Doorzoek deze website
14903 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- De rente op de GPU-leningen van IREN tikt nu al
In het kort IREN bouwt de onderneming in hoog tempo om van bitcoinminer naar AI-cloudplatform. Bij de jaarcijfers van 27 augustus meldde het bedrijf $4 miljard gecontracteerde jaarlijkse AI-omzet voor capaciteit die eind 2026 operationeel moet zijn. Een deel van de GPU's wordt voor 9 procent vast gefinancierd. Dat voorkomt dat alle investeringen direct met nieuwe aandelen worden betaald, maar laat rente lopen voordat capaciteit volledig is getest en door klanten geaccepteerd. Bij $44,125 op Nasdaq op 25 september 2026 draait de waardering daarom niet alleen om vraag naar GPU's, maar om timing, financieringskosten en kasconversie. IREN is een bijzonder bedrijf omdat drie kapitaalintensieve activiteiten in elkaar grijpen. Het bezit stroomaansluitingen en datacenters, exploiteert bitcoinminers en bouwt een cloudomgeving voor AI-training en inference. Dezelfde elektriciteit en gebouwen kunnen niet onbeperkt tegelijk voor alle toepassingen worden gebruikt. Elke uitbreiding vraagt keuzes over hardware, koeling, netwerk, klantencontracten en financiering. De strategie heeft een duidelijke logica. AI-cloud levert potentieel stabielere contractomzet dan bitcoinmining. Langlopende klanten kunnen bovendien helpen de GPU-investering te financieren. De risico's verdwijnen alleen niet. Ze verschuiven van bitcoinprijs en netwerkmoeilijkheid naar kredietkwaliteit van klanten, beschikbaarheid van hardware, commissioning, bezetting en restwaarde. Direct naar een onderdeel van dit artikel De financiering bepaalt wie het risico draagt Gecontracteerde ARR is nog geen geboekte omzet Mining financiert de overgang, maar krimpt in belang De balans is niet hetzelfde als de financieringsruimte Wat moet IREN waarmaken bij $44,125? Negen mogelijke koersen Sterkste positieve en negatieve argument Conclusie De financiering bepaalt wie het risico draagt In de FY26-resultaten meldde IREN $2,8 miljard aan nieuwe GPU-financieringen voor klanten buiten de investment-gradecategorie. Een pakket van $2,4 miljard onder leiding van Blue Owl en PIMCO draagt een vaste rente van 9 procent en financiert volgens IREN 90 procent van de bijbehorende GPU-capex. Voor het Microsoft-contract is daarnaast $3,6 miljard financiering tegen 6 procent geregeld. Samen met vooruitbetalingen zou 96 procent van de betreffende GPU-investering zijn gedekt. Dat is kapitaalefficiënter dan alles uit de bestaande kas betalen. Het maakt de economische marge wel gevoeliger voor oplevering. Rente begint volgens contractuele afspraken te lopen, terwijl omzet pas volledig ontstaat nadat de systemen zijn geïnstalleerd, getest en geaccepteerd. Een kwartaal vertraging is dan geen administratief detail. De eerste module zet de jaarlijkse rentelast naast de hoofdsom. Bij $2,8 miljard en 9 procent gaat het om ongeveer $252 miljoen per jaar. Dat bedrag hoeft niet volledig op één kalenderjaar te drukken en het aflossingsprofiel kan veranderen. Het geeft wel de orde van grootte. IREN moet voldoende brutowinst uit de cloudcontracten halen om rente, datacenterkosten, software, onderhoud en afschrijving te dragen. Gecontracteerde ARR is nog geen geboekte omzet IREN gebruikt ARR als jaarlijkse omzet op run-ratebasis. Het bedrijf meldde $1 miljard operationele ARR op 26 augustus en mikt op $4 miljard voor capaciteit die tegen eind december 2026 operationeel moet zijn. De onderneming waarschuwt zelf dat omzet pas oploopt na commissioning, testen en klantacceptatie. Dit onderscheid is cruciaal. Een contract kan economisch waardevol zijn zonder dat alle omzet al in de resultatenrekening staat. Andersom kan gecontracteerde capaciteit bij vertraging wel kosten veroorzaken. In een softwarebedrijf is extra omzet vaak bijna direct schaalbaar. Bij een neocloud moet eerst dure hardware op de juiste plaats draaien. De acceptatiemodule koppelt een vertraging aan een gekozen kasbijdragemarge. Dit is geen voorspelling van een contractboete. Het laat zien waarom drie maanden uitstel bij miljarden ARR materieel kan zijn. De gemiste bijdrage komt boven op rente, personeel en gebouwen die al betaald worden. Mining financiert de overgang, maar krimpt in belang Over boekjaar 2026 rapporteerde IREN $128,8 miljoen AI-cloudomzet en $578,2 miljoen bitcoinminingomzet. De AI-cloud groeide ongeveer acht keer, maar kwam nog vanaf een kleine basis. Bitcoinmining bleef in het afgelopen boekjaar de grootste omzetbron. Tegelijk boekte IREN forse niet-kaskosten op mininghardware die buiten gebruik wordt gesteld voor de omschakeling. Dat onderstreept een economisch punt. Oude miners en nieuwe GPU's zijn verschillende activa met een andere levensduur, restwaarde en vraagcyclus. De cash uit mining kan de transitie ondersteunen, maar de bitcoinmarkt kan juist zwak zijn wanneer IREN veel kapitaal nodig heeft. Beleggers mogen toekomstige AI-omzet daarom niet optellen bij een onveranderde miningbasis. De mixmodule dwingt die afweging af. Laat AI snel groeien en mining dalen. De uitkomst hangt vervolgens af van de bijdrage per omzetdollar. AI-cloud kan meer omzetzekerheid geven, maar draagt ook rente en hoge afschrijvingen. Mining reageert sterker op bitcoin en energieprijzen, maar gebruikt infrastructuur die al staat. De balans is niet hetzelfde als de financieringsruimte IREN sprak bij de jaarcijfers over $14 miljard aan bestaande kas, toegezegde GPU-financiering en vooruitbetalingen. Dat is geen vrije kaspositie van $14 miljard. Leningen moeten worden terugbetaald, vooruitbetalingen horen bij nog te leveren diensten en een deel van het geld is aan specifieke GPU's gekoppeld. De juiste analyse volgt drie geldstromen apart. Ten eerste de vrije bedrijfskasstroom uit bestaande activiteiten. Ten tweede projectfinanciering met eigen rente en zekerheden. Ten derde klantvooruitbetalingen die capaciteit helpen bouwen maar toekomstige leveringsverplichtingen creëren. Alleen het eerste deel is zonder voorwaarden inzetbaar voor andere doelen. Wat moet IREN waarmaken bij $44,125? De koers geeft IREN een marktwaarde van ongeveer $14,7 miljard op basis van de actuele aandelenbasis uit de marktdata. Dat is fors tegenover $707 miljoen omzet in FY26. De vergelijking is niet bedoeld als simpele omzetmultiple, want de cloudramp kan de omzet snel veranderen. Zij laat wel zien hoeveel toekomst al in de prijs zit. De reverse valuation gebruikt winst per aandeel in 2029. Bij 10 procent gewenst jaarlijks rendement en 28 keer winst moet IREN ongeveer $2,10 ondernemingswinst per huidig aandeel verdienen, na correctie voor gekozen verwatering. De huidige EPS van circa $0,65 is geen zuivere startbasis omdat bijzondere waardeverminderingen en transitie-effecten de cijfers vervormen. Toch maakt de module zichtbaar dat de toekomstige cloudomzet ook echte nettowinst moet worden. Negen mogelijke koersen Bear veronderstelt een trage acceptatie, hoge financieringskosten en een multiple die zakt. Midden gaat uit van een succesvolle omzetopbouw met oplopende winst per aandeel. Gunstig veronderstelt dat de gecontracteerde capaciteit snel draait, klanten kredietwaardig blijven en IREN de brutomarge vasthoudt ondanks concurrentie. De formule is winst per aandeel maal de gekozen koers-winstverhouding. Rente zit al in de toekomstige winst. Verwatering zit in de EPS-basis en wordt niet nogmaals van de koers afgetrokken. De uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 zijn scenario's, geen prijsdoelen. Sterkste positieve en negatieve argument Het sterkste positieve argument is dat IREN schaarse stroom, locaties, datacenterbouw en grote contracten combineert. Als de capaciteit op tijd wordt opgeleverd, kan de onderneming veel sneller groeien dan een traditionele datacenterexploitant. Projectfinanciering en vooruitbetalingen beperken bovendien de hoeveelheid eigen vermogen die direct nodig is. Het sterkste negatieve argument is dat financiering het uitvoeringsrisico vergroot. Een klant kan sterk lijken wanneer een contract wordt getekend, maar de economie hangt af van betaling over meerdere jaren. Hardware veroudert snel, rente is vast en nieuwe GPU-generaties blijven komen. Een vertraging kan daarom tegelijk omzet uitstellen en de restwaarde verminderen. Lees ook: Chamath noemt Nebius en IREN als mogelijke winnaars van open AI Conclusie IREN heeft de stap van bitcoinminer naar AI-cloud serieus ingezet. De contracten en financieringen zijn concreet, maar gecontracteerde ARR is nog geen vrije kasstroom. Bij $44,125 moet de capaciteit snel door commissioning en klantacceptatie heen, terwijl de rente beheersbaar blijft. De vier cijfers die het meest zeggen zijn operationele ARR, werkelijk geboekte cloudomzet, rentekosten en vrije kasstroom na capex. Zodra die vier samen verbeteren, krijgt de waardering meer fundament. Tot die tijd blijft IREN een snelle groeier met een balans die weinig geduld heeft met vertraging. Foto: Daniel Roberts, medeoprichter en co-CEO van IREN. Officieel IREN-archiefportret.
