top of page

Doorzoek deze website

14366 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht

  • Een ov-staking maakt zichtbaar wie voor betaalbaar vervoer betaalt

    In het kort De dreigende stakingen in het streekvervoer zetten drie rekeningen tegenover elkaar: die van werknemers, vervoerders en reizigers. Zes procent hoger loon betekent niet automatisch zes procent hogere vervoerskosten, maar kan bij een groot arbeidsaandeel wel stevig aantikken. Tegelijk kan besparen op roosters duur uitpakken als medewerkers vertrekken of ritten uitvallen. Het economisch verstandigste akkoord maakt daarom zowel de kosten als de inzetbaarheid zichtbaar. FNV en CNV stelden op 1 oktober een ultimatum dat woensdag 7 oktober om 12.00 uur afloopt. FNV bereidt acties vanaf 12 oktober voor, mogelijk één dag per week tot kerst. Concrete dagen en locaties waren in de aankondiging nog niet vastgesteld. Het gaat om een dreiging waarmee de bonden druk zetten op het vastgelopen cao-overleg, niet om een bevestigde kalender waarop overal alle bussen stilstaan. De strijd raakt iets wat in een loontabel niet staat: hoeveel van een dag werk werkelijk in beslag neemt. Een rooster kan hetzelfde aantal betaalde uren bevatten, maar toch meer tijd buiten huis vragen. Voor de vervoerder kan die verdeling efficiënt lijken, terwijl de werknemer minder ruimte overhoudt voor gezin, herstel of ander werk. Wie alleen het loonpercentage bekijkt, mist daarom een belangrijk deel van de prijs. Direct naar een onderdeel van dit artikel Een looneis is nog geen stijging van de totale vervoerskosten Op de loonstrook telt geld en naast de loonstrook telt tijd De reiziger met weinig alternatieven betaalt het meest Hoeveel reizigers zouden een hoger loon kunnen betalen Drie paden voor de elf weken tot kerst Een betaalbaar akkoord moet ook uitvoerbare diensten opleveren Een looneis is nog geen stijging van de totale vervoerskosten FNV zet in op zes procent loonsverhoging en verzet zich tegen veranderingen die volgens de bond onder meer pauzes, roosters en inkomenszekerheid verslechteren. CNV noemt 9,5 procent over twee jaar en wil bijvoorbeeld diensten van maximaal 7,5 uur voor chauffeurs die vóór vijf uur beginnen. Dat zijn verschillende voorstellen met verschillende tijdvakken. Ze kunnen niet als twee concurrerende percentages voor hetzelfde jaar worden behandeld. Neem een vervoerder met een jaarlijks kostenbudget van €100 miljoen. Veronderstel dat €60 miljoen daarvan arbeidskosten zijn en dat die hele post met zes procent stijgt. De rekensom is €60 miljoen × 0,06 = €3,6 miljoen extra per jaar. De totale kosten worden €103,6 miljoen, een stijging van 3,6 procent. Dit is een rekenvoorbeeld, geen bekende kostenverdeling van een concrete busmaatschappij. Brandstof, materieel, huisvesting en alle overige kosten blijven hierin gelijk. Bij een arbeidsaandeel van veertig procent wordt de totale stijging 2,4 procent. Bij tachtig procent is dat 4,8 procent. Ook de koppeling tussen salaris en totale arbeidskosten is een vereenvoudiging: pensioenpremies, toeslagen en werkgeverslasten kunnen anders bewegen. Toch maakt de som duidelijk waarom zowel de looneis als het aandeel arbeid nodig is om te beoordelen hoeveel geld er ontbreekt. Dat bedrag hoeft niet volledig uit duurdere kaartjes te komen. Een vervoerder kan een lagere marge accepteren, efficiënter plannen of meer reizigers vervoeren met bestaande capaciteit. Een opdrachtgever kan een hogere vergoeding afspreken. Maar als geen van die mogelijkheden genoeg oplevert, komt uiteindelijk ook het aantal ritten onder druk. Wie de loonkosten afwijst zonder een alternatief te noemen, verplaatst de rekening. Op de loonstrook telt geld en naast de loonstrook telt tijd Voor een werknemer met een verondersteld basissalaris van €3.000 bruto per maand betekent zes procent €180 bruto extra per maand. Over twaalf maanden is dat €2.160 bruto. Als in dit uitsluitend illustratieve voorbeeld veertig procent van de extra beloning opgaat aan belastingen en andere inhoudingen, resteert €108 netto per maand en €1.296 netto per jaar. Vakantiegeld, toeslagen, pensioen en veranderingen in inkomensafhankelijke regelingen zijn buiten de som gehouden. Het is dus geen berekening van een echte loonstrook. Voor de werkgever is die €108 niet de relevante kostenpost. Die betaalt het hogere brutoloon, mogelijk aangevuld met hogere werkgeverslasten. Voor de werknemer is juist het besteedbare bedrag belangrijk. Dat verschil verklaart waarom hetzelfde bod aan de ene kant royaal en aan de andere kant mager kan voelen, zonder dat een van beide kanten de vermenigvuldiging verkeerd doet. Roosters kunnen die afweging verder veranderen. Stel dat een onbetaalde onderbreking een werkdag een halfuur langer maakt en dat dit op vier dagen per week gebeurt. Dan gaat het om twee uur extra gebonden tijd per week, ook als de betaalde uren niet stijgen. Dit is een hypothetisch rooster, niet een vastgesteld werkgeversvoorstel. De werknemer kan die tijd lang niet altijd nuttig inzetten, zeker niet wanneer de onderbreking ver van huis valt. De redelijke tegenwerping is dat reizigers vooral op piekmomenten vervoer nodig hebben. Volledig aaneengesloten diensten passen niet vanzelf bij een ochtend- en avondspits. Meer betaalde tussenuren kunnen dan de kosten verhogen zonder dat er extra reizigers worden vervoerd. De economische vraag is hoeveel flexibiliteit werkelijk nodig is en hoe de last daarvan wordt verdeeld. Een rooster kan op papier goedkoper zijn en tegelijk de werving of het behoud van personeel moeilijker maken. De reiziger met weinig alternatieven betaalt het meest Bij een staking lopen de gevolgen sterk uiteen. Een thuiswerker kan een reis schrappen. Een medewerker met een vroege dienst, een student met een verplichte praktijkles of iemand met een afspraak in het ziekenhuis kan dat minder makkelijk. Wie al een auto bezit, heeft andere uitwijkmogelijkheden dan iemand die een taxi moet betalen. Dat maakt gemiddelde schade per reiziger nuttig voor een model, maar ongeschikt als beschrijving van ieder huishouden. In een onderzoek dat KiM op 27 augustus 2024 publiceerde meldde tien procent van de volwassen inwoners van Nederland problemen met het betalen van vervoer. Vooral lagere inkomens, alleenstaanden met kinderen en werklozen waren kwetsbaar. Dit is een oudere meting van betaalbaarheid, geen telling van mensen die door de aangekondigde acties worden geraakt. Het verklaart wel waarom een tijdelijke extra vervoersrekening ongelijk kan neerslaan. Reken voor één reiziger met zes getroffen reisdagen, €18 aanvullende uitgaven per dag en drie kwartier extra reistijd. Dat levert 6 × €18 = €108 extra uitgaven op en 6 × 45 minuten = 4,5 uur tijdverlies. De €18 is een aanname ná eventuele besparing op losse ov-kaartjes. Bij een doorlopend abonnement kan die besparing ontbreken. Gemist loon, vergoedingen en gemiste afspraken tellen niet mee. Daar zit ook het verschil tussen een kassabon en economische schade. Extra uitgaven zijn direct zichtbaar op de bankrekening. Verloren tijd kost vaak geen geld op dat moment, maar kan wel waarde hebben. Wie beide wil optellen, moet een expliciete tijdwaardering gebruiken. Dezelfde gemiste werktijd vervolgens nogmaals als verloren productie opvoeren kan tot dubbeltelling leiden. Hoeveel reizigers zouden een hoger loon kunnen betalen Draai de gebruikelijke vraag eens om. Niet hoeveel het kaartje duurder moet worden, maar hoeveel extra reizen nodig zijn om de kosten te dragen. In het voorbeeld ontbreekt €3,6 miljoen per jaar. Als iedere extra reis na de extra uitvoeringskosten €1,50 bijdraagt, zijn €3,6 miljoen / €1,50 = 2,4 miljoen extra reizen nodig. Bij een uitgangspunt van veertig miljoen reizen is dat zes procent groei. Die €1,50 is geen ticketprijs. Het is de bijdrage die overblijft nadat de kosten die door die extra reiziger ontstaan zijn betaald, vóór belasting. In een halflege bus kan de extra uitvoeringslast klein zijn. Op een overvolle spitslijn kan een extra bus met chauffeur nodig zijn, waardoor de bijdrage veel lager uitvalt. Bij €1 bijdrage zijn 3,6 miljoen extra reizen nodig; bij €2 zijn het 1,8 miljoen. Meer reizigers zijn dus geen gratis oplossing. Betrouwbaarheid, aansluitingen en capaciteit moeten meegroeien. De vervoersbranche wijst bovendien op publieke financiering. In haar reactie van 18 september op de begroting waarschuwde OV-NL, onder voorzitter Lisa van Ginneken, dat onderhoud aan infrastructuur niet genoeg is wanneer geld voor de exploitatie achterblijft. Dat is de positie van de brancheorganisatie, geen onafhankelijk oordeel over de betaalbaarheid van iedere cao-eis. Het maakt wel duidelijk waarom ook provincies en vervoerregio’s bij de financiële uitkomst betrokken zijn. Drie paden voor de elf weken tot kerst Voor dit conflict is een horizon tot kerst zinvoller dan een schijnbaar nauwkeurige raming tot 2029. De eerstvolgende beslissing valt al op 7 oktober; de aangekondigde actieperiode loopt vanaf 12 oktober. Daarom rekenen de scenario’s, met peildatum 1 oktober, over elf kalenderweken tot en met de week van 25 december 2026. Het zijn geen kansen en evenmin aangekondigde landelijke stakingsdagen. Het basisscenario veronderstelt vier actiedagen. Per dag zijn er in het model 100.000 reizigers, van wie de helft daadwerkelijk wordt gehinderd. Iedere getroffen reiziger maakt €6 extra kosten en verliest een halfuur, gewaardeerd op €15 per uur. De modelrekening per dag is daarmee 50.000 × (€6 + 0,5 × €15) = €675.000. Over vier dagen is dat €2,7 miljoen: €1,2 miljoen extra uitgaven en €1,5 miljoen gewaardeerde tijd. In het gunstige alternatief komt vóór de acties een akkoord tot stand. Het aantal actiedagen is nul en deze specifieke verstoringsrekening ook. Dat zegt niets over de kosten van het akkoord zelf. In het langdurige alternatief volgt elf weken achtereen één actiedag. Bij verder dezelfde aannames wordt de rekening €7,425 miljoen, waarvan €3,3 miljoen uitgaven en €4,125 miljoen tijdwaardering. Het werkelijke bereik van acties kan per regio en dag sterk verschillen. De uitkomsten zijn gevoelig voor gedrag. Als mensen vooraf kunnen omboeken, thuiswerken of meerijden, dalen de kosten. Als acties onverwacht precies kwetsbare aansluitingen treffen, kunnen ze hoger zijn. Werkgevers kunnen vervangend vervoer organiseren, maar verschuiven daarmee een deel van de rekening naar zichzelf. De bedragen zijn daarom geen schatting van nationaal bbp-verlies en kunnen niet zonder meer worden vergeleken met de jaarlijkse cao-kosten van de hele sector. Een betaalbaar akkoord moet ook uitvoerbare diensten opleveren Het sterkste argument tegen hogere lonen en ruimere roosterafspraken is dat een vervoerder die kosten niet onbeperkt kan dragen. Als extra financiering ontbreekt en efficiencywinst tegenvalt, kan een beter contract voor werknemers samengaan met minder ritten voor reizigers. Die tegenwerping verdient een concrete berekening, geen automatische afwijzing. Anders blijft onduidelijk of het probleem vooral een te krappe vergoeding, een slecht rooster of een lage productiviteit is. Tegelijk is besparen op personeel geen besparing als uitval, verloop en noodmaatregelen het voordeel opslokken. Ons oordeel is daarom dat een akkoord pas economisch overtuigt wanneer de loonrekening én de haalbaarheid van de dienstregeling worden onderbouwd. Werknemers kunnen profiteren van meer inkomen en voorspelbaarheid; reizigers van betrouwbaarder vervoer. De rekening kan bij vervoerders, opdrachtgevers en uiteindelijk belastingbetalers of kaartjeskopers liggen. Geen van die groepen verdwijnt door een last anders te benoemen. Nieuw bewijs moet laten zien welke roosterveranderingen werkelijk voorliggen, hoe arbeidskosten en beschikbare capaciteit zich per concessie ontwikkelen en welk effect afspraken hebben op verzuim, verloop en rituitval. Als ruimere roosters aantoonbaar veel capaciteit kosten zonder het personeelsbehoud te verbeteren, wordt de werkgeverskritiek sterker. Als ze juist uitval verminderen en werving vergemakkelijken, kan een duurdere cao per betrouwbare rit goedkoper blijken. Dat is de vergelijking die uiteindelijk telt. Lees ook: Loongroei geeft werknemers minder ruimte dan het lijkt Omslag: Lisa van Ginneken, voorzitter van OV-NL. Archieffoto uit 2019, Frank Diemel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0. Ongewijzigd overgenomen.

