijl spaarders sneller reageren. De marge kan daardoor eerst stijgen en later normaliseren. Een kwartaal met sterke rentebaten is dus niet automatisch de nieuwe basis voor drie jaar. Van rentemarge naar winst per aandeel Rentemarge is maar één deel van de resultatenrekening. Fee-inkomsten, personeelskosten, IT, toezicht en kredietverliezen bepalen hoeveel winst uiteindelijk overblijft. Daarom combineren we de belangrijkste onderdelen in één eenvoudige winstbrug. De module rekent met €5,6 miljard nettorente-inkomsten, €3 miljard overige inkomsten, €5 miljard kosten en €0,6 miljard kredietverliezen. Na 25 procent modelbelasting ontstaat een winst per aandeel. Iedere schuif is aanpasbaar, zodat zichtbaar wordt welke aanname het meeste doet. Kredietverliezen verdienen hier een aparte waarschuwing. Lage verliezen ondersteunen de huidige winst, maar zijn cyclisch. Een verslechterende economie kan juist tegelijk met lagere rentemarge komen. Dan werken twee hefbomen dezelfde kant op. Wat vraagt €43,90? Het aandeel stond op 25 september 2026 in Amsterdam rond €43,90. De beurs was Euronext Amsterdam en de valuta euro. In de waardering rekenen we met koers plus dividend, omdat dividend voor een bankaandeel een belangrijk deel van het totaalrendement kan vormen. Bij negen procent gewenst totaalrendement, €2 jaarlijks dividend en 11,5 keer winst in september 2029 is rond €4 winst per aandeel nodig. Dividend verlaagt de benodigde eindkoers, maar mag niet worden gebruikt om onvoldoende winstkwaliteit te verbergen. Een eindmultiple boven elf is royaal voor een volwassen bank wanneer het rendement op eigen vermogen slechts rond de kapitaalkosten ligt. De markt kan zo'n multiple alleen vasthouden bij hoge winstkwaliteit, beperkte kredietverliezen en geloofwaardige kapitaalretour. Negen mogelijke koersen De scenario's gebruiken winst per aandeel maal een koers-winstverhouding. In de bearroute normaliseert rente-inkomen, stijgen kredietkosten en daalt de multiple. In de middenroute groeit winst per aandeel van €3,90 naar €4,40. In de gunstige route blijven kredietverliezen laag, dalen kosten en stijgt de winst per aandeel naar €5,20. De scenario's zijn geen koersdoelen en krijgen geen waarschijnlijkheid. Dividend komt boven op de getoonde koersen. Inkoop zit alleen in winst per aandeel en wordt niet nogmaals als extra waarde opgeteld. Kapitaaloverschot wordt evenmin los toegevoegd, omdat het nodig kan zijn voor de winstbasis en risico's. Kredietkwaliteit kan laat omslaan Bankwinsten ogen vaak het sterkst vlak voordat kredietverliezen normaliseren. Werkloosheid, huizenprijzen en faillissementen reageren vertraagd op rente en economie. ABN AMRO heeft een grote Nederlandse hypotheekportefeuille, die historisch relatief lage verliezen kende. Dat is een kracht, maar geen natuurwet. Een goed gedekte hypotheek kan toch betalingsproblemen geven. De bank heeft onderpand, maar gedwongen verkoop kost tijd en geld. Zakelijke leningen hebben andere gevoeligheden. Vastgoed, bouw, retail en cyclische industrie kunnen tegelijk verslechteren. Een paar basispunten extra kredietkosten op honderden miljarden blootstelling raken de winst sterk. Daarom moet een belegger voorzieningen, achterstanden en probleemleningen volgen voordat de nettowinst beweegt. Lage kredietkosten zijn geen permanente margebron. Zij zijn een gunstige fase die in scenario's kan normaliseren. Kosten en de integratievraag ABN AMRO werkt aan efficiency en digitale dienstverlening. Kostenbesparing kan ROE verbeteren, maar banken hebben hoge vaste uitgaven aan compliance, cybersecurity, data en systemen. Een bespaarde euro bij kantoorruimte is anders dan een euro minder controle. Overnames of integraties kunnen schaal bieden, maar vragen kapitaal en uitvoering. De economische test is winst per aandeel na integratie, niet alleen extra omzet. Synergie moet groter zijn dan financieringskosten, integratiekosten en het risico dat klanten vertrekken. Concurrentie komt van ING, Rabobank, bunq, buitenlandse banken en niet-bancaire platforms. Deposito's zijn in rustige tijden stabiel, maar klanten kunnen digitaal snel vergelijken. Daardoor kan financiering duurder worden zodra renteverschillen zichtbaar zijn. De depositobeta kan dan sneller oplopen dan de bank vooraf verwacht. Het sterkste bullargument ABN AMRO heeft een sterke Nederlandse franchise, veel deposito's en een grote hypotheekportefeuille. De bank kan bij beheerste kredietverliezen aanzienlijke winst en kapitaal genereren. Als kosten dalen en overtollig kapitaal verstandig wordt teruggegeven, groeit winst per aandeel zelfs zonder sterke balansgroei. Een hoge CET1-ratio biedt bescherming en strategische flexibiliteit. Dividend plus inkoop kan een groot deel van het rendement leveren. Wanneer ROE duurzaam boven de kapitaalkosten blijft, kan de markt een premie op boekwaarde rechtvaardigen. Het sterkste bearargument De huidige koers veronderstelt veel winstkwaliteit. Rente-inkomen kan normaliseren, spaarders kunnen meer vergoeding eisen en kredietkosten kunnen oplopen. Inkoop boven boekwaarde kan boekwaarde per aandeel verlagen. Nieuwe regelgeving kan de doelratio verhogen en theoretisch overschot vastzetten. Daarbij is een bankbalans per definitie met schuld gefinancierd. Een kleine fout op een grote kredietportefeuille kan veel van de jaarlijkse winst opslokken. De kapitaalbuffer vermindert het faillissementsrisico, maar voorkomt geen lagere winst of koers. Mijn conclusie ABN AMRO beschikt over kapitaal en winstgevendheid, maar de koers van €43,90 vraagt dat de rentemarge redelijk stevig blijft. De kern is hoeveel van de marktrente bij de bank blijft nadat spaarders, kredietverliezen, kosten en belasting zijn betaald. De belangrijkste controlepunten zijn depositogroei, gemiddelde klantvergoeding, nettorentemarge, fee-inkomsten, kredietkosten en kostenontwikkeling. Als de bank spaargeld behoudt zonder de hele renteverandering door te geven, blijft de winst sterk. Als spaarders sneller bewegen, kan de marge verrassend snel normaliseren. Lees ook: Goldman Sachs en de waardering van winst op eigen vermogen. Foto: Marguerite Bérard, officieel bedrijfsportret van ABN AMRO.

  • Bij MongoDB blijft van de aangepaste winst weinig over

    In het kort MongoDB groeide in het tweede kwartaal van boekjaar 2027 met 30 procent naar $771,8 miljoen omzet. Atlas groeide 29 procent en de vrije kasstroom kwam uit op $137,6 miljoen. De onderneming boekte bovendien $28,4 miljoen operationele winst volgens GAAP, tegenover een verlies van $65,3 miljoen een jaar eerder. De aangepaste operationele winst bedroeg echter $185,9 miljoen. Dat is een marge van ongeveer 24 procent, terwijl de GAAP-marge nog geen vier procent was. Het verschil bestaat uit kosten die voor de kas en aandeelhouder niet allemaal hetzelfde werken, maar ook niet zomaar verdwijnen. Bij $358,34 betaalt de markt voor jaren snelle groei en een veel hogere toekomstige marge. De kernvraag is hoeveel van de aangepaste winst uiteindelijk als vrije kasstroom per aandeel overblijft. Direct naar een onderdeel van dit artikel De margekloof is geen detail Vrije kasstroom is beter, maar niet perfect Atlas blijft de sterkste motor Groei per aandeel is de eerlijke test Waarom klanten blijven Wat vraagt $358,34? Drie mogelijke paden Het sterkste tegenargument Welke signalen tellen het eerst? Wat kan het middenpad versnellen? De margekloof is geen detail Aangepaste winst helpt om een bedrijf operationeel te vergelijken wanneer overnameboekhouding en eenmalige posten sterk schommelen. Het gevaar ontstaat wanneer terugkerende aandelenbeloning structureel buiten beeld blijft. Medewerkers krijgen waarde en bestaande aandeelhouders kunnen verwateren. Bij $771,8 miljoen omzet vertegenwoordigt 24,1 procent marge ongeveer $186 miljoen operationele winst. Een GAAP-marge van 3,7 procent komt rond $29 miljoen uit. Het verschil is dus meer dan $150 miljoen in één kwartaal. Niet iedere dollar van dat verschil is een directe kasuitstroom. Aandelenbeloning kost op het moment van toekenning geen cash. Economisch wordt de rekening betaald via nieuwe aandelen, hogere inkoop of een groter deel van de onderneming voor medewerkers. Vrije kasstroom is beter, maar niet perfect MongoDB genereerde $137,6 miljoen vrije kasstroom. Dat was bijna een verdubbeling ten opzichte van een jaar eerder. De groei laat zien dat vooruitbetalingen, abonnementen en operationele schaal daadwerkelijk cash opleveren. De module trekt een gekozen economische waarde van aandelenbeloning af van vrije kasstroom. Dat is geen officiële kasstroommaatstaf, maar helpt de aandeelhouder nadenken. Als vrije kasstroom $138 miljoen is en aandelenbeloning economisch $155 miljoen vertegenwoordigt, is de kasstroom na die overdracht negatief. Hier moet niet dubbel worden geteld. Wie aandelenbeloning van kasstroom aftrekt, moet dezelfde kosten niet nogmaals volledig via verwatering afboeken. Daarom gebruiken we dit als losse gevoeligheid en verwerken we de uiteindelijke impact één keer in de winst per aandeel. Atlas blijft de sterkste motor Atlas is de clouddienst van MongoDB. Klanten betalen op basis van verbruik. Dat is aantrekkelijk