- De bank achter de app is de echte winstmotor van SoFi
In het kort SoFi combineert een digitale bank, leningen, beleggingsdiensten en technologie voor andere financiële instellingen. In het tweede kwartaal steeg het netto rente-inkomen met 29 procent naar $249,1 miljoen, vooral door groei van consumentendeposito's. Die funding kan goedkoper zijn dan marktfinanciering en maakt meer marge mogelijk. Het voordeel is niet permanent. Spaarders vergelijken rentes sneller en een andere rentecurve kan de marge verkleinen. Bij $16,58 op Nasdaq op 25 september 2026 vraagt de waardering dat SoFi zijn banklicentie omzet in duurzame winst per aandeel. SoFi wordt vaak als fintech beschreven, maar de balans is inmiddels minstens zo belangrijk als de app. Een technologieplatform kan vooral fee-inkomsten verdienen zonder veel eigen kapitaal. Een bank verdient aan het verschil tussen de opbrengst op activa en de kosten van financiering, maar draagt krediet-, rente- en liquiditeitsrisico. SoFi heeft beide modellen onder één dak. Dat levert kruisbestuiving op. Een lid dat een spaarrekening opent, kan later een lening, creditcard of beleggingsrekening gebruiken. Deposito's geven SoFi een eigen bron van financiering voor leningen. Dezelfde combinatie maakt de analyse lastiger. Groei van leden zegt weinig wanneer die leden nauwelijks omzet opleveren, en hoge rente-inkomsten zijn niet automatisch duurzaam wanneer de fundingkosten oplopen. Direct naar een onderdeel van dit artikel De banklicentie is een economische motor Netto rentemarge is geen gratis winst Spaarders krijgen steeds meer onderhandelingsmacht Fee-inkomsten maken de winst minder rentegevoelig Kapitaal en groei per aandeel Wat vraagt $16,58? Negen mogelijke koersen Het sterkste tegenargument Conclusie De banklicentie is een economische motor Bij de Q2-cijfers van 29 juli rapporteerde SoFi een recordomzet van $1,2 miljard en nettowinst van $157 miljoen. Netto rente-inkomen steeg naar $249,1 miljoen. Het bedrijf koppelde die groei vooral aan consumentendeposito's. Het mechanisme is eenvoudig. Zonder deposito's moet een kredietverstrekker leningen financieren via securitisaties, kredietlijnen of de kapitaalmarkt. Die bronnen kunnen duur zijn en in stressperioden snel opdrogen. Deposito's zijn doorgaans stabieler en goedkoper, zolang klanten tevreden blijven en de aangeboden rente concurrerend is. De eerste module vergelijkt depositofunding met externe marktfinanciering. Bij $30 miljard activa en een verschil van 2,5 procentpunt ontstaat theoretisch $750 miljoen jaarlijkse besparing. Dat is geen voorspelling. De bank houdt liquiditeit aan, betaalt depositoverzekering en financiert niet elk actief volledig met dezelfde rekening. De berekening laat wel zien waarom enkele tienden procent fundingkosten op deze schaal belangrijk zijn. Netto rentemarge is geen gratis winst De netto rentemarge, vaak NIM genoemd, is het verschil tussen renteopbrengsten en rentekosten als percentage van gemiddeld rentedragend vermogen. Een hoge NIM kan komen uit goedkope funding, hoge kredietprijzen of een risicovolle activamix. Alleen het eerste is zonder meer positief. SoFi verstrekt persoonlijke leningen en andere consumentenkredieten die hogere rentes dragen dan hypotheken of staatsobligaties. Daar hoort een hogere vergoeding voor kredietrisico bij. Wie alleen de NIM bekijkt, kan verliezen later onderschatten. Daarom moet netto rente-inkomen altijd naast wanbetalingen, voorzieningen en verkoopprijzen van leningen worden gelezen. Deze module houdt kredietverliezen bewust buiten beeld om één mechanisme te isoleren. Verander de NIM met een half procentpunt en zie hoeveel de bijdrage beweegt. In de volledige waardering moet daar nog een normale kredietverlieslast vanaf. De eerdere analyse ging juist diep in op die kredietkant. Hier staat de fundingmotor centraal. Spaarders krijgen steeds meer onderhandelingsmacht Digitale banken hebben lage distributiekosten, maar digitale klanten kunnen ook snel vertrekken. Een spaarder hoeft geen kantoor te bezoeken om geld te verplaatsen. Wanneer concurrenten de rente verhogen, kan SoFi kiezen: meer betalen en marge inleveren, of deposito's laten weglopen en duurdere financiering zoeken. De depositobèta meet hoeveel van een verandering in de marktrente bij spaarders terechtkomt. Een bèta van 70 procent betekent dat een daling van één procentpunt uiteindelijk 0,7 procentpunt lagere depositokosten geeft. In een stijgende renteomgeving werkt hetzelfde mechanisme andersom. De snelheid telt eveneens. Activa en passiva herprijzen niet op hetzelfde moment. Leningen met vaste rente kunnen nog jaren dezelfde opbrengst leveren, terwijl de depositorente direct beweegt. Een dalende beleidsrente helpt dus niet automatisch vanaf dag één. Het resultaat hangt af van de looptijd van leningen, hedges en klantgedrag. Fee-inkomsten maken de winst minder rentegevoelig SoFi wil niet uitsluitend een spreadbank zijn. De Financial Services-activiteiten verdienen ook interchange, brokerage, verzekeringsverwijzingen en andere fees. Het Technology Platform levert infrastructuur aan externe partijen. Meer niet-rente-inkomsten kan de winst stabieler maken en vraagt vaak minder balanskapitaal. Daar staat tegenover dat technologie-inkomsten concurrerend zijn. Banken en fintechs kunnen meerdere leveranciers gebruiken, contracten heronderhandelen of activiteiten zelf bouwen. De gewenste mix is daarom niet simpelweg zoveel mogelijk fee-inkomsten. SoFi moet aantonen dat de fee-activiteiten ook na marketing en productontwikkeling aantrekkelijk renderen. Kapitaal en groei per aandeel Een bank kan niet onbeperkt leningen laten groeien op dezelfde kapitaalbasis. Regulering en risicobeheer eisen buffers. Snelle groei gebruikt dus kapitaal, ook wanneer de winstgevendheid verbetert. Aandelenbeloning vergroot daarnaast de aandelenteller. In het tweede kwartaal waren volgens de 10-Q ongeveer 1,29 miljard aandelen uitstaand eind juli. Dat maakt winst per aandeel belangrijker dan alleen nettowinst. Een onderneming kan de totale winst met 20 procent laten groeien en toch minder winstgroei per aandeel leveren wanneer het aantal aandelen 8 procent stijgt. Wat vraagt $16,58? De reverse valuation start bij de prijs op 25 september en rekent terug welke winst per aandeel in 2029 nodig is. Bij 9 procent gewenst rendement, 25 keer eindwinst en 8 procent grotere aandelenbasis komt de vereiste winst duidelijk boven de huidige $0,49 per aandeel uit. De uitkomst is haalbaar als leden blijven groeien, funding goedkoop blijft, fee-inkomsten opschalen en kredietverliezen normaal blijven. Zij wordt moeilijker wanneer SoFi meer rente aan spaarders moet betalen of wanneer nieuwe aandelen de winst over meer stukken verdelen. Negen mogelijke koersen Bear combineert zwakke EPS-groei met een multiple die zakt naar 22 keer in 2029. Midden gebruikt winstgroei naar $0,90 per aandeel en een geleidelijk lagere multiple. Gunstig veronderstelt dat depositofunding, fees en operationele schaal de EPS naar $1,25 brengen. De formule is winst per aandeel maal de koers-winstverhouding. De scenario's maken zichtbaar dat hoge winstgroei niet genoeg is wanneer de waarderingsmultiple tegelijk daalt. Omgekeerd kan een stabiele multiple veel koersruimte geven als SoFi de winst per aandeel echt versnelt. Het sterkste tegenargument Het positieve argument is dat SoFi een zeldzame combinatie bezit. De app werft klanten, de banklicentie verlaagt fundingkosten en het technologieplatform kan fees toevoegen zonder dezelfde balansdruk. Wanneer één klant meerdere producten gebruikt, dalen de acquisitiekosten per product. Het negatieve argument is dat dezelfde combinatie complexiteit en risico stapelt. Persoonlijke leningen kunnen in een recessie snel verslechteren. Deposito's zijn prijsgevoelig. Technologiecontracten kunnen vertragen. Bovendien blijft de waardering afhankelijk van sterke groei terwijl grotere banken dezelfde digitale functies aanbieden. Lees ook: Wat gebeurt er met fintech wanneer de rente draait? Conclusie SoFi's deposito's zijn meer dan een groeicijfer. Ze bepalen hoeveel marge de onderneming op leningen kan verdienen en hoeveel financieringsrisico zij draagt. Bij $16,58 moet die fundingmotor samengaan met beheerste kredietverliezen, meer fee-inkomsten en beperkte verwatering. Let daarom naast leden en omzet vooral op depositokosten, netto rentemarge, kredietverliezen en winst per aandeel. Als die vier tegelijk verbeteren, wordt de banklicentie een duurzaam voordeel. Wanneer één ervan tegenzit, kan snelle groei verrassend weinig aandeelhouderswaarde opleveren. Foto: Anthony Noto, CEO van SoFi Technologies. Officieel SoFi-archiefportret.
- De geschiedenis is glashelder over wat na een geheugenpiek komt
In het kort Micron sloot op 25 september 2026 op $1.082,28 aan Nasdaq. De actuele twaalfmaandswinst van ongeveer $44,17 per aandeel maakt de koers-winstverhouding rond 24,5. Dat lijkt redelijk voor een onderneming die profiteert van explosieve vraag naar AI-geheugen. Alleen is een winstpiek bij geheugen geen neutrale basis voor de komende tien jaar. De onderneming verkoopt DRAM, NAND en high-bandwidth memory, kortweg HBM. De producten zijn onmisbaar voor AI-servers, maar de prijzen worden nog altijd gevormd door vraag, aanbod en productiecapaciteit. Wanneer fabrieken vol draaien, stijgt de marge snel. Bij overcapaciteit werkt dezelfde hefboom omlaag. Micron kondigde op 15 september een 512GB DDR5-module aan voor nieuwe servers. Volgens het bedrijf kan die maximaal 12 terabyte geheugen per server ondersteunen en tot 60 procent minder operationeel vermogen gebruiken dan vier modules van 128GB. Volumeproductie staat voor de tweede helft van 2027 gepland. Het product bewijst technische vooruitgang, maar zegt nog weinig over een normale winst door de cyclus. De kernvraag is daarom niet of AI meer geheugen nodig heeft. Dat antwoord is vrijwel zeker ja. De vraag is hoeveel winst per aandeel overblijft nadat geheugenprijzen normaliseren, nieuwe fabrieken zijn betaald en afschrijvingen in de resultaten landen. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een goede geheugenmarkt vervormt het vertrekpunt Capex verlaat de kas voordat de winst wordt geraakt Vrije kasstroom bewaakt de kwaliteit van de winst Wat moet $1.082,28 waarmaken? Waar we op letten Een goede geheugenmarkt vervormt het vertrekpunt Bij geheugen kunnen prijs en volume tegelijk omhoog gaan. Een tekort geeft producenten onderhandelingsmacht, terwijl klanten meer bits per systeem nodig hebben. Dat levert uitzonderlijke omzetgroei en een nog snellere stijging van de winst op. De markt kan zo’n periode gemakkelijk aanzien voor een nieuw normaal. Dezelfde bedrijfseconomie bestaat in een zwakke markt. Een prijsdaling raakt bijna rechtstreeks de brutowinst, omdat de vaste fabriekskosten doorlopen. Productie terugschroeven beschermt prijzen, maar verdeelt de kosten over minder chips. Concurrenten Samsung en SK Hynix nemen tegelijk beslissingen over capaciteit. Geen enkele speler bestuurt de hele markt. De module dwingt een normalisatie af. Start bij $44,17 winst, laat geheugenprijzen dalen en compenseer een deel met structureel meer volume en lagere kosten. De uitkomst is geen voorspelling. Zij laat zien dat een aandeel op 24,5 keer piekwinst veel duurder kan zijn op een gemiddelde winstbasis. Het optimistische tegenargument is overtuigend. HBM is minder uitwisselbaar dan standaardgeheugen. Het product moet dicht bij de accelerator worden verpakt en samen met grote klanten worden gekwalificeerd. Die technische samenwerking kan langere zichtbaarheid en betere prijzen geven. De geheugencyclus verdwijnt niet, maar de mix kan structureel verbeteren. Capex verlaat de kas voordat de winst wordt geraakt Een geheugenfabriek wordt gebouwd en betaald voordat de volledige productieomzet binnenkomt. In de kasstroom staat de investering meteen. In de winst- en verliesrekening volgt de afschrijving over meerdere jaren. Daardoor kan de nettowinst tijdelijk sterker ogen dan de vrije kasstroom, of andersom wanneer oude investeringen al zijn afgeschreven. Bij $25 miljard nieuwe investeringen en een afschrijvingsduur van zes jaar komt ruim $4 miljard per jaar als afschrijving in de winst. De precieze boekhoudkundige levensduur verschilt per installatie. Het mechanisme is belangrijker: de rekening van huidige capaciteit verschijnt nog jaren in toekomstige marges. Capex is niet automatisch een probleem. Nieuwe apparatuur kan meer bits uit een wafer halen, stroom besparen en de kostprijs verlagen. De investering creëert waarde wanneer de extra brutowinst hoger is dan kapitaalkosten en vervangingsbehoefte. Zij vernietigt waarde wanneer de capaciteit wordt gebouwd voor prijzen die later wegvallen. De productaankondiging van Micron koppelt het nieuwe servergeheugen aan energiezuinigheid en meer capaciteit per socket. Dat is relevant voor datacenters die tegen stroom- en ruimtebeperkingen aanlopen. De economische bevestiging volgt pas bij volume, opbrengst per wafer en kasmarge. Vrije kasstroom bewaakt de kwaliteit van de winst Nettowinst bevat afschrijving als last, maar geen huidige betaling. In een kasstroomanalyse wordt afschrijving daarom toegevoegd. Vervolgens gaat de actuele capex er volledig af. Het verschil tussen die twee kan bij Micron miljarden bedragen. De module scheidt nettowinst, afschrijvingen, capex en werkkapitaal. Een sterke winst met nog hogere investeringen kan weinig vrije kas opleveren. Een onderneming kan dat tijdelijk financieren, maar niet eindeloos. Voor aandeelhouders telt uiteindelijk hoeveel kas beschikbaar is voor balansversterking, inkoop en dividend nadat de fabrieken concurrerend zijn gehouden. Werkkapitaal voegt een extra laag toe. Klanten kunnen vooruit bestellen, terwijl Micron grondstoffen, onderhanden werk en eindproducten financiert. In een omslag kan voorraad oplopen voordat prijzen dalen. De boekhoudkundige winst reageert dan later dan de economische werkelijkheid. Wat moet $1.082,28 waarmaken? Reverse waardering begint bij de huidige prijs. Voor 10 procent jaarlijks koersrendement en een eindwaardering van 18 keer winst is in september 2029 ongeveer $80 winst per aandeel nodig. Dat is bijna een verdubbeling van de actuele basis. Een eindmultiple van 18 is voor een cyclische fabrikant niet laag wanneer de winst nog dicht bij een piek ligt. Micron kan de vereiste winst halen als HBM structureel een groter deel van omzet en marge vormt, de fabrieken vol blijven en de aandelenbasis niet sterk groeit. Bij normaliserende prijzen wordt het moeilijker. De gunstige uitleg is dat AI-systemen per generatie meer en duurder geheugen gebruiken. Zelfs wanneer de prijs per bit daalt, kan de waarde per server stijgen. Bovendien kunnen energiezuinige modules de totale kosten voor de klant verlagen, zodat Micron een deel van die besparing in de prijs vangt. Het negatieve argument is dat alle drie grote producenten investeren en hun klanten zeer groot zijn. Een handvol hyperscalers en chipbedrijven onderhandelt over enorme volumes. Zodra aanbod ruimer wordt, kan prijsdruk snel terugkomen. Het bear-pad gebruikt dalende winst en een lagere multiple. Het middenpad veronderstelt dat AI-vraag de cyclus verzacht en de winst verder groeit. Het gunstige pad vraagt blijvende schaarste, hoge bezetting en een sterke HBM-mix. De tabel geeft mogelijke koersen voor september 2027, 2028 en 2029, geen koersdoelen. Waar we op letten De cijfers van 30 september moeten vooral duidelijk maken hoeveel van de winst in kas verandert. Brutowinstmarge, capex, voorraad, HBM-mix en toekomstige capaciteit horen samen te worden gelezen. Alleen een hogere omzet is niet genoeg. Micron heeft een sterke positie in een markt die door AI belangrijker wordt. De waardering is alleen minder eenvoudig dan 24,5 keer winst suggereert. De belegger moet bepalen of $44 winst per aandeel een beginpunt is, een piek of iets daartussenin. Dat oordeel bepaalt meer dan de volgende kwartaalbeat. Lees ook: Hoeveel perfectie zit er na de cijferexplosie al in AI-aandeel Broadcom? Foto: Micron, officiële archieffoto van CEO Sanjay Mehrotra.