  • Meta laat BlackRock meebetalen maar de rekening blijft

    In het kort Meta bouwt in El Paso een datacenter met één gigawatt rekenvermogen via een nieuwe samenwerking met BlackRock. De partner helpt de financiering dragen, terwijl Meta de bouw en het beheer verzorgt en aanvankelijk de enige gebruiker is. Dat verlaagt de directe kapitaalbehoefte, maar het maakt rekenkracht niet gratis. Bij $728,53 vraagt de waardering dat advertenties niet alleen de eigen datacenters, maar ook de vergoeding op partnerkapitaal ruimschoots blijven dragen. Meta is allang meer dan Facebook en Instagram. Economisch blijft het concern wel sterk leunen op advertenties. Een advertentie die door betere aanbevelingen vaker wordt bekeken of meer oplevert, financiert de volgende ronde chips, netwerken en datacenters. Die geldstroom is krachtig, maar de infrastructuurrekening groeit sneller dan bij het oude, lichtere internetmodel. Op 28 juli maakte Meta de strategische joint venture met BlackRock bekend. Het datacenter in El Paso is al in aanbouw en moet uiteindelijk één gigawatt aan rekenvermogen leveren. Meta blijft verantwoordelijk voor bouw, administratie en vastgoedbeheer. Het bedrijf wordt bij aanvang ook de enige gebruiker. De overeenkomst verandert dus vooral wie het kapitaal voorschiet, niet wie de capaciteit nodig heeft. Lees ook: Meta’s advertentiemachine financiert de AI-fabriek Direct naar een onderdeel van dit artikel Een partner verlaagt de piek, niet de economische kosten Waarom Meta deze constructie toch aantrekkelijk kan vinden De kwartaalcijfers tonen waarom financiering belangrijk wordt Wat moet de rekenkracht opleveren? Wat vraagt de koers? Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 De deal is vooral een nieuwe meetlat Een partner verlaagt de piek, niet de economische kosten Wanneer Meta alle bouwkosten zelf betaalt, verschijnt de uitgave direct als kapitaaluitgave. Met een partner kan een deel van die financiering elders staan. Daartegenover verwacht BlackRock een rendement. Dat kan via huur, gebruiksvergoedingen, een preferente opbrengst of een combinatie daarvan lopen. Meta publiceerde niet alle economische voorwaarden, zodat iedere exacte jaarsom een aanname blijft. De module maakt de kern zichtbaar. Bij een denkbeeldige bouwsom van $30 miljard, 55% partnerfinanciering en 8% vereist rendement ontstaat circa $1,32 miljard jaarlijkse kapitaallast. Dit is geen voorspelling van de werkelijke deal. Het is een manier om te zien waarom buiten de eigen balans niet hetzelfde is als buiten de winst- en kasstroomrekening. Daar komt energieverbruik nog bij. Eén gigawatt staat voor een enorme continue vermogensvraag wanneer de installatie volledig draait. Koeling, netwerkverbindingen, onderhoud en vervanging van chips vormen afzonderlijke kosten. De partner financiert mogelijk het vastgoed en een deel van de infrastructuur, maar Meta moet genoeg economische waarde uit de rekenkracht halen om al die schakels te betalen. Waarom Meta deze constructie toch aantrekkelijk kan vinden De logica is niet ingewikkeld. Meta wil snel capaciteit bouwen zonder ieder project volledig uit de eigen kas te betalen. Door kapitaal met een institutionele partner te delen, houdt het bedrijf meer flexibiliteit voor andere datacenters, chips, productontwikkeling en aandeleninkoop. De risicoverdeling kan ook helpen wanneer de levensduur van een specifieke locatie langer is dan die van de chips die erin staan. BlackRock kan op zijn beurt een langlopende kasstroom krijgen van een kredietwaardige gebruiker. Meta is aanvankelijk de enige huurder of gebruiker en draagt de operationele kennis. Voor een infrastructuurbelegger is dat aantrekkelijker dan een leeg gebouw waarvan de toekomstige vraag onzeker is. De keerzijde zit in de verplichting. Wanneer AI-capaciteit minder productief blijkt dan verwacht, blijft een contractuele betaling bestaan. Zelf gefinancierde infrastructuur kan worden afgeschreven, verkocht of aangepast. Partnerkapitaal kan minder flexibel zijn als het contract een minimale vergoeding of lange looptijd bevat. Zonder volledige voorwaarden is het verstandig de constructie niet als pure schuldreductie te zien. De kwartaalcijfers tonen waarom financiering belangrijk wordt Bij de cijfers over het tweede kwartaal meldde Meta ongeveer $60,8 miljard omzet en een operationele marge van 31%. De kasstroom uit de onderneming bleef groot, maar de kapitaaluitgaven kwamen in het kwartaal boven $31 miljard uit. Voor heel 2026 lag de investeringsverwachting op $130 miljard tot $145 miljard. Dat verschil tussen winst en vrije kas verdient aandacht. Boekhoudkundige afschrijvingen verdelen de kosten van datacenters over jaren. De kas verlaat het bedrijf veel eerder. Daardoor kan de winst sterk ogen terwijl vrije kas tijdelijk wordt samengedrukt. In het tweede kwartaal bleef volgens het resultatenbericht slechts ongeveer $784 miljoen vrije kasstroom over na de zware investeringen. De kasstroommodule trekt eigen capex en een geschatte partnerbetaling af van de operationele kasstroom. Zij laat ook zien waarom de timing ertoe doet. Een joint venture kan de bouwpiek verlagen, maar vervolgens ontstaat een terugkerende last. Beleggers moeten daarom zowel de gerapporteerde capex als toekomstige gebruiksvergoedingen volgen. Wat moet de rekenkracht opleveren? Meta kan op drie manieren waarde uit extra capaciteit halen. Ten eerste kunnen aanbevelingsmodellen meer kijktijd en advertentievertoningen opleveren. Ten tweede kan betere targeting de prijs per advertentie verhogen. Ten derde kunnen nieuwe producten, zoals slimme brillen en zakelijke AI-diensten, later eigen omzet genereren. Het eerste mechanisme werkt al. De advertentiemachine financiert de groei. Het tweede is winstgevend zolang de extra opbrengst groter is dan de rekenkosten. Het derde blijft onzekerder. Een populair AI-product kan veel gebruik aantrekken zonder dat er direct een betaalmodel tegenover staat. Het sterke tegenargument is dat Meta de schaal bezit om dit rendement sneller te halen dan kleinere concurrenten. Miljarden gebruikers leveren distributie en trainingssignalen. Het concern kan één modelverbetering over meerdere apps uitrollen. Daardoor hoeft niet ieder datacenter een nieuw zelfstandig product te verdienen. Een kleine verbetering in advertentieopbrengst per gebruiker kan op groepsniveau al veel geld vertegenwoordigen. Wat vraagt de koers? Op 1 oktober om 16.44 uur UTC noteerde Meta $728,53 aan Nasdaq. Een omgekeerde waardering begint niet met een koersdoel, maar met de vrije kas per aandeel die nodig is. Bij een eindmultiple van 28 en een gewenst rendement van 9% moet Meta in 2029 ongeveer $33,75 vrije kas per aandeel produceren. Dat is haalbaar wanneer advertentieomzet stevig blijft groeien, de infrastructuurpiek afvlakt en het aantal aandelen niet oploopt. Het wordt lastiger wanneer nieuwe joint ventures verborgen vaste lasten toevoegen of wanneer chips sneller moeten worden vervangen dan de boekhoudkundige levensduur suggereert. Kas op de balans is geen vrijbrief om investeringen dubbel te tellen. In dit model komt waarde uit vrije kas na alle infrastructuurkosten. Aandeleninkoop helpt alleen wanneer zij meer aandelen intrekt dan aandelenbeloning toevoegt en wanneer de betaalde prijs redelijk is. Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 In het bear-scenario blijven investeringen lang hoog, vertraagt de advertentiegroei en wordt partnerfinanciering duurder. Het middenscenario veronderstelt dat advertentieomzet midden-tien procent groeit, de capexpiek in zicht komt en vrije kas herstelt. In het gunstige scenario levert AI aantoonbaar meer advertentieopbrengst en worden de nieuwe datacenters beter benut. Dit zijn scenario’s, geen koersdoelen. De multiple kan zelfs bij goede uitvoering dalen wanneer rente of risicobereidheid verandert. Andersom kan een sneller herstel van vrije kas de markt overtuigen dat de infrastructuurpiek tijdelijk was. De deal is vooral een nieuwe meetlat De BlackRock-samenwerking lost de AI-rekening niet op. Zij spreidt die rekening over tijd en over meerdere kapitaalverschaffers. Dat kan rationeel zijn, zolang Meta meer rendement op de capaciteit behaalt dan de totale financierings- en operationele kosten. De volgende cijfers moeten daarom meer laten zien dan advertentiegroei. Let op capex, vrije kasstroom, afschrijvingstermijnen en eventuele nieuwe verplichtingen uit datacenterpartnerschappen. Eén gigawatt buiten de eigen balans blijft uiteindelijk een echte rekening voor de aandeelhouder.

  • 99 miljard dollar inkoopruimte is voor Nvidia een druppel

    In het kort NVIDIA keerde in het tweede kwartaal $26 miljard uit via aandeleninkoop en dividend. Er resteert $99 miljard aan inkoopruimte en op 1 oktober werd een kwartaaldividend van $0,25 per aandeel betaald. De bedragen klinken enorm, maar de beurswaarde is ongeveer $5,6 biljoen. De resterende autorisatie vertegenwoordigt daardoor slechts circa 1,8% van de onderneming. De groei van winst per aandeel moet vooral uit de operatie komen. Kapitaalteruggave is bij een volwassen onderneming vaak een eenvoudig verhaal. Overtollige kas gaat naar dividend of aandeleninkoop. Bij NVIDIA ligt dat anders. Het bedrijf groeit nog uitzonderlijk hard en investeert tegelijk in systemen, software, netwerkproducten en productiecapaciteit bij partners. Inkoop concurreert dus niet alleen met kas op de bank, maar ook met kansen om de technologische voorsprong te verlengen. Bij de cijfers over het tweede kwartaal van boekjaar 2027 meldde NVIDIA $96,2 miljard omzet, een brutomarge van 75% en $59,7 miljard nettowinst. De verwaterde winst per aandeel bedroeg $2,46. In hetzelfde kwartaal ging $26 miljard naar aandeelhouders via inkoop en dividend. Het bestuur had na die transacties nog $99 miljard geautoriseerd voor toekomstige inkoop. Lees ook: Kan NVIDIA naar 400 dollar nu de chipreus de groei heeft maar de beurs de prijs bepaalt? Direct naar een onderdeel van dit artikel Een autorisatie is geen verplichting Dividend is zichtbaar, maar economisch klein Wanneer werkt inkoop werkelijk? De operationele machine blijft beslissend Wat moet de huidige koers waarmaken? Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 Groot bedrag, bescheiden hefboom Een autorisatie is geen verplichting Een inkoopautorisatie geeft het bestuur toestemming om aandelen te kopen. Het is geen belofte dat het volledige bedrag snel wordt besteed. NVIDIA kan het tempo aanpassen aan de koers, kaspositie, acquisities of investeringsbehoefte. Dat onderscheid is belangrijk, want inkoop die niet wordt uitgevoerd verlaagt het aandelenaantal niet. Bij $230,65 koopt $99 miljard theoretisch ongeveer 429 miljoen aandelen. Tegen ongeveer 24,28 miljard uitstaande aandelen is dat 1,8%. De uitkomst verandert sterk met de gemiddelde inkoopprijs. Stijgt de koers, dan levert hetzelfde budget minder ingetrokken aandelen op. Daalt de koers, dan wordt de inkoop krachtiger. De vergelijking met de kwartaalwinst is verleidelijk. $99 miljard is minder dan twee kwartalen van de huidige nettowinst. Maar die winstbasis is uitzonderlijk en beweegt mee met de AI-investeringscyclus. Het is daarom onverstandig de autorisatie te behandelen alsof zij zonder gevolgen ieder jaar kan worden herhaald. Dividend is zichtbaar, maar economisch klein NVIDIA betaalde op 1 oktober $0,25 per aandeel aan aandeelhouders die op 10 september geregistreerd stonden. Op jaarbasis is dat bij een ongewijzigd dividend $1 per aandeel. Tegen de koers van $230,65 komt het bruto dividendrendement uit rond 0,43%. Het dividend is vooral een signaal dat de onderneming structureel kas kan uitkeren. Voor het verwachte rendement van het aandeel is het bedrag te klein om de waardering te dragen. Inkoop kan groter zijn, maar creëert alleen waarde wanneer NVIDIA niet te veel betaalt en wanneer aandelenbeloning lager blijft dan het aantal ingekochte aandelen. De module combineert dividend en een gekozen jaarinkoop. Zelfs bij $70 miljard inkoop komt het totale bruto rendement op de beurswaarde rond 1,7% uit. De overige waarde moet ontstaan uit hogere omzet, winst en kasstroom per aandeel. Wanneer werkt inkoop werkelijk? Aandeleninkoop werkt mechanisch. Als de winst gelijk blijft en het aantal aandelen daalt, stijgt de winst per aandeel. Bij een reductie van 1,8% neemt winst per aandeel ongeveer 1,8% toe, mits de kas die voor de inkoop wordt gebruikt anders geen betekenisvol rendement zou verdienen. Die laatste voorwaarde wordt vaak vergeten. NVIDIA kan kas gebruiken om leveringszekerheid te verbeteren, software te ontwikkelen of strategische technologie te kopen. Als zo’n investering een hoger rendement oplevert dan de terugkoop, is inkoop niet automatisch de beste keuze. Andersom kan een onderneming met overtollige kas en weinig goede projecten terecht aandelen intrekken. Bij NVIDIA komt nog een waarderingsvraag. Inkoop tegen een hoge multiple verplaatst veel kas voor een relatief kleine daling van het aandelenaantal. Een buyback is dan geen gratis winstgroei. Het bestuur moet dezelfde afweging maken als iedere belegger: wat is de prijs ten opzichte van de toekomstige kas per aandeel? De operationele machine blijft beslissend Het sterke punt is de winstgevendheid. Een brutomarge van 75% geeft ruimte voor onderzoek, softwareontwikkeling en kapitaalteruggave. De datacenteromzet bedroeg ongeveer $89 miljard in het kwartaal. NVIDIA verkoopt niet alleen chips, maar complete rekensystemen, netwerkproducten en software. De risico’s zitten aan beide kanten van de keten. Grote klanten bouwen eigen accelerators en onderhandelen hard over prijs. Productie blijft afhankelijk van gespecialiseerde foundry- en geheugencapaciteit. Exportbeperkingen kunnen markten afsluiten. Bovendien moeten de klanten van NVIDIA zelf genoeg inkomsten verdienen met AI om bestellingen op lange termijn te rechtvaardigen. Een aandeleninkoop beschermt niet tegen die risico’s. Zij verdeelt dezelfde ondernemingswinst over minder aandelen. Wanneer de winst daalt, kan de winst per aandeel ondanks inkoop alsnog terugvallen. Wat moet de huidige koers waarmaken? Op 1 oktober om 16.44 uur UTC noteerde NVIDIA $230,65 aan Nasdaq. Bij een eindwaardering van 28 keer winst en een gewenst jaarlijks rendement van 10% moet de winst per aandeel in 2029 ongeveer $10,97 bedragen. Dat is ruim vier keer de gerapporteerde kwartaalwinst per aandeel, maar kwartaal- en jaarcijfers mogen niet rechtstreeks worden vergeleken. De relevante vraag is of de jaarlijkse winst per aandeel verder kan groeien nadat omzetgroei en marges normaliseren. Een lager aandelenaantal helpt, maar de bijdrage van de resterende autorisatie is beperkt. Wij tellen de $99 miljard niet als losse waarde boven op de koers. De kas verdwijnt wanneer de aandelen worden gekocht. Het effect zit in een lager aandelenaantal. Ook het dividend wordt niet dubbel geteld: de scenario’s hieronder tonen koersen exclusief ontvangen dividend. Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 In het bear-scenario normaliseert de groei snel, dalen marges en vindt inkoop deels op hoge prijzen plaats. Het middenscenario veronderstelt aanhoudend sterke datacentervraag en een lichte daling van het aandelenaantal. In het gunstige scenario blijft de platformomzet uitzonderlijk groeien en versterkt inkoop de winst per aandeel. Het grootste verschil tussen de scenario’s zit niet in het dividend. Het zit in de omzet die NVIDIA uit iedere nieuwe generatie systemen haalt, de brutomarge en de multiple die beleggers in 2029 willen betalen. Groot bedrag, bescheiden hefboom $99 miljard is in vrijwel iedere context een enorm bedrag. Tegen een beurswaarde van $5,6 biljoen is het een bescheiden hefboom. De autorisatie helpt dus, maar hoort wel op de juiste plek in de rekensom. Beleggers kunnen de komende kwartalen drie cijfers volgen: het netto aantal ingetrokken aandelen, de werkelijk betaalde gemiddelde prijs en de vrije kas na investeringen. Als die drie gunstig ontwikkelen, werkt inkoop mee. De beleggingscase blijft echter gebouwd op de operationele winstmachine, niet op de omvang van de autorisatie.