wanneer applicaties meer data en zoekopdrachten verwerken. Het kan ook schommelen wanneer klanten optimaliseren of projecten uitstellen. De productkracht zit in flexibiliteit voor ontwikkelaars. MongoDB slaat gegevens anders op dan een klassieke relationele database en past goed bij snel veranderende applicaties. Atlas neemt beheer uit handen en is beschikbaar via grote clouds. Concurrentie komt van Amazon, Microsoft en Google, maar ook van PostgreSQL-diensten, Snowflake en gespecialiseerde databases. De hyperscalers zijn tegelijk partner en concurrent. Zij leveren infrastructuur aan Atlas en verkopen eigen alternatieven. Groei per aandeel is de eerlijke test Het verwaterde aandelenaantal steeg van 81,1 naar 82,0 miljoen. Dat is niet dramatisch, maar het laat zien waarom winstgroei en winst per aandeel niet hetzelfde zijn. Bij sterke winstgroei valt één procent verwatering nauwelijks op. Bij vertraging wordt het verschil groter. In de module groeit de bedrijfswinst 25 procent per jaar en het aandelenaantal 1,1 procent. Over drie jaar stijgt de winst per aandeel dan minder hard dan de totale winst. De onderneming kan dit compenseren met inkoop, maar die cash kan dan niet naar onderzoek of overnames. Het management moet daarom drie dingen tegelijk laten zien: Atlas groeit, de GAAP-marge stijgt en de verwaterde teller blijft onder controle. Alleen de aangepaste marge verbeteren is onvoldoende. Waarom klanten blijven Databases zitten diep in applicaties. Migreren is kostbaar en riskant. Ontwikkelaars moeten code aanpassen, gegevens verplaatsen en prestaties opnieuw testen. Die overstapkosten geven MongoDB prijszettingsmacht en zorgen voor terugkerende omzet. Dezelfde diepte maakt verkoopcycli lang. Grote ondernemingen voeren beveiligings- en compliancecontroles uit voordat kritieke data worden verplaatst. Open-sourcealternatieven verlagen bovendien de technische drempel voor concurrenten. AI kan de vraag naar databases vergroten omdat agenten en applicaties meer ongestructureerde data gebruiken. Toch volgt omzet niet automatisch uit iedere AI-pilot. Klanten kunnen efficiënter coderen, workloads optimaliseren of data over meerdere platforms verdelen. Wat vraagt $358,34? We gebruiken een genormaliseerde winstbasis van $6,80 per aandeel. Dat is geen gerapporteerde verwachting, maar een startpunt om de hoge waardering zichtbaar te maken. Bij tien procent gewenst koersrendement moet het aandeel in drie jaar naar ongeveer $546. Bij 55 keer winst is dan ongeveer $9,93 winst per aandeel nodig. Dat vraagt meer dan dertien procent jaarlijkse groei vanaf de basis. Als de eindmultiple daalt naar 40, loopt de vereiste winst richting $13,65. De onderneming kan zo’n pad halen met 20 procent of meer omzetgroei, stijgende GAAP-marges en beperkte verwatering. De foutmarge is klein. Een lagere multiple kan een groot deel van de operationele vooruitgang opslokken. Drie mogelijke paden Het bear-scenario gaat uit van winst per aandeel tussen $5,80 en $7,20 en een dalende multiple. Het middenpad veronderstelt verdere schaal en $11 winst per aandeel in 2029. Het gunstige pad vraagt $15 en een multiple van 62. Dat gunstige pad is ambitieus, maar niet onmogelijk. MongoDB heeft een sterk product en een grote markt. Het middenpad laat tegelijk zien dat een goede onderneming niet genoeg is wanneer de waardering hoog blijft. Het sterkste tegenargument De optimist zegt dat GAAP-winst juist nu doorbreekt. Omzet groeit 30 procent, vrije kasstroom stijgt en Atlas wordt groter. Bij software kan marge snel oplopen zodra verkoop en onderzoek minder hard groeien dan omzet. Dat argument verdient gewicht. Het kwartaal was operationeel sterk. De voorzichtigheid zit niet in de kwaliteit van MongoDB, maar in de prijs en de keuze van winstmaatstaf. Wie 24 procent aangepaste marge gebruikt, moet begrijpen waarom GAAP nog rond vier procent ligt. We letten op Atlas-groei, GAAP-operationele marge, vrije kasstroom, aandelenbeloning en het verwaterde aandelenaantal. Als die vijf samen verbeteren, wordt $358,34 beter te verdedigen. Als alleen aangepaste winst stijgt, blijft de waardering kwetsbaar. Welke signalen tellen het eerst? Atlas-groei moet niet alleen van prijs komen. Meer workloads, hogere consumptie en nieuwe toepassingen geven een duurzamere basis. Wanneer klanten vooral optimaliseren en dezelfde database goedkoper laten draaien, kan gebruik groeien zonder evenveel omzet. De resterende prestatieverplichting geeft zicht op toekomstige contractomzet, maar is geen kasstroomgarantie. Contractduur, facturatiemoment en gebruik bepalen wanneer omzet en cash volgen. Daarom vergelijken we orderboek, omzetgroei en vrije kasstroom in plaats van één cijfer los te gebruiken. Bij margeverbetering is de samenstelling belangrijk. Minder marketing kan tijdelijk winst verhogen, maar de toekomstige groei verzwakken. Lagere cloudkosten of efficiëntere ondersteuning zijn structureler. Een hogere GAAP-marge samen met stabiele omzetgroei is daarom sterker dan een margeverbetering door alleen te bezuinigen. Tot slot moet aandeleninkoop worden afgezet tegen aandelenbeloning. Een groot inkoopbedrag dat de teller gelijk houdt is compensatie. Pas bij dalende verwaterde aandelen vergroot inkoop de winst per aandeel boven op de groei van het bedrijf. Wat kan het middenpad versnellen? Een duidelijke versnelling van Atlas zou het verhaal sterker maken, vooral wanneer zij voortkomt uit nieuwe productie-applicaties in plaats van korte pilots. Meer gebruik door bestaande klanten verlaagt de verkoopkosten per dollar omzet en kan de marge sneller verhogen. Prijszettingsmacht is een tweede hefboom. MongoDB kan hogere waarde vragen voor beveiliging, zoekfuncties en beheer, zolang klanten voldoende productiviteitswinst ervaren. Te agressieve prijsstijgingen duwen workloads juist naar PostgreSQL of cloudalternatieven. Een derde hefboom is kostenbeheersing. De onderneming hoeft onderzoek niet uit te hollen om efficiënter te worden. Een lager aandeel verkoop- en administratiekosten bij gelijkblijvende groei zou laten zien dat het model schaalt. Daartegenover staat concentratie bij de grote cloudplatforms. Atlas draait op infrastructuur van partijen die eigen databases verkopen. Hogere infrastructuurprijzen of minder gunstige afspraken kunnen de brutomarge raken. MongoDB moet dus sterk genoeg blijven om partner én concurrent tegelijk te gebruiken. De waardering reageert waarschijnlijk sterker op deze operationele signalen dan op één kwartaal klantengroei. Een groot aantal kleine gratis of laag betalende klanten klinkt aantrekkelijk, maar de beurswaarde wordt gedragen door grote, blijvende workloads en kasstroom per aandeel. Lees ook: Waarom MongoDB daalde ondanks 30 procent groei

  • Leveranciers betalen mee aan de groei van Amazon

    In het kort Amazon heeft een voordeel dat weinig retailers op deze schaal bezitten: klanten betalen vaak direct, terwijl leveranciers pas weken later hun geld krijgen. In de tussentijd beschikt Amazon over de kas. Dat negatieve werkkapitaal kan groei financieren zonder dat er nieuw aandelenkapitaal nodig is. Het voordeel is krachtig, maar niet gratis of permanent. Meer voorraad, kortere betaaltermijnen of zwakkere onderhandelingsmacht kunnen miljarden aan kas vastzetten. Daardoor kan de vrije kasstroom veel harder bewegen dan de winst uit de resultatenrekening doet vermoeden. Bij een koers van $247,35 en een actuele winst van ongeveer $12,43 per aandeel noteert Amazon rond 20 keer de winst. Dat oogt minder veeleisend dan enkele jaren geleden. De kwaliteit van die winst hangt echter ook af van de kascyclus, zeker nu investeringen in logistiek en AI hoog blijven. Direct naar een onderdeel van dit artikel Groei kan zichzelf financieren Voorraad is de eerste tegenkracht Leverancierskrediet kan ook krimpen Retail en advertenties versterken elkaar De concurrentie om AI-rendement Wat vraagt $247,35? Drie mogelijke paden Het sterkste tegenargument Waar de rekensom kwetsbaar is Groei kan zichzelf financieren Een klant betaalt Amazon bij de bestelling. Voorraad kan al eerder zijn ingekocht, maar de leverancier ontvangt zijn geld vaak later. Als de verkoop sneller groeit dan de voorraad en betaaltermijnen gelijk blijven, ontstaat extra kas. Dat is een belangrijke reden waarom operationele kasstroom tijdelijk sterker kan zijn dan de boekhoudkundige winst. De module rekent uit wat een verandering van de kascyclus betekent. Bij $500 miljard jaarlijkse kostprijs levert vijf dagen verbetering bijna $7 miljard kas vrij. Vijf dagen verslechtering vraagt hetzelfde bedrag extra. Dat is een enorme beweging zonder dat de operationele marge hoeft te veranderen. Die kas is niet hetzelfde als winst. Amazon moet leveranciers uiteindelijk betalen en de voorraad opnieuw aanvullen. Negatief werkkapitaal geeft vooral timingvoordeel. Het wordt structurele waarde wanneer omzet blijft groeien en de cyclus niet verslechtert. Voorraad is de eerste tegenkracht Voorraad moet beschikbaar zijn voordat de klant bestelt. Snellere levering verhoogt de klantwaarde, maar vraagt distributiecentra en artikelen dichter bij de consument. Als de vraag tegenvalt, blijft geld langer vastzitten