- De chip-ETF van VanEck is 25 keer dezelfde AI-gok
In het kort De VanEck Semiconductor UCITS ETF spreidt over 25 chipbedrijven, maar niet over 25 onafhankelijke vraagbronnen. Ontwerpers, foundries en machinebouwers verdienen op verschillende plekken aan dezelfde datacenterinvestering. Wanneer AI-capex vertraagt, kan de schok door meerdere posities tegelijk lopen. De fondsdata van 25 september laten een NAV van $114,47 en 85,48 procent rendement sinds de jaarstart zien. De Amsterdamse of Parijse eurobelegger krijgt daar valuta bovenop. Het fonds is accumulerend, heeft ISIN IE00BMC38736 en kost 0,35 procent per jaar. Een hoge waardering vraagt brede winstgroei. Een portefeuille rond 39 keer winst kan veel groei verwerken, maar is kwetsbaar wanneer de winst vertraagt en de multiple tegelijk daalt. De reverse rekensom laat zien welke jaarlijkse winstgroei nodig is voor een gekozen rendement. Een chip-ETF klinkt als een mandje van losse technologische winnaars. In werkelijkheid is de sector een keten. Een cloudbedrijf bestelt rekenkracht. Een chipontwerper verkoopt accelerators. Een foundry produceert de chips. Apparatuurmakers leveren lithografie, depositie en metrologie. Verpakkingsbedrijven verbinden de onderdelen. Eén investeringsgolf kan daardoor meerdere winstregels in hetzelfde fonds optillen. Dat is aantrekkelijk zolang de eindvraag stijgt. Het is ook een concentratierisico dat niet zichtbaar wordt door alleen posities te tellen. De ondernemingen zijn juridisch verschillend, maar economisch aan elkaar gekoppeld. Direct naar een onderdeel van dit artikel Spreiding over bedrijven is niet hetzelfde als spreiding over klanten Dezelfde dollar mag niet driemaal worden geteld Waardering en cyclus versterken elkaar Wat moet €98,29 waarmaken? Negen mogelijke koersen Spreiding over bedrijven is niet hetzelfde als spreiding over klanten De VanEck ETF volgt ondernemingen die minstens de helft van hun omzet uit halfgeleiders of halfgeleiderapparatuur halen. Dat maakt de portefeuille zuiver, maar cyclisch. De omzet van veel posities hangt uiteindelijk af van een beperkt aantal grote chipproducenten en cloudbedrijven. De module verdeelt de portefeuille in een AI-capexgevoelig blok en overige activiteiten. Een negatieve schok in het eerste blok wordt gewogen met het ingestelde belang. Dat is geen schatting van de actuele omzetblootstelling. Het laat zien waarom een fonds met 25 namen toch sterk kan reageren op één budgetcyclus. De keten heeft ook voordelen. Apparatuurmakers kunnen verdienen aan meerdere chipontwerpers. Foundries produceren voor verschillende klanten. Analoge chips, automotive toepassingen en industriële elektronica bewegen niet altijd gelijk met AI-datacenters. Die spreiding is echt, alleen minder groot dan de lijst met ondernemingen suggereert. Dezelfde dollar mag niet driemaal worden geteld Een veelgemaakte denkfout is om de omzetkansen van Nvidia, TSMC en ASML naast elkaar op te tellen alsof zij uit drie aparte eindmarkten komen. Een deel van de waarde stroomt door dezelfde keten. De cloudklant betaalt voor een datacenter, de chipontwerper besteedt een deel aan productie en de foundry besteedt een deel aan machines. Bij een datacenterbudget van $100 miljard en 40 procent chipaandeel ontstaat $40 miljard chipvraag. Als 45 procent daarvan foundrywaarde is, zit daar $18 miljard productie binnen. Wanneer apparatuur 25 procent van die foundrywaarde vertegenwoordigt, gaat het om $4,5 miljard. Die bedragen beschrijven lagen van dezelfde investering, geen $62,5 miljard onafhankelijke extra vraag. Dit betekent niet dat de bedrijven geen hoge marges kunnen verdienen. Intellectueel eigendom, productieschaal en technologische monopolies kunnen veel waarde vasthouden. Het betekent wel dat de belegger de keten als één systeem moet modelleren. Een capexvertraging bij hyperscalers kan tegelijk de bestellingen bij ontwerpers, foundries en machinebouwers raken, zij het met verschillende vertragingen. Waardering en cyclus versterken elkaar De ETF is in 2026 hard gestegen. Zo’n koerssprong kan worden gedragen door hogere winsten, een hogere multiple of beide. Het risico ontstaat wanneer beleggers toekomstige winst al ruim betalen en de cyclus vervolgens afzwakt. De waarderingsmodule start op een portefeuille-K/W van 39,11. Bij 15 procent jaarlijkse winstgroei en een daling naar 30 keer winst kan de koers na drie jaar nog stijgen, maar veel groei verdwijnt in multiplekrimp. Bij lagere winstgroei kan dezelfde normalisatie tot een negatief resultaat leiden. De jaarlijkse kostenratio van 0,35 procent wordt ieder jaar verwerkt. Het sterkste tegenargument is dat de huidige cyclus structureler kan zijn dan eerdere pc- of smartphonegolven. AI-infrastructuur wordt gebruikt voor training, inferentie, agenten en nieuwe zakelijke software. Hogere rekenvraag kan jarenlang aanhouden. Bovendien hebben sommige leveranciers een bijna unieke marktpositie. De tegenwerping blijft dat klanten rationeel moeten verdienen op hun investering. Wanneer een nieuw datacenter onvoldoende omzet of productiviteit oplevert, volgt uitstel. Chipbedrijven kunnen dan tegelijk last krijgen van voorraden, prijsdruk en lagere benutting. Een structurele trend sluit een cyclische terugval niet uit. Lees ook: Elke AI-dollar moet renderen om de koers van NVIDIA te dragen. Dat artikel legt uit waarom het rendement van eindklanten uiteindelijk belangrijker is dan levering alleen. Wat moet €98,29 waarmaken? De in euro verhandelde shareclass op Euronext Parijs noteerde op 24 september €98,29. De officiële fonds-NAV wordt in dollar gepubliceerd. Daardoor kan de eurokoers bewegen door zowel de onderliggende aandelen als de euro-dollarverhouding. Reverse valuation rekent vanaf de huidige prijs terug. Bij een gewenste koersgroei van 10 procent per jaar en een eindmultiple van 30 keer winst moet de onderliggende winst stevig groeien om zowel rendement als waarderingskrimp op te vangen. De module verwerkt de accumulerende structuur. Ontvangen dividenden worden binnen het fonds herbelegd en staan dus niet als aparte cashuitkering naast de koers. Valuta wordt als cumulatief effect toegevoegd. Dat is een vereenvoudiging: de werkelijke valuta-impact verschilt per onderneming en winstbron. Wie een eindmultiple van 40 keer kiest, krijgt een veel lagere vereiste winstgroei. Dan blijft de waardering in 2029 echter hoog. De onzekerheid verdwijnt niet, maar verhuist van de winst naar de multiple. Negen mogelijke koersen De scenario’s combineren onderliggende winstindex, portefeuille-K/W, valuta en fondskosten voor september 2027, 2028 en 2029. Zij zijn geen voorspellingen en kennen geen waarschijnlijkheden. In het bearscenario daalt de winst eerst, normaliseert de waardering fors en werkt valuta tegen. Het middenpad veronderstelt brede winstgroei, maar ook een lagere multiple. In het gunstige pad blijven zowel winstgroei als waardering sterk en helpt de dollar. De sterke casus is dat SMH toegang geeft tot moeilijk te selecteren winnaars in de hele chipketen, zonder dat één bedrijfsfout de volledige positie breekt. De zwakke casus is dat dezelfde AI-capexgolf meerdere topbelangen tegelijk draagt. Dan is de portefeuille operationeel smaller dan zij op papier lijkt. Voor een belegger is de beste kwartaalvraag daarom niet hoeveel fondsnamen stijgen. Het is of de eindklanten genoeg verdienen op AI om nieuwe budgetten te openen. Zodra die rendementen zichtbaar blijven, kan de keten doorgroeien. Wanneer zij tegenvallen, komt de correctie waarschijnlijk op meerdere plekken tegelijk.