  • ASML bouwt een campus voor orders die nog moeten komen

    In het kort ASML begon op 8 september met een nieuwe campus in Eindhoven. De uitbreiding voegt productiecapaciteit toe voor de geplande groei. Dat is strategisch logisch, maar vierkante meters verdienen geen rendement. Waarde ontstaat pas wanneer klanten machines bestellen, de fabriek meer systemen aflevert en de brutomarge hoog blijft. Bij €1.597 rekent de markt op een snelle en winstgevende benutting van die capaciteit. ASML verkoopt de machines waarmee chipfabrikanten steeds kleinere structuren op wafers aanbrengen. De technologische positie is uitzonderlijk, vooral bij EUV. Toch blijft het bedrijf cyclisch. Klanten kunnen investeringen uitstellen, exportregels kunnen markten beperken en een complexe machine kan later worden geaccepteerd dan gepland. De nieuwe campus past bij een onderneming die jaren vooruit moet plannen. Productiehallen, cleanrooms, leveranciers en gespecialiseerd personeel kunnen niet in één kwartaal worden toegevoegd. Wachten tot de vraag volledig zeker is, betekent dat capaciteit te laat beschikbaar komt. Te vroeg bouwen legt daarentegen kapitaal vast voordat er voldoende boekingen zijn. Lees ook: Deze twee aandelen zijn AI-poortwachters en horen op iedere watchlist Direct naar een onderdeel van dit artikel Capaciteit is een optie op toekomstige vraag Het orderboek is de eerste controle Een nieuwe campus moet zichzelf terugverdienen De concurrentie zit ook bij de klant Wat vraagt €1.597? Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 De cijfers van 14 oktober zetten de eerste streep Capaciteit is een optie op toekomstige vraag De campus geeft ASML de mogelijkheid om later meer systemen te bouwen. Het is daarmee een reële optie: het bedrijf betaalt vandaag om toekomstige groei niet door ruimtegebrek te missen. Die optie is waardevol wanneer de vraag naar geavanceerde lithografie sterk blijft. De module rekent met extra systemen, een gemiddelde verkoopprijs en brutomarge. Twintig extra systemen tegen gemiddeld €250 miljoen leveren €5 miljard omzet en bij 55% marge €2,75 miljard brutowinst. Het is geen voorspelling van de campus. Verschillende typen machines hebben zeer verschillende prijzen en de productmix beweegt per kwartaal. De berekening maakt wel zichtbaar waar waarde ontstaat. Een fabriek moet doorvoer leveren. Meer personeel zonder meer geaccepteerde systemen verhoogt alleen de kosten. Meer systemen tegen een zwakke mix kunnen de omzet verhogen zonder dezelfde winstgroei. Het orderboek is de eerste controle Bij de cijfers over het tweede kwartaal rapporteerde ASML €9,326 miljard omzet, een brutomarge van 54% en €2,918 miljard nettowinst. De winst per aandeel bedroeg €7,59. De onderneming verkocht 86 nieuwe en vijf gebruikte lithografiesystemen. Voor het derde kwartaal gaf ASML een omzetverwachting van €11 miljard tot €12 miljard en een brutomarge van 55% tot 57%. Voor heel 2026 lag de omzetprognose tussen €43 miljard en €45 miljard, met een marge van 54% tot 56%. Die bandbreedtes tonen dat de bestaande operatie al op een hoog niveau draait. Op 14 oktober publiceert ASML de cijfers over het derde kwartaal. Behalve omzet en marge zijn netto boekingen belangrijk. Boekingen kunnen per kwartaal schommelen doordat één EUV-bestelling honderden miljoenen vertegenwoordigt. Een enkel kwartaal is daarom geen volledige vraagcurve, maar meerdere zwakke kwartalen zouden de noodzaak van snelle uitbreiding ter discussie stellen. Een nieuwe campus moet zichzelf terugverdienen ASML heeft geen gedetailleerde totale investeringssom voor het volledige campusprogramma in het persbericht gegeven. Een exacte terugverdientijd zou daarom schijnprecisie zijn. Wel kan een belegger testen welke operationele winst nodig is bij verschillende investeringsbedragen. Bij een illustratieve investering van €5 miljard, €2,75 miljard extra brutowinst en €0,9 miljard extra jaarlijkse kosten is de eenvoudige terugverdientijd ongeveer 2,7 jaar. Dat lijkt aantrekkelijk, maar alleen als de toegevoegde capaciteit voldoende wordt benut. Bij halve doorvoer loopt de terugverdientijd snel op. De grootste operationele uitdaging is niet alleen de eigen fabriek. ASML is afhankelijk van gespecialiseerde leveranciers voor spiegels, lichtbronnen en talloze precisieonderdelen. Een nieuwe hal verhoogt de productie pas wanneer de hele keten meegroeit. Vooruitbetalingen aan leveranciers en extra voorraad kunnen bovendien eerder kas vragen dan klanten betalen. De concurrentie zit ook bij de klant ASML heeft geen gelijkwaardige concurrent in EUV, maar dat betekent niet dat iedere uitbreiding zonder risico is. Klanten proberen meer opbrengst uit bestaande machines te halen, productieprocessen te vereenvoudigen en investeringen te faseren. Foundries kunnen een nieuwe node later openen wanneer eindvraag of financiering tegenvalt. Aan de andere kant wordt chipproductie steeds complexer. AI-accelerators, geavanceerd geheugen en nieuwe verpakkingsmethoden verhogen de vraag naar kritieke lithografiestappen. Zelfs wanneer het aantal chips minder hard groeit, kan de intensiteit per geavanceerde wafer toenemen. Exportbeperkingen blijven een aparte onzekerheid. Een machine die technologisch verkoopbaar is, kan juridisch toch niet naar iedere klant. Capaciteit die voor een bredere markt was gepland, moet dan door andere regio’s worden gevuld. Wat vraagt €1.597? ASML noteerde op 1 oktober rond het slot €1.597 aan Euronext Amsterdam. Bij een eindwaardering van 32 keer winst en een gewenst jaarlijks rendement van 9% moet de winst per aandeel in 2029 ongeveer €64,75 bedragen. Dat is een stevige opdracht tegenover de kwartaalwinst van €7,59. ASML moet omzet laten groeien, marges hoog houden en de nieuwe capaciteit efficiënt gebruiken. Een eindmultiple van 25 verhoogt de vereiste winst per aandeel fors. De waardering laat daardoor weinig ruimte voor een langdurige periode met lage benutting. Kas en aandeleninkoop tellen we niet dubbel. De omgekeerde waardering draait om winst per volledig verwaterd aandeel. Als de campusinvesteringen eerst de vrije kas drukken, is dat onderdeel van de route naar de toekomstige winst en geen aparte bonus. Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 In het bear-scenario verzwakken boekingen en staat nieuwe capaciteit deels leeg. Het middenscenario volgt de geplande groei met een brutomarge midden-vijftig procent. In het gunstige scenario vullen EUV en High NA de campus sneller, terwijl de keten zonder grote vertraging opschaalt. Dit zijn scenario’s, geen koersdoelen. De uitkomst hangt zowel van de winst als van de multiple af. Een uitstekend bedrijf kan een matig aandeel zijn wanneer de markt al op een bijna foutloze uitbreiding rekent. De cijfers van 14 oktober zetten de eerste streep De campus is een langetermijnproject, maar de eerste controle komt snel. De derdekwartaalcijfers laten zien of omzet, marge en boekingen het uitbreidingsverhaal ondersteunen. Eén rapportage bewijst niets definitief, maar zij zet wel de eerste meetbare streep. Voor aandeelhouders is de logica helder. Nieuwe ruimte is pas waardevol wanneer zij door het orderboek, de toeleveringsketen en de winst- en verliesrekening stroomt. Bij €1.597 betaalt de markt al voor een behoorlijk deel van dat succes.

  • Koa moet Salesforce meer opleveren dan het model kost

    In het kort Salesforce presenteerde op 15 september Koa, een eigen redeneermodel voor CRM dat is gebouwd op NVIDIA Nemotron. Selecte klanten testen het model; algemene beschikbaarheid in de Verenigde Staten wordt in de winter verwacht. Technische kwaliteit is pas het begin. Voor aandeelhouders telt of iedere extra agenttaak meer omzet oplevert dan inference, verkoop, ondersteuning en ontwikkeling kosten. Salesforce bezit een aantrekkelijk vertrekpunt voor zakelijke AI. Het platform bevat klantgegevens, verkoopkansen, servicevragen, rechten en werkstromen. Een model dat precies binnen die context redeneert, kan meer waarde bieden dan een algemene chatbot. Het kan bijvoorbeeld een verkoopkans samenvatten, een servicestap voorstellen en herkennen wanneer een mens moet overnemen. Koa is volgens Salesforce getraind en verfijnd op duizenden gesimuleerde bedrijfssituaties. Het model is bedoeld voor nauwkeurig CRM-werk en moet weten wanneer een handeling niet zelfstandig mag worden uitgevoerd. Dat is commercieel relevant, maar nog geen bewezen omzet. Een pilot toont dat technologie werkt; brede betaling toont dat klanten de technologie belangrijk vinden. Lees ook: Zscaler groeit het hardst, DocuSign verdient het meest en toch kan UiPath de grootste winnaar worden Direct naar een onderdeel van dit artikel De economie begint bij één taak Koa moet Agentforce sterker maken Schaal maakt een goed model pas financieel belangrijk De pilotfase is bedoeld om fouten duur te voorkomen Wat vraagt $232,83? Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 De volgende stap is financieel bewijs De economie begint bij één taak AI-software heeft een andere kostprijs dan traditionele cloudsoftware. Een extra gebruiker van een databasedashboard kost relatief weinig. Een AI-agent gebruikt bij iedere taak rekencapaciteit. Langere prompts, meer context en meerdere redeneerstappen verhogen het tokenverbruik en daarmee de inferencekosten. De module rekent met een prijs per taak, het aantal tokens en infrastructuurkosten per miljoen tokens. Bij $0,80 omzet, 20.000 tokens en $6 per miljoen tokens resteert in dit vereenvoudigde voorbeeld $0,68 brutobijdrage per taak. Daar moeten verkoop, ondersteuning, onderzoek en eventuele vergoeding aan technologiepartners nog vanaf. Salesforce kan de marge op meerdere manieren beschermen. Het bedrijf kan eenvoudige taken door kleinere modellen laten uitvoeren, context cachen, taken bundelen of hogere prijzen vragen voor complex werk. Een eigen model kan de afhankelijkheid van externe leveranciers verminderen, maar alleen wanneer ontwikkeling en exploitatie op voldoende volume worden verdeeld. Koa moet Agentforce sterker maken Koa staat niet los van Agentforce. Salesforce wil agents binnen bestaande klantprocessen laten handelen. Een bedrijf hoeft dan geen nieuw dataplatform te bouwen en kan rechten, auditsporen en menselijke goedkeuring in dezelfde omgeving houden. Dat voordeel is groter bij gereguleerde of complexe ondernemingen. Een algemeen model kan een antwoord formuleren, maar weet niet vanzelf welke klantgegevens beschikbaar zijn of welke actie een medewerker mag uitvoeren. Salesforce verkoopt dus niet alleen intelligentie. Het verkoopt intelligentie binnen een bestaand systeem van data en controle. Het tegenargument is dat Microsoft, ServiceNow, Google en gespecialiseerde aanbieders hetzelfde probleem aanpakken. Klanten willen bovendien niet voor ieder model apart betalen. Als AI-agenten vooral bestaande licenties aantrekkelijker maken, kan het commerciële effect zichtbaar worden in retentie en pakketprijs in plaats van een nieuwe omzetregel. Schaal maakt een goed model pas financieel belangrijk Salesforce meldde over het tweede kwartaal ongeveer $11,3 miljard omzet, waarvan $10,8 miljard uit abonnementen en ondersteuning kwam. De resterende contractwaarde bedroeg $66,3 miljard. De GAAP-operationele marge was 20,5%; aangepast kwam zij op 34,1%. Die aangepaste marge sluit onder meer aandelenbeloning uit. Voor een model dat via aandelen veel personeel beloont, is dat een relevant verschil. Koa kan de aangepaste marge verhogen terwijl verwatering de winst per aandeel afremt. Daarom moet de analyse eindigen bij kas en het aantal aandelen, niet bij een aangepaste percentage alleen. De schaalmodule laat zien hoe gebruik omzet kan worden. Achtduizend klanten die maandelijks vierduizend taken afnemen tegen $0,80 vertegenwoordigen ruim $300 miljoen jaaromzet. Bij hogere adoptie loopt dat snel op. Tegelijk is de invoer gevoelig voor kortingen en bundels. Salesforce kan taken in een duurder abonnement opnemen, waardoor de opbrengst niet één op één zichtbaar is. De pilotfase is bedoeld om fouten duur te voorkomen Zakelijke agents mogen niet zomaar een verkeerd bedrag toezeggen, gevoelige data tonen of een klantdossier aanpassen. Een menselijke overdracht is daarom geen teken dat het model mislukt. Zij kan juist onderdeel van een verantwoord product zijn. De economische vraag is hoeveel controle nodig blijft. Wanneer iedere taak uitgebreide menselijke controle vraagt, verdwijnt een deel van de productiviteitswinst. Wanneer het systeem te zelfstandig handelt, stijgt het operationele en juridische risico. Salesforce moet een midden vinden waarin agents genoeg werk besparen en tegelijkertijd betrouwbaar blijven. Pilotklanten leveren hiervoor nuttige data. Let bij algemene beschikbaarheid niet alleen op het aantal aangekondigde gebruikers. Belangrijker zijn betaalde taken, prijs per taak, verlengingen en brutomarge. Zonder die cijfers kan een groot gebruiksgetal vooral gratis experimentatie vertegenwoordigen. Wat vraagt $232,83? Salesforce noteerde op 1 oktober om 16.44 uur UTC $232,83 aan de NYSE. Bij een eindmultiple van 24 keer vrije kas en een gewenst rendement van 9% moet de vrije kas per aandeel in 2029 ongeveer $12,57 bedragen. Dat niveau kan worden bereikt wanneer omzet midden-enkel tot laag-dubbelcijferig groeit, de operationele marge verder stijgt en het aantal aandelen daalt. Koa hoeft daarvoor geen zelfstandig miljardenbedrijf te worden. Het moet wel bijdragen aan prijs, retentie of efficiëntie zonder dat inferencekosten even hard meegroeien. Acquisities en aandelenbeloning mogen niet verdwijnen in de waardering. Salesforce kan kas gebruiken voor inkoop, maar wanneer die inkoop vooral nieuwe personeelsaandelen compenseert, is het netto-effect beperkt. De relevante maat blijft vrije kas per volledig verwaterd aandeel. Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 In het bear-scenario blijft Koa een pilot, vertraagt de kernomzet en krimpt de multiple. Het middenscenario veronderstelt dat Agentforce en Koa het gebruik verhogen met beheersbare inferencekosten. In het gunstige scenario verbeteren eigen modellen zowel de prijszetting als de operationele marge. Dit zijn scenario’s, geen koersdoelen. Een sterk product kan een zwak rendement geven wanneer de waardering daalt. Een bescheiden omzetbijdrage kan daarentegen veel waarde hebben wanneer Koa de kosten van externe modellen verlaagt. De volgende stap is financieel bewijs Koa heeft een logische plek in het Salesforce-platform. Het bedrijf bezit data, distributie en bestaande werkstromen. Dat verkleint de afstand tussen een modeldemo en een bruikbaar bedrijfsproduct. De afstand tussen bruikbaar en winstgevend blijft wel bestaan. Vanaf de brede introductie moeten betaalde adoptie, inferencekosten, marge en verwatering samen worden gevolgd. Pas wanneer de omzet per agenttaak structureel boven de volledige kosten ligt, wordt Koa meer dan een technisch visitekaartje.