en kunnen afboekingen of kortingen nodig zijn. De module vertaalt één extra week voorraad naar geblokkeerde kas. Bij $450 miljard jaarlijkse retailkostprijs gaat het om miljarden. Een hogere brutomarge helpt de winst op de verkoop, maar verandert niet dat de voorraad eerst moet worden betaald. Dit maakt seizoenen belangrijk. Voor feestdagen bouwt Amazon voorraad op. Daarna kan kas vrijkomen wanneer artikelen worden verkocht en leveranciers later worden betaald. Eén kwartaal extrapoleren is daarom riskant. De trend over meerdere kwartalen vertelt meer. Leverancierskrediet kan ook krimpen Betaaltermijnen zijn in feite krediet van leveranciers. Dat krediet is aantrekkelijk zolang Amazon sterke relaties houdt en leveranciers de voorwaarden accepteren. De machtsbalans is niet onbeperkt. Grote merken kunnen onderhandelen, kleine verkopers kunnen afhaken en toezichthouders kunnen naar betaalpraktijken kijken. De module laat zien hoeveel financiering in betaaltermijnen zit. Bij $500 miljard inkopen en 55 dagen termijn gaat het om ongeveer $75 miljard. Een verkorting met zeven dagen kost bijna $10 miljard kas. Dat is geen voorspelling, maar het maakt de gevoeligheid zichtbaar. Het sterke tegenargument is dat Amazon zijn schaal juist gebruikt om leveranciers meer afzet, logistiek en bereik te bieden. De voorwaarden zijn onderdeel van een bredere ruil. Zolang het platform voor leveranciers waardevol blijft, kan de kascyclus structureel gunstig zijn. Retail en advertenties versterken elkaar De winkels van Amazon trekken consumenten. Prime verhoogt de koopfrequentie. Fulfilment maakt snelle levering mogelijk. Verkopers betalen voor zichtbaarheid via advertenties. Die advertentie-omzet heeft doorgaans een veel hogere marge dan het verplaatsen van een pakket. Hierdoor kan retail economisch beter worden zonder dat de productmarge sterk stijgt. Iedere zoekopdracht met koopintentie is waardevol voor een adverteerder. De combinatie van transactiedata en logistiek is moeilijk te kopiëren. Daar staat regelgevingsrisico tegenover. Toezichthouders kijken naar de positie van Amazon tegenover verkopers, de rangschikking van producten en bundeling van diensten. Ook Walmart, Temu en gespecialiseerde winkels drukken op prijs en bezorgsnelheid. De concurrentie om AI-rendement AWS concurreert met Microsoft Azure en Google Cloud. Alle drie investeren tientallen miljarden in datacenters. Ze verkopen deels dezelfde chips, dezelfde modellen en vergelijkbare opslag. Het verschil zit in software, eigen chips, distributie en prijs. Amazon heeft een brede klantenbasis en kan klanten eigen Trainium-chips aanbieden. Dat verlaagt mogelijk de kosten tegenover uitsluitend Nvidia-hardware. De keerzijde is dat ontwikkelaars hun software moeten aanpassen en dat klanten prestaties met alternatieven vergelijken. De samenwerking met Anthropic versterkt het aanbod, maar effectenwinsten op dat belang zijn geen operationele cloudwinst. Voor de waardering tellen terugkerende omzet, marge en kasstroom. Een hogere private waardering van Anthropic kan de nettowinst tijdelijk verhogen zonder een dollar extra cash van klanten. Wat vraagt $247,35? We gebruiken de actuele winstbasis van ongeveer $12,43 per aandeel. Bij negen procent gewenst koersrendement moet de koers in drie jaar naar ongeveer $323. Bij een eindwaardering van 26 keer winst is dan ongeveer $12,42 winst per aandeel nodig. De huidige winstbasis is dus al voldoende als de markt die multiple vasthoudt. Bij 20 keer winst loopt de vereiste winst duidelijk hoger op. Amazon kan dat leveren wanneer AWS blijft groeien, de cloudmarge stevig blijft en retail plus advertenties verder verbeteren. Het wordt moeilijker wanneer capex langdurig sneller groeit dan operationele kasstroom of prijsconcurrentie de AWS-marge aantast. Drie mogelijke paden Het bear-pad combineert beperkte winstgroei met een lagere waardering. Het middenpad gebruikt $13, $15,50 en $18,50 winst per aandeel met multiples die geleidelijk normaliseren. Het gunstige pad vraagt $27 winst per aandeel in 2029 bij 27 keer winst. De scenario’s bevatten geen afzonderlijke waarde voor Anthropic. Eventuele economische winst komt pas mee wanneer zij duurzaam in Amazons winst per aandeel terechtkomt. Zo voorkomen we dat dezelfde waarde als deelneming én als operationele winst wordt geteld. Het sterkste tegenargument De optimist zegt dat Amazon precies in de juiste fase investeert. AI-vraag groeit sneller dan capaciteit, AWS heeft schaal en eigen chips kunnen de kosten per rekeneenheid verlagen. Tijdelijk zwakke vrije kasstroom is dan de prijs voor jaren groei. Dat is goed mogelijk. Amazon heeft eerder laten zien dat zware investeringen in fulfilment uiteindelijk een moeilijk te kopiëren netwerk opleverden. Alleen is de beurswaarde nu veel groter en de concurrentie in cloud veel sterker. We volgen daarom AWS-omzetgroei, segmentmarge, investeringen, operationele kasstroom en de winstbijdrage van advertenties. $16,6 miljard kwartaalwinst maakt AWS tot een uitzonderlijke motor. Bij $247,35 moet die motor zowel de AI-fabriek betalen als de winst per aandeel blijven verhogen. Waar de rekensom kwetsbaar is Een lagere rente helpt de waardering van groeibedrijven, maar verandert niet hoeveel cash een datacenter verdient. De operationele risico’s zitten in bezetting, energie, chipprijzen en de levensduur van hardware. Een server die sneller veroudert dan gepland kan de economische afschrijving hoger maken dan de boekhoudkundige last. Ook retail blijft cyclisch. Lonen, brandstof en bezorgkosten kunnen stijgen terwijl Amazon prijzen laag wil houden. Advertenties verzachten die druk, maar zijn afhankelijk van verkeer en koopintentie. Als consumenten minder zoeken of merken budgetten verlagen, neemt die hefboom af. Bij AWS speelt klantconcentratie anders dan bij een chipmaker. Er zijn veel klanten, maar enkele grote AI-ontwikkelaars kunnen enorme contracten en scherpe tarieven bedingen. Langlopende verplichtingen bieden omzetzicht, maar kunnen capaciteit en prijs voor jaren vastzetten. Daarom waarderen we Amazon als één concern en tellen we geen losse som-der-delenpremie boven op de scenario’s. AWS-winst, retail, advertenties, netto cash en investeringen komen uiteindelijk samen in dezelfde winst per aandeel. De balans geeft Amazon veel ruimte, maar capex blijft een keuze. Een dollar die naar een datacenter gaat, kan niet tegelijk naar inkoop, dividend of een overname. Amazon betaalt geen dividend en gebruikt inkoop niet als vaste rendementsmotor. De aandeelhouder is daardoor vooral afhankelijk van hogere toekomstige kasstroom en een blijvend hoge waardering. Voor 2027 letten we extra op de verhouding tussen nieuwe AI-capaciteit en omzet. Een stijgende afschrijving zonder vergelijkbare cloudgroei is een vroege waarschuwing. Stijgt AWS-omzet sneller terwijl de marge stabiel blijft, dan begint de zware investering juist zichtbaar te renderen. De goedkoopste manier om deze ontwikkeling te volgen is niet iedere AI-aankondiging tellen, maar vier cijfers naast elkaar zetten: AWS-omzet, AWS-winst, operationele kasstroom en investeringen. Samen laten ze zien of de klantvraag sneller groeit dan de rekening voor de infrastructuur. Lees ook: Waarom omzet alleen weinig zegt bij Amazon en Uber

  • Staar je bij Shopify niet blind op de vrije kasstroom

    In het kort Shopify groeide in het tweede kwartaal van 2026 met 34 procent en haalde een vrije-kasstroommarge van 18 procent. Dat zijn sterke cijfers. Alleen is vrije kasstroom van het bedrijf niet automatisch dezelfde waarde als vrije kasstroom voor één aandeelhouder. Een deel van de vergoeding voor medewerkers komt in aandelen. Dat scheelt directe kasuitgaven, maar kan het aantal stukken verhogen. Voor een belegger gaat het daarom om drie dingen tegelijk: totale vrije kasstroom, economische kosten van aandelenbeloning en de verwaterde aandelenteller. Voor het aandeel op $150,09 is dat verschil groot. De beurswaarde ligt rond $185 miljard. Om daar een aantrekkelijk rendement op te verdienen, moet Shopify de kasstroom niet alleen snel laten groeien, maar ook zorgen dat die groei per aandeel zichtbaar blijft. Direct naar een onderdeel van dit artikel Vrije kasstroom is het begin van de rekensom De aandelenteller kan een deel van de groei opeten Schaal moet de kasmarge omhoog trekken De concurrentie zit op iedere laag Wat vraagt $150,09? Drie mogelijke paden Het sterkste tegenargument Waar de verwachting kan breken Vrije kasstroom is het begin van de rekensom Vrije kasstroom is operationele kasstroom minus investeringen. Voor een softwareplatform is dat een nuttige maat, omdat er weinig fabrieken nodig zijn. Het getal wordt alleen beïnvloed door de manier waarop werknemers worden betaald. Aandelenbeloning is geen kasuitstroom in het kwartaal. Toch is zij economisch niet gratis. Nieuwe stukken verdelen de toekomstige kasstroom over meer eigenaren. Een onderneming kan dit compenseren met inkoop, maar dan wordt een deel van de vrije kasstroom alsnog gebruikt om verwatering tegen te gaan. De module begint bij $3,67 miljard kwartaalomzet en 18 procent vrije-kasmarge. Daarna trekken we een eigen aanname voor