top of page

Begrippen voor beginnende beleggers

Hier zijn een aantal begrippen voor beginnende beleggers die je MOET weten omdat je ze tegen komt tijdens het beleggen. Je kunt snel de meesten aanklikken om meer te leren als je behoefte hebt aan uitgebreid uitleg.



- Aandeel: een bewijs van deelname in het kapitaal van een bedrijf. Als je een aandeel koopt, word je mede-eigenaar van het bedrijf en heb je recht op een deel van de winst (dividend) en stemrecht op de aandeelhoudersvergadering.


- Obligatie: een schuldbewijs van een lening die je verstrekt aan een bedrijf of overheid. Als je een obligatie koopt, krijg je periodiek rente (coupon) en aan het einde van de looptijd krijg je je geld terug (nominale waarde).


- Beurs: een markt waar vraag en aanbod van effecten (zoals aandelen en obligaties) bij elkaar komen. De bekendste beurzen in Nederland zijn Euronext Amsterdam en de AEX-index.


- Index: een gewogen gemiddelde van de koersen van een selectie van effecten die een bepaalde markt of sector vertegenwoordigen. Een index geeft een indicatie van de stemming en de prestatie van die markt of sector. Voorbeelden zijn de AEX-index (25 grootste Nederlandse bedrijven), de S&P 500 (500 grootste Amerikaanse bedrijven) en de MSCI World (1600 bedrijven uit 23 ontwikkelde landen).


- ETF: een exchange-traded fund, ook wel tracker genoemd. Een ETF is een beleggingsfonds dat een index volgt en op de beurs verhandeld wordt. Een ETF biedt een eenvoudige en goedkope manier om gespreid te beleggen in een bepaalde markt of sector.


- Beleggingsfonds: een verzameling van effecten die door een fondsbeheerder wordt samengesteld en beheerd. Een beleggingsfonds kan zich richten op een specifieke regio, sector, thema of strategie. Als je in een beleggingsfonds belegt, betaal je meestal een jaarlijkse beheervergoeding en soms ook instap- of uitstapkosten.


- Dividend: het deel van de winst dat een bedrijf uitkeert aan zijn aandeelhouders. Dividend kan in contanten of in aandelen worden uitgekeerd. Het dividendrendement is het dividend per aandeel gedeeld door de koers per aandeel.


- Rendement: de opbrengst van een belegging over een bepaalde periode, uitgedrukt in een percentage. Het rendement kan bestaan uit koerswinst (of -verlies) en dividend (of rente). Het rendement kan positief of negatief zijn, afhankelijk van de koersontwikkeling en de uitkeringen.


- Risico: de mate van onzekerheid over het rendement van een belegging. Hoe hoger het risico, hoe groter de kans op hoge rendementen, maar ook op grote verliezen. Het risico hangt af van verschillende factoren, zoals de volatiliteit (beweeglijkheid) van de koersen, de kwaliteit van de effecten, de spreiding van de portefeuille en de beleggingshorizon (de tijd dat je wilt of kunt beleggen).


- Spreiding: het verdelen van je vermogen over verschillende soorten effecten, sectoren, regio's en valuta's om het risico te verlagen. Door spreiding kun je profiteren van verschillende kansen en verminder je de impact van tegenvallers in één categorie.


- Volatiliteit: de mate waarin de koersen van effecten fluctueren over een bepaalde periode. Hoe hoger de volatiliteit, hoe groter de beweeglijkheid en dus het risico. De volatiliteit kan worden gemeten met statistische indicatoren zoals de standaarddeviatie of de bèta.


- Bèta: een maatstaf die wordt gebruikt om de volatiliteit of beweeglijkheid van een individueel asset te meten in vergelijking met de bredere markt. Het geeft aan hoe gevoelig de koers van het effect is voor schommelingen in de markt. Een beta van 1,0 betekent dat het effect even volatiel is als de bredere markt. Een beta hoger dan 1,0 geeft aan dat het effect volatieler is dan de markt, terwijl een beta lager dan 1,0 aangeeft dat het effect minder volatiel is dan de markt.