- Azure moet de dure chips verslaan in een race tegen veroudering
In het kort Microsoft sloot zijn boekjaar sterk af. Bij de cijfers van 29 juli meldde het bedrijf $90,0 miljard kwartaalomzet, 18 procent meer dan een jaar eerder. Microsoft Cloud kwam uit op $59,3 miljard en Azure groeide 43 procent. De vraag naar rekenkracht is dus zichtbaar in de omzet. De lastigere vraag zit aan de andere kant van de kasstroom. Microsoft investeerde in het kwartaal $41 miljard. In de toelichting zei financieel directeur Amy Hood dat ongeveer twee derde daarvan naar kortlevende activa ging, vooral CPU's en GPU's. Servers verouderen veel sneller dan datacentergebouwen, grond en stroomaansluitingen. Bij een koers van $516,17 op 25 september betaalt de belegger ongeveer 30,7 keer de twaalfmaandswinst. Die prijs kan werken wanneer de AI-infrastructuur snel wordt benut, Azure hoog blijft groeien en de afschrijving niet harder oploopt dan de extra brutowinst. Stilstaande chips zijn hier duurder dan een lege fabriekshal: ze verliezen waarde terwijl de volgende generatie al onderweg is. Direct naar een onderdeel van dit artikel $41 miljard is geen gewone investering Azure moet de machines laten werken Een kortere levensduur raakt de marge Wat moet de koers waarmaken? Waar het oordeel kantelt $41 miljard is geen gewone investering Een datacenter bestaat financieel uit twee heel verschillende soorten activa. Grond, gebouwen, koeling en stroominfrastructuur kunnen tientallen jaren meegaan. CPU's, GPU's en netwerkapparatuur hebben een kortere economische levensduur. Hun technische capaciteit verdwijnt niet plotseling, maar klanten willen na enkele jaren meer prestaties per watt en per dollar. De module verdeelt de kwartaalcapex over korte en lange levensduren. Zij maakt zichtbaar waarom dezelfde $41 miljard verschillende gevolgen voor de winst kan hebben. Een hoger aandeel servers betekent een snellere afschrijving. Dat drukt de gerapporteerde marge, ook wanneer de kasuitgave al eerder heeft plaatsgevonden. De nuance is belangrijk. Afschrijving is geen nieuwe kasuitgave en een oudere GPU kan nog steeds bruikbaar zijn voor minder zware taken. Microsoft kan capaciteit intern verschuiven, oudere hardware langer gebruiken en de bezetting verbeteren. Maar de boekhoudkundige levensduur kan geen zwakke vraag repareren. Uiteindelijk moet iedere nieuwe investeringslaag voldoende omzet en brutowinst voortbrengen. Azure moet de machines laten werken De gunstige kant is dat Microsoft niet alleen hardware koopt. Het verkoopt een compleet dienstenpakket: Azure-rekenkracht, opslag, databases, beveiliging, Microsoft 365, GitHub en AI-diensten. Dat maakt de kans groter dat een klant meerdere onderdelen afneemt en langer blijft. Bij de jaarcijfers steeg de totale omzet naar $331,8 miljard en de operationele winst naar $155,2 miljard. Azure groeide in het vierde kwartaal 43 procent. Het bedrijf kan dus een grotere investeringsrekening dragen dan vrijwel iedere concurrent. Toch zegt groei alleen nog niet of de nieuwe activa hun rendementseis halen. De rendementsmodule begint daarom bij kapitaal, benutting en operationele marge. Lage bezetting werkt dubbel tegen: de omzet blijft achter terwijl afschrijving, energie en onderhoud doorgaan. Een hoge marge helpt, maar alleen wanneer de capaciteit daadwerkelijk wordt verkocht. Dit is ook waar de concurrentie telt. Amazon Web Services en Google Cloud investeren eveneens tientallen miljarden. Grote klanten ontwerpen eigen chips en onderhandelen scherp over prijzen. OpenAI kan veel capaciteit afnemen, maar concentratie bij enkele grote AI-klanten maakt de bezetting niet automatisch risicoloos. Een kortere levensduur raakt de marge De economische levensduur van AI-hardware is geen natuurconstante. Als nieuwe chips aanzienlijk zuiniger of sneller zijn, kan apparatuur eerder worden vervangen. Wordt software efficiënter en blijft oudere hardware bruikbaar, dan kan Microsoft langer afschrijven zonder de dienstverlening te verslechteren. De gevoeligheid rekent uit wat een kortere levensduur kan betekenen voor de jaarlijkse afschrijving en de operationele marge. Dit is geen voorspelling van een boekhoudwijziging. Het laat vooral zien waarom beleggers naast capex ook naar afschrijvingen, bezettingsgraad en cloudmarge moeten kijken. Het sterkste tegenargument is dat Microsoft zijn infrastructuur als platform gebruikt. De investering ondersteunt niet alleen Azure, maar ook Copilot, GitHub, zoekdiensten en interne productiviteit. Een deel van het rendement verschijnt dus mogelijk als hogere omzet in andere segmenten of als lagere kosten. Dat maakt de precieze opbrengst moeilijker te meten, niet minder belangrijk. Wat moet de koers waarmaken? De twaalfmaandswinst per aandeel ligt rond $16,80. Bij $516,17 is de uitgangswaardering stevig, maar niet uitzonderlijk voor Microsoft. De omgekeerde waardering laat zien welke winst in 2029 nodig is bij een gekozen rendement en eindmultiple. Bij 9 procent jaarlijks koersrendement en 28 keer winst in 2029 moet de winst per aandeel duidelijk boven de huidige basis uitkomen. Dat vereist meer dan een tijdelijke AI-piek. Azure moet hard blijven groeien, de marge moet de extra afschrijving opvangen en het aantal aandelen mag niet onverwacht oplopen. Het bear-pad combineert tragere winstgroei met een lagere multiple. In het middenpad blijft cloudgroei stevig en wordt de capex geleidelijk productiever. Het gunstige pad veronderstelt dat Microsoft zijn AI-capaciteit snel vult en de winst per aandeel richting $30 brengt. De negen uitkomsten voor september 2027, 2028 en 2029 zijn modelscenario's, geen koersdoelen. Waar het oordeel kantelt De belangrijkste graadmeter is niet de capex op zichzelf. Het gaat om de verhouding tussen cloudgroei, afschrijving en operationele kasstroom. Wanneer Azure boven 30 procent blijft groeien en de cloudmarge standhoudt, kan de investeringsgolf rationeel zijn. Wanneer afschrijvingen versnellen terwijl groei afkoelt, verandert dezelfde capex in een rem op de winst. Microsoft heeft de balans, distributie en klantrelaties om deze cyclus te winnen. De koers van $516,17 laat echter weinig ruimte voor jaren waarin de hardware wel wordt gekocht maar onvoldoende wordt benut. Twee derde kortlevende activa maakt de uitvoering de komende kwartalen belangrijker dan het orderboek alleen. Lees ook: Hoeveel groei moet Nvidia na de AI-explosie nog leveren om de koers te dragen? Foto: Microsoft, officiele archieffoto van CEO Satya Nadella.
- Is ABN AMRO een koopje of een valstrik bij oplopende kredietverliezen?
In het kort De winst was sterk. ABN AMRO rapporteerde over het tweede kwartaal van 2026 een nettowinst van €781 miljoen. Dat geeft ruimte voor dividend en kapitaaluitkering, maar één kwartaal is geen normale jaarbasis. Kredietkosten zijn de stille hefboom. Bij een kredietboek van honderden miljarden kost iedere 25 basispunten extra kredietverlies honderden miljoenen vóór belasting. Een normalisering vanaf een zeer laag niveau kan de winst per aandeel snel raken. De waardering hangt aan kapitaaldiscipline. Bij €43,55 moeten winst, dividend en overtollig kapitaal samen voldoende rendement leveren. Een hoge CET1-ratio is nuttig, maar het verschil boven een interne doelratio is niet automatisch beschikbaar voor aandeelhouders. Banken verdienen geld op de marge tussen rente-inkomsten en financieringskosten, plus provisies voor dienstverlening. Dat model lijkt eenvoudig totdat kredietverliezen oplopen. De rente-inkomsten komen geleidelijk binnen, terwijl een voorziening voor probleemleningen in één kwartaal kan worden genomen. ABN AMRO meldde op 12 augustus €781 miljoen nettowinst over het tweede kwartaal. De periode eindigde op 30 juni 2026. Die winst laat zien dat de bank operationeel sterk kan verdienen. Voor de actuele koers is het belangrijker hoeveel winst over een hele kredietcyclus overblijft. Direct naar een onderdeel van dit artikel Lage kredietverliezen zijn geen vaste eigenschap Hypotheken bieden onderpand, maar geen absolute bescherming Overtollig kapitaal is waardevol als het per aandeel terugkomt De rente blijft belangrijk, maar niet als enige verhaal Wat moet ABN AMRO waarmaken bij €43,55? Het sterkste positieve en negatieve verhaal Drie jaar, negen mogelijke koersen Lage kredietverliezen zijn geen vaste eigenschap Kredietkosten worden vaak uitgedrukt in basispunten van de kredietblootstelling. Eén basispunt is 0,01 procent. Op €250 miljard leningen staat 25 basispunten gelijk aan €625 miljoen last vóór belasting. Na 25 procent modelbelasting en gedeeld door 817 miljoen aandelen is dat ongeveer €0,57 per aandeel. De module hieronder laat die gevoeligheid zien. Het gekozen kredietboek en aantal aandelen zijn modelwaarden die kunnen worden aangepast. De uitkomst is geen voorspelling van ABN AMRO's voorzieningen. Ze maakt duidelijk waarom een klein percentage op een grote balans een groot bedrag wordt. Kredietverliezen kunnen stijgen door werkloosheid, faillissementen, dalende vastgoedprijzen of problemen in specifieke sectoren. Ze kunnen ook meevallen wanneer huishoudens veel eigen vermogen hebben en bedrijven hun schuld lang hebben vastgezet. Voorzieningen lopen bovendien vooruit op verwachte verliezen. Een bank kan dus lasten nemen voordat de feitelijke wanbetaling zichtbaar is. Een belegger moet daarom niet alleen naar de actuele cost of risk kijken. Belangrijker zijn de samenstelling van het boek, de dekking door onderpand en de reserves die al zijn opgebouwd. Een laag verliespercentage is sterker wanneer het kredietboek conservatief is, niet wanneer de economie alleen tijdelijk gunstig is. Hypotheken bieden onderpand, maar geen absolute bescherming De Nederlandse hypotheekmarkt is een groot onderdeel van het risicobeeld. Woningen geven onderpand en veel leningen worden afgelost. Daardoor kan een prijsdaling worden opgevangen voordat de bank verlies lijdt. De loan-to-value, of LTV, is hier de sleutel. Die vergelijkt de lening met de waarde van de woning. Bij een gemiddelde LTV van 60 procent en een woningprijsdaling van 20 procent stijgt de model-LTV naar 75 procent. Er blijft dan nog onderpandbuffer over. Pas boven 100 procent is de lening groter dan de woningwaarde. Zelfs dan ontstaat niet automatisch verlies: de klant kan blijven betalen, er kunnen garanties gelden en aflossingen verlagen de schuld. De module vereenvoudigt een zeer diverse portefeuille tot één gemiddelde. In werkelijkheid zijn startjaar, regio, rentevastperiode, inkomen en type hypotheek belangrijk. Een gemiddelde LTV kan bovendien lage en hoge individuele LTV's verbergen. Het grotere risico kan daardoor buiten de gemiddelde hypotheek zitten. Zakelijk vastgoed, midden- en kleinbedrijf en consumentenkrediet reageren anders op een recessie. Concentratie in één sector kan sneller tot voorzieningen leiden dan een brede, goed gedekte hypotheekportefeuille. Overtollig kapitaal is waardevol als het per aandeel terugkomt De CET1-ratio vergelijkt het kernkapitaal met risicogewogen activa. Een ratio boven de wettelijke eis biedt bescherming tegen verliezen en ruimte voor groei. De bank houdt daarnaast een managementbuffer aan. Pas daarboven ontstaat mogelijk overtollig kapitaal. Bij €130 miljard risicogewogen activa, 19 procent CET1 en een doelratio van 15 procent is het rekenkundige verschil €5,2 miljard. Gedeeld door 817 miljoen aandelen is dat ongeveer €6,36 per aandeel. Dat is geen uitkeerbaar tegoed. Overnames, modelwijzigingen, toezichteisen