aandelenbeloning af. Dat is geen GAAP-berekening en ook geen tweede kasstroommaatstaf. Het laat zien hoeveel economisch voordeel overblijft als je personeelsaandelen behandelt als een overdracht van waarde. Het tegenargument is terecht: goede medewerkers kunnen veel meer waarde creëren dan hun aandelen kosten. Daarom is nul aandelenbeloning niet het doel. De toets is of vrije kasstroom per aandeel sneller groeit dan de koersverwachting. De aandelenteller kan een deel van de groei opeten Stel dat de totale vrije kasstroom drie jaar lang 22 procent per jaar groeit. Bij een gelijkblijvend aantal aandelen groeit de kasstroom per aandeel even snel. Stijgt de teller ieder jaar één procent, dan blijft per aandeel iets minder over. Eén procent lijkt klein, maar stapelt zich op. Een dalende teller kan juist extra groei geven. Daarvoor moet Shopify wel aandelen inkopen tegen een prijs die de toekomstige kasstroom rechtvaardigt. Op een hoge waardering haalt dezelfde dollar weinig stukken uit de markt. Daarom kijken we liever naar vrije kasstroom per verwaterd aandeel dan naar het absolute inkoopbedrag. Die maat neemt tegelijk de operationele prestaties, aandelenbeloning en kapitaalallocatie mee. In de module groeit $3 miljard vrije kasstroom met 22 procent per jaar. Met één procent jaarlijkse verwatering blijft de vooruitgang per aandeel sterk, maar lager dan de bedrijfsgroei. Verander de schuif en je ziet meteen hoeveel een kleine beweging in de teller na drie jaar betekent. Schaal moet de kasmarge omhoog trekken Shopify heeft een aantrekkelijke combinatie van software en betalingsvolume. De brutowinst groeit wanneer meer handelaren verkopen, terwijl een deel van onderzoek, merk en infrastructuur niet even snel hoeft mee te stijgen. Dat is de bron van operationele hefboom. De module verdeelt de kosten in een vast en variabel deel. Bij hogere omzet worden vaste kosten over meer dollars verdeeld. De kasmarge stijgt alleen als prijsdruk, fraude, cloudkosten en ondersteuning niet hetzelfde voordeel weer opslokken. Daar zit ook de relatie met de omzetmix. Merchant solutions heeft een lagere brutomarge dan abonnementen, maar een veel grotere markt. Als die omzet snel groeit en vaste kosten achterblijven, kan de absolute kasstroom toch harder stijgen. Het gaat dus niet om de hoogste marge, maar om het meeste duurzame geld per aandeel. De concurrentie zit op iedere laag Shopify concurreert met WooCommerce en andere webwinkelsoftware, met Amazon op marktplaats en logistiek, en met Stripe, Adyen en PayPal op betalingen. Grote merken kunnen bovendien eigen systemen bouwen. Het voordeel van Shopify is dat al die functies in één omgeving samenkomen. Een ondernemer kan een winkel bouwen, betalingen verwerken, voorraden koppelen, marketing meten en internationaal verkopen. Iedere extra dienst vergroot de overstapkosten. Het nadeel is dat de beste klanten ook de meeste onderhandelingsmacht hebben. Shopify moet genoeg waarde bieden om een vergoeding te rechtvaardigen zonder de handelaar naar een ander systeem te duwen. De verhouding tussen groei, take-rate en behoud is daarom belangrijker dan klantenaantal alleen. Wat vraagt $150,09? Omdat de winst nog door investeringen en aandelenbeloning wordt beïnvloed, waarderen we Shopify vanuit vrije kasstroom. Bij tien procent gewenst koersrendement moet de koers in september 2029 ongeveer $189 bedragen. Bij 1,34 miljard verwaterde aandelen en een eindmultiple van 40 keer vrije kasstroom is ongeveer $6,3 miljard jaarlijkse vrije kasstroom nodig. Kies een multiple van 25 en de vereiste kasstroom stijgt richting $10 miljard. Dat is een stevige lat. Shopify moet niet alleen het handelsvolume vergroten, maar ook de brutowinstmarge bewaken, operationele kosten laten achterblijven en verwatering beperken. De kasstroom per aandeel is de combinatie van al die factoren. Drie mogelijke paden Het bear-scenario gebruikt bescheiden vrije kasstroom per aandeel en dalende multiples. Het middenpad veronderstelt dat schaalvoordelen zichtbaar worden. In het gunstige pad stijgt de vrije kasstroom per aandeel naar $6,50 in 2029 terwijl de waardering hoog blijft. De scenario’s zijn gevoelig voor de gekozen winstdefinitie. Aandelenbeloning mag niet eerst uit de vrije kasstroom worden genegeerd en daarna via verwatering nogmaals worden afgetrokken. Daarom verwerken we de economische kosten één keer in de winst per aandeel. Het sterkste tegenargument De optimist wijst erop dat Shopify nog maar een deel van de wereldhandel bedient. Meer handel verschuift online, grote merken willen minder afhankelijk zijn van marktplaatsen en AI kan het bouwen en beheren van een winkel goedkoper maken. Shopify hoeft dan niet de hoogste marge te hebben om veel absolute kasstroom te creëren. Dat argument is overtuigend. De onderneming heeft een sterk ecosysteem en blijft snel groeien. De voorzichtigheid zit in de prijs. Op $150,09 is een groot deel van de toekomstige schaal al verdisconteerd. Een paar punten lagere brutomarge kunnen jaren aan omzetgroei neutraliseren. We letten daarom op groei van brutowinst in dollars, vrije-kasstroommarge, GMV, take-rate en het verwaterde aantal aandelen. Als die vijf samen verbeteren, verdient Shopify zijn hoge waardering. Als alleen de omzet hard groeit, blijft het aandeel kwetsbaar. Waar de verwachting kan breken Een recessie raakt Shopify op twee manieren. Handelaren verkopen minder en zwakke winkels stoppen eerder met hun abonnement. De omzet daalt dan niet alleen door lager GMV, maar ook door minder actieve klanten. Kredietverliezen kunnen tegelijk stijgen. Internationale groei brengt valutarisico, lokale betaalmethoden en extra regelgeving mee. Shopify moet investeren voordat ieder land voldoende schaal heeft. Dat kan de brutomarge tijdelijk drukken, ook wanneer het strategisch verstandig is. AI vormt zowel kans als bedreiging. Automatische winkelbouw, klantenservice en productteksten verlagen de kosten voor ondernemers. Tegelijk kunnen consumenten via een AI-assistent kopen zonder de klassieke webwinkel te bezoeken. Shopify moet dan de betaal- en orderlaag blijven bezitten, ook als de voorkant verandert. De grootste fout is daarom één groeipercentage doortrekken. Het kwartaal met 34 procent omzetgroei is een sterk startpunt, geen garantie. De kwaliteit van de volgende groeidollar hangt af van productmix, fraude, prijszetting en de kosten om grotere klanten binnen te halen. Ook de balans verdient aandacht. Een ruime kaspositie geeft Shopify de mogelijkheid om in producten te investeren en tijdelijke tegenwind op te vangen. Overnames kunnen het aanbod versnellen, maar verhogen het risico dat goodwill of integratiekosten de gerapporteerde winst vertroebelen. Het management gaf voor het derde kwartaal ongeveer $150 miljoen aandelenbeloning aan. Dat is een echte vergoeding voor medewerkers. De kasstroom oogt daardoor beter dan wanneer dezelfde beloning contant was betaald. Voor de aandeelhouder telt uiteindelijk of de extra waarde per aandeel sneller groeit dan het aantal stukken. Een eenvoudige controle is de brutowinst per verwaterd aandeel. Die maat combineert de omzetmix met de aandelenteller en omzeilt een deel van de ruis in aangepaste winst. Stijgt zij meerdere kwartalen sneller dan de koersverwachting, dan wordt het rendementsperspectief beter. Blijft zij achter bij de omzet, dan groeit vooral de omvang en nog niet de waarde van ieder aandeel. Lees ook: Waarom een sterk Shopify-kwartaal toch niet altijd een hogere koers geeft

  • Europese luchtvaart groeit maar de grootste luchthavens blijven achter

    In het kort Het Europese vliegverkeer trok in juli en augustus weer aan, maar de winst kwam niet overal terecht. Het aantal passagiers groeide sneller dan het aantal vluchten, waardoor maatschappijen meer reizigers uit dezelfde bewegingen haalden. Middelgrote luchthavens groeiden in augustus veel harder dan de grootste hubs, terwijl Schiphol vrijwel stilstond. Voor beleggers is het passagierstotaal daarom minder belangrijk dan de combinatie van reizigers per vlucht, tarieven en bestedingen op de luchthaven. De zomer bracht een duidelijk herstel na de dip in het voorjaar. Volgens de augustuscijfers van ACI Europe lag het aantal passagiers in juli 3,9 procent en in augustus 3,1 procent hoger dan een jaar eerder. Het aantal vliegtuigbewegingen, iedere start of landing telt als één beweging, nam in die maanden met respectievelijk 2,7 en 2,2 procent toe. De markt vervoerde dus niet alleen meer mensen, maar deed dat ook met iets meer reizigers per vlucht. Dat herstel volgt op een zwak tweede kwartaal. ACI Europe meldde in zijn halfjaarrapport van 30 juli dat de passagiersgroei terugviel van 4,3 procent in het eerste kwartaal naar 1,3 procent in het tweede. De oorlog in het Midden-Oosten verstoorde routes en hogere brandstofkosten zetten luchtvaartmaatschappijen ertoe aan capaciteit te schrappen. De zomer laat zien dat de vraag terugkeerde, maar nog niet dat iedere luchthaven daar evenveel aan verdient. Direct naar een onderdeel van dit artikel Meer passagiers per vlucht dempen de kosten De groei schuift weg van de grootste hubs Wie profiteert en wie de rekening krijgt Hoeveel