- Rendement: het percentage dat aangeeft hoeveel je hebt verdiend of verloren met je belegging in een bepaalde periode. Het rendement kan bestaan uit koerswinst (of -verlies) en dividend. Het rendement wordt meestal berekend op jaarbasis.


- Risicoprofiel: een beschrijving van je persoonlijke situatie, doelstellingen, kennis, ervaring en risicobereidheid als belegger. Je risicoprofiel helpt je om te bepalen welke beleggingsstrategie en portefeuille het beste bij je passen.


- Asset allocatie: de verdeling van je beleggingsportefeuille over verschillende soorten effecten (assets), zoals aandelen, obligaties, cash en alternatieven. Asset allocatie is een belangrijke factor voor het bepalen van je verwachte rendement en risico.


- Diversificatie: het spreiden van je beleggingen over verschillende effecten, sectoren, regio's, valuta's en stijlen. Diversificatie helpt om het risico te verlagen en het rendement te stabiliseren.


- Koers: de prijs waartegen een effect op de beurs wordt verhandeld. De koers wordt bepaald door vraag en aanbod en kan fluctueren door verschillende factoren, zoals nieuws, verwachtingen, sentiment en economische data.


- Order: een opdracht die je geeft aan je broker of bank om een effect te kopen of te verkopen op de beurs. Een order kan verschillende kenmerken hebben, zoals het aantal, de prijs, de geldigheidsduur en de voorwaarden.


- Broker: een tussenpersoon die namens jou orders uitvoert op de beurs. Een broker kan ook andere diensten aanbieden, zoals advies, analyse, educatie en tools. Voor het gebruik van een broker betaal je meestal transactiekosten en soms ook bewaarloon of servicekosten.


- Portefeuille: het geheel van je beleggingen. Je portefeuille kan bestaan uit verschillende effecten, zoals aandelen, obligaties, ETF's en beleggingsfondsen. Je portefeuille moet passen bij je risicoprofiel en je beleggingsdoelstellingen.


- Benchmark: een referentiepunt waarmee je de prestatie van je portefeuille of een effect kunt vergelijken. Een benchmark kan bijvoorbeeld een index zijn die een relevante markt of sector weerspiegelt. Het verschil tussen het rendement van je portefeuille of effect en dat van de benchmark wordt ook wel de relatieve performance genoemd.


- Aandeelhouder: iemand die eigenaar is van aandelen en daardoor ook mede-eigenaar van een bedrijf. Aandeelhouders kunnen dividend ontvangen als het bedrijf winst maakt.


- Aandelen: waardepapieren die een deel van het eigendom van een bedrijf vertegenwoordigen. De waarde van aandelen kan stijgen of dalen afhankelijk van de prestaties van het bedrijf.


- AEX: de afkorting van de Amsterdam Exchange Index. Dit zijn de 25 grootste beursgenoteerde bedrijven in Nederland. De AEX wordt vaak gebruikt als graadmeter voor de Nederlandse economie.


- Bear markt: een periode waarin de koersen blijven dalen. Het tegenovergestelde hiervan is een bull markt, waarin de koersen stijgen.


- Beleggen: het investeren van geld voor een bepaalde periode om er een financieel voordeel uit te halen. Meestal wordt hiermee bedoeld het kopen en verkopen van effecten zoals aandelen, obligaties, etc.


- Beleggingshorizon: de periode waarin je wilt beleggen. Dit kan variëren van enkele dagen tot tientallen jaren. Hoe langer de beleggingshorizon, hoe minder risico je meestal wilt nemen.


- Beleggingsportefeuille: het overzicht van al je beleggingen. Een beleggingsportefeuille kan verschillende effecten bevatten zoals aandelen, obligaties, ETF's, turbo's of zelfs vastgoed.


- De beurs: de korte versie van de effectenbeurs. Dit is een plek waar effecten zoals aandelen, obligaties en opties worden verhandeld. Voorbeelden zijn de Euronext in Amsterdam of de New York Stock Exchange op Wall Street in New York.