en balansgroei kunnen de ruimte gebruiken. De economische waarde hangt af van de bestemming. Dividend geeft direct kas aan de aandeelhouder. Aandeleninkoop verhoogt het belang van de blijvende belegger, mits de bank niet te duur inkoopt. Een overname kan groei opleveren, maar alleen wanneer de gekochte winst na integratie en kapitaalkosten voldoende rendeert. Kapitaal dat jarenlang ongebruikt blijft, verdient mogelijk een laag rendement. Te weinig kapitaal maakt de bank kwetsbaar. Management moet dus niet simpelweg zoveel mogelijk uitkeren, maar het juiste bedrag boven een geloofwaardige buffer teruggeven. De rente blijft belangrijk, maar niet als enige verhaal ABN AMRO verdient een groot deel van de inkomsten via de nettorentemarge. Spaarrente, hypotheekrente en de herprijzing van activa bepalen die marge. Een snelle daling van marktrentes kan inkomsten verlagen, terwijl spaarrentes met vertraging meebewegen. Een stijging kan omgekeerd gunstig zijn, totdat spaarders meer vergoeding eisen of kredietvraag afneemt. Daarom is de rente geen eenvoudige richtingweddenschap. De looptijd van de balans, hedges en klantgedrag bepalen de uitkomst. De bank kan een deel van het effect sturen, maar niet alle concurrentie om deposito's vermijden. Provisie-inkomsten en kostenbeheersing maken het resultaat minder afhankelijk van rente. Vermogensbeheer, betalingen en dienstverlening leveren inkomsten zonder grote kredietbalans. Daartegenover staan technologie, compliance en personeel. Een bank kan niet onbeperkt op kosten besparen zonder de dienstverlening en controles te verzwakken. Wat moet ABN AMRO waarmaken bij €43,55? Voor een bank telt dividend zwaar mee. De reverse module vraagt daarom welk winstniveau in 2029 nodig is voor een gewenst totaalrendement. Bij 10 procent jaarlijks totaalrendement, €2,20 dividend per jaar en een eindmultiple van 11 keer de winst is ongeveer €4,19 winst per aandeel nodig. De berekening veronderstelt dividend aan het einde van ieder jaar en trekt de opgerente waarde daarvan af van de benodigde eindkoers. Het dividend is een aanname, geen toezegging. Een lager dividend verhoogt de winst die via de eindkoers moet worden verdiend. Een lagere multiple doet hetzelfde. De winstlat moet over een normale kredietcyclus worden bekeken. Vier keer €781 miljoen zou meer dan €3,1 miljard jaarwinst zijn, maar kwartaalwinst kan door rente, voorzieningen en eenmalige posten sterk schommelen. Een genormaliseerde winstbasis hoort daarom niet simpelweg één sterk kwartaal te verviervoudigen. De beste route voor rendement is een combinatie van voldoende winst, beheersbare kredietkosten en een dalend aantal aandelen. Als inkoop onder de intrinsieke waarde gebeurt en de kapitaalratio sterk blijft, stijgt de winst per aandeel zonder dat de totale bank harder hoeft te groeien. Het sterkste positieve en negatieve verhaal Het positieve verhaal is dat ABN AMRO een sterke Nederlandse franchise, veel gedekte hypotheken en een ruime kapitaalpositie heeft. Een gezonde arbeidsmarkt en huishoudens met buffers kunnen kredietverliezen laag houden. Overtollig kapitaal kan via dividend of inkoop naar aandeelhouders. Het negatieve verhaal is dat banken cyclisch blijven. Een recessie raakt tegelijk kredietverliezen, fee-inkomsten en mogelijk de vraag naar leningen. Een dalende huizenmarkt kan het onderpand verzwakken, terwijl commercieel vastgoed of bedrijven sneller problemen geven dan de gemiddelde hypotheek. Daarnaast kan regulering de uitkeringsruimte veranderen. Hogere risicogewichten, strengere buffers of een overname kunnen kapitaal vasthouden. Een lage koers-winstverhouding is daarom niet automatisch goedkoop. Ze kan een vergoeding zijn voor winsten die dicht bij een cyclische piek liggen. Drie jaar, negen mogelijke koersen De scenario's hieronder vermenigvuldigen winst per aandeel met een multiple voor september 2027, 2028 en 2029. Dividend is niet in de koers verwerkt en kan voor totaalrendement apart worden toegevoegd. Het zijn mogelijke koersen, geen koersdoelen en geen waarschijnlijkheden. Het bear-scenario veronderstelt dat kredietverliezen en kosten de winst per aandeel laten dalen, terwijl de multiple krimpt. Het middenscenario rekent met winstgroei van €3,80 naar €4,40 per aandeel en een constante multiple van 11. Het gunstige scenario vraagt lage kredietkosten, kostenbeheersing en kapitaaluitkering die de winst per aandeel versnelt. De tabel laat zien hoe gevoelig de koers is voor normalisatie. Een bank kan operationeel degelijk blijven en toch een lagere koers krijgen wanneer de markt een lagere multiple betaalt. Andersom kan sterke kapitaaluitkering de per-aandeeluitkomst verbeteren zonder risicovolle balansgroei. Bij €43,55 is ABN AMRO daarom geen eenvoudige weddenschap op één rentebesluit. Het aandeel vraagt een oordeel over de hele cyclus: rente, krediet, kosten en de manier waarop overtollig kapitaal bij de aandeelhouder terechtkomt. Lees ook: ABN Amro redt broker BUX van ondergang door overname
- Een patent van de quantum-ETF telt pas als klanten betalen
In het kort De VanEck Quantum Computing UCITS ETF combineert pure quantumspelers met grote ondernemingen die veel relevante patenten bezitten. Dat spreidt het risico, maar maakt de economische blootstelling minder zuiver. Een patent wordt pas waardevol wanneer het omzet, marge en vrije kasstroom oplevert. We analyseren de accumulerende A USD-shareclass van de VanEck Quantum Computing UCITS ETF, ISIN IE0007Y8Y157, genoteerd als QUTM op Xetra in euro. De koers sloot vrijdag 25 september op €26,25. Het fonds rekent 0,55% lopende kosten per jaar en dekt het dollarvalutarisico niet af. De onderliggende MarketVector-index selecteert ondernemingen die zich richten op quantumtechnologie of leidend zijn in relevante patenten. Dat is begrijpelijk bij een jonge sector. Veel omzetcategorieën zijn nog klein en bedrijfsrapportages zijn niet uniform. Patenten bieden een meetbaar alternatief. Zij zeggen alleen weinig over de prijs die klanten willen betalen, de kosten van commercialisering en de uiteindelijke marge. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een themanaam verbergt twee soorten ondernemingen Patenten zijn een optie, geen kasstroom Herweging corrigeert, maar altijd achteraf Wat vraagt €26,25 van de portefeuille? Drie mogelijke paden Een themanaam verbergt twee soorten ondernemingen In QUTM zitten gespecialiseerde quantumspelers naast grote technologie- en industriebedrijven. De specialisten leveren directere blootstelling aan quantumgroei, maar zijn vaak verlieslatend en afhankelijk van financiering. De grote ondernemingen hebben winst, klanten en kas, maar quantum vormt soms slechts een klein deel van hun totale waarde. Deze combinatie stabiliseert het fonds. Een brede technologieholding kan een tegenvaller bij quantum opvangen met cloud, chips of industriële automatisering. Tegelijk verwatert diezelfde breedte de themablootstelling. Een stijging van zo’n aandeel kan volledig door een andere divisie worden veroorzaakt. De module maakt zichtbaar dat winstkwaliteit en themagevoeligheid verschillende assen zijn. Een groot winstgevend gewicht verlaagt het financieringsrisico. Een kleiner verlieslatend gewicht kan het rendement alsnog domineren wanneer koersen sterk bewegen. De uitkomst zegt daarom meer over portefeuillegedrag dan het woord quantum alleen. Patenten zijn een optie, geen kasstroom Een patent beschermt een technische vondst. Het kan concurrenten blokkeren, licentie-inkomsten opleveren of de waarde van een product verhogen. Veel patenten worden nooit commercieel relevant. Andere leveren indirect voordeel op, bijvoorbeeld doordat een chiparchitectuur beter wordt, zonder dat er een aparte quantumomzetregel verschijnt. De conversiefunnel in de visualisatie is bewust streng. Eerst moet een patent economisch relevant zijn. Daarna moet een klant betalen. Vervolgens moeten productie, verkoop en ondersteuning ruimte laten voor kasstroom. Een groot patentportfolio is dus een beginpunt voor onderzoek, geen vervanging van omzetkwaliteit. Voor beleggers zijn contractduur en klantconcentratie eveneens belangrijk. Een onderzoekscontract van een overheid kan technisch waardevol zijn, maar eenmalig. Terugkerende cloudtoegang of software-abonnementen hebben een ander risicoprofiel. De index kan zulke verschillen niet volledig in één selectiecriterium vangen. Herweging corrigeert, maar altijd achteraf De index wordt volgens een vaste methodiek herwogen. Daardoor kan een groeiende onderneming later meer gewicht krijgen en kan een teleurstelling worden verkleind. Het proces voorkomt dat een fondsbeheerder op gevoel achter een hype aanloopt. De keerzijde is timing. Een nieuw aandeel kan eerst sterk stijgen en pas bij de volgende herweging worden opgenomen. Een bestaande winnaar kan juist te zwaar worden voordat zijn gewicht wordt teruggebracht. Daar komen handelskosten bij. De TER van 0,55% is zichtbaar; bied-laatspreads en marktimpact bij herweging zitten niet als vaste regel in dat percentage. Bij liquide megacaps is die frictie klein. Bij kleinere, beweeglijke pure plays kan zij oplopen. Over drie jaar is de TER niet de grootste onzekerheid, maar wel een zekere tegenwind. Een portefeuille die bruto 8% per jaar groeit, houdt na 0,55% kosten minder over. Valuta kan het verschil versterken of verbergen. Een eurobeursnotering maakt de dollarposities niet euro-neutraal. Wat vraagt €26,25 van de portefeuille? Voor een koersrendement van 10% per jaar moet QUTM in september 2029 ongeveer €34,94 waard zijn. Zonder gunstig valuta-effect vraagt dat een bruto NAV-groei van iets meer dan 10,5% per jaar wanneer de TER apart wordt verwerkt. De onderliggende ondernemingen moeten die groei gezamenlijk leveren. Bij verlieslatende bedrijven kan koersgroei tijdelijk veel sneller gaan dan omzet. Dat is geen duurzame winstbasis. Uiteindelijk moet omzet per aandeel groeien zonder dat nieuwe aandelen de vooruitgang wegverdunnen. Bij de winstgevende holdings telt vooral of quantum groot genoeg wordt om de groepswinst merkbaar te beïnvloeden. Drie mogelijke paden De scenario’s tonen koersen voor september 2027, 2028 en 2029. Zij combineren portefeuillegroei, verlieslatende blootstelling, valuta en TER. Dividend wordt niet apart opgeteld, omdat de shareclass accumulerend is. In het bearscenario blijft de sector technisch vooruitgaan, maar commerciële omzet loopt achter en de markt betaalt minder voor verre winst. Het middenscenario vraagt gestage groei over meerdere delen van de portefeuille. Het gunstige scenario veronderstelt dat quantumomzet niet alleen bij specialisten ontstaat, maar ook zichtbaar wordt in de resultaten van grotere holdings. Het sterkste argument vóór QUTM is dat niemand vandaag zeker weet welke architectuur wint. Een mandje vermindert het risico van één verkeerde technische keuze. Het sterkste tegenargument is dat een thematische index ondernemingen kan bevatten die vooral door andere activiteiten worden gedragen. De belegger koopt dan stabiliteit, maar niet uitsluitend quantum. Lees ook: waarom omzetgroei en kasstroom bij Nvidia los van elkaar moeten worden getoetst. QUTM is bruikbaar voor wie brede blootstelling aan een vroege technologie zoekt en de hogere kosten accepteert. De doorslaggevende maatstaf wordt niet het aantal patenten. Het wordt de hoeveelheid terugkerende omzet en vrije kasstroom per fondsaandeel die uit die technische voorsprong voortkomt.