vluchtgroei is nodig als efficiëntie stopt Drie groeipaden tot en met 2029 De zomer is goed nieuws maar nog geen sectorbrede doorbraak Meer passagiers per vlucht dempen de kosten Passagiersgroei en vluchtgroei zijn niet hetzelfde. Deel in augustus de index voor passagiers, 103,1, door de index voor vliegtuigbewegingen, 102,2. De uitkomst is 1,0088. Gemiddeld kwamen er dus ongeveer 0,88 procent meer passagiers per beweging dan een jaar eerder. Voor juli is dezelfde berekening 103,9 gedeeld door 102,7, wat ongeveer 1,17 procent oplevert. Die verhouding is economisch belangrijk. Een extra vlucht vraagt een toestel, bemanning, brandstof, een vertrektijd en afhandeling op de grond. Een extra reiziger in een stoel die anders leeg zou blijven, voegt vooral variabele kosten toe. Daardoor kan de opbrengst per vlucht sneller verbeteren dan het aantal vluchten doet. Voor een luchthaven kunnen bovendien winkelomzet, parkeren en horeca stijgen zonder dat iedere passagier een extra start of landing veroorzaakt. Toch is dit geen gemeten bezettingsgraad. De berekening deelt alle passagiers door alle vliegtuigbewegingen en kent het aantal aangeboden stoelen niet. Grotere toestellen, minder vrachtvluchten of een andere mix van korte en lange afstanden kunnen dezelfde uitkomst geven. Ook zegt een hogere gemiddelde bezetting niets over de winst op een specifieke route. Een volle vlucht kan bij lage ticketprijzen minder opleveren dan een halfvolle zakelijke verbinding. ACI Europe ziet dit patroon al langer. In het connectiviteitsrapport over 2025 stond dat het passagiersverkeer sneller herstelde dan de luchtverbindingen, mede doordat luchtvaartmaatschappijen meer passagiers per beweging vervoerden. Dat is efficiënt voor capaciteit en kosten, maar het betekent ook dat een groeiend passagierstotaal niet automatisch meer bestemmingen of frequenties oplevert. De groei schuift weg van de grootste hubs De verschillen tussen luchthavens zijn groot. De grootste Europese hubs verwerkten in augustus samen 1,3 procent meer passagiers dan een jaar eerder. De categorie grote luchthavens groeide met 4,8 procent en de middelgrote groep met 5,2 procent. Schiphol kwam uit op slechts 0,1 procent groei. Frankfurt verloor 0,3 procent en München 0,5 procent, terwijl Istanbul 3,0 procent won. Zet alle luchthavens voor het rekenvoorbeeld op een index van 100. Schiphol eindigt dan op 100,1 en de middelgrote groep op 105,2. Het verschil is 5,1 indexpunt. Relatief op Schiphol gerekend is dat 105,2 gedeeld door 100,1 min één, oftewel ongeveer 5,09 procent. Dat is geen verloren marktaandeel in strikte zin, want de groepen hebben verschillende aantallen reizigers en routes. Het maakt wel zichtbaar waar de groei naartoe gaat. Lagekostenmaatschappijen en vakantievluchten kunnen kleinere luchthavens snel laten groeien wanneer zij toestellen toevoegen aan populaire bestemmingen. Grote hubs hebben meer overstappers, zakelijke routes en intercontinentale verbindingen. Daar zijn de netwerken waardevol, maar ook ingewikkelder en duurder. Schaarse slots, luchtruimbeperkingen en hogere operationele kosten kunnen groei afremmen. Een groot netwerk biedt dus schaal, maar niet vanzelf het hoogste groeipercentage. Wie profiteert en wie de rekening krijgt Voor luchthavenexploitanten zijn extra passagiers interessant zolang de opbrengst per reiziger de extra kosten overtreft. Winkels, horeca, parkeren en lounges kunnen profiteren. Luchtvaartmaatschappijen winnen wanneer zij lege stoelen vullen zonder de ticketprijs te ver weg te geven. Werknemers en toeleveranciers krijgen meer werk als de vraag structureel blijft. Reizigers profiteren vooral als extra capaciteit leidt tot meer keuze of lagere prijzen. Een rekenvoorbeeld laat zien hoe een brandstofschok kan doorwerken. Stel dat twee reizigers ieder een basistarief van 250 euro voor een retour betalen. Een kostenstijging van 6 procent is bruto 2 maal 250 maal 0,06, dus 30 euro. Als de maatschappij 70 procent doorberekent, is het netto ticketeffect voor de reizigers 21 euro per reis, gemiddeld 1,75 euro per kalendermaand wanneer zij één zo'n reis per jaar maken. Dit bedrag is exclusief belastingen, bagage en luchthaventarieven en zegt niets over de werkelijke prijszetting van een maatschappij. De rekening kan ook buiten het ticket vallen. Meer passagiers veroorzaken drukte in terminals en op toegangswegen. Meer vluchten brengen geluid en uitstoot mee, ook wanneer de uitstoot per passagier daalt. Omwonenden betalen dan een deel van de maatschappelijke kosten zonder de reis of de omzet te ontvangen. Een efficiëntere bezetting is daarom gunstiger dan dezelfde groei met alleen extra vluchten, maar maakt de totale milieudruk niet automatisch kleiner. Het omgekeerde geldt voor regionale luchthavens. Snelle groei kan lokale horeca en bereikbaarheid helpen, maar vraagt soms investeringen in beveiliging, bagageafhandeling en openbaar vervoer. Wie profiteert hangt dus af van de marge na die investeringen. Passagiersgroei is omzetpotentieel, geen nettowinst. Hoeveel vluchtgroei is nodig als efficiëntie stopt Draai de economische vraag om. De middelgrote luchthavens groeiden in augustus 5,2 procent in passagiers. Stel dat een luchthaven het Europese efficiëntievoordeel van 0,88 procent meer passagiers per beweging kan vasthouden. Hoeveel extra bewegingen zijn dan nog nodig om dezelfde passagiersgroei te bereiken? De formule is 1,052 gedeeld door 1,0088 min één. De benodigde groei van het aantal bewegingen komt uit op ongeveer 4,28 procent. Zonder verbetering van het aantal passagiers per beweging zou de volledige 5,2 procent uit extra vluchten moeten komen. Met een efficiëntiewinst van 2 procent daalt de benodigde vluchtgroei naar ongeveer 3,14 procent. Efficiëntie helpt dus, maar vervangt de uitbreiding niet volledig wanneer de vraag veel sneller groeit. Deze rekensom heeft grenzen. Een luchthaven kan niet zomaar elke vlucht voller maken. Reizigers willen op specifieke dagen en tijden vliegen. Een overstapknooppunt moet aankomsten en vertrekken op elkaar laten aansluiten. Grotere toestellen zijn niet op iedere route rendabel en niet onmiddellijk beschikbaar. Bovendien kan een gemiddelde verbetering verbergen dat sommige vluchten uitpuilen terwijl andere dun bezet blijven. Het sterkste tegenargument tegen een optimistische lezing van de zomer is daarom de kalender. Juli en augustus zijn drukke vakantiemaanden en vergeleken met een periode waarin oorlog en hoge brandstofkosten de capaciteit drukten. Een tijdelijke inhaalslag kan er sterk uitzien zonder dat de winterdienstregeling, zakelijke vraag of marges verbeteren. Pas als het verschil tussen passagiers en bewegingen meerdere kwartalen standhoudt, wordt het een geloofwaardiger structureel verhaal. Drie groeipaden tot en met 2029 Voor de komende drie kalenderjaren nemen we het Europese passagiersvolume aan het einde van 2026 als index 100. Het basisscenario veronderstelt 3 procent groei per jaar. De formule is 100 maal 1,03 tot de macht van het aantal jaren na 2026. Dat geeft 103,0 in 2027, 106,1 in 2028 en 109,3 in 2029. In het zwakke scenario groeit het volume 1 procent per jaar. De index komt dan uit op 101,0, 102,0 en 103,0. Dit past bij aanhoudend hoge brandstofkosten, beperkte capaciteit en zwakke koopkracht. In het sterke scenario groeit het volume 5 procent per jaar naar 105,0, 110,3 en 115,8. Daarvoor moeten vraag, beschikbare toestellen en luchthavencapaciteit tegelijk meewerken. Dit zijn eigen scenario's per 30 september 2026, geen voorspellingen van ACI Europe. De index zegt niets over ticketprijzen, omzet per passagier of winstmarges. Ook kan de sector als geheel groeien terwijl een individuele hub achterblijft. Voor een luchthavenbedrijf is 1 procent volumegroei met hogere tarieven soms aantrekkelijker dan 5 procent groei waarvoor veel extra personeel en investeringen nodig zijn. De zomer is goed nieuws maar nog geen sectorbrede doorbraak De conclusie is nuchter. Het herstel in juli en augustus laat zien dat de reislust na de voorjaarsdip terugkeerde. Dat passagiers sneller groeiden dan vliegtuigbewegingen is positief voor het gebruik van schaarse capaciteit. Maar de winst is ongelijk verdeeld en Schiphol profiteerde nauwelijks van de Europese versnelling. Beleggers moeten daarom kijken naar passagiers per beweging, commerciële opbrengst per reiziger en kosten per vlucht, niet alleen naar de kop boven het maandbericht. Lees ook: Schiphol kan meer reizigers trekken zonder extra vluchten. Mijn oordeel verandert als de wintercijfers twee dingen tegelijk laten zien: grote hubs groeien weer minstens zo snel als de middelgrote groep en de opbrengst per passagier stijgt zonder dat kosten per beweging harder oplopen. Blijft Schiphol rond stilstand hangen terwijl regionale en middelgrote luchthavens doorgroeien, dan is het Europese herstel voor de Nederlandse hub vooral een gemiste kans. Een volle zomer is dan geen bewijs van een sterk verdienmodel, maar een herinnering dat de groei elders landt. Foto: Stefan Schulte, voorzitter van ACI Europe en CEO van Fraport. Archieffoto uit 2022. Beeld Drev82 via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0.