- Bewaarloon: een vergoeding die een bank of broker kan vragen voor het bewaren van je effecten. Dit is meestal een percentage van de waarde van je beleggingen.


- Broker: een tussenpersoon die handel mogelijk maakt. Om als belegger aandelen te kopen op de beurs heb je een broker of bank nodig. Een broker rekent meestal transactiekosten voor elke aan- of verkooporder.


- Bull markt: een periode waarin de koersen blijven stijgen. Het tegenovergestelde hiervan is een bear markt, waarin de koersen dalen.


- Coupon: de rente die je ontvangt als je een obligatie koopt. De coupon wordt meestal jaarlijks of halfjaarlijks uitbetaald.


- Dividend: de winstuitkering die je ontvangt als je een aandeel koopt. Dividend wordt meestal per kwartaal of per jaar uitgekeerd. Niet alle bedrijven keren dividend uit.

- Effecten: verzamelnaam voor alle soorten beleggingsproducten zoals aandelen, obligaties, opties, etc.


- ETF: de afkorting van exchange-traded fund. Dit is een beleggingsfonds dat op de beurs wordt verhandeld en meestal een index volgt. Een ETF heeft lage kosten en biedt veel spreiding.


- Index: een verzameling van aandelen die een bepaalde markt of sector weergeeft. Een index wordt gebruikt als benchmark om de prestaties van beleggingen


- Aflossing: Het terugbetalen van een deel of het geheel van een lening, zoals een obligatie.


- Agio: Het verschil tussen de nominale waarde en de koers van een effect. Als de koers hoger is dan de nominale waarde, spreekt men van agio. Als de koers lager is, spreekt men van disagio.


- Allocatie: De verdeling van een beleggingsportefeuille over verschillende soorten effecten, zoals aandelen, obligaties, cash en alternatieven. Allocatie hangt af van het risicoprofiel en de beleggingsdoelstellingen van de belegger.


- Arbitrage: Het profiteren van prijsverschillen tussen verschillende markten of effecten. Bijvoorbeeld, het kopen van een aandeel op de ene beurs en het verkopen op een andere beurs voor een hogere prijs.


- Balans: Een overzicht van de bezittingen, schulden en het eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald moment. De balans geeft inzicht in de financiële positie en solvabiliteit van een bedrijf.


- Beursgang: Het proces waarbij een bedrijf voor het eerst aandelen uitgeeft en verhandelt op de beurs. Ook wel Initial Public Offering (IPO) genoemd.


- Beurswaarde: De totale waarde van alle uitstaande aandelen van een bedrijf op de beurs. Ook wel marktkapitalisatie genoemd. Beurswaarde wordt berekend door het aantal aandelen te vermenigvuldigen met de koers per aandeel.


- Bodem: Het laagste punt dat een koers bereikt na een periode van daling. Een bodem kan een teken zijn van een ommekeer in de markttrend.


- Boekwaarde: De waarde van het eigen vermogen van een bedrijf volgens de boekhouding. De boekwaarde wordt berekend door de totale activa te verminderen met de totale passiva. De boekwaarde per aandeel wordt berekend door de boekwaarde te delen door het aantal uitstaande aandelen.


- Break-even point: Het punt waarop de opbrengsten gelijk zijn aan de kosten. Bij beleggen is het break-even point het punt waarop de koers gelijk is aan de aankoopprijs plus de transactiekosten.


- Cashflow: De hoeveelheid geld die een bedrijf ontvangt of uitgeeft gedurende een bepaalde periode. De cashflow geeft inzicht in de liquiditeit en winstgevendheid van een bedrijf.


- Compounding: Het effect van rente op rente. Compounding zorgt ervoor dat een belegging sneller groeit naarmate de tijd verstrijkt. Bijvoorbeeld, als een belegging 10% per jaar rendeert, zal deze na 10 jaar 2,6 keer zo veel waard zijn als in het begin.