- 504 aandelen en toch hangt alles op de grootste tien
In het kort CSPX bezat op 24 september 504 aandelen en noteerde volgens iShares op 30,41 keer de onderliggende winst. Dat is breed gespreid in namen, maar niet automatisch in winstbronnen. De huidige koers vraagt dat ook de bedrijven buiten de grootste tien hun winst laten groeien. CSPX is de iShares Core S&P 500 UCITS ETF USD (Acc), met ISIN IE00B5BMR087. De hier gebruikte beurslijn noteert in euro op Euronext Amsterdam, is accumulerend en niet naar de euro afgedekt. De koers sloot vrijdag 25 september op €708,58. De bedrijven in het fonds verdienen vooral dollars; de euro-notering verandert dat economische valutarisico niet. BlackRock meldde voor 24 september 504 posities en een portefeuillekoers-winstverhouding van 30,41. Dat cijfer is een momentopname en de definitie van onderliggende winst kan afwijken van andere databronnen. Toch is de orde van grootte duidelijk: beleggers betalen ruim dertig jaar huidige winst wanneer die winst niet groeit. Dividend en toekomstige groei verkorten die terugverdientijd, multiplekrimp verlengt hem. Direct naar een onderdeel van dit artikel Breed bezit kan smal renderen De waardering kan dalen zonder recessie Accumulerend is niet hetzelfde als zonder dividend Welke winstgroei zit in €708,58? Drie koerspaden tot 2029 Breed bezit kan smal renderen Een S&P 500-fonds voorkomt het specifieke risico van één onderneming. Het voorkomt niet dat een kleine groep ondernemingen een groot deel van het rendement bepaalt. Eind augustus woog de grootste tien ongeveer 37,75%. Hun winstgroei, waardering en kapitaaluitgaven hebben daardoor veel meer invloed dan het aantal van 504 posities suggereert. De economische concentratie kan nog groter zijn dan de koersweging. Een leverancier van chips, een cloudbedrijf en een softwareplatform kunnen allemaal profiteren van dezelfde investeringsgolf. Zij zijn juridisch verschillende ondernemingen, maar hun winstbron kan samenhangen. Diversificatie over tickers is daarom niet hetzelfde als diversificatie over kasstromen. De module dwingt de winstgroei uiteen te trekken. Als de grootste tien 12% groeien en de rest slechts 4%, komt de gewogen groei rond 7%. Valt de rest stil, dan moet de kopgroep veel meer leveren om de indexwinst op peil te houden. Dat vergroot de gevoeligheid voor teleurstellingen bij een paar grote bedrijven. De waardering kan dalen zonder recessie Een P/E van 30,41 kan gerechtvaardigd zijn bij hoge groei, sterke marges en een lage rendementseis. Hij is kwetsbaar wanneer een van die drie draait. Daarvoor is geen winstval nodig. Stel dat de winst drie jaar 7% groeit, maar de eindwaardering daalt naar 27 keer. Een deel van de operationele vooruitgang verdwijnt dan in multiplekrimp. Valuta maakt de uitkomst voor een eurobelegger nog grilliger. Een sterkere euro drukt de eurowaarde van dollarwinsten en de fondskoers, alles gelijk gehouden. Een zwakkere euro helpt. Dat is geen apart rendement boven op de bedrijfswinst, maar een vertaling van dezelfde activa naar een andere rekeneenheid. Accumulerend is niet hetzelfde als zonder dividend CSPX keert geen contant dividend uit aan de belegger. De ontvangen dividenden worden in het fonds herbelegd. Dat is praktisch, omdat de belegger niet zelf hoeft te herinvesteren. Dividend blijft wel degelijk onderdeel van het rendement. Bronheffingen, fondskosten en de timing van herbelegging bepalen hoeveel van het brutodividend in de nettovermogenswaarde terechtkomt. Koersrendement en totaalrendement moeten daarom uit elkaar blijven. Bij een uitkerend fonds ziet de belegger een cashbetaling naast de koers. Bij CSPX zit het netto dividend in de koersontwikkeling. Het opnieuw optellen van een bruto dividendrendement bij de koersscenario’s zou dubbeltelling veroorzaken. De TER bedraagt 0,07% per jaar. Dat is laag, maar niet nul. Over drie jaar is het effect klein vergeleken met een beweging in de P/E of de dollar. De lage kosten zijn wel zekerder dan toekomstige winstgroei. Juist daarom blijft de ETF een efficiënte manier om de index te volgen, ook wanneer de index zelf duur oogt. Welke winstgroei zit in €708,58? De reverse waardering neemt de koers als gegeven. Voor 8% jaarlijks koersrendement tot september 2029 is een eindkoers van ongeveer €892 nodig. Bij een eind-P/E van 27 en vlakke valuta moet de onderliggende winst veel harder groeien dan wanneer de P/E op 30,41 blijft. Deze berekening is geen voorspelling van de S&P 500. Zij toont welke combinatie de huidige prijs draagt. Een lagere eindmultiple vraagt extra winstgroei. Een zwakkere dollar vraagt nog meer operationele groei om hetzelfde euroresultaat te halen. De kosten worden eenmaal verwerkt; dividend zit in de onderliggende winst- en NAV-ontwikkeling. Drie koerspaden tot 2029 De scenario’s geven mogelijke koersen voor september 2027, 2028 en 2029. Zij combineren winstgroei, waardering, valuta en TER. De cijfers zijn eigen aannames en vervangen geen analyse van de onderliggende ondernemingen. Het bearscenario laat zien dat een positieve winstgroei niet genoeg is wanneer de waardering normaliseert en de dollar tegenzit. Het middenscenario vraagt ongeveer 7% brede winstgroei en een geleidelijke daling van de P/E. Het gunstige scenario veronderstelt dat de hoge winstgroei langer aanhoudt en de markt een hoge multiple blijft betalen. De belangrijkste tegenwerping tegen voorzichtigheid is dat de S&P 500 al decennia winnaars laat doorgroeien en verliezers vervangt. Dat mechanisme is krachtig. De index heeft geen vaste samenstelling en kan productieve ondernemingen vanzelf zwaarder maken. Maar ook bij automatische selectie blijft de prijs doorslaggevend. Wie op een hoge multiple instapt, heeft meer groei nodig voordat hetzelfde rendement ontstaat. Lees ook: hoe winstgroei en waardering samen de koers van Nvidia bepalen. CSPX blijft een goedkoop, liquide en breed instrument voor Amerikaanse aandelen. De echte keuze is niet of 504 namen meer spreiding bieden dan één aandeel. Dat doen ze. De keuze is hoeveel toekomstige winst al in €708,58 zit. Op 30,41 keer winst ligt de bewijslast bij de winstgroei, en niet alleen bij de grootste tien.
- De inkoop van Aegon werkt alleen als de dochters kapitaal aanleveren
In het kort Aegon kan met €350 miljoen aandeleninkoop de aandelenteller met ongeveer 3 procent verlagen wanneer gemiddeld rond €7,86 wordt gekocht. Dat helpt de waarde per aandeel alleen wanneer de verzekeringsdochters genoeg kapitaal naar de holding sturen en de koopprijs onder de economische waarde ligt. Inkoop uit een slinkende buffer is geen gratis rendement. Aegon rapporteerde zijn halfjaarresultaten op 20 augustus voor de periode tot en met 30 juni. De slotkoers in Amsterdam bedroeg op 25 september €7,86. De onderneming rapporteerde ongeveer €14 miljard valuation equity, circa €9,42 per economisch aandeel. Dat is een economische maatstaf, geen liquide kaspot. De afstand tussen koers en valuation equity biedt een mogelijke korting, maar alleen wanneer die waarde niet wordt uitgehold door kredietverliezen, klantuitstroom of te hoge uitkeringen. Eerder ging het hier over de spread tussen beleggingsrendement en klantvergoeding bij Transamerica. Deze keer gaat het om de route van verdiend kapitaal naar waarde per aandeel. Een lagere aandelenteller is prettig, maar de bron en prijs van de inkoop bepalen of de achterblijvende belegger echt rijker wordt. Direct naar een onderdeel van dit artikel Inkoop verlaagt de teller, niet automatisch het risico De holding kan alleen uitgeven wat zij ontvangt Valuation equity is nuttig, maar niet hetzelfde als liquidatiewaarde Wat moet €7,86 waarmaken? Drie mogelijke paden Waar het voor beleggers op neerkomt Inkoop verlaagt de teller, niet automatisch het risico Bij een vaste winst of economische waarde leidt minder aandelen tot meer per aandeel. Dat is de mechanische kant. De economische kant vraagt of de onderneming voor iedere ingekochte euro minstens één euro waarde krijgt. De eerste module rekent het aantal ingekochte aandelen uit. Bij €350 miljoen en €7,86 koopt Aegon ongeveer 44,5 miljoen aandelen, circa 3 procent van een economische basis van 1,486 miljard. Een hogere uitvoeringskoers levert minder stukken op. Een lagere koers levert meer stukken op, mits de marktprijs niet daalt omdat de economische waarde werkelijk verslechtert. Wanneer Aegon onder valuation equity inkoopt, kan de economische waarde per resterend aandeel stijgen. Dat voordeel is niet gelijk aan de volledige korting, omdat valuation equity kan bewegen en niet volledig uitkeerbaar is. Verzekeringsdochters moeten kapitaalbuffers houden. Toezichthouders en ratingbureaus kijken naar risico, niet alleen naar boekhoudkundige waarde. De holding kan alleen uitgeven wat zij ontvangt Transamerica en andere activiteiten genereren kapitaal. Een deel blijft nodig voor groei en buffers. Het bedrag dat daadwerkelijk naar de holding stroomt heet een remittance. Dividend en aandeleninkoop worden uiteindelijk uit holdingkas betaald. De tweede module begint met operationele kapitaalgeneratie en een gekozen remittancepercentage. Bij €0,83 miljard generatie en 85 procent doorstroom is ongeveer €0,71 miljard beschikbaar. Dat dekt in het model niet zonder meer €0,62 miljard dividend plus €0,35 miljard inkoop. De invoer is een gevoeligheid, geen bedrijfsprognose. Een tijdelijk tekort kan uit bestaande holdingkas worden betaald. Dat kan verstandig zijn wanneer de buffer ruim is en toekomstige remittances sterk zijn. Structureel meer uitkeren dan binnenkomt is niet houdbaar. Dezelfde euro kan niet tegelijk dochterkapitaal, dividend en aandeleninkoop zijn. Lees ook: Achter de nieuwe naam Transamerica schuilt dezelfde holdingkas waaruit Aegon dividend én inkoop moet betalen Valuation equity is nuttig, maar niet hetzelfde als liquidatiewaarde Valuation equity probeert de economische waarde van kernactiviteiten te laten zien. Het helpt omdat gewone winst bij een verzekeraar wordt beïnvloed door marktbewegingen, aannames en verslaggevingsregels. Toch is de maatstaf geen bankrekening. Zij kan veranderen door rente, kredietspreads, claims, hedges en kapitaalteruggave. Een koers onder valuation equity kan dus drie dingen betekenen. De markt kan te pessimistisch zijn. Zij kan verwachten dat slechts een deel van de waarde naar aandeelhouders stroomt. Of zij kan voorzien dat de economische waarde daalt. Inkoop is aantrekkelijk in het eerste geval en gevaarlijk in het derde. Vanaf 2027 wil Aegon onder US GAAP rapporteren. Dat verandert de presentatie, niet de kasroute. Een optisch hogere of stabielere winst creëert geen extra remittance. Beleggers moeten naast winst altijd operationele kapitaalgeneratie, dochterbuffers en Cash Capital at Holding blijven volgen. Wat moet €7,86 waarmaken? De reverse module combineert totaalrendement, dividend en de multiple op valuation equity. Wie 10 procent jaarlijks totaalrendement verlangt en €0,42 dividend per jaar aanneemt, heeft in 2029 ongeveer €8,91 eindkoers nodig. Bij 0,88 keer valuation equity vraagt dat circa €10,13 valuation equity per aandeel. De H1-referentie is €9,42 per aandeel. De vereiste groei is dus beheersbaar, maar niet vanzelfsprekend. Dividend is al in de rendementseis verwerkt en mag niet nog eens bij de eindkoers worden opgeteld. Aandeleninkoop zit in de toekomstige waarde per aandeel; het inkoopbedrag mag niet tevens als extra kas blijven staan. De multiple is cruciaal. Wanneer de markt vertrouwen krijgt in remittances en kapitaalbeheer, kan de korting kleiner worden. Bij aanhoudende krediet- of regelgevingszorgen kan een korting blijven bestaan, zelfs wanneer valuation equity groeit. Drie mogelijke paden Het bearscenario gebruikt valuation equity per aandeel van €8,80, €8,60 en €8,50 met een dalende multiple van 0,65 naar 0,60. Het middenscenario laat de economische waarde stijgen naar €11,00 en gebruikt 0,88 keer in 2029. Het gunstige scenario combineert €12,30 valuation equity per aandeel met 1,05 keer. Dividend komt boven op de getoonde koersen. De scenario’s zijn geen koersdoelen en hebben geen waarschijnlijkheid. Ze tonen dat zowel economische waarde als de korting van de markt het resultaat bepalen. Waar het voor beleggers op neerkomt Volg de remittances, operationele kapitaalgeneratie, Cash Capital at Holding en het aantal economische aandelen. Kijk ook naar de gemiddelde inkoopkoers. Een programma dat onder economische waarde koopt en uit terugkerende kas wordt betaald kan waarde creëren. Een programma dat de buffer verzwakt of boven economische waarde koopt doet dat niet. Kredietkwaliteit en klantgedrag blijven onder de motorkap belangrijk. Een hogere spread helpt alleen wanneer kredietverliezen en uitstroom beheersbaar blijven. Daarnaast ontstaat veel winst in dollars terwijl het aandeel in euro noteert. Valuta kan de gerapporteerde waarde bewegen zonder dat de Amerikaanse activiteit beter of slechter presteert. Bij €7,86 hoeft Aegon geen snelgroeier te worden. Het moet betrouwbaar kapitaal genereren, voldoende geld naar de holding sturen en onder de juiste voorwaarden aandelen intrekken. €350 miljoen inkoop is dan meer dan cosmetiek: het verhoogt de economische claim van ieder resterend aandeel. Zonder die dekking is een lagere teller vooral een mooi getal.