  • Micron boekt 54 miljard dollar omzet en mikt nog hoger

    In het kort Micron sluit zijn boekjaar af met 54,23 miljard dollar kwartaalomzet en een aangepaste winst van 33,42 dollar per aandeel. Beide liggen boven de verwachtingen, en voor het volgende kwartaal rekent de geheugenmaker op 60 tot 63 miljard dollar omzet. Vooral de datacenteractiviteiten groeien hard, terwijl er ook na de fabrieksinvesteringen veel geld overblijft. Voor het aandeel draait het nu om de houdbaarheid van die uitzonderlijk hoge winstgevendheid. Wie woensdagavond naar Microns cijfers kijkt, ziet een bedrijf dat in één kwartaal meer omzet draait dan in het hele voorgaande boekjaar. Dat is geen kleine meevaller. De vraag naar geheugen voor AI-systemen heeft de schaal en de winstgevendheid van Micron in korte tijd veranderd. De vooruitblik geeft voorlopig weinig aanleiding om een plotselinge groeistop te verwachten. Toch volgt daar niet automatisch uit dat het aandeel goedkoop is. Bij een geheugenproducent kan een lage koers-winstverhouding ook betekenen dat beleggers rekening houden met lagere winsten zodra de schaarste afneemt. Juist daarom verdienen de marges, kasstroom en investeringen net zoveel aandacht als de omzet. Direct naar een onderdeel van dit artikel De cijfers liggen boven een al hoge verwachting De 18 miljard dollar zit in één datacenteronderdeel Meer omzet verwacht, maar een iets lagere brutomarge De winst komt ook binnen op de bankrekening De nieuwe contracten helpen, maar schaffen de cyclus niet af Rond 1.065 dollar lijkt Micron goedkoop op de nieuwste winst Drie scenario's laten zien hoeveel de marge uitmaakt De resultaten zijn sterk genoeg om verder dan de meevaller te kijken De cijfers liggen boven een al hoge verwachting Micron rapporteerde op 30 september over het vierde kwartaal van boekjaar 2026, dat eindigde op 3 september. In de officiële resultaten staat 54,229 miljard dollar omzet, tegenover 41,456 miljard een kwartaal eerder en 11,315 miljard een jaar geleden. Dat betekent ongeveer 31 procent groei ten opzichte van het vorige kwartaal en 379 procent op jaarbasis. De door Yahoo Finance genoemde analistenverwachting was 51,49 miljard dollar. Micron kwam daar zo'n 5,3 procent bovenuit. De aangepaste winst per aandeel van 33,42 dollar overtrof de verwachting van 31,83 dollar met ongeveer 5 procent. Andere dataleveranciers hanteren iets andere consensuscijfers; de vergelijking hieronder gebruikt steeds de cijfers van Yahoo Finance. Er zit ook een kalendereffect in de vergelijking. Tussen de gerapporteerde kwartaaldata liggen dit keer veertien weken, tegenover dertien weken in een regulier kwartaal. Dat helpt de totale omzet. Een eenvoudige omrekening naar omzet per week brengt de groei tegenover het vorige kwartaal terug naar ongeveer 21 procent. Dat is nog steeds veel, maar het maakt duidelijk waarom totale kwartaalgroei niet hetzelfde is als groei bij een gelijk aantal verkoopdagen. De eerste module zet de meevallers naast elkaar. Pas de verwachte omzet of winst aan om te zien hoeveel verschil een andere consensus maakt. De winst is ook volgens de gewone Amerikaanse boekhoudregels hoog. De GAAP-nettowinst bedraagt 37,70 miljard dollar, of 32,87 dollar per verwaterd aandeel. De aangepaste nettowinst is 38,40 miljard dollar. In de aansluiting tussen beide zitten onder meer aandelenbeloningen en een patentlicentielast van 500 miljoen dollar. Het sterke resultaat hangt dus niet alleen aan het wegstrepen van kosten, al blijven die kosten economisch relevant. Over heel boekjaar 2026 kwam de omzet uit op 133,19 miljard dollar en de GAAP-nettowinst op 84,97 miljard. Een jaar eerder waren dat 37,38 miljard en 8,54 miljard dollar. Het slotkwartaal vertegenwoordigt daarmee ongeveer 41 procent van de jaaromzet. Een vergelijking met alleen de gemiddelde winst over het afgelopen jaar loopt behoorlijk achter op het huidige tempo. De 18 miljard dollar zit in één datacenteronderdeel De opvallende 18 miljard dollar uit de eerste berichten is de omzet van Core Data Center, niet de totale datacenteromzet van Micron. Daarnaast boekte Cloud Memory 16,28 miljard dollar omzet. Samen zijn die twee onderdelen goed voor ongeveer 63 procent van de groepsomzet. Wie alleen naar één van beide kijkt, mist dus een groot deel van het verhaal. Core Data Center groeide van 11,52 naar 18 miljard dollar in één kwartaal. Dat onderdeel leverde ongeveer de helft van de totale omzettoename van Micron. De brutomarge kwam op 90 procent en de operationele marge op 85 procent. Cloud Memory groeide ook, maar daar bleef de brutomarge op 83 procent en daalde de operationele marge van 78 naar 76 procent. Dat verschil is leerzaam. Niet elk onderdeel profiteert op hetzelfde moment even sterk. Contractprijzen, productmix, ontwikkelingskosten en beschikbare capaciteit kunnen uiteenlopen. De cijfers laten zien waar de winst terechtkomt, maar geven niet voldoende informatie om de hele verandering exact toe te schrijven aan prijzen of aantallen verkochte chips. Ook buiten datacenters groeit Micron. Mobile and Client en Automotive and Embedded dragen samen bijna 20 miljard dollar kwartaalomzet bij. In de module kun je per onderdeel omzet, groei en marges bekijken. Geheugen is bovendien meer dan HBM, de gestapelde geheugenchips die veel gegevens snel naar een AI-processor kunnen sturen. Een datacenter heeft ook werkgeheugen voor gewone serverprocessoren en opslag nodig. Bij AI die meerdere stappen uitvoert, lange gesprekken verwerkt of veel informatie terughaalt, kunnen verschillende onderdelen van dat systeem zwaarder worden belast. Meer vraag naar één type chip vertelt daarom niet het hele verhaal over Micron. In de productupdate meldt Micron dat de omzet uit zijn zuinige SOCAMM-servergeheugen meer dan verdubbelde tegenover het vorige kwartaal. Het bedrijf levert daarnaast snelle SSD's voor toepassingen die eerder berekende informatie bij AI-gebruik bewaren. De eerste proefexemplaren van nieuwe 512GB-servermodules zijn verstuurd. Een proeflevering is nog geen grote omzetstroom, maar laat wel zien waar Micron verder wil groeien. Meer omzet verwacht, maar een iets lagere brutomarge Voor het eerste kwartaal van boekjaar 2027 verwacht Micron 60 tot 63 miljard dollar omzet. Het midden van die bandbreedte, 61,5 miljard, ligt ongeveer 13 procent boven het zojuist gerapporteerde kwartaal. Vergeleken met de 56,77 miljard dollar verwachting in het overzicht van Yahoo Finance is dat ruim 8 procent hoger. De aangepaste winstverwachting bedraagt 38,15 dollar per aandeel, met een bandbreedte van één dollar aan beide kanten. Onder GAAP is het midden 37,84 dollar. Dat is een stevige vooruitblik, maar er zit een nuance in: de aangepaste brutomarge gaat volgens Microns raming van 87 naar ongeveer 86,25 procent. De GAAP-brutomarge komt naar verwachting op ongeveer 85,95 procent, tegen 86,8 procent nu. Een lagere marge betekent niet direct minder winst. Bij meer omzet kan de totale brutowinst alsnog toenemen. Op het midden van de omzetverwachting komt 86,25 procent uit op circa 53 miljard dollar aangepaste brutowinst, tegenover 47,20 miljard in het afgelopen kwartaal. Dit is een rekensom met de guidance, geen afzonderlijke winstprognose van Micron. Het bedrijf verwacht daarbij ongeveer 2,06 miljard dollar aangepaste operationele kosten, lager dan de 2,57 miljard van het afgelopen kwartaal. Meer omzet en lagere operationele kosten kunnen dus een deel van de margedaling opvangen. Voor de komende cijfers wordt vooral relevant of dat lukt zonder dat leveringen, productontwikkeling of nieuwe productiecapaciteit vertraging oplopen. De winst komt ook binnen op de bankrekening Een hoge boekhoudkundige winst is prettiger wanneer er geld tegenover staat. Micron rapporteert 43,97 miljard dollar operationele kasstroom in het vierde kwartaal. Na 10,77 miljard dollar netto-investeringen resteert 33,20 miljard dollar aangepaste vrije kasstroom. Dat geeft het bedrijf veel ruimte om nieuwe fabrieken te bouwen en tegelijkertijd zijn balans te versterken. Het woord netto verdient hier aandacht. De werkelijke uitgaven aan gebouwen en apparatuur bedroegen 11,11 miljard dollar. Micron trekt daar in zijn maatstaf onder meer 327 miljoen dollar overheidsbijdragen en 9 miljoen dollar opbrengsten uit verkochte activa vanaf. Trek je alleen de bruto-investeringen van de operationele kasstroom af, dan blijft 32,86 miljard dollar over. De kasstroom is dus ook zonder die tegemoetkomingen sterk. Over het hele boekjaar bedroegen de netto-investeringen 27,37 miljard dollar en de aangepaste vrije kasstroom 62,31 miljard. Dat zijn forse bedragen, maar een fabriek verdient zich over meerdere