- Conjunctuur: De schommelingen in de economische activiteit over een langere periode. Conjunctuur wordt beïnvloed door factoren zoals vraag en aanbod, inflatie, rente, overheidsbeleid en consumentenvertrouwen.


- Conversie: Het omzetten van een effect in een ander effect. Bijvoorbeeld, het omzetten van een obligatie in aandelen of vice versa.


- Correlatie: De mate waarin twee effecten of markten samen bewegen. Een positieve correlatie betekent dat ze meestal in dezelfde richting bewegen. Een negatieve correlatie betekent dat ze meestal in tegengestelde richting bewegen. Een correlatie van nul betekent dat er geen verband is tussen hun bewegingen.


- Rente: de vergoeding die je ontvangt of betaalt voor het lenen of uitlenen van geld.


- Kapitaal: het geld dat je hebt geïnvesteerd in een belegging of een onderneming.


- Winst: het verschil tussen de opbrengst en de kosten van een belegging of een onderneming.


- Verlies: het verschil tussen de kosten en de opbrengst van een belegging of een onderneming.


- Waardering: de geschatte waarde van een belegging of een onderneming op een bepaald moment.


- Koers-winstverhouding (K/W): de verhouding tussen de koers van een aandeel en de winst per aandeel. Een maatstaf voor hoe duur of goedkoop een aandeel is.


- Dividendrendement: de verhouding tussen het dividend per aandeel en de koers van het aandeel. Een maatstaf voor hoeveel inkomen een aandeel oplevert.


- Marktrendement: het gemiddelde rendement van alle beleggingen op een bepaalde markt of index over een bepaalde periode.


- Marktwaarde: de totale waarde van alle beleggingen op een bepaalde markt of index op een bepaald moment.


- Rendement op eigen vermogen (ROE): de verhouding tussen de winst en het eigen vermogen van een onderneming. Een maatstaf voor hoe efficiënt een onderneming haar eigen vermogen gebruikt om winst te maken.


- Eigen vermogen: het verschil tussen de bezittingen en de schulden van een onderneming. Het geld dat de eigenaren van een onderneming hebben geïnvesteerd of hebben overgehouden na aftrek van alle schulden.


- Vreemd vermogen: het geld dat een onderneming heeft geleend van anderen om haar activiteiten te financieren. Het moet worden terugbetaald met rente.


- Solvabiliteit: de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen van een onderneming. Een maatstaf voor hoe goed een onderneming haar schulden kan aflossen met haar eigen vermogen.


- Liquiditeit: de mate waarin een belegging of een onderneming snel kan worden omgezet in contant geld zonder veel waarde te verliezen.


- Hefboomwerking: het gebruik van vreemd vermogen om het rendement op eigen vermogen te vergroten. Het vergroot ook het risico op verlies als de rente hoger is dan het rendement op de belegging of de onderneming.


- Inflatie: de stijging van het algemene prijsniveau in een economie over een bepaalde periode. Het vermindert de koopkracht van geld.


- Deflatie: de daling van het algemene prijsniveau in een economie over een bepaalde periode. Het verhoogt de koopkracht van geld.


- Rentevoet: de prijs die wordt betaald of ontvangen voor het lenen of uitlenen van geld voor een bepaalde periode. Het wordt meestal uitgedrukt als een percentage per jaar.


- Centrale bank: de instelling die verantwoordelijk is voor het monetaire beleid in een land of regio. Het kan de rentevoet, de geldhoeveelheid en andere instrumenten gebruiken om de inflatie, de groei en de stabiliteit van de economie te beïnvloeden.


- Monetair beleid: het geheel van acties die door de centrale bank worden genomen om de rentevoet, de geldhoeveelheid en andere variabelen te beïnvloeden die invloed hebben op de economische activiteit en inflatie.


- Fiscaal beleid: het geheel van acties die door de overheid worden genomen om haar uitgaven en inkomsten te bepalen. Fiscaal beleid is het gebruik van overheidsuitgaven, belastingen en andere instrumenten zoals de rente om de economie te stimuleren of te stabiliseren.