- Wat als ASML straks kan leveren en de klant op de rem staat?
In het kort ASML wil in 2027 de capaciteit voor Low-NA EUV en DUV immersion met ongeveer 30% verhogen. Dat volgt op een sterk tweede kwartaal met €9,33 miljard omzet, 54% brutomarge en €2,92 miljard nettowinst. De extra capaciteit vergroot het omzetplafond, maar maakt de onderneming ook gevoeliger voor uitstel bij klanten. Bij een koers van €1.534 op Euronext Amsterdam op 25 september 2026 moet de nieuwe productie niet alleen gebouwd worden. Zij moet jarenlang goed bezet blijven en een hoge marge verdienen. ASML bezit de cruciale lithografietechnologie waarmee chipfabrikanten steeds kleinere patronen op silicium zetten. Voor de meest geavanceerde chips bestaat geen volwaardig alternatief voor EUV. Dat geeft ASML uitzonderlijke prijskracht en zicht op de technologische routekaarten van klanten. Tegelijk is de productie complex. Een systeem bestaat uit onderdelen van gespecialiseerde leveranciers, vraagt schaarse technici en wordt pas als omzet geboekt wanneer levering en acceptatie aan de voorwaarden voldoen. Bij de cijfers van 15 juli verhoogde ASML de verwachting voor heel 2026 naar €43 miljard tot €45 miljard omzet en 54% tot 56% brutomarge. Het bedrijf noemde aanhoudende AI-investeringen en versnellende capaciteitsplannen bij klanten. Voor 2027 wil ASML de Low-NA EUV-capaciteit van ongeveer 65 systemen met 30% verhogen. Voor DUV immersion gaat het om circa 130 systemen plus 30%. Ook voor 2028 onderzoekt het bedrijf opnieuw een verhoging van 30%. Direct naar een onderdeel van dit artikel Capaciteit is geen omzetgarantie Eén margepunt is honderden miljoenen waard De concurrentie zit vooral bij de klant Wat vraagt €1.534 van de winst? Conclusie Capaciteit is geen omzetgarantie De omzetruimte in de eerste module is bewust eenvoudig. Het aantal systemen, de gemiddelde omzet en de benutting bepalen samen wat extra capaciteit kan opleveren. In werkelijkheid verschilt de prijs sterk per configuratie en kunnen upgrades, installatie en omzetmomenten de cijfers tussen kwartalen verschuiven. De uitkomst is dus geen omzetprognose, maar maakt wel één financieel verband zichtbaar: een fabriek die op 85% draait, verdient heel anders dan dezelfde fabriek op 55%. Het positieve argument is sterk. ASML breidt niet op goed geluk uit. Klanten delen jaren vooruit hun technologieplannen en moeten lithografiesystemen vroeg reserveren. De overstap naar geavanceerde logic, high-bandwidth memory en complexere packaging verhoogt het aantal kritieke lagen. Meer rekenvraag kan daardoor meer lithografie-intensiteit per chip opleveren. De tegenwerping is dat halfgeleiderplannen cyclisch blijven. Een klant kan een fabriek later openen, vergunningen kunnen vertragen en exportregels kunnen een levering blokkeren. Bestellingen zijn bovendien geen onvoorwaardelijke kasstromen. Annulering, verschuiving of een andere productmix kan de bezetting onder druk zetten, terwijl ASML personeel en leveranciers al heeft opgeschaald. Eén margepunt is honderden miljoenen waard De brutomarge steeg van 53% in Q1 naar 54% in Q2. Op €9,33 miljard kwartaalomzet betekent één procentpunt ongeveer €93 miljoen brutowinst. Met de jaaromzet die richting €44 miljard gaat, wordt een margepunt op jaarbasis al snel honderden miljoenen euro’s. Daarom maakt de mix tussen EUV, DUV, upgrades en service veel uit. Meer capaciteit kan schaalvoordelen geven, maar de eerste systemen van een nieuwe generatie brengen vaak hogere kosten mee. Tegelijk kan een gunstige productmix de marge ondersteunen. ASML verwachtte voor Q3 zelfs 55% tot 57% brutomarge. Dat is geen garantie voor een permanent niveau, maar laat zien dat de onderneming in een gunstige vraagomgeving veel van extra omzet kan omzetten in winst. De concurrentie zit vooral bij de klant Voor EUV is de directe concurrentie beperkt, maar dat betekent niet dat ASML geen economisch risico kent. De belangrijkste discipline komt van de kapitaalbegroting van TSMC, Samsung, Intel, Micron en andere chipproducenten. Wanneer een klant onvoldoende rendement op een nieuwe fabriek ziet, kan hij investeringen faseren. Ook kan een productieverhoging bij één klant tijdelijk voorraad in de keten opbouwen. Een tweede risico is geopolitiek. Exportregels kunnen bepalen welke systemen en diensten aan welke klanten mogen worden geleverd. China is belangrijk voor DUV en service, terwijl de geavanceerdste systemen al onder strenge beperkingen vallen. ASML kan sterke vraag hebben en toch omzet missen doordat een licentie ontbreekt. Een derde risico is uitvoering. De uitbreiding vraagt optiek, lasers, mechatronica en duizenden geschoolde medewerkers. Een bottleneck bij één leverancier kan de hele levering verschuiven. Daardoor is capaciteit op papier pas waardevol wanneer de volledige keten synchroon kan opschalen. Wat vraagt €1.534 van de winst? ASML verdiende in Q2 €7,59 per aandeel. Vier keer dat kwartaal is €30,36, maar die simpele annualisatie negeert de hogere Q3-omzetverwachting, seizoenseffecten en productmix. Een reverse waardering maakt de vereiste winst expliciet. Bij 9% gewenst jaarlijks koersrendement en een eindmultiple van 32 keer winst moet de EPS in 2029 ruim boven de huidige run-rate liggen. Het bear-scenario veronderstelt dat capaciteitsplannen vertragen en de multiple daalt. Het middenscenario gebruikt stevige winstgroei door hogere leveringen, service en upgrades. Het gunstige scenario vraagt dat AI-investeringen breed doorzetten, de nieuwe capaciteit goed gevuld raakt en de premium multiple grotendeels standhoudt. Lees ook: Eerdere analyse van ASML, EUV en de waardering Conclusie ASML heeft een technologisch monopolieachtig voordeel, maar de koers van €1.534 rekent al met veel meer dan een sterke orderinstroom. De volgende stap is uitvoering: 30% meer capaciteit bouwen, de keten laten volgen en voldoende bezetting houden om de marge te beschermen. Dat kan, zeker als AI de vraag naar geavanceerde chips jarenlang hoog houdt. Toch is extra productiecapaciteit pas waardevol wanneer klanten de systemen op tijd afnemen en winstgevend inzetten. Beleggers kunnen daarom naast orders vooral letten op leveringen, brutomarge en de bezettingsgraad van de nieuwe capaciteit. Daar wordt beslist of de uitbreidingsrekening een groeimotor of een tijdelijke last wordt.
- Hoe houdbaar is het hoge dividend van deze wereld-ETF?