jaren terug. De kasstroom van één uitstekend kwartaal mag daarom niet het enige uitgangspunt zijn voor alle toekomstige bouwplannen. De module hieronder laat zien hoeveel geld er overblijft bij een andere operationele kasstroom of investeringsrekening. De beginstand sluit aan op Microns kwartaalrapportage. Op de balans staat 73,48 miljard dollar aan kasmiddelen, verhandelbare beleggingen en beperkt beschikbare cash. Daar staat ongeveer 5,18 miljard dollar rentedragende schuld tegenover. Het verschil van circa 68,3 miljard dollar is een ruime financiële buffer, maar niet hetzelfde als geld dat allemaal direct aan aandeelhouders kan worden uitgekeerd. Zo ontving Micron in het boekjaar 12,75 miljard dollar aan klantdeposito's uit contracten. Die staan in het kasstroomoverzicht onder financiering, niet onder operationele kasstroom. Er horen toekomstige verplichtingen bij. Het is dus onjuist om die ontvangst als extra omzet of vrij verdiende winst te behandelen. Tegelijk is de hoge operationele kasstroom daarmee niet simpelweg het gevolg van deze deposito's. Verder liepen de handelsvorderingen op naar 36,20 miljard dollar en de voorraden naar 10,37 miljard. Dat past deels bij een veel groter bedrijf, maar blijft iets om te volgen. Sneller factureren is niet hetzelfde als sneller betaald krijgen. Bij een omslag in de markt kunnen hogere voorraden bovendien een probleem worden voordat je dat volledig terugziet in de omzet. Lees ook: Microns zuinige geheugenmodule wordt pas in 2027 volume De nieuwe contracten helpen, maar schaffen de cyclus niet af Topman Sanjay Mehrotra wijst in het persbericht op langlopende klantafspraken die meer vertrouwen geven in de houdbaarheid van de resultaten. Dat is begrijpelijk. Wie vooraf beter weet hoeveel klanten willen afnemen, kan investeringen in fabrieken beter plannen. Klantdeposito's helpen bovendien bij de financiering. Toch is een lang contract geen vervanging voor het lezen van de voorwaarden. De bescherming hangt af van afgesproken volumes, prijzen, aanpassingsmogelijkheden en de financiële positie van de klant. Zonder die details kun je niet stellen dat elke dollar omzet of de huidige marge voor jaren vastligt. Ook een goed gevulde orderportefeuille kan samengaan met oplopende kosten. Het grootste economische risico blijft dat producenten gezamenlijk veel capaciteit toevoegen en de markt later minder krap wordt. Een geheugenfabriek heeft hoge vaste kosten. Extra omzet kan daardoor snel in winst veranderen, maar bij dalende prijzen werkt dat mechanisme de andere kant op. Concurrentie van Samsung en SK Hynix, de snelheid van technologische vernieuwing en de investeringsbereidheid van grote datacenterklanten blijven daarom van belang. Daar staat een serieus positief argument tegenover. Als AI-systemen structureel meer geheugen nodig hebben en nieuwe capaciteit moeilijk op te bouwen blijft, kan Micron langer bovengemiddeld verdienen dan in eerdere cycli. De huidige kasbuffer maakt het bedrijf bovendien minder afhankelijk van externe financiering. De vraag is niet of Micron vandaag veel verdient. Dat staat in de cijfers. De vraag is hoeveel daarvan over enkele jaren over is. Rond 1.065 dollar lijkt Micron goedkoop op de nieuwste winst Het aandeel MU sloot de reguliere Nasdaq-handel op 30 september op 1.065,11 dollar, volgens Google Finance. Dat is de koers van 16.00 uur in New York, 22.00 uur in Nederland, voordat beleggers de nieuwe cijfers volledig konden verwerken. De nabeurskoers beweegt door; alle berekeningen hier gebruiken dezelfde reguliere slotkoers. Deel die koers door de aangepaste jaarwinst van 75,52 dollar en je komt uit op ongeveer 14,1 keer de winst. Neem je vier keer de verwachte kwartaalwinst van 38,15 dollar, dan ontstaat 152,60 dollar op jaarbasis en een verhouding van ongeveer 7 keer. Dat laatste is nadrukkelijk geen jaarprognose: het veronderstelt vier kwartalen op precies hetzelfde winstniveau. Het grote verschil tussen die twee uitkomsten laat zien waarom één koers-winstgetal bij Micron weinig zegt. De recente winst is veel hoger dan het gemiddelde van het afgelopen jaar, maar hoeft ook niet de normale winst voor de komende jaren te zijn. Een belegger die met piekwinst rekent, kan een cyclisch aandeel goedkoop vinden vlak voordat die winst daalt. We kunnen de rekensom ook omdraaien. Bij een gekozen rendementseis van 12 procent per jaar vraagt een investering vanaf 1.065,11 dollar een koers van ongeveer 1.539 dollar eind 2029. De hogere rendementseis weerspiegelt hier het risico van de geheugencyclus. Bij een toekomstige waardering van tien keer de jaarwinst is ongeveer 154 dollar winst per aandeel nodig. De module laat zien hoe dat vereiste winstniveau verandert als je een andere rendementseis of waardering kiest. Bij een aangenomen 1,16 miljard verwaterde aandelen en een nettomarge van 55 procent vraagt die uitkomst ongeveer 325 miljard dollar jaaromzet. Dat ligt boven de 246 miljard dollar die ontstaat wanneer je de nieuwe kwartaalomzetverwachting vier keer neemt. Ook dat is slechts een vergelijking van twee rekensommen. Het maakt zichtbaar hoeveel verdere groei nodig is als de nettomarge tegelijk lager wordt dan vandaag. Drie scenario's laten zien hoeveel de marge uitmaakt Voor het middenscenario nemen we jaaromzetten van 260, 285 en 310 miljard dollar in boekjaar 2027, 2028 en 2029. De nettomarge daalt daarbij van 60 naar 56 en vervolgens 52 procent. Dat is nog altijd een zeer winstgevend bedrijf, maar met minder uitzonderlijke omstandigheden dan in het afgelopen kwartaal. Bij 1,16 miljard verwaterde aandelen en een waardering van tien keer de winst levert dat mogelijke koersen op van ongeveer 1.345, 1.376 en 1.390 dollar aan het einde van de bijbehorende kalenderjaren. Het eindpunt betekent ongeveer 8,5 procent jaarlijks koersrendement vanaf de slotkoers. Omzetgroei alleen is in dit scenario dus niet genoeg om de gekozen rendementseis van 12 procent te halen. In het ongunstige scenario koelt de markt af, zakt de jaaromzet eerst terug en valt de nettomarge veel verder terug. Dan volgt voor eind 2029 een modelkoers rond 589 dollar. In het gunstige scenario groeien de omzet en de vraag naar geavanceerd geheugen langer door, blijft de marge hoog en betaalt de markt twaalf keer de winst. Dan komt de uitkomst rond 2.549 dollar te liggen. Dat zijn grote verschillen. Ze komen niet uit een koersvoorspellende formule, maar uit andere aannames over de winst die Micron kan blijven verdienen. Alle omzet-, marge-, aandelen- en waarderingsaannames staan in de laatste module. Je kunt de nettomarge en koers-winstverhouding aanpassen en direct zien wat dat met alle negen uitkomsten doet. De nettomarges in deze scenario's gelden na gewone bedrijfskosten, aandelenbeloningen, rente en belasting. Het zijn eigen economische aannames, geen analistenconsensus of Micron-guidance. Het aantal aandelen houdt rekening met mogelijke verwatering. De waardering gebruikt de winst van het genoemde boekjaar voor een modelkoers aan het einde van dat kalenderjaar; Microns boekjaar en kalenderjaar lopen niet gelijk. Dividend en veranderingen in de dollar zijn niet meegerekend. De kasbuffer wordt evenmin nog eens los bij de koers opgeteld. Dat zou een uitgebreidere waardering vragen waarin ook het rendement op die kasmiddelen en de bijbehorende verplichtingen afzonderlijk worden behandeld. Het aangekondigde kwartaaldividend blijft 15 dollarcent per aandeel, betaalbaar op 29 oktober aan aandeelhouders die op 14 oktober geregistreerd staan. Het beleggingsverhaal draait hier vooral om winst en koersontwikkeling. De resultaten zijn sterk genoeg om verder dan de meevaller te kijken Micron laat drie dingen tegelijk zien: klanten kopen meer, de marges zijn hoog en er blijft na grote investeringen veel geld over. De vooruitblik ondersteunt het beeld dat de vraag voorlopig aanhoudt. Dat is een stevigere basis dan alleen een veelbelovende productaankondiging. Voor de aandeelhouder ligt de moeilijkste afweging verder weg. Als Micron een groot deel van deze winst vasthoudt, is de huidige waardering goed te verdedigen. Als geheugenprijzen normaliseren terwijl de investeringsrekening hoog blijft, kan de winst sneller terugvallen dan de omzet doet vermoeden. De volgende kwartaalrapporten moeten daarom vooral laten zien hoe marge, kasstroom en nieuwe capaciteit zich samen ontwikkelen. Daar wordt duidelijk welk deel van deze sprong blijvend is. Foto: Japanse premierkantoor / Kantei, via Wikimedia Commons, CC BY 4.0. Bestaande uitsnede van Sanjay Mehrotra tijdens een bezoek aan Tokio op 23 juli 2025, archiefbeeld.

  • Hoeveel betaal je eigenlijk voor de winst in Vanguards wereld-ETF?