- Margin: Dit is het bedrag dat u moet storten om een bepaalde positie in te nemen op de beurs. Het is een soort borg die u betaalt om met geleend geld te kunnen beleggen.


- Leverage: Dit is de hefboomwerking die je krijgt als je met margin belegt. Het betekent dat je met een klein bedrag een grote positie kunt innemen. Dit vergroot zowel je potentiële winst als je potentiële verlies.


- Stop-loss: Dit is een order die je plaatst om je verlies te beperken als de koers van een effect tegen je in beweegt. Je geeft aan op welk niveau je wilt verkopen als de koers daalt.


- Take-profit: Dit is een order die je plaatst om je winst te verzilveren als de koers van een effect in je voordeel beweegt. Je geeft aan op welk niveau u wilt verkopen als de koers stijgt.


- Short gaan: Dit betekent dat je een effect verkoopt dat je niet bezit, in de verwachting dat de koers zal dalen. Je leent het effect van iemand anders en betaalt daarvoor rente. Als de koers daalt, koop je het effect terug voor een lagere prijs en maak je winst. Als de koers stijgt, maak je verlies.


- Long gaan: Dit betekent dat je een effect koopt in de verwachting dat de koers zal stijgen. Je betaalt de volledige prijs van het effect en hoopt dat het meer waard wordt. Als de koers stijgt, maak je winst. Als de koers daalt, maak je verlies.


- Een optie is een financieel contract dat je het recht geeft om een bepaald effect (zoals een aandeel of een index) te kopen of te verkopen tegen een vooraf bepaalde prijs en binnen een bepaalde periode. Er zijn twee soorten opties: call-opties en put-opties.


- Een call-optie geeft je het recht om een effect te kopen tegen een afgesproken prijs. Je koopt een call-optie als je verwacht dat de koers van het effect zal stijgen. Als de koers hoger is dan de afgesproken prijs op de vervaldatum van de optie, kun je het effect kopen voor de lagere prijs en het met winst verkopen op de markt. Je betaalt een premie voor het recht om de optie uit te oefenen.


- Een put-optie geeft je het recht om een effect te verkopen tegen een afgesproken prijs. Je koopt een put-optie als je verwacht dat de koers van het effect zal dalen. Als de koers lager is dan de afgesproken prijs op de vervaldatum van de optie, kun je het effect verkopen voor de hogere prijs en het met winst terugkopen op de markt. Je betaalt ook een premie voor het recht om de optie uit te oefenen.


- Een future is een financieel contract dat je verplicht om een bepaald effect (zoals een grondstof of een valuta) te kopen of te verkopen tegen een vooraf bepaalde prijs en op een vooraf bepaalde datum. Er zijn geen premies of rechten bij futures, alleen verplichtingen. Futures worden gebruikt om risico's af te dedekken of om te speculeren op prijsbewegingen.

- Als je een future koopt, ga je akkoord om het effect te kopen tegen de afgesproken prijs op de afgesproken datum. Je hoopt dat de koers van het effect zal stijgen, zodat je het effect goedkoper kunt kopen dan de marktprijs. Je kunt ook je positie sluiten voordat de future vervalt door een tegenovergestelde future te verkopen.


- Als je een future verkoopt, ga je akkoord om het effect te verkopen tegen de afgesproken prijs op de afgesproken datum. Je hoopt dat de koers van het effect zal dalen, zodat je het effect duurder kunt verkopen dan de marktprijs. Je kunt ook je positie sluiten voordat de future vervalt door een tegenovergestelde future te kopen.


- Een turbo is een beleggingsproduct dat werkt met hefboomwerking en margin. Het lijkt op een optie, maar heeft geen vaste looptijd of premie. Een turbo bestaat uit twee delen: de onderliggende waarde (bijvoorbeeld een aandeel) en het financieringsniveau (het bedrag dat je leent om de turbo te kopen). Het verschil tussen de koers van de onderliggende waarde en het financieringsniveau is je hefboom.

Kommentare


Meld je aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief!

Bedankt voor het abonneren!

Net binnen..