  • Hoeveel aandelen van dsm-firmenich verdwijnen na de inkoop echt?

    In het kort dsm-firmenich rondde op 30 september zijn aandeleninkoop van €540 miljoen af. In totaal werden 7,17 miljoen aandelen gekocht tegen gemiddeld €75,32. Daarvan zijn 680.701 aandelen bedoeld om personeelsplannen te dekken. De overige 6,49 miljoen moeten het kapitaal verlagen. Voor de winst per aandeel telt dus niet het volledige brutobedrag, maar het netto aantal aandelen dat werkelijk verdwijnt. Aandeleninkoop wordt vaak als één positief getal gepresenteerd. Daarmee verdwijnt een belangrijk onderscheid. Een onderneming kan aandelen kopen en tegelijk bijna hetzelfde aantal nieuwe personeelsaandelen uitgeven. De kas daalt dan, terwijl het aandeel van de bestaande belegger nauwelijks groter wordt. dsm-firmenich is een producent van ingrediënten voor voeding, gezondheid, parfumerie en persoonlijke verzorging. De onderneming heeft na de fusie veel werk verzet aan portefeuillefocus, synergie en schuld. Kapitaalverdeling hoort bij datzelfde verhaal: kas kan naar investeringen, schuldafbouw, dividend of inkoop. Lees ook: Tussen deze twee aandelen is het grootste bedrijf niet vanzelf het beste aandeel Direct naar een onderdeel van dit artikel De splitsing van het programma is belangrijker dan de kop De betaalde prijs was gunstig ten opzichte van vandaag Kapitaalvermindering moet juridisch nog doorwerken De onderneming moet de winstbasis blijven verbeteren Wat vraagt €96,96? Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 De beste samenvatting is 6,49 miljoen De splitsing van het programma is belangrijker dan de kop Het programma begon op 12 maart en bestond uit twee delen. Ongeveer €40 miljoen was bedoeld om aandelenplannen voor medewerkers te dekken. €500 miljoen was bestemd voor kapitaalvermindering. In de laatste dagen, van 28 tot en met 30 september, kocht het bedrijf nog 193.100 aandelen tegen gemiddeld €98,62 voor ongeveer €19 miljoen. Van de 7,169 miljoen ingekochte aandelen gaat 680.701 naar personeelsplannen. Ongeveer 90,5% is bestemd voor kapitaalvermindering. Op circa 253,6 miljoen uitstaande aandelen vertegenwoordigen de 6,488 miljoen aandelen ongeveer 2,6%. Die 2,6% is de nuttige orde van grootte. Als de totale winst gelijk blijft en de intrekking volledig wordt uitgevoerd, kan de winst per aandeel mechanisch ongeveer 2,6% hoger uitvallen. Dat is waardevol, maar veel kleiner dan een lezer uit het bedrag van €540 miljoen alleen zou kunnen afleiden. De betaalde prijs was gunstig ten opzichte van vandaag De gemiddelde inkoopprijs bedroeg €75,32. Op 1 oktober om 15.22 uur lokale tijd noteerde het aandeel vertraagd €96,96 aan Euronext Amsterdam. Achteraf lijkt het bedrijf dus op een lager niveau te hebben gekocht. Voor de 6,488 miljoen aandelen die moeten verdwijnen, ligt de huidige marktwaarde ongeveer €140 miljoen boven de betaalde som wanneer de gemiddelde programmaprijs wordt gebruikt. Dat is geen gerealiseerde winst voor dsm-firmenich. Ingekochte aandelen zijn geen beleggingsportefeuille die later wordt verkocht. Het verschil illustreert wel dat de onderneming op een lagere waardering kapitaal heeft ingezet. De relevante toets blijft wat het bedrijf met een alternatieve besteding had kunnen verdienen. Als €500 miljoen schuldafbouw structureel hoge rente had bespaard of een productieve investering had gefinancierd, kan inkoop minder aantrekkelijk zijn. Als de balans voldoende sterk is en interne projecten minder opleveren, kan inkoop tegen een lage prijs juist rationeel zijn. Kapitaalvermindering moet juridisch nog doorwerken Een aangekondigde bestemming en een volledig ingetrokken aandeel zijn niet exact hetzelfde moment. De onderneming moet de kapitaalvermindering volgens de geldende procedure uitvoeren. Tot die stap is afgerond, kan het aantal uitstaande en eigen aandelen in rapportages anders worden gepresenteerd. Beleggers doen er daarom goed aan het volgende jaarverslag en de eerstvolgende kapitaalupdate te controleren. Kijk naar het gewogen gemiddelde aantal aandelen dat voor de winst per aandeel wordt gebruikt. Dat cijfer laat zien hoeveel van het programma werkelijk in de noemer terechtkomt. Ook personeelsplannen verdienen aandacht. De 680.701 aandelen voorkomen verwatering door bestaande verplichtingen, maar verlagen het aantal aandelen voor bestaande beleggers niet op dezelfde manier als intrekking. Zij zijn economisch onderdeel van beloning en niet van pure kapitaalteruggave. De onderneming moet de winstbasis blijven verbeteren Inkoop verandert de noemer; operationele prestaties bepalen de teller. dsm-firmenich moet omzet, prijs/mix, grondstofkosten en synergie blijven omzetten in een hogere operationele winst en vrije kas. Het afstoten of afzonderen van activiteiten kan de vergelijkbaarheid van cijfers tijdelijk bemoeilijken. De sterke kant is de positie in gespecialiseerde ingrediënten. Veel producten vertegenwoordigen een klein deel van de kosten van de klant, maar zijn belangrijk voor geur, smaak, voedingswaarde of werking. Dat kan prijszettingsmacht geven en maakt langlopende klantrelaties waardevol. Het tegenargument is dat volumes cyclisch kunnen zijn en grondstofkosten met vertraging door prijzen lopen. Integratiekosten, valuta en portefeuillewijzigingen kunnen de gerapporteerde winst bovendien sterk beïnvloeden. Een kleiner aandelenaantal kan een zwakke operationele ontwikkeling niet verbergen. Wat vraagt €96,96? Bij een eindwaardering van 19 keer winst en een gewenst jaarlijks rendement van 8% moet dsm-firmenich in 2029 ongeveer €6,44 winst per aandeel verdienen. De berekening gebruikt de koers van €96,96 en verwerkt het effect van kapitaalvermindering in de toekomstige winst per aandeel. De €500 miljoen wordt niet nogmaals als losse waarde opgeteld, want die kas is uitgegeven. Ook de aandelen voor personeelsplannen geven geen extra bonus. Een lagere multiple verhoogt de opdracht. Bij 15 keer winst moet de winst per aandeel duidelijk hoger liggen om hetzelfde rendement te behalen. De waardering blijft daarom afhankelijk van organische groei en margeherstel, niet alleen van financiële techniek. Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 In het bear-scenario verzwakt prijs/mix, lopen grondstofkosten op en daalt de multiple. Het middenscenario veronderstelt dat synergie, portefeuillefocus en kapitaalvermindering de winst per aandeel geleidelijk verhogen. In het gunstige scenario combineren volumegroei en margeherstel met verdere netto-inkoop. Dit zijn scenario’s, geen koersdoelen. Dividend komt boven op de getoonde koersen, voor zover het daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Het model telt een toekomstige inkoop niet bij voorbaat mee. De beste samenvatting is 6,49 miljoen Het programma van €540 miljoen was groot en de gemiddelde betaalde prijs oogt achteraf gunstig. Voor de structurele winst per aandeel is 6,49 miljoen het belangrijkste getal: dat is het aantal aandelen dat voor kapitaalvermindering is bestemd. De komende rapportages moeten bevestigen dat die aandelen werkelijk verdwijnen en dat de operationele winst tegelijk groeit. Pas dan werkt de inkoop aan beide kanten van de rekensom. Minder aandelen zonder hogere winst is behulpzaam; minder aandelen met stijgende winst maakt de kapitaalbeslissing echt waardevol.