    In het kort VWRL is breed, goedkoop en eenvoudig. Dat maakt de ETF nog niet goedkoop gewaardeerd. Vanguard meldde voor de onderliggende portefeuille eind juli een koers-winstverhouding van ongeveer 21. Dat is geen extreme waardering voor winstgevende wereldbedrijven, maar wel hoog genoeg om gevoelig te zijn voor rente en tegenvallende winstgroei. Spreiding helpt vooral tegen het risico van één bedrijf. Ze beschermt niet tegen een lagere waardering voor de hele aandelenmarkt. Als beleggers een procentpunt meer rendement eisen, kunnen duizenden aandelen tegelijk goedkoper worden terwijl de winstverwachting gelijk blijft. Daar draait het om. De besproken beurslijn is de uitkerende Vanguard FTSE All-World UCITS ETF met ISIN IE00B3RBWM25, genoteerd op Euronext Amsterdam in euro. Het fonds heeft de Amerikaanse dollar als basisvaluta en keert ieder kwartaal dividend uit. De eurokoers neemt het onderliggende valutarisico niet weg. Direct naar een onderdeel van dit artikel Brede spreiding is geen lage waardering Kwaliteit heeft een prijs Rente werkt via de waardering Koersrendement en totaalrendement Kosten zijn klein, waardering is groot Drie mogelijke paden Het sterkste tegenargument Wat de fondsnaam niet vertelt Brede spreiding is geen lage waardering De FTSE All-World-index weegt ondernemingen op basis van hun vrij verhandelbare beurswaarde. Winnaars krijgen daardoor vanzelf meer gewicht. Dat mechanisme is efficiënt en voorkomt actieve voorspellingen, maar het koopt een duurder geworden markt ook gewoon door. De winstmultiple van 21 is een gemiddelde. Sommige banken en energiebedrijven noteren veel lager, terwijl grote technologiebedrijven hoger staan. Juist die laatste groep heeft veel gewicht en een groter deel van de verwachte waarde ligt verder in de toekomst. Daardoor reageert de portefeuille sterker op een hogere rendementseis. De module gebruikt een vereenvoudigd duurmodel. Bij 21 keer winst en één procentpunt hogere rendementseis kan de waardering fors dalen, zelfs als de winstgroei niet verandert. Dit is geen voorspelling van de fondskoers. Het laat alleen zien waarom rente ook voor een wereld-ETF relevant blijft. Kwaliteit heeft een prijs De portefeuille verdient een relatief hoog rendement op eigen vermogen. Vanguard rapporteerde ongeveer 18,7 procent. Dat ondersteunt een hogere waardering, want bedrijven die kapitaal winstgevend herinvesteren kunnen sneller per aandeel groeien. Ter vergelijking noteerde een wereldwijde hoogdividendportefeuille rond 16,5 keer winst met een rendement op eigen vermogen van 14,3 procent. VWRL betaalt dus meer voor sterkere winstgevendheid en groei. Dat kan terecht zijn, maar de premie moet wel door toekomstige winst worden terugverdiend. Een lagere multiple is niet automatisch beter. Goedkope bedrijven kunnen structureel minder groeien, kapitaal verkeerd inzetten of cyclisch piekwinst verdienen. Het gaat daarom om de combinatie van prijs, kwaliteit en groei. De module laat die afweging zien zonder te doen alsof één getal de hele portefeuille beschrijft. Rente werkt via de waardering Bij een stijgende rente wordt een toekomstige euro winst minder waard. Dat effect is groter bij ondernemingen waarvan beleggers veel groei in de verre toekomst verwachten. Een bank of oliebedrijf met hoge winst vandaag reageert anders dan een softwarebedrijf dat vooral op winst over vijf jaar wordt gewaardeerd. VWRL bevat beide groepen, maar de marktweging legt meer gewicht bij grote groeibedrijven. Daarom is de portefeuille niet ongevoelig voor dezelfde waarderingsdruk die technologie-indices raakt. De daling is meestal minder scherp, maar het mechanisme is hetzelfde. Het sterkste tegenargument is dat rente niet losstaat van groei. Als een hogere rente samengaat met sterke nominale economische groei, kunnen winsten ook sneller stijgen. Dan compenseert de teller een deel van de lagere multiple. Het probleem ontstaat vooral als de rendementseis stijgt terwijl winstgroei vertraagt. Koersrendement en totaalrendement VWRL keert dividend uit. Op de ex-dividenddatum daalt de koers technisch met ongeveer de uitkering. Daarom mag je de koers niet één op één vergelijken met een accumulerende ETF die het dividend intern herbelegt. De module splitst winstgroei, verandering van de multiple, dividend en kosten. Dat maakt zichtbaar dat een goede winstgroei toch een matig koersjaar kan opleveren wanneer de waardering daalt. Andersom kan een stijgende multiple tijdelijk meer rendement leveren dan de winstontwikkeling rechtvaardigt. Het uitkerende karakter betekent dat dividend als cash op de rekening komt. Op de ex-dividenddatum daalt de fondskoers technisch met ongeveer de uitkering. Koersrendement alleen onderschat daarom het totale resultaat. Belastingen, brokerkosten en het moment van herbeleggen maken het nettoresultaat persoonlijk. Kosten zijn klein, waardering is groot De lopende kosten bedragen 0,22 procent per jaar. Op €10.000 is dat ongeveer €22 in het eerste jaar, los van rendement. Dat is laag, maar niet de belangrijkste variabele. Een daling van de portefeuillewaardering van 21 naar 19 keer winst weegt vele malen zwaarder. De echte rendementsvraag zit in winstgroei, dividend en de koers-winstverhouding van de portefeuille. Bij een hoge beginwaardering moet de winst sneller groeien of de belegger genoegen nemen met een lager rendement. Bij een dalende multiple kan winstgroei zelfs samengaan met een vlakke beurskoers. Dat laatste voelt soms onlogisch. Bedrijven kunnen recordwinsten melden terwijl de ETF nauwelijks beweegt. De verklaring is dat de beurs vooraf al veel groei heeft ingeprijsd. Als de multiple van 21 naar 19 daalt, moet de onderliggende winst ongeveer tien procent stijgen om alleen dat waarderingsverlies goed te maken. Pas daarna ontstaat ruimte voor koersrendement. In het basismodel gebruiken we 21 keer winst voor de portefeuille, 1,8 procent dividendrendement en een daling naar 19 keer winst in 2029. Voor acht procent totaalrendement is dan een stevige onderliggende winstgroei nodig. Verander de aannames en de vereiste groei beweegt direct mee. Drie mogelijke paden Het bear-pad start met een daling van tien procent, gevolgd door min drie en plus één procent. Dat kan ontstaan door lagere waarderingen, een zwakkere dollar of een winstrecessie. Dividend komt boven op de koersen, maar vangt een scherpe daling niet volledig op. Het middenpad gebruikt drie keer zes procent koersgroei. Het gunstige pad veronderstelt dertien, twaalf en tien procent. Dat laatste vraagt sterke wereldwijde winstgroei en weinig druk op waarderingen. De uitkomsten zijn geen voorspellingen. Ze laten zien hoeveel één slecht of goed eerste jaar doorwerkt in 2028 en 2029. Een brede ETF verlaagt bedrijfsspecifiek risico, maar maakt marktrendement niet voorspelbaar. Het sterkste tegenargument De criticus zegt dat 61,7 procent Verenigde Staten te veel is en dat de grote technologiebedrijven de index kwetsbaar maken. Dat is een terecht risico. Een handvol Amerikaanse megacaps heeft veel invloed op de waardering en op het rendement. De verdediging is sterk: marktweging past zich automatisch aan. Als Amerikaanse bedrijven marktaandeel verliezen, hun winst tegenvalt of andere regio’s groter worden, verschuift de index. Een belegger hoeft niet zelf het omslagpunt te raden. Bovendien verdienen veel Amerikaanse bedrijven het grootste deel van hun omzet buiten de VS. Voor de meeste langetermijnbeleggers is VWRL daarom nog steeds een bruikbare kernpositie. Alleen hoort daar de juiste verwachting bij. Dit is geen gelijk verdeelde wereldportefeuille en ook geen valutavrij spaarproduct. Het is een marktgewogen aandelenfonds waarin Wall Street voorlopig het ritme aangeeft. Wat de fondsnaam niet vertelt Een wereldindex bevat niet ieder beursgenoteerd bedrijf. Kleine ondernemingen vallen grotendeels buiten FTSE All-World en frontiermarkten zijn beperkt of afwezig. De index gebruikt bovendien regels voor vrije verhandelbaarheid en liquiditeit. Een groot staatsbedrijf kan daardoor veel minder gewicht krijgen dan zijn totale beurswaarde doet vermoeden. De uitkerende shareclass vraagt praktische aandacht. Dividend komt in cash en wordt niet automatisch binnen het fonds herbelegd. Wie het laat staan, heeft tijdelijk een lagere aandelenblootstelling. Wie het herbelegt, kan transactiekosten betalen. De accumulerende variant VWCE werkt anders en is niet dezelfde beurslijn. Ook trackingverschil verdient aandacht. Lopende kosten zijn bekend, maar bronbelasting, handelskosten en optimalisatie bepalen hoe nauwkeurig het fonds de index volgt. Een afwijking van enkele tienden per jaar lijkt klein en wordt over tientallen jaren merkbaar. Tot slot is de peildatum belangrijk. De landenweging van 61,68 procent Verenigde Staten is een momentopname van 25 september 2026. Koersen en indexherwegingen veranderen haar vanzelf. De module is bedoeld om die gevoeligheid te begrijpen, niet om een vaste verdeling voor de komende tien jaar te voorspellen. Voor een periodieke belegger werkt die beweging juist in het voordeel van eenvoud. Nieuwe inleg koopt automatisch de dan geldende wereldverdeling. Wie bewust minder Verenigde Staten wil, heeft een tweede fonds of een andere index nodig en neemt daarmee zelf een actieve landenkeuze over. Lees ook: Waarom de grootste posities van een wereld-ETF meer aandacht verdienen

bottom of page