In het kort De Vanguard FTSE All-World High Dividend Yield UCITS ETF, bekend onder ticker VHYL, bundelt 2.364 hoogdividendaandelen uit ontwikkelde en opkomende markten. De beurslijn op Euronext Amsterdam is uitkerend, noteert in euro en sloot op 25 september op €80,529. De shareclass heeft ISIN IE00B8GKDB10, een basisvaluta in Amerikaanse dollars en keert per kwartaal uit. De brede spreiding maakt VHYL geschikt voor beleggers die wereldwijd dividendinkomen zoeken. Toch is hoog dividend niet hetzelfde als lage waardering. Vanguard meldde per 31 augustus een koers-winstverhouding van 16,4, een koers-boekwaardeverhouding van 2,3 en een rendement op eigen vermogen van 14,4%. Dat zijn degelijke cijfers, maar geen koopje zonder voorwaarden. Kernpunt: de uitkering is aantrekkelijk wanneer de onderliggende winst groeit en de bedrijven hun dividend uit kas kunnen betalen. Een hoog rendement dat ontstaat door dalende koersen en krimpende winst kan juist een waarschuwing zijn. Foto: Salim Ramji, CEO van Vanguard, officiële archieffoto Vanguard. Direct naar een onderdeel van dit artikel Wat koop je werkelijk? 16,4 keer winst vraagt groei Dividenddekking telt meer dan hoogte Koers en totaalrendement uit elkaar houden Drie mogelijke koerspaden Waar we op letten Conclusie Wat koop je werkelijk? VHYL volgt de FTSE All-World High Dividend Yield Index. Het fonds selecteert aandelen met een bovengemiddeld verwacht dividendrendement en sluit vastgoedfondsen uit. Daardoor ontstaat een andere portefeuille dan een gewone wereldindex. Technologie weegt minder, terwijl financiële waarden, energie, gezondheidszorg en defensieve consumentengoederen relatief belangrijker zijn. De Verenigde Staten vormden eind augustus 40,08% van de portefeuille, Japan 9,44% en het Verenigd Koninkrijk 6,88%. De grootste positie, JPMorgan, woog slechts 2,13%. ExxonMobil en Johnson & Johnson volgden met ongeveer 1,5% en 1,44%. Het individuele bedrijfsrisico is dus klein, maar de economische stijl is wel geconcentreerd. Wanneer banken, oliebedrijven en defensieve concerns tegelijk onder druk staan, kunnen honderden posities toch dezelfde kant op bewegen. Spreiding over namen voorkomt niet dat rente, grondstoffenprijzen en valuta de portefeuille als geheel raken. 16,4 keer winst vraagt groei Bij €80,529 en 16,4 keer onderliggende winst koopt de belegger ongeveer €4,91 aan winst-equivalent per ETF-aandeel. Dat is geen officieel fondsresultaat per stuk, maar een handige vertaling van de look-throughwaardering. Wie over drie jaar 6% koersrendement per jaar verlangt en in 2029 nog 16 keer winst wil betalen, heeft ongeveer 6,8% jaarlijkse groei van dat winst-equivalent nodig. De uitkeringen komen daar als totaalrendement bovenop. Vanguard rapporteerde een historische winstgroei van 8,7% voor de onderliggende portefeuille. Dat is bemoedigend, maar geen belofte. Banken kunnen last krijgen van kredietverliezen, oliebedrijven van lagere grondstoffenprijzen en farmaceuten van patentverloop of prijsdruk. De huidige multiple blijft alleen redelijk wanneer de winstkwaliteit standhoudt. De lopende fondskosten bedragen 0,29% per jaar. Dat is laag voor een wereldwijd dividendfonds, maar hoger dan bij de goedkoopste gewone wereldtrackers. De afwijkende selectie moet die extra kosten dus compenseren met inkomen, risico of rendement. Dividenddekking telt meer dan hoogte Een dividendfonds kijkt aantrekkelijk wanneer de uitkering oploopt. Maar een bedrijf kan het dividend tijdelijk hoog houden door schuld op te nemen, investeringen uit te stellen of meer uit te keren dan het verdient. Dat werkt niet onbeperkt. De module zet winst, uitkeringspercentage en winstverandering naast elkaar. Bij een uitkeringspercentage van 60% is er gezonde ruimte voor investeringen en tegenvallers. Daalt de winst met 30%, dan verdwijnt een groot deel van die bescherming. Voor de ETF geldt dat zwakke bedrijven uiteindelijk uit de index kunnen vallen, maar pas nadat koers en dividend al zijn geraakt. VHYL keerde in 2026 tot en met september $0,4290, $0,9263 en $0,5191 per aandeel uit. Kwartaalbedragen schommelen sterk en mogen niet simpelweg met vier worden vermenigvuldigd. De eurobelegger krijgt bovendien met de dollar en andere valuta te maken. Koers en totaalrendement uit elkaar houden Een uitkerende ETF betaalt dividend contant. Op de ex-dividenddatum daalt de koers in beginsel met het uitgekeerde bedrag. Wie alleen naar de grafiek kijkt, mist daarom een deel van het rendement. Wie de uitkering uitgeeft, ontvangt inkomen maar geen samengestelde groei over dat bedrag. In het standaardmodel groeit de koers 5% per jaar en bedraagt de uitkering 3,5%. Bij volledige herbelegging groeit €80,529 naar ongeveer €103 in drie jaar. Dit is een rekenvoorbeeld zonder belasting, transactiekosten of wisselende uitkering. De keuze tussen VHYL en een accumulerende wereldtracker is dus niet alleen een rendementsvraag. Een uitkerende shareclass past bij wie kasinkomen wil. Wie vermogen wil laten aangroeien, moet de uitkeringen zelf herbeleggen. De fiscale behandeling hangt af van de persoonlijke situatie. Drie mogelijke koerspaden In het bearscenario daalt de winst eerst en krimpt de waardering richting 13 keer winst. Mogelijke koersen zijn €72 in 2027, €70 in 2028 en €73 in 2029. Uitkeringen zijn niet in deze koersen verwerkt. Het middenscenario gebruikt ongeveer 5% winstgroei en een multiple rond 16. Mogelijke koersen zijn €84, €89 en €94. In het gunstige scenario groeit de winst ongeveer 8% en waardeert de markt de portefeuille uiteindelijk op 18 keer winst. Daar horen €91, €103 en €116 bij. Omdat het om een fonds gaat, is de uitkomst de optelsom van duizenden winstpaden, valuta en uitkeringen. De scenario’s laten vooral zien dat hoog dividend niet beschermt tegen multiplekrimp. Waar we op letten Belangrijk zijn de look-throughwinstgroei, het rendement op eigen vermogen, dividenddekking en de landen- en sectorwegingen. Ook de afstand tussen beurskoers en intrinsieke waarde verdient aandacht, al blijft die bij liquide ETF’s meestal klein. Lees ook: Zo werkt dividend als bron van totaalrendement Conclusie VHYL biedt brede spreiding, kwartaaluitkeringen en een duidelijke voorkeur voor winstgevende dividendbetalers. De grootste positie is klein en de kosten blijven beheersbaar. Dat zijn sterke eigenschappen. Bij 16,4 keer winst is de ETF echter niet automatisch goedkoop. Het rendement moet komen uit winstgroei, duurzame uitkeringen en een waardering die niet fors daalt. Wie VHYL koopt voor inkomen, doet er goed aan naast het dividendpercentage ook de kwaliteit van de onderliggende winst te volgen.
- De contractberg van Salesforce is minder groei dan hij lijkt
In het kort Salesforce had eind juli $66,3 miljard aan resterende contractverplichtingen, 11% meer dan een jaar eerder. Daarvan valt $33,5 miljard naar verwachting binnen twaalf maanden. Dat geeft omzetzicht, maar het is geen directe kasstroom en evenmin zuiver organische groei. Overnames, contractduur, valuta en timing kleuren het bedrag. Bij een koers van $234,02 op de NYSE op 25 september 2026 moet Salesforce bewijzen dat de contractvoorraad leidt tot hogere organische omzet, een blijvend goede marge en vrije kasstroom per aandeel. Het verdienmodel is aantrekkelijk. Klanten betalen abonnementen voor software die verkoop, klantenservice, marketing, data en samenwerking ondersteunt. Eenmaal ingebouwd in processen en databronnen is overstappen kostbaar. Dat zorgt voor terugkerende inkomsten en een relatief voorspelbare omzetbasis. AI kan daar een nieuwe laag bovenop leggen, maar de fundamentele rekensom blijft dezelfde: contracten moeten daadwerkelijk worden gebruikt, verlengd en omgezet in kas. Bij de cijfers van 26 augustus meldde Salesforce $11,3 miljard kwartaalomzet, 11% meer dan een jaar eerder. Informatica droeg $456 miljoen bij. De GAAP-operationele marge was 20,5% en de vrije kasstroom $1,1 miljard. Agentforce en Data 360 bereikten samen bijna $3,9 miljard jaarlijkse terugkerende omzet, maar de definitie van Agentforce ARR werd in het kwartaal uitgebreid met andere AI-producten, Slackbot en Headless 360. Dat maakt een vergelijking nuttig, maar niet volledig schoon. Direct naar een onderdeel van dit artikel RPO is zicht, geen garantie De acquisitiebijdrage verdient een eigen regel Winst en kas bewegen per kwartaal anders Wat moet $234,02 opleveren? Concurrentie en risico’s Conclusie RPO is zicht, geen garantie RPO staat voor remaining performance obligation: contractwaarde die nog niet als omzet is verantwoord. De current RPO, of cRPO, wordt naar verwachting binnen twaalf maanden omzet. Het overige deel ligt verder in de toekomst. Salesforce kan nieuwe contracten sluiten terwijl bestaande contractwaarde afloopt, waardoor het saldo per kwartaal beweegt. Het sterke argument voor het aandeel is dat $33,5 miljard cRPO een grote basis vormt tegenover de jaaromzet. Klanten zeggen met hun contracten dat zij de software blijven gebruiken. In economisch onzekere tijden geeft dat meer bescherming dan bij een bedrijf dat ieder kwartaal opnieuw losse verkoop moet winnen. Het tegenargument is dat contractwaarde verschillende kwaliteiten kent. Een lang contract met lage jaarlijkse groei is minder aantrekkelijk dan een korter contract dat snel uitbreidt. Ook kunnen overnames de RPO verhogen zonder dat het bestaande Salesforce-platform sneller groeit. Wie alleen het totale saldo bekijkt, kan acquisitie, valuta en looptijd verwarren met organische vraag. De acquisitiebijdrage verdient een eigen regel De Q2-omzet bevatte $456 miljoen van Informatica. Trek je dat bedrag mechanisch af, dan ontstaat een eenvoudiger beeld van de onderliggende omzet. Dat is nog geen perfecte organische vergelijking. Valuta, desinvesteringen en de integratie van producten kunnen het cijfer beïnvloeden. De module laat vooral zien hoeveel verschil een overnamebijdrage maakt wanneer de totale groei 11% bedraagt. Salesforce verhoogde de verwachting voor boekjaar 2027 naar $46,1 miljard tot $46,4 miljard omzet. De onderneming schreef $100 miljoen van de verhoging toe aan organische groei, $200 miljoen aan de voorgenomen overnames van Contentful en Fin, en verwerkte een tegenwind van $100 miljoen uit valuta. Dat detail is belangrijk. Het laat zien dat de kopregel over de verhoging uit verschillende bronnen bestaat. Overnames kunnen uitstekende kapitaalallocatie zijn als de producten de distributie van Salesforce benutten en klanten meer onderdelen afnemen. Zij kunnen ook integratierisico, afschrijving en een hogere aandelenbasis opleveren. De waarde zit daarom niet in de overname op zichzelf, maar in hogere omzet per klant en meer vrije kasstroom per aandeel. Winst en kas bewegen per kwartaal anders De vrije kasstroom van $1,1 miljard lag in Q2 duidelijk lager dan de operationele modelwinst. Dat is niet automatisch zwak. Softwarebedrijven factureren veel contracten vooruit, waardoor werkkapitaal en seizoenspatronen de kasstroom tussen kwartalen verschuiven. Een jaarbeeld is daarom informatiever dan één kwartaal. Toch verdient kasconversie aandacht. Aandelenbeloning is een echte economische kostenpost, ook als zij niet direct kas kost. Salesforce koopt veel eigen aandelen in. De relevante vraag is of die inkoop de verwaterde aandelenbasis daadwerkelijk verlaagt na compensatie van aandelenbeloning. Wie vrije kasstroom waardeert zonder de aandelenbasis te volgen, kan kapitaalretour dubbel tellen. Wat moet $234,02 opleveren? De reverse waardering rekent terug vanaf de koers. Bij een gewenst jaarlijks koersrendement van 10%, een eindmultiple van 24 keer vrije kasstroom en 920 miljoen verwaterde aandelen is in 2029 een aanzienlijk hogere vrije kasstroom nodig dan vier keer het Q2-niveau. Dat kan gebeuren door omzetgroei, margeverbetering en een dalende aandelenbasis. Het lukt niet wanneer omzet vooral via dure acquisities groeit en kasconversie achterblijft. In het bear-scenario vertraagt organische groei, daalt de waarderingsmultiple en blijft de EPS vrijwel vlak. Het middenscenario veronderstelt dat cRPO rond 14% blijft groeien, integraties bijdragen en de marge standhoudt. Het gunstige scenario vraagt dat AI en Data 360 extra omzet worden boven op de bestaande licenties, niet alleen een nieuwe verpakking van dezelfde contractwaarde. Concurrentie en risico’s Microsoft, Oracle, SAP, ServiceNow en gespecialiseerde aanbieders concurreren op onderdelen van de softwarestack. Generatieve AI kan de toegang tot bedrijfsdata en workflows veranderen. Dat biedt Salesforce kansen, maar kan ook de prijsdruk verhogen wanneer klanten verschillende modellen boven op dezelfde gegevens willen gebruiken. Een tweede risico is complexiteit. Salesforce bezit veel producten en overgenomen platforms. Klanten kunnen meer waarde krijgen uit een geïntegreerd pakket, maar ook afhaken als implementatie, prijzen en beheer te ingewikkeld worden. Een derde risico is dat contractwaarde trager omzet wordt dan de beurs verwacht. RPO geeft zicht, maar geen immuniteit tegen besparingen of langere verkoopcycli. Lees ook: Dit moet je weten als je in SAAS en AI aandelen investeert Conclusie Salesforce heeft een sterke terugkerende omzetbasis en een grote contractvoorraad. Bij $234,02 is de kernvraag echter niet hoe groot $66,3 miljard klinkt. Het gaat om de kwaliteit van die verplichtingen, de organische groei na overnames en de vrije kasstroom per aandeel. Wie het aandeel volgt, kan cRPO naast acquisitiebijdragen, GAAP-marge en verwaterde aandelen zetten. Als die vier maten samen verbeteren, is de contractvoorraad waardevol. Als vooral het totaalbedrag groeit terwijl kas en per-aandeelwaarde achterblijven, geeft RPO meer comfort dan rendement.