  • Niet alleen de kleine spaarder betaalt voor box 3

    In het kort Kleine spaarders dreigen mee te betalen aan het belastinguitstel voor aandelenbeleggers, maar zij dragen de rekening niet alleen. Ook bestaande beleggers en ondernemers met schulden aan hun eigen bv krijgen in het kabinetsvoorstel een hogere of eerdere aanslag. Bovendien resteert volgens de officiële ramingen tot en met 2040 per saldo ongeveer €7,7 miljard aan verslechtering van het begrotingssaldo. Minister Heinen beloofde op 1 oktober kleine spaarders alsnog te ontzien, waardoor de verdeling van de rekening opnieuw openligt. €50.000 op een spaarrekening kan een buffer voor werkloosheid zijn, geld voor een verbouwing of een aanbetaling voor een huis. Hetzelfde bedrag in aandelen kan bedoeld zijn om twintig jaar te laten groeien. Onder de voorgestelde box 3-regels maakt dat verschil in bestemming fiscaal weinig uit. Het verschil in de manier waarop het rendement binnenkomt, maakt juist veel uit. Wie jaarlijks rente ontvangt, rekent daarover jaarlijks af zodra het belastbare resultaat boven de vrijstelling komt. Wie aandelen vasthoudt, zou de belasting op de koerswinst kunnen uitstellen tot verkoop. Dat verklaart de boosheid over de financiering. Maar om te begrijpen wie werkelijk betaalt, moeten we verder kijken dan de kleine spaarder. Ook de tijdlijn van de schatkist vertelt een belangrijk deel van het verhaal. De spaarder betaalt mee aan een voordeel dat hij zelf nauwelijks krijgt Het kabinet wil de waardestijging van aandelen en andere financiële instrumenten vanaf 2028 bij verkoop belasten. Dat voorkomt dat een belegger moet afrekenen over koerswinst die nog niet op zijn rekening staat. Zo'n belastinguitstel heeft waarde: geld dat nog niet naar de fiscus gaat, kan voorlopig blijven renderen. Een gewone spaarrekening heeft die uitstelmogelijkheid niet. De bank keert rente uit en daarmee is het inkomen in beginsel beschikbaar. De politieke ruil is daardoor scheef voor iemand die alleen spaart: hij kan een kleinere vrijstelling krijgen, terwijl de grote verandering in het heffingsmoment vooral elders terechtkomt. Martin Visser verwoordde die kritiek bij EenVandaag: “De rekening wordt nu gelegd bij kleinere spaarders en beleggers.” Het programma noemt mogelijk 850.000 extra belastingbetalers. Dat is een verwachting bij de gepresenteerde plannen, geen vaststaand aantal onder een definitieve wet. Toch is belastinguitstel niet uitsluitend een voordeel voor miljonairs. Ook iemand die maandelijks een klein bedrag in aandelen belegt en jarenlang niet verkoopt, kan ervan profiteren. De doorslaggevende scheidslijn loopt tussen mensen die hun rendement kunnen laten zitten en mensen bij wie het jaarlijks wordt uitgekeerd. Grote vermogens bieden doorgaans meer ruimte om een verkoop uit te stellen. Wie zijn beleggingen nodig heeft om van te leven, heeft die vrijheid veel minder. Minder vrijstelling raakt ook een gewone financiële buffer Bij de discussie lopen twee heel verschillende vrijstellingen door elkaar. In 2026 geldt volgens de Belastingdienst een heffingsvrij vermogen van €59.357 per persoon. Het huidige stelsel werkt met forfaitaire rendementen, met de mogelijkheid een lager werkelijk rendement aan te tonen. De grens heeft betrekking op vermogen, niet op de ontvangen rente. Vanaf 2028 zou de vrijstelling juist over het jaarlijkse resultaat gaan. Het voorstel van 29 september verlaagt die van de eerder beoogde €1.800 naar €1.000 per persoon. Dat betekent niet dat je nog maar €1.000 spaargeld belastingvrij mag hebben. Bij 2 procent rente levert €50.000 spaargeld precies €1.000 op. In een eenvoudig geval zonder ander box 3-inkomen volgt dan geen belasting. Bij 3 procent rente op dezelfde €50.000 ontstaat €1.500 inkomen. Na €1.000 vrijstelling resteert €500, waarover bij een tarief van 36 procent €180 belasting volgt. Iemand zonder fiscale partner, schulden of andere bezittingen zit met die €50.000 in 2026 nog onder de vermogensvrijstelling. Onder dit voorstel kan dezelfde buffer dus wel belast worden. Een hogere rente is daarbij nog steeds gunstig. Van iedere extra euro rente boven de vrijstelling blijft in dit eenvoudige voorbeeld 64 cent over. Het probleem is dat het kabinet de bescherming van de buffer verkleint, niet dat een betere spaarrente je automatisch armer maakt. Een half miljard van een bredere groep De verlaging van €1.800 naar €1.000 vrijgesteld resultaat kost een belastingplichtige met voldoende positief resultaat maximaal €288 per jaar extra ten opzichte van die eerder beoogde vrijstelling. De rekensom is €800 maal 36 procent. Bij €1.500 resultaat bedraagt het verschil €180; bij €1.000 resultaat nul. Die €288 is dus niet de maximale verandering ten opzichte van het huidige box 3-stelsel. Daarvoor veranderen te veel andere onderdelen. Het is alleen het afzonderlijke effect van deze verlaging van de vrijstelling, bij gelijk resultaat en tarief. Dat onderscheid voorkomt dat een ogenschijnlijk overzichtelijk bedrag als volledige koopkrachtberekening wordt gepresenteerd. Ook mensen met grote vermogens verliezen door deze maatregel een deel van hun vrijstelling. De opbrengst komt daarom niet uitsluitend bij nieuw belaste kleine spaarders vandaan. Voor iemand met €1.500 rendement is €180 wel een veel groter deel van het inkomen uit vermogen dan €288 voor iemand met €50.000 rendement. In die relatieve last zit een belangrijk deel van het rechtvaardigheidsdebat. De officiële begrotingstabel raamt de structurele opbrengst van de lagere resultaatvrijstelling op €540 miljoen per jaar. Dat is een gezamenlijke opbrengst over de getroffen groep. Het zou onjuist zijn om die hele som aan de mogelijk 850.000 nieuwe belastingbetalers toe te schrijven. Zelfs een beperkte heffing werkt door in de spaarpot Voor een huishouden telt uiteindelijk wat er overblijft. Begin met €50.000, laat alle rente op de rekening staan en betaal de belasting uit diezelfde spaarpot. Bij drie jaar lang 1 procent rente blijft het jaarlijkse inkomen in dit voorbeeld onder de vrijstelling. Bij 3 procent loopt de totale belasting over drie jaar op tot ongeveer €583. De visual laat drie rentegevallen naast elkaar zien. Het zijn rekenscenario's met een onveranderde vrijstelling van €1.000 en een tarief van 36 procent, geen rentevoorspellingen of definitief vastgestelde belastingbedragen. Er zijn geen extra stortingen, opnames, andere inkomsten of fiscale partner. Inflatie is buiten beschouwing gelaten: het gaat om euro's op de rekening. Opvallend is het middenscenario. Bij 2 procent rente blijft de eerste €1.000 rente onbelast. Door die rente opnieuw te sparen groeit het saldo, waardoor de rente in de volgende jaren wel iets boven de grens komt. Zonder een extra storting kan iemand dus alsnog belasting gaan betalen. Dat is precies waarom een vrijstelling op inkomen anders uitwerkt dan een vaste vrijstelling voor de spaarpot. Bestaande beleggers betalen eerder en bv-eigenaren betalen anders De Kamerbrief van 29 september bevat ook maatregelen voor 2027, dus vóór het beoogde belastinguitstel. Het heffingsvrije vermogen zou dalen naar €30.846 per persoon en het forfait voor overige bezittingen met 1,5 procentpunt stijgen. Dat raakt bestaande beleggers eveneens. De uiteindelijke aanslag hangt onder meer af van de vermogensmix en de tegenbewijsregeling. Daarnaast wil het kabinet de grens voor excessief lenen bij de eigen bv in vijf stappen verlagen van €500.000 naar €100.000. Kwalificerende eigenwoningschulden zijn uitgezonderd. De huidige regeling van de Belastingdienst maakt duidelijk wat zo'n grens doet: bovenmatige schulden worden voor box 2 als inkomen behandeld. Het is geen algemeen verbod op een grotere lening en een lening onder de grens is niet automatisch belastingvrij geld. Tegelijk zou het hoge box 2-tarief tussen 2027 en 2030 van 31 naar 29,2 procent gaan. Daarmee wil het kabinet winstuitkeringen naar voren halen. Een ondernemer kan dus worden geraakt door de strengere leenregels en tegelijk profiteren van een lager tarief op dividend. De aandeelhouder betaalt die box 2-belasting; het gaat niet om een verlaging van de vennootschapsbelasting van het bedrijf. De rekening na deze kabinetsperiode is groter dan hij lijkt Hier wordt de discussie over verdeling ook een discussie over tijd. Naar aanleiding van vragen van Kamerlid Luc Stultiens publiceerde het kabinet op 30 september een tabel tot en met 2040. Daaruit blijkt dat de dekking niet in ieder jaar sluit. De onderstaande visual telt de jaarlijkse effecten van het hele pakket op. Over 2026 tot en met 2031 is er per saldo ongeveer €136 miljoen verbetering van het begrotingssaldo. Tel je door tot en met 2040, dan draait dat om naar ongeveer €7,7 miljard verslechtering. Dit is een eigen optelling van de gepubliceerde, afgeronde jaarbedragen. Het gaat om het verschil met het begrotingsbasispad op EMU-basis, inclusief de voorgestelde dekkingsmaatregelen. Het is geen bedrag dat in 2040 ineens moet worden betaald. In zijn antwoord van 1 oktober verdedigt Heinen de presentatie. Het kabinet heeft bewust een pakket gekozen dat over de kabinetsperiode sluit en structureel meer oplevert dan nodig is. Structureel gaat het om €454 miljoen jaarlijkse overdekking. Dat uiteindelijke jaarlijkse saldo wist de tekorten in de tussenliggende jaren niet meteen uit. De tijdelijke korting in box 2 illustreert waarom dat tijdverschil ertoe doet. Als een ondernemer eerder dividend uitkeert om het lagere tarief te benutten, ontvangt de overheid nu belasting die anders mogelijk later was betaald. De extra inkomsten in de eerste jaren zijn dus niet automatisch een blijvende inkomstenbron. Een gunstige opbrengst op korte termijn kan samengaan met lagere ontvangsten daarna. Voor burgers betekent dit dat een sluitende rekening gedurende één kabinetsperiode niet hetzelfde is als een volledig gefinancierde overgang. Hoe latere kabinetten met die tussenliggende tekorten omgaan, staat nog niet vast. Dat kan gevolgen hebben voor toekomstige belastingen, uitgaven of schuld. Wie nu zegt dat uitsluitend de kleine spaarder betaalt, laat die toekomstige keuzes buiten beeld. Heinen belooft verlichting maar de rekening verdwijnt niet De politieke stand is sinds het aangeleverde EenVandaag-artikel veranderd. Heinen zei donderdag 1 oktober: “We zijn tot aanpassingen bereid. Er komt een voorstel om kleine spaarders te ontzien.” Die toezegging is terug te lezen in het verslag van PropertyNL. Een nieuwe uitgewerkte ondergrens en vervangende financiering waren daarbij nog niet bekend. Daarmee is de kritiek op de eerste verdeling terecht onderdeel van het politieke debat geworden. Het is alleen te vroeg om te schrijven dat de spaarder definitief is gered, of dat alle genoemde bedragen vaststaan. Een hogere vrijstelling beschermt meer mensen, maar vermindert de geraamde opbrengst. Voor dat verschil zal een nieuwe keuze nodig zijn. Voor aandelenbeleggers blijft belastinguitstel bovendien iets anders dan belastingvrijdom. Rente en uitgekeerd dividend blijven een andere inkomstenstroom dan onverkochte koerswinst. De toelichting op het wetsvoorstel beschrijft ook het risico dat beleggers winstgevende posities te lang vasthouden om een aanslag uit te stellen. Een fiscaal voordeel kan dan botsen met een verstandige spreiding. Wie werkelijk betaalt, hangt dus af van de vrijstelling, het soort rendement, leningen bij de eigen bv en het jaar waarin de rekening wordt bekeken. Juist die combinatie verdient aandacht bij het volgende voorstel. Zodra de regels definitief zijn, leggen we bij De Belegger uit wat ze praktisch betekenen, met concrete tips en voorbeelden voor spaarders en beleggers. Foto: Eelco Heinen, Martijn Beekman / Rijksoverheid.

  • Goedkope schoonmaak eindigt in zeven ton aan boetes

    In het kort Twee schoonmaakbedrijven hebben samen €703.000 aan bestuurlijke boetes gekregen. Daarvan hangt €491.000 samen met ontbrekende of onvolledige loonadministratie en €212.000 met veertien werknemers die niet over de vereiste toestemming beschikten. De lage prijs van uitbesteed werk kan daardoor eindigen in een rekening die jaren aan contractkorting wegvaagt. Een scherpe offerte is geen bewijs van fraude, maar een prijs die niet tot uren, loon en premies is te herleiden vraagt wel om extra controle. De Nederlandse Arbeidsinspectie maakte de boetes op 1 oktober bekend. Het onderzoek begon na meldingen over werknemers die niet in de loonadministratie stonden en contant werden betaald. Op locaties in Amsterdam en Zaandam ontbraken volgens de inspectie onder meer loonstroken, urenregistraties, arbeidsovereenkomsten en betalingsbewijzen. Daardoor kon niet worden vastgesteld of tientallen werknemers het minimumloon en de juiste vakantiebijslag hadden ontvangen. De inspecties raken meer partijen dan de twee schoonmaakbedrijven. Het onderzoek naar een hotelketen en een boekhouder loopt nog. Dat is belangrijk: de bekendgemaakte boetes bewijzen niets over de uitkomst van die lopende onderzoeken. Wel laat de zaak zien waarom opdrachtgevers niet alleen naar de factuurprijs kunnen kijken. Wie arbeid inkoopt, koopt ook een deel van het risico in de keten. Het economische mechanisme is simpel. Schoonmaak is arbeidsintensief, dus een groot deel van de prijs bestaat uit uren, loon, toeslagen, premies en organisatie. Een aanbieder kan goedkoper zijn door efficiënter te plannen. Maar zodra de korting alleen haalbaar wordt doordat uren uit de boeken verdwijnen of loon niet controleerbaar is, betaalt iemand anders het verschil: de werknemer, een bonafide concurrent of uiteindelijk de samenleving. Direct naar een onderdeel van dit artikel De boete maakt de verborgen prijs zichtbaar Zeven ton is geen bewezen loonschade De opdrachtgever staat niet buiten de keten Goedkope uren verdienen deze boete moeilijk terug Drie contractpaden naar 2029 De laagste prijs moet ook uitlegbaar zijn De boete maakt de verborgen prijs zichtbaar De gepubliceerde bedragen vallen uiteen in twee blokken. Het ene bedrijf kreeg €256.000 en het andere €235.000 voor overtredingen rond de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Samen is dat €491.000, of 69,8 procent van het totaal. Voor veertien werknemers die zonder vereiste toestemming voor deze werkgevers werkten, volgde nog €212.000 op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Dat is 30,2 procent van het totaal. Het zwaartepunt ligt dus niet bij een paar ontbrekende formulieren. Zonder volledige administratie kan de inspectie niet reconstrueren hoeveel uren iemand werkte, welk loon daarbij hoorde en of vakantiebijslag en premies zijn afgedragen. Juist in arbeidsintensieve dienstverlening vormt die controleerbaarheid de grens tussen echte productiviteit en een prijsvoordeel dat uit onzichtbare arbeid wordt betaald. De boeteregels maken die grens financieel hard. Volgens het officiële overzicht van de Arbeidsinspectie kan het niet of niet tijdig overleggen van gevorderde loon- en urenbescheiden leiden tot €12.000 per werknemer. Het minimumloon mag bovendien niet contant worden uitbetaald; ook daarvoor geldt een bestuurlijke boete per werknemer. De bedragen in deze zaak kunnen niet één op één uit die normen worden terugberekend, omdat de inspectie niet publiceert hoeveel werknemers onder iedere overtreding vielen of welke duur per werknemer is vastgesteld. Tijdens het onderzoek is conservatoir beslag gelegd. Dat betekent dat vermogen wordt vastgezet om te voorkomen dat het verdwijnt voordat een boetebesluit definitief is. Het is dus geen extra boete en ook geen bewijs dat alle procedures zijn afgerond. Economisch is het wel belangrijk: de staat probeert de kans te vergroten dat een uiteindelijke vordering werkelijk kan worden geïnd. Zeven ton is geen bewezen loonschade De verleiding is groot om €703.000 gelijk te stellen aan achtergehouden loon. Dat zou onjuist zijn. Een bestuurlijke boete bestraft overtredingen en hoeft niet gelijk te zijn aan de schade voor werknemers. In dit geval kon de inspectie juist niet vaststellen of het minimumloon en de vakantiebijslag volledig waren betaald. Het gepubliceerde bedrag van €212.000 gaat bovendien over de vereiste toestemming om te werken, niet over loon. Wat wel kan, is laten zien hoe snel een klein uurverschil oploopt. Het wettelijke minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder bedraagt sinds 1 juli 2026 €14,99 bruto. Neem als rekenvoorbeeld iemand die 30 uur per week en 48 weken per jaar werkt, maar €2 per uur minder ontvangt dan waarop diegene recht heeft. De bruto achterstand is dan €2 × 30 × 48 = €2.880 per jaar, of gemiddeld €240 per maand. Bij de vereenvoudigde aanname dat 80 procent netto overblijft, is dat €2.304 netto per jaar en €192 netto per maand. Vakantiebijslag, pensioen, toeslagen en persoonlijke belasting zijn weggelaten. Voor iemand met weinig financiële ruimte is €192 per maand geen statistische afronding. Het kan het verschil zijn tussen een rekening direct betalen of uitstellen. Voor een opdrachtgever is hetzelfde bedrag nauwelijks zichtbaar in een miljoenencontract. Precies daardoor kan de prikkel verkeerd vallen: de besparing wordt verspreid over de factuur, terwijl het verlies bij individuele werknemers terechtkomt. De opdrachtgever staat niet buiten de keten De Wet arbeid vreemdelingen gebruikt een ruimer werkgeversbegrip dan alleen de onderneming die het arbeidscontract tekent. De Arbeidsinspectie schrijft expliciet dat een inlener, opdrachtgever of aannemer als werkgever kan gelden en dat iedere schakel verantwoordelijk is voor naleving. Ook wie via een schoonmaakbedrijf mensen inhuurt, moet dus controleren of zij legaal in Nederland mogen werken. Een boete kan meerdere werkgevers in dezelfde keten raken. Dat maakt een lage schoonmaakprijs voor een hotel, kantoor of winkel minder vrijblijvend dan een gewone inkoopkorting. De directe boete uit het nieuwsbericht ligt bij de twee schoonmaakbedrijven. De opdrachtgever kan daarnaast eigen juridische, operationele en reputatierisico’s hebben. Als een leverancier uitvalt, moet het werk op korte termijn opnieuw worden aanbesteed. Als verblijfs- of werkdocumenten niet kloppen, kan ook de inlener worden aangesproken. De sterkste tegenwerping is terecht: een opdrachtgever kan niet dagelijks de loonadministratie van iedere onderaannemer overnemen. Te veel controle kan kleine leveranciers verdringen en administratieve kosten verhogen. De praktische grens ligt daarom niet bij totale controle, maar bij aantoonbare risicobeheersing. Past de offerte bij het aantal uren? Wordt loon giraal betaald? Zijn identiteiten, werkrechten en urenregistraties steekproefsgewijs te controleren? En mag een leverancier zonder toestemming nog een onderaannemer inschakelen? De Arbeidsinspectie benadrukt zelf dat opdrachtgevers veel invloed hebben op eerlijk werk in de keten. Haar pagina over ketenaansprakelijkheid bij de Wav noemt schoonmaakbedrijven uitdrukkelijk als voorbeeld. Dat verandert de inkoopvraag. Niet alleen welke partij het laagste bedrag biedt telt, maar ook welke partij kan uitleggen hoe dat bedrag met legale arbeid wordt verdiend. Goedkope uren verdienen deze boete moeilijk terug Draai de berekening om. Bij het rekenvoorbeeld van €2 minder loon per uur levert één arbeidsjaar van 30 uur per week en 48 weken €2.880 bruto prijsruimte op. Om €703.000 te evenaren zijn €703.000 gedeeld door €2.880, dus 244,1 arbeidsjaren nodig. Dat zijn ongeveer 24 werknemers die tien jaar lang ieder €2 per uur minder ontvangen. Deze vergelijking is bewust grof. De totale boete omvat ook overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen en is niet ontstaan uit één vastgesteld loonverschil. De daadwerkelijke contractomzet, marges, duur en betrokken werknemers zijn niet gepubliceerd. De som zegt dus niet wat er werkelijk is verdiend of bespaard. Zij laat alleen zien hoe groot een boete kan zijn tegenover een ogenschijnlijk klein voordeel per gewerkt uur. Voor een bonafide schoonmaakbedrijf is dat relevant. Een concurrent die structureel te laag inschrijft, kan marktaandeel winnen zonder dat de opdrachtgever direct ziet waar de prijs vandaan komt. Handhaving herstelt dan niet alleen rechten van werknemers, maar ook het speelveld. De rekening van niet-naleving moet groot genoeg zijn om te voorkomen dat overtredingen als normale bedrijfskosten worden ingeboekt. Drie contractpaden naar 2029 Omdat de echte contractprijzen niet openbaar zijn, gebruiken we drie samenhangende scenario’s voor 2027 tot en met 2029. De rechtmatige referentieprijs bedraagt in dit rekenvoorbeeld €1 miljoen in 2027 en stijgt jaarlijks met 3 procent. Dat geeft €1,03 miljoen in 2028 en €1.060.900 in 2029. De drie paden rekenen met geen korting, 3 procent korting en 8 procent korting. Er is geen kansinschatting aan verbonden. In het pad zonder korting is er geen prijsvoordeel. Bij 3 procent korting bespaart de opdrachtgever €30.000, €30.900 en €31.827, samen €92.727. De boete van €703.000 is 7,6 keer zo groot. Bij 8 procent korting loopt het voordeel op tot €80.000, €82.400 en €84.872, samen €247.272. Zelfs dan is de boete 2,8 keer de berekende korting over drie jaar. De vergelijking kent een belangrijke beperking. De korting komt bij de opdrachtgever terecht, terwijl de gepubliceerde boetes aan de schoonmaakbedrijven zijn opgelegd. Een goedkope offerte is bovendien niet hetzelfde als een illegale offerte. Efficiëntere routes, betere apparatuur, lager ziekteverzuim en een slimmere planning kunnen een legitiem prijsverschil verklaren. De scenario’s tonen alleen wanneer een korting groot genoeg wordt om vragen over de onderliggende uren en lonen te rechtvaardigen. De laagste prijs moet ook uitlegbaar zijn Ons oordeel is dat deze zaak vooral een waarschuwing is voor inkopers. De laagste prijs is pas een goede prijs wanneer uren, loon, premies en werkrechten controleerbaar blijven. Bij schoonmaak komt het grootste deel van de prestatie van mensen. Een offerte die ver onder vergelijkbare biedingen ligt zonder overtuigende productiviteitsverklaring, draagt daarom geen gratis voordeel maar een verborgen vraagteken. Wie profiteert van een te lage prijs, is in eerste instantie de klant en mogelijk de leverancier. Wie betaalt, kan veel later zichtbaar worden: werknemers met minder loon of zekerheid, bonafide bedrijven die opdrachten verliezen, en de samenleving wanneer premies en belastingen ontbreken. De klant kan bovendien betalen via contractuitval, herstelkosten of aansprakelijkheid in de keten. Dat betekent niet dat iedere scherpe prijs verdacht is. Het betekent dat prijs en bewijs samen moeten worden ingekocht. De beleidsrichting beweegt dezelfde kant op. Minister Hans Vijlbrief kondigde op 2 juni 2026 een wetsvoorstel met een rechtsvermoeden bij ontbrekende loonadministratie aan. Als de werkgever de gevraagde administratie niet toont, zou de inspectie een fictieve onderbetaling mogen berekenen en betaling kunnen afdwingen. Dat is op de peildatum nog een aangekondigd voorstel en geen geldend recht. Het laat wel zien waar het probleem zit: zonder administratie kan een werknemer nu moeilijk bewijzen wat er ontbreekt. Nieuw bewijs kan dit oordeel veranderen. Als uit de lopende onderzoeken blijkt dat de hotelketen en boekhouder aantoonbaar zorgvuldig hebben gecontroleerd, wordt de verantwoordelijkheid scherper bij de twee schoonmaakbedrijven gelegd. Als opdrachtgevers juist wisten dat uren, loon of werkrechten niet klopten, wordt de lage prijs een veel directer ketenprobleem. Voor nu is de nuchtere conclusie dat een schoonmaakcontract pas goedkoop is wanneer de volledige rekening controleerbaar en legaal blijft.

  • Amazon leunt voor zijn winst zwaar op één onderdeel

    In het kort Amazon boekte in het tweede kwartaal $200,6 miljard omzet en $27,5 miljard operationele winst. AWS leverde met $42,2 miljard omzet ongeveer 21% van de groepsomzet, maar met $16,6 miljard operationele winst ruim 60% van het totaal. Dat is tegelijk kracht en concentratierisico. Bij $246,91 vraagt de waardering dat AWS sterk blijft groeien én dat retail, advertenties en logistiek meer winst per omzetdollar leveren terwijl de investeringen in datacenters uitzonderlijk hoog zijn. Amazon lijkt één bedrijf, maar economisch staan er verschillende machines onder dezelfde motorkap. De webwinkels draaien enorme volumes tegen dunne marges. De marktplaats ontvangt vergoedingen van externe verkopers. Advertenties gebruiken het koopgedrag op de site. AWS verkoopt rekenkracht, opslag en AI-infrastructuur met veel hogere marges. Die combinatie geeft Amazon schaal en financieringskracht. De keerzijde is dat een relatief klein omzetsegment een groot deel van de winst draagt. Een vertraging of margedaling bij AWS kan daardoor veel zwaarder wegen dan een paar procent extra winkelomzet. Lees ook: Amazon of Uber: het grootste bedrijf is niet vanzelf het beste aandeel Direct naar een onderdeel van dit artikel AWS draagt meer winst dan de omzetmix laat zien Retail hoeft maar iets beter te worden De gerapporteerde nettowinst overschat de normale winst Langlopende contracten geven zichtbaarheid en verplichtingen Wat moet $246,91 waarmaken? Drie koerspaden voor 2027, 2028 en 2029 Waar de volgende kwartalen om draaien AWS draagt meer winst dan de omzetmix laat zien Bij de kwartaalcijfers van 30 juli meldde Amazon dat AWS 37% groeide naar $42,2 miljard omzet. De operationele winst van AWS bedroeg $16,6 miljard, een marge van ongeveer 39,3%. De totale operationele winst van Amazon was $27,5 miljard. Daarmee kwam ruim 60% uit de clouddivisie. De hoge AWS-marge is geen toeval. Een eenmaal gebouwd platform kan veel klanten bedienen, en ondernemingen betalen voor betrouwbaarheid, beveiliging en een breed aanbod aan diensten. AI verhoogt de vraag naar rekenkracht, maar vraagt tegelijk enorme investeringen in chips, stroom en datacenters. De concurrentie is stevig. Microsoft koppelt Azure aan zijn zakelijke software, Google gebruikt eigen AI-technologie en Oracle richt zich op databases en specifieke workloads. Grote klanten kunnen meerdere clouds combineren om afhankelijkheid te beperken. AWS moet daarom blijven investeren, ook wanneer capaciteit tijdelijk nog niet volledig wordt benut. Het gunstige argument is dat de markt groot genoeg is voor meerdere winnaars. De groei van 37% toont dat AWS niet alleen een volwassen infrastructuurbedrijf is. Nieuwe AI-workloads, eigen chips en langlopende contracten kunnen nog jaren vraag geven. De prestatieverplichtingen van Amazon bedroegen eind juni ongeveer $496 miljard, met een gemiddelde resterende looptijd van 6,4 jaar. Dat geeft zichtbaarheid, al wordt niet alles snel omzet. Retail hoeft maar iets beter te worden North America boekte $116,2 miljard omzet en $9,1 miljard operationele winst. International kwam uit op $42,2 miljard omzet en $1,7 miljard operationele winst. Samen zijn die activiteiten veel groter dan AWS, maar hun marges zijn veel lager. Dat is niet uitsluitend zwakte. Een kleine margeverbetering op $158,4 miljard kwartaalomzet is veel geld. Efficiëntere bezorgroutes, meer verkoop door externe verkopers en hogere advertentie-inkomsten kunnen winst toevoegen zonder dat de goederenverkoop even hard groeit. Eén procentpunt extra retailmarge levert bij de huidige omzetbasis ongeveer $1,58 miljard extra operationele kwartaalwinst op. Na een veronderstelde belastingdruk van 18% blijft circa $1,30 miljard nettowinst over. Deze hefboom is de reden dat beleggers naast AWS ook naar regionale fulfilmentkosten en levertijden kijken. Het risico is dat lagere kosten niet volledig bij aandeelhouders terechtkomen. Amazon kan de besparing gebruiken voor lagere prijzen, snellere bezorging of extra capaciteit. Dat versterkt de concurrentiepositie, maar stelt winst uit. Walmart, lokale webwinkels en goedkope platforms uit China dwingen Amazon om de klantwaarde hoog te houden. De gerapporteerde nettowinst overschat de normale winst Amazon meldde $62,6 miljard nettowinst in het tweede kwartaal. Daarin zat een voorbelastingwinst van $53,4 miljard op de investering in Anthropic. Dat is geen terugkerende opbrengst uit winkels of cloudcontracten. Voor waardering is de operationele winst daarom een beter vertrekpunt dan de gerapporteerde nettowinst. Ook vrije kasstroom vraagt uitleg. De operationele kasstroom over twaalf maanden bedroeg $161,4 miljard, maar investeringen in materiële vaste activa kwamen op $169,0 miljard. Daardoor was de vrije kasstroom volgens de eenvoudige definitie negatief $7,6 miljard. De investeringen bouwen toekomstige capaciteit, maar het geld is vandaag wel uitgegeven. Dit is het belangrijkste debat rond Amazon. Wanneer de huidige datacenteruitgaven later veel AWS-omzet en winst opleveren, onderschat een momentopname de waarde. Als AI-capaciteit duurder of minder schaars wordt, kan het rendement op die investeringen tegenvallen. Hoge groei maakt kapitaalintensiteit niet automatisch onbelangrijk. Langlopende contracten geven zichtbaarheid en verplichtingen Amazon sloot grote cloudafspraken met onder meer OpenAI en Anthropic. Langlopende contracten kunnen de benutting van datacenters verbeteren. Ze vragen ook dat Amazon jarenlang capaciteit, stroom en chips beschikbaar houdt. Een contractwaarde is dus toekomstige omzet én een reden om vandaag te investeren. De balans is sterk genoeg om veel te financieren. Na het kwartaal gaf Amazon bovendien $25 miljard aan obligaties uit. Schuld is niet per definitie een probleem wanneer nieuwe activa een hoog rendement opleveren. De rente en terugbetaling moeten uiteindelijk wel uit operationele kas komen. Voor aandeelhouders is ook de aandelenteller relevant. Amazon had eind juni ongeveer 10,783 miljard gewone aandelen uitstaan; inclusief aandelenbeloningen lag de verwaterde basis hoger. Aandelenbeloning trekt geen directe kas, maar verdeelt toekomstige waarde over meer stukken. Daarom moet de winst per verwaterd aandeel sneller stijgen dan het aantal aandelen. Wat moet $246,91 waarmaken? Het aandeel noteerde op 1 oktober om 15.48 uur UTC $246,91 aan de Nasdaq. De beurswaarde lag rond $2,69 biljoen. In de omgekeerde waardering vragen we hoeveel operationele winst in 2029 nodig is voor 9% jaarlijks rendement wanneer de markt dan 25 keer operationele winst betaalt. De standaardsom vraagt ongeveer $139 miljard operationele winst in 2029. Op jaarbasis lag de run-rate na Q2 duidelijk lager. Amazon moet dus zowel groeien als de omzetmix en marges verbeteren. Een eindmultiple van 20 maakt de vereiste winst nog hoger. Een multiple van 30 verlaagt de opdracht, maar laat meer waarderingsrisico voor de belegger. We voegen kas of de waarde van Anthropic niet nogmaals toe aan deze vereenvoudigde som. De huidige marktwaarde bevat de activa al en de operationele winst moet de investeringen uiteindelijk rechtvaardigen. Dat voorkomt dat dezelfde waarde twee keer wordt geteld. Drie koerspaden voor 2027, 2028 en 2029 In het bear-scenario vertraagt AWS, daalt de cloudmarge en blijft de kapitaalbehoefte hoog. Retail stagneert en de waarderingsmultiple krimpt. Het middenscenario veronderstelt AWS-groei in het midden van de twintig procent, licht betere retailmarges en blijvend sterke advertenties. In het gunstige scenario verhogen eigen chips, AI-diensten en logistieke schaal de marges terwijl de investeringsgroei normaliseert. Deze bedragen zijn scenario’s, geen koersdoelen. De spreiding is groot omdat zowel operationele winst als de multiple veel invloed hebben. Een uitstekend bedrijf kan een matig aandeel zijn wanneer de beginwaardering te hoog is. Een dure investeringsfase kan juist aantrekkelijk blijken wanneer zij jaren winstgroei bouwt. Waar de volgende kwartalen om draaien Drie cijfers verdienen voorrang. Kijk eerst naar AWS-groei en marge samen. Groei die alleen door lagere prijzen komt, is minder waardevol. Kijk daarna naar de operationele marge van North America en International. Tot slot telt vrije kas na investeringen. De kasstroom moet uiteindelijk aantonen dat de huidige datacentergolf een rendement oplevert. Amazon heeft een uitzonderlijke combinatie van cloud, advertenties, marktplaats en logistiek. De cijfers van Q2 laten zien dat AWS de winstmachine is, maar ook dat retail met een kleine margeverbetering veel kan toevoegen. Bij $246,91 betaalt de belegger voor beide. De kernvraag is niet of Amazon blijft groeien, maar of genoeg van die groei na investeringen en verwatering per aandeel overblijft.

  • Kan ServiceNow zijn groei vasthouden zonder vervroegde overheidsomzet?

    In het kort ServiceNow groeide in het tweede kwartaal 24,5% met abonnementen en sloot 123 contracten met meer dan $1 miljoen nieuwe jaarlijkse contractwaarde. Een deel van de Amerikaanse overheidsomzet werd door on-premise implementaties echter eerder uit het derde kwartaal naar het tweede gehaald. De prognose van 20,5% groei in Q3 is daarom de betere test. Bij $135,78 na de aandelensplitsing vraagt de waardering dat groei rond 20% en een vrije-kasmarge van ongeveer 35% meerdere jaren samengaan. ServiceNow verkoopt software waarmee grote organisaties werkstromen automatiseren. Een IT-storing, personeelsaanvraag, veiligheidsmelding of klantenserviceproces kan door hetzelfde platform lopen. Die centrale positie maakt de software moeilijk te vervangen en zorgt voor terugkerende abonnementen. Het nadeel van zo’n sterk model is dat de beurs er al veel continuïteit voor wil betalen. Bij de kwartaalcijfers van 22 juli meldde ServiceNow $3,877 miljard abonnementsomzet, 24,5% meer dan een jaar eerder. De totale omzet bedroeg $3,987 miljard. De resterende contractwaarde, oftewel RPO, kwam uit op $29 miljard. Dat geeft zicht op toekomstige omzet, maar het is nog geen kasgeld en een deel loopt over meerdere jaren. Lees ook: Waarom Broadcom meer is dan alleen een AI-chipverhaal Direct naar een onderdeel van dit artikel Een sterk kwartaal met een timingverschil AI is pas waardevol wanneer contracten en marge meegroeien Contractwaarde is zichtbaarheid, geen bankrekening De economie van het platform Wat moet de huidige koers waarmaken? Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 De volgende toets is eenvoudiger dan het verhaal Een sterk kwartaal met een timingverschil De gerapporteerde groei was stevig, maar ServiceNow wees zelf op een bijzonderheid. Bij Amerikaanse overheidsklanten werd omzet uit on-premise oplossingen eerder verwerkt. Daardoor verschoof een deel van de omzet die anders in Q3 zou zijn geboekt naar Q2. De onderneming heeft de jaarverwachting daarmee niet kunstmatig hoger gemaakt, maar het kwartaalritme wordt lastiger te lezen. De rekenmodule laat zien wat een timingseffect doet met de onderliggende groei. Wie 1,5 procentpunt van de gemelde 24,5% aftrekt, houdt nog altijd 23% over. Dat is sterk. De Q3-prognose van ongeveer 20,5% ligt daar wel onder. Een kwartaal rond die bandbreedte zonder nieuwe verschuiving zou aantonen dat de kernvraag gezond blijft. De contractactiviteit ondersteunt dat beeld. ServiceNow sloot 123 transacties met meer dan $1 miljoen nieuwe jaarlijkse contractwaarde, 30% meer dan een jaar eerder. Daarnaast hadden 658 klanten meer dan $5 miljoen jaarlijkse contractwaarde. Grote klanten gebruiken het platform doorgaans voor meerdere afdelingen, wat uitbreiding goedkoper maakt dan het winnen van een volledig nieuwe klant. AI is pas waardevol wanneer contracten en marge meegroeien ServiceNow meldde dat de jaarlijkse contractwaarde van zijn AI-producten de grens van $1 miljard passeerde. Dat is commercieel relevant, maar niet hetzelfde als $1 miljard kwartaalomzet of vrije kasstroom. Contractwaarde wordt over tijd als omzet verwerkt en extra rekenkosten kunnen de brutomarge drukken. De gunstige kant is dat AI direct in bestaande werkstromen zit. Een virtuele assistent die incidenten samenvat of aanvragen afhandelt kan tijd besparen zonder dat een klant een los systeem bouwt. ServiceNow heeft bovendien toegang tot procesdata en rechtenstructuren die generieke AI-aanbieders niet vanzelf bezitten. Het tegenargument is dat Microsoft, Salesforce, Atlassian en gespecialiseerde softwarebedrijven dezelfde budgetten najagen. Grote klanten willen niet voor ieder AI-hulpmiddel een aparte toeslag betalen. ServiceNow moet bewijzen dat AI de prijs per klant verhoogt zonder dat verkoopkosten en infrastructuur even snel meegroeien. Contractwaarde is zichtbaarheid, geen bankrekening De kortlopende resterende contractwaarde, cRPO, bedroeg $13,2 miljard en groeide 21%. Dit is de contractwaarde die ServiceNow grotendeels binnen twaalf maanden verwacht te verwerken. Niet ieder contract wordt exact volgens een eenvoudig schema gefactureerd, maar cRPO geeft een nuttige blik op de omzetbasis voor het komende jaar. Bij een veronderstelde omzetconversie van 88% en een vrije-kasmarge van 35% vertegenwoordigt die cRPO grofweg $4,1 miljard potentiële vrije kas. Dat is geen volledige prognose, want nieuwe verkopen, andere omzet en timing ontbreken. De som maakt wel duidelijk waarom beleggers veel waarde aan cRPO hechten: de toekomstige kasstroom is gedeeltelijk al contractueel zichtbaar. Voor heel 2026 verwacht ServiceNow $15,760 tot $15,780 miljard abonnementsomzet, ongeveer 22,5% groei bij constante valuta. De onderneming rekent op een aangepaste operationele marge van 31,5% en een vrije-kasmarge van 35%. Aangepaste cijfers sluiten onder meer aandelenbeloning uit. Voor de waarde per aandeel blijft verwatering daarom een aparte controle. De economie van het platform Het verdienmodel profiteert van hoge overstapkosten. Wanneer tientallen afdelingen processen, goedkeuringen en beveiligingsregels op één platform hebben gebouwd, is vervanging duur en riskant. Dat geeft ServiceNow ruimte om nieuwe modules te verkopen voor klantenservice, HR, beveiliging en AI. De schaalvoordelen zitten vooral in softwareontwikkeling en distributie. Een nieuwe functie kan aan veel klanten worden verkocht, terwijl de extra leveringskosten beperkt blijven. Tegelijk vraagt de onderneming veel hoogbetaald personeel en partners om grote implementaties uit te voeren. De vrije-kasmarge is hoog, maar aandelenbeloning is een economische kostenpost wanneer het aantal aandelen oploopt. De balans van argumenten is daarom subtiel. Een groei van ongeveer 20% met 35% vrije-kasmarge is uitzonderlijk sterk. Wie alleen naar de hoge multiple kijkt, kan de kwaliteit onderschatten. Wie de kasstroom zonder verwatering waardeert, kan juist te optimistisch zijn. Wat moet de huidige koers waarmaken? ServiceNow voerde een 5-voor-1-aandelensplitsing door, waardoor oude koersniveaus niet één op één vergelijkbaar zijn. Op 1 oktober om 15.48 uur UTC noteerde het aandeel $135,78 aan de NYSE. Onze omgekeerde waardering gebruikt daarom de post-split koers en vraagt hoeveel vrije kas per aandeel in 2029 nodig is bij een eindmultiple van 32 en een jaarlijks vereist rendement van 9%. De uitkomst is ongeveer $5,48 vrije kas per aandeel. Dat kan worden gehaald als de omzet nog jaren hoog dubbelcijferig groeit, de marge rond 35% blijft en verwatering beheerst wordt. Een lagere eindmultiple verhoogt de operationele opdracht. Bij 25 keer vrije kas is veel meer kas per aandeel nodig om hetzelfde rendement te behalen. We tellen kas, aandeleninkoop en aandelenbeloning niet los van elkaar op. De relevante maat is vrije kas per volledig verwaterd aandeel. Inkoop die alleen nieuwe personeelsaandelen compenseert, creëert minder waarde dan het brutobedrag suggereert. Drie scenario’s voor 2027, 2028 en 2029 In het bear-scenario zakt de groei onder 18%, worden AI-producten duur om te leveren en krimpt de multiple. Het middenscenario veronderstelt ongeveer 20% abonnementsgroei en een vrije-kasmarge rond 35%. In het gunstige scenario versnellen AI, beveiliging en grote platformdeals de omzet zonder structurele margedruk. Dit zijn scenario’s, geen koersdoelen. ServiceNow kan operationeel goed presteren en toch een matig aandelenrendement leveren wanneer de multiple daalt. Andersom kan iets lagere groei worden opgevangen door een hogere marge en minder verwatering. De volgende toets is eenvoudiger dan het verhaal De Q3-omzet hoeft het uitzonderlijke Q2-tempo niet te evenaren. Ze moet wel binnen de afgegeven bandbreedte vallen zonder een nieuw timingvoordeel. Let daarnaast op cRPO-groei, AI-contractwaarde, vrije-kasmarge en het verwaterde aantal aandelen. Die vier gegevens vertellen samen of de kwaliteit van de groei intact blijft. ServiceNow is een van de sterkste softwaremodellen op de beurs. De onderneming heeft zichtbare omzet, hoge klantbinding en een geloofwaardige route om AI in bestaande processen te verkopen. Bij $135,78 is dat voordeel echter geen geheim. Het aandeel verdient zijn waardering alleen wanneer de derdekwartaalgroei ook zonder voorschot standhoudt.

  • Winstgroei is de echte motor van Vanguards dividend-ETF

    In het kort De uitkerende Vanguard FTSE All-World High Dividend Yield UCITS ETF betaalde op 30 september $0,5191 per participatie. Over de laatste vier kwartalen kwam de bruto uitkering uit op $2,3344, ongeveer 2,6% van de NAV van $90,63. Dat is nuttig inkomen, maar niet de hoofdreden om deze ETF te bezitten. Vanguard rapporteerde per 31 augustus een onderliggende winstgroei van 8,7%, een koers-winstverhouding van 16,4 en kosten van 0,29%. Bij €79,81 op Euronext Amsterdam wordt het meerjarige rendement vooral bepaald door winstgroei, waardering en valuta. VHYL wordt vaak als dividendproduct bekeken. Dat is begrijpelijk: de ETF keert elk kwartaal uit en selecteert wereldwijd bedrijven met een bovengemiddeld dividend. Toch is dividend geen coupon. Een bedrijf kan de uitkering verlagen, en op de ex-dividenddatum verdwijnt het uitgekeerde bedrag in beginsel uit de koers. De juiste vraag is daarom niet hoeveel euro er dit kwartaal op de rekening verschijnt, maar welke totale economische opbrengst de portefeuille kan leveren. Dat totaal bestaat uit winstgroei, uitkering, verandering van de waardering, fondskosten en valuta. De kwartaalbetaling is slechts één onderdeel. Lees ook: Koop je na de koersval van Goldman Sachs kwaliteit of betaal je voor een uitzonderlijk beursjaar? Direct naar een onderdeel van dit artikel De nieuwste uitkering zegt minder dan de winstbasis De eurobelegger krijgt ook een valutapositie Hoog dividend verplaatst de sectorweging De omgekeerde waardering begint bij de portefeuillewinst Drie koerspaden en het verschil met totaalrendement Voor wie VHYL logisch is De nieuwste uitkering zegt minder dan de winstbasis Vanguard betaalde op 30 september $0,5191 per participatie. Samen met de uitkeringen van december 2025, maart 2026 en juni 2026 komt de laatste twaalf maanden op $2,3344. Tegen de NAV van $90,63 op 30 september is dat ongeveer 2,58% bruto. Dat percentage ligt lager dan veel beleggers bij een hoogdividendfonds verwachten. Het indexlabel betekent namelijk niet dat elk bedrijf een extreem hoog dividend betaalt. De portefeuille bevat 2.364 aandelen en weegt grote, winstgevende ondernemingen mee. JPMorgan, ExxonMobil en Johnson & Johnson waren eind augustus de drie grootste posities, maar geen enkele positie woog meer dan 2,2%. Vanguard rapporteerde voor de onderliggende portefeuille 8,7% winstgroei, 14,4% rendement op eigen vermogen en een waardering van 16,4 keer winst. Als die winstgroei aanhoudt, kan de intrinsieke waarde sneller stijgen dan de uitkering. Als de waardering tegelijk daalt, wordt een deel van die groei weer ingeleverd. De kosten van 0,29% lijken klein en zijn dat op één jaar ook. Over lange perioden werken ze ieder jaar door. Ze zijn bovendien zeker, terwijl winstgroei en dividend onzeker zijn. Daarom hoort de kostenpost altijd in de rendementsopbouw. De eurobelegger krijgt ook een valutapositie De shareclass heeft ISIN IE00B8GKDB10, is Iers, fysiek belegd en uitkerend. De basisvaluta is de Amerikaanse dollar. De beurslijn op Euronext Amsterdam noteert in euro onder ticker VHYL. Die euro-notering dekt het valutarisico niet af. De uitkering wordt door Vanguard in dollars gepubliceerd. Een Nederlandse belegger ontvangt via de broker een eurobedrag dat afhangt van de wisselkoers en de verwerking door de broker. Ook de koers in euro beweegt met de waarde van de onderliggende aandelen en de dollar tegenover de euro. Dat onderscheid voorkomt verwarring. Een hogere dollaruitkering kan in euro minder opleveren wanneer de dollar verzwakt. Andersom kan een vlakke onderliggende markt in dollars toch een positieve eurokoers geven wanneer de dollar stijgt. Valuta is geen aparte bonus, maar een bron van schommelingen. De ETF noteerde op 1 oktober rond €79,81 op Euronext Amsterdam. De NAV van $90,63 per 30 september is niet rechtstreeks met die koers te vergelijken zonder wisselkoers en tijdsverschil. Een kleine premie of korting kan tijdens de handelsdag voorkomen. Voor langetermijnbeleggers is de onderliggende portefeuille belangrijker dan een paar basispunten intradayverschil. Hoog dividend verplaatst de sectorweging De index sluit vastgoedfondsen uit en selecteert grote en middelgrote ondernemingen met een hoger dividend dan gemiddeld. Daardoor wijkt de sectorverdeling af van een brede wereldindex. Banken, energie, gezondheidszorg en telecom krijgen relatief meer gewicht. Zeer dure groeibedrijven zonder dividend krijgen minder gewicht of ontbreken. Dat kan in een periode van stijgende rente en goedkope waardeaandelen gunstig zijn. Het kan ook tegenvallen wanneer grondstoffen dalen, banken kredietverliezen boeken of defensieve aandelen duur worden. Dividend verlaagt risico niet automatisch. Het verplaatst de bronnen van risico. De portefeuille was eind augustus voor 40,1% in de Verenigde Staten belegd, gevolgd door Japan met 9,4% en het Verenigd Koninkrijk met 6,9%. China woog 3,2% en Taiwan 3,2%. Dat is wereldwijde spreiding, maar de dollar en Amerikaanse markt blijven belangrijk. Het sterke argument voor VHYL is discipline. De ETF vermijdt de duurste delen van de markt en ontvangt echte kasuitkeringen. De waardering van 16,4 keer winst is lager dan die van veel groeigerichte indices. Het tegenargument is dat lagere waardering soms een gevolg is van lagere groei of cyclischer winst. De omgekeerde waardering begint bij de portefeuillewinst Bij een ETF waarderen we niet één onderneming, maar de winst per fondsdeel van de hele portefeuille. Op basis van €79,81 en een onderliggende P/E van 16,4 is de impliciete winstbasis ongeveer €4,87 per participatie. Dat is een vertaalde rekeneenheid, geen door Vanguard gerapporteerde euro-EPS. Als de P/E in 2029 daalt naar 15 en een belegger 6% jaarlijks koersrendement verlangt, is ongeveer 9% winstgroei per jaar nodig. Uitkeringen komen daar bovenop en worden daarom niet dubbel in het koersscenario verwerkt. Deze rekensom ligt dicht bij de door Vanguard gerapporteerde historische winstgroei van 8,7%. Dat maakt de huidige waardering niet vanzelf goedkoop. De portefeuille moet ongeveer blijven leveren wat zij recent liet zien, terwijl een lagere multiple een deel van de winstgroei opeet. Drie koerspaden en het verschil met totaalrendement Het bear-scenario combineert winstdaling, multiplekrimp en een sterkere euro. In het middenscenario groeit de winst 5% tot 7% per jaar en blijft de waardering rond 15 tot 16 keer. In het gunstige scenario groeit de winst ongeveer 8% en blijft de P/E stabiel. De getoonde koersen sluiten ontvangen uitkeringen uit. Dat verschil weegt bij deze ETF zwaar. Wie de uitkeringen herbelegt, kan een hoger totaalrendement behalen dan het koersverloop alleen suggereert. Wie ervan leeft, ontvangt kas maar bezit na de ex-dividenddatum een iets lagere fondswaarde. Voor wie VHYL logisch is VHYL past bij een belegger die wereldwijd aandeleninkomen wil, een lagere waardering dan veel groeindices aantrekkelijk vindt en kwartaaluitkeringen bewust kiest. De ETF is minder logisch voor iemand die inkomen niet nodig heeft en iedere uitkering zelf moet herbeleggen tegen transactiekosten. Een accumulerende shareclass kan dan praktischer zijn, maar is een ander instrument. De kern is eenvoudig. De uitkering van $0,5191 is echt geld, maar geen volledige beleggingscase. Bij €79,81 koop je een portefeuille van 2.364 ondernemingen waarvan de winstgroei, waardering en sectorcyclus het grootste deel van het resultaat bepalen. Dividend is de zichtbare stroom. De onderliggende winst is de bron.

  • Wordt de omzet van Hims ook echt geld in kas?

    In het kort Hims & Hers groeide in het tweede kwartaal 38% naar $753,2 miljoen omzet en had bijna 2,9 miljoen abonnees. Tegelijk stegen de vorderingen van $32,1 miljoen eind 2025 naar $375,3 miljoen op 30 juni 2026. De overname van Eucalyptus speelt daarbij mee, maar de sprong maakt omzetkwaliteit een belangrijker onderwerp. Bij $28,89 vraagt de koers dat groei steeds beter in vrije kas per aandeel verandert, terwijl converteerbare schuld en acquisitiebetalingen ook aanspraak op die kas maken. Een snelgroeiend zorgplatform kan op papier een prachtige omzetlijn laten zien. Het echte werk begint bij de route van bestelling naar betaling. Een recept, consult of abonnement is economisch pas volledig waardevol wanneer het geld binnenkomt en niet te veel medische, logistieke en marketingkosten achterlaat. Bij de kwartaalcijfers van 10 augustus meldde Hims $753,2 miljoen omzet, 38% meer dan een jaar eerder. De binnenlandse groei versnelde naar 16%, terwijl de internationale omzet meer dan zeventienvoudigde door de overname van Eucalyptus in juni. Dat is sterke groei, maar ook een breuk in de vergelijkbaarheid. De balans bevat nu veel meer vorderingen, goodwill en uitgestelde overnamebetalingen. Lees ook: Tussen deze twee aandelen is het grootste bedrijf niet vanzelf het beste aandeel Direct naar een onderdeel van dit artikel De omzet groeit sneller dan het geld binnenkomt De brutomarge laat zien wat de nieuwe mix kost Personalisatie is waardevol, maar medisch zwaarder De omgekeerde waardering vraagt vrije kas per aandeel Drie scenario’s voor de komende drie jaar Wat de volgende kwartaalcijfers moeten bewijzen De omzet groeit sneller dan het geld binnenkomt Op 30 juni stonden $375,3 miljoen aan vorderingen op de balans, tegenover $32,1 miljoen eind december. Afgezet tegen de kwartaalomzet is dat grofweg 45 omzetdagen. Die berekening is geen zuivere DSO-maatstaf, omdat de overname midden in het kwartaal plaatsvond en de omzetmix veranderde. Ze laat wel zien waarom kasconversie nu apart moet worden gevolgd. Een stijging van vorderingen kan onschuldig zijn. Een overgenomen onderneming kan andere betaaltermijnen hebben, de omzet kan laat in het kwartaal zijn geboekt of verzekeraars en zakelijke partners kunnen langzamer betalen dan consumenten. Het wordt een probleem wanneer omzet structureel sneller groeit dan de kasontvangsten, of wanneer afboekingen toenemen. Daarom is de volgende balans minstens zo belangrijk als de omzetgroei. Als vorderingen stabiliseren terwijl de omzet doorstijgt, normaliseert de verhouding vanzelf. Blijven ze even snel oplopen, dan financiert Hims een groter deel van zijn klanten en partners voor. De brutomarge laat zien wat de nieuwe mix kost De brutowinst bedroeg in het tweede kwartaal $480,8 miljoen op $753,2 miljoen omzet. De brutomarge kwam daarmee uit op 64%, tegenover 76% een jaar eerder. Die daling is groot. Meer dienstverlening, internationale omzet en producten met andere kostenstructuren kunnen de oorzaak zijn. Het management benadrukt schaal en AI-efficiëntie, maar de winst-en-verliesrekening laat eerst een duurdere omzetmix zien. De onderneming verhoogde de omzetverwachting voor 2026 naar $3,1 tot $3,3 miljard. De aangepaste EBITDA-verwachting bedraagt $275 tot $325 miljoen. Op het midden van beide bandbreedtes is de aangepaste EBITDA-marge ongeveer 9,4%. Dat is positief, maar aangepaste EBITDA is niet hetzelfde als vrije kas voor aandeelhouders. Aandelenbeloning, werkkapitaal, acquisitiebetalingen en investeringen moeten nog worden verwerkt. De balans maakt die nuance zichtbaar. Hims had $609,8 miljoen kas en $231,2 miljoen kortlopende beleggingen. Daartegenover stonden $1,37 miljard converteerbare leningen, ongeveer $703 miljoen uitgestelde acquisitiebetalingen en circa $163 miljoen earn-outverplichtingen. Niet alles is direct opeisbaar en converteerbare schuld kan in aandelen eindigen. Toch is de economische boodschap helder: de beschikbare kas is niet volledig overtollig. Personalisatie is waardevol, maar medisch zwaarder Hims verdient aan abonnementen en behandelingen die via een digitaal platform worden verkocht. Hoe beter het platform klachten herkent en passende zorg aanbiedt, hoe hoger de omzet per klant en hoe langer de relatie kan duren. AI kan triage en administratie goedkoper maken. Artsen, apotheken, laboratoria en logistiek blijven echter echte kosten. De concurrentie komt uit meerdere hoeken. Traditionele zorgaanbieders hebben medische infrastructuur en vertrouwen. Farmaceuten en apotheken kunnen distributie verbeteren. Digitale spelers concurreren op gebruiksgemak en marketing. Hims moet tegelijk een consumentenmerk, softwareplatform en gereguleerde zorgketen zijn. Dat is krachtig wanneer alles samenwerkt, maar kostbaar wanneer één schakel niet meegroeit. Het gunstige argument is de schaal van bijna 2,9 miljoen abonnees. Een groot klantenbestand maakt kruisverkoop mogelijk en verdeelt technologie-investeringen over meer behandelingen. De omzetdoelstelling voor 2030 van minstens $6,5 miljard en aangepaste EBITDA van $1,3 miljard impliceert een marge van 20%. Als Hims daar in de buurt komt, verandert het winstprofiel ingrijpend. Het tegenargument is dat de onderneming die doelstelling via overnames en financiering nastreeft. Goodwill steeg naar $1,10 miljard en immateriële activa naar $422,8 miljoen. Dat zijn boekhoudkundige activa die alleen waarde houden als de overgenomen activiteiten voldoende kas genereren. De omgekeerde waardering vraagt vrije kas per aandeel Het aandeel noteerde op 1 oktober om 15.48 uur UTC $28,89 op de NYSE. De beurswaarde lag rond $6,7 miljard. In onze omgekeerde som gebruiken we geen optimistische aangepaste EBITDA als eindpunt. We vragen hoeveel vrije kas per aandeel in 2029 nodig is bij een eindmultiple van 28 en een jaarlijks vereist rendement van 10%. De uitkomst ligt rond $1,37 vrije kas per aandeel. Bij 245 miljoen verwaterde aandelen is dat ongeveer $336 miljoen vrije kas. Dat bedrag is haalbaar wanneer de omzet richting $5 miljard gaat en de vrije-kasmarge 7% bedraagt. Het wordt moeilijker als de aandelenteller door conversies groeit of acquisitiebetalingen veel kas vragen. Deze benadering voorkomt dubbel tellen. De kas op de balans wordt niet nogmaals als gratis waarde toegevoegd terwijl acquisitieverplichtingen buiten beeld blijven. De kern is wat na alle noodzakelijke uitgaven per aandeel overblijft. Drie scenario’s voor de komende drie jaar In het bear-scenario blijft de brutomarge rond het huidige lagere niveau, lopen vorderingen verder op en vraagt internationale uitbreiding extra kapitaal. Het middenscenario veronderstelt 20% tot 25% omzetgroei, stabiliserende vorderingen en een geleidelijke stijging van de vrije-kasmarge. In het gunstige scenario worden AI en personalisatie aantoonbaar goedkoper per behandeling en schaalt Eucalyptus zonder grote extra goodwill of schuld. Geen van deze paden is een koersdoel. De uitkomsten tonen hoe gevoelig de waarde is voor kasconversie en verwatering. Een snelgroeiende omzet kan een hoge multiple dragen, maar alleen wanneer de kasstroom uiteindelijk sneller groeit dan de aandelenteller. Wat de volgende kwartaalcijfers moeten bewijzen De eerste controle is eenvoudig: vorderingen als percentage van omzet moeten dalen of ten minste stabiliseren. De tweede is de brutomarge. Een herstel richting 70% zou aantonen dat de nieuwe mix niet permanent veel duurder is. De derde is vrije kas na werkkapitaal en acquisitiebetalingen. Hims heeft een sterk consumentenmerk, een groeiend zorgaanbod en veel ruimte om bestaande klanten meer diensten te verkopen. De balans laat tegelijk zien dat groei niet gratis is. Bij $28,89 betaalt de belegger voor een onderneming die winstgevender moet worden én haar omzet sneller in kas moet veranderen. De volgende fase wordt daarom niet gewonnen met nog een recordomzet, maar met bewijs dat die omzet werkelijk toebehoort aan de aandeelhouder